5 Chapters
/ 1

Internationale beteekenis van Nederland verhoogd.
Door de vergrooting van het grondgebied van een staat met een gansche provincie, bestaande uit zeer vruchtbare gronden, wordt de beteekenis van dien staat belangrijk verhoogd.
Wel wordt met zulk een annexatie als hier bedoeld geen nieuwe bevolking onmiddellijk ingelijfd, maar de uitbreiding der bestaansmiddelen, die vele duizenden tot welvaart zal voeren, brengt mede een betrekkelijk sneller toename der oude bevolking.
Aard der gronden.
Die vermeerdering van beteekenis hangt echter voor een groot gedeelte af van den aard van den aangewonnen grond. En daaromtrent behoeft geen twijfel te bestaan.
Een groot aantal grondboringen zijn verricht. Voor het plan Beijerinck werden in 1866 in het zuidelijk deel reeds 134 grondboringen gedaan; deze werden voor het Regeeringsontwerp in 1875 nog met 271 vermeerderd. Tusschen Vollenhove, de noordpunt van Schokland en den Ketel deed de Staatscommissie van 1878 voor de verbetering van het Zwolsche Diep 102 boringen uitvoeren. In het Wieringermeer zijn in 1869 grondboringen verricht23); bovendien zijn er daar in 1880 nog 120 gedaan. Op de Wadden t. Z. van Ameland zijn blijkens het Verslag v. Commissarissen der Maatschappij tot landaanwinning op de Friesche Wadden in 1879 280 boringen verricht; in 1889 is daar door den Heer Lely een nader onderzoek gedaan. Toen moesten nog over ruim de helft der Zuiderzee-oppervlakte (met inbegrip der Wadden) boringen plaats hebben, die in 1889 en 1890 door de Zuiderzee-Vereeniging ten getale van 2128 zijn uitgevoerd.
Binnen den ontworpen afsluitdijk vallen 1049 van genoemde boringen.
Het onderzoek der grondmonsters in het zuidelijk gedeelte is indertijd gedaan door Prof. van Bemmelen en de uitkomsten zijn meegedeeld in zijn rapport, overgelegd als Bijlage N bij het Regeeringsontwerp van 1877.
Prof. van Bemmelen was van oordeel, ?dat de kleigronden van de Zuiderzee" (klei tot 50 perc. zand) ?in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden" (50 à 70 perc. zand) ?der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders".
Prof. Mayer, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek van Prof. van Bemmelen tot het besluit: ?dat minstens ? van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde".24)
Bij deze uitspraak werd echter het zand als ?van geen onmiddellijke waarde" beschouwd. Maar nu, 25 jaar later, weten wij dat ook vele zandgronden bij een goede behandeling en bemesting wel degelijk een belangrijk voortbrengingsvermogen vermogen kunnen hebben, vooral als zij laag genoeg liggen ten opzichte van den algemeenen waterstand om tot grasland te worden gemaakt. Zand werd hier genoemd alle zandgrond die uit meer dan 90 percent zand bestaat; het bevat dus nog kleideeltjes die tot de vruchtbaarheid er van bijdragen.
Wat de geologische gesteldheid der nieuwe gronden betreft kan men dus gerust zijn.
Intusschen hangt de vruchtbaarheid niet alleen van de geaardheid der gronden zelve af, maar ook van een goede afwatering en, in droge tijden, van een voldoende wateraanvulling.
De nieuwe gronden moeten flink diep ?uit het water gehaald" kunnen worden, m. a. w. het polderwater moet op voldoend laag peil kunnen gebracht worden en spoedig gebracht kunnen worden, ook bij sterken regenval.
Ontzilting der nieuwe gronden.
Is dit het geval, dan kunnen zij na de droogmaking ook spoedig ontzilt worden door de daarop vallende regens. Prof. van Bemmelen zegt daaromtrent: ?Hoe snel de uitspoeling van de chloruren plaats heeft, zoodra de aan zee ontwoekerde akkers aan een krachtige bemaling worden blootgesteld, is in de IJpolders gebleken.
.... Vergelijkt men dezen goeden afloop met de lijdensgeschiedenis van den Anna-Paulownapolder (1847) en den Waard- en Groetpolder (1844) en vele Zeeuwsche polders, dan valt het groote verschil in het oog. Dit verschil is alleen aan de bemaling toe te schrijven. De genoemde polders werden gebrekkig door windmolens bemalen, de IJpolders van het begin af door stoomwerktuigen, welker vermogen in sommige polders later nog versterkt is geworden".25)
Voor een uitstekende afwatering is in het ontwerp zorg gedragen. Wij zagen dat daartoe de droogmakerijen in polders zijn verdeeld, waarvan de polderpeilen voorzichtigheidshalve op 2 M. beneden de laagste daarin voorkomende terreinen zijn gesteld op het tijdstip dat deze droogvallen,-de Zuiderzee-Vereeniging, die niet op 1 M. maar op 0,5 M. inklinking rekende, had hiervoor slechts 1,5 M. genomen. De bemaling werd zoo berekend, dat zij onder alle omstandigheden die peilen volkomen kan beheerschen.
Voorbereiding der gronden vóór de uitgifte.
Zijn de gronden in een polder drooggevallen en verkaveld, dan wordt er op gerekend, dat die niet dadelijk op een of andere wijze zullen uitgegeven worden. Men wil die dan nog gedurende ongeveer 3 jaar doen behandelen, bebouwen, enz. om ze volkomen geschikt in handen der gebruikers over te geven26). De gronden worden dan zoogenaamd zwart gemaakt, gruppels en slooten, die in 't begin telkens weer toeschieten, worden geschoten en herschoten, de verharding der wegen waar noodig verbeterd, enz. Ook in het Wetsontwerp v. 1907 betr. de droogmaking van de Wieringermeer werd daarop gerekend. In dien tijd kunnen de gronden toch reeds rijke vruchten dragen: de uit den Dollart in 1740 bedijkte Stadspolder (427 HA.) werd in dat jaar gedeeltelijk met koolzaad bezaaid; dit leverde in het volgende jaar een oogst, waarvan de verkoop na aftrek van alle onkosten de bedijkingskosten met 4852 gl., 6 st. en 2 d. overtrof!
Ook kan in dien tijd het landbouwkundig onderzoek plaats hebben voor de rationeele cultuur der nieuwe gronden, door het bebouwen van proefvelden, cultuurvakjes, enz.27).
Verkaveling en perceelsindeeling.
Wat de eigenlijke verkaveling of verdeeling der gronden aangaat door de kanalen met hoofdwegen er langs, landwegen, hoofd- en kruistochten, kavel- en hein- of tusschenslooten, zij opgemerkt, dat ook deze zaak reeds van verschillende zijden bezien is.
De Staatscommissie gaf daarvoor in haar Verslag28) een plan met kavels van 20 HA., terwijl voor het Regeeringsontwerp voor de droogmaking van de Wieringermeer van 1907 door den toenmaligen Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid een Commissie van Landhuishoudkundigen werd benoemd, die een andere wijze van verkaveling voorstelde met kavels van 10 HA.29).
Teleurstellingen vroeger ondervonden met nieuwe gronden.
Meer dan eens is de vrees geuit, dat de uit de Zuiderzee aangewonnen gronden evenzeer teleurstelling zouden opleveren als dit reeds vroeger met nieuw drooggemaakte of ingedijkte gronden het geval is geweest. Maar die vrees kwam voort uit onvoldoende kennis van de omstandigheden, waaronder de aanwinst van die gronden weleer heeft plaats gehad of door vergelijking van ongelijksoortige gronden.
Zoo vielen o. a. de gronden van de Wormer (1625-in 't zuiden zand) en van de Heer Hugowaard (1631-grootendeels zand) tegen, daar zij vooraf niet behoorlijk waren onderzocht. Daarom mag men de Zuiderzeegronden niet vergelijken met die van den Haarlemmermeerpolder, die gedeeltelijk uit zand en veen bestaan, en die dan ook in onzen tijd met zijn nieuwere hulpmiddelen nog ongeveer ?100.- bruto per HA. 's jaars minder opleveren dan die van de Waard- en Groetpolders (in 1909–1911 resp. gem. ?283.- en ?382.-).
Zeker! in den Haarlemmermeerpolder ging het den eersten tijd na de droogmaking zeer slecht. De gronden waren verkocht met de verplichting voor de verkoopers om ze nog met slooten en gruppen te doorsnijden en dit geschiedde door velen min of meer gebrekkig. Het langjarig gesukkel met de afwatering was, behalve aan de onvoldoende loozingsmiddelen, vooral te wijten aan de omstandigheid, dat de slooten door de eigenaars voor ophouding van water mochten afgedamd worden, zoodat de waterberging in den polder veel te klein was. Maar tegenvallers in dit opzicht zijn, zooals wij zagen, voor de Zuiderzeegronden geheel uitgesloten. Bij de IJgronden zijn zij ook niet voorgekomen.
Juist met hetgeen de geschiedenis ons in dit opzicht geleerd heeft kunnen wij ons voordeel doen, terwijl de hulpmiddelen der moderne techniek geheel andere zijn dan die van vroegere tijden.
* * *
Bruto- en netto-opbrengsten der Zuiderzeegronden.
Men mag daarom aannemen, dat de aldus voorbereide vruchtbare gronden der Zuiderzee-Provincie opbrengsten zullen geven, gemiddeld als die van de Waard- en Groetpolders, al komen zij voor het grootste gedeelte waarschijnlijk nog meer met de zwaardere gronden der drooggemaakte IJpolders overeen, wat voor de kleigronden in de zuidelijke kom trouwens reeds door Prof. Van Bemmelen werd uitgesproken.
In het Regeeringsontwerp van de droogmaking van de Wieringermeer van 1907 wordt meegedeeld, dat in dat jaar de pacht van kleigronden in de Waard- en Groetpolders bedroeg droeg ?100.- à ?120.-, van de zavelgronden ?70.- à ?90.-; in den Anna-Paulownapolder van lichte zavelgronden ?50.- en van de zwaardere ?90.- de HA. en dat men dus met de Staatscommissie van de Zuiderzeegronden een gemiddelde jaarlijksche netto-opbrengst van ?60.- p. HA. veilig mag aannemen, na aftrek van de polderlasten. In het nu aanhangige Wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee30) komt de Regeering tot een hooger bedrag, nl. van ?80.-, gegrond op de koopsommen der gronden die in Nederland in het tijdvak 1900–1909 gekocht en na 1909 weer verkocht zijn,-waarover hierna meer.
Voor de inzending der Zuiderzee-Vereeniging op de E. N. T. O. S. in 1913 te Amsterdam werden door het Departement van Landbouw, Handel en Nijverheid aan die vereeniging welwillend een aantal gegevens verstrekt, waaruit de gemiddelde jaarlijksche bruto-opbrengsten berekend zijn van de kleigronden in verschillende deelen des lands over de jaren 1909, 1910 en 1911. Deze waren:
in de Waard- en Groetpolders ?382.- de HA.
in de IJpolders ?374.- ? ?
en over 1911 en 1912
in noordwestelijk Noord-Brabant (klei) ?357.- ? ?
op Noord-Beveland (klei) ?359.- ? ?
in de noordelijke landbouwstreek van Groningen (zavel) ?336.- ? ?
Voor de Zuiderzeegronden zal men dus wel een gemiddelde bruto-opbrengst van ?350.- de HA. mogen verwachten.
De oppervlakte der Zuiderzee-Provincie op rond 200.000 HA. stellend, komt men dus tot een netto-opbrengst van 16 millioen gulden en een bruto-opbrengst van 70 millioen gulden 's jaars.
* * *
Wijze van uitgifte der gronden.
Het hier genoemde cijfer van de vermoedelijke netto-opbrengst werd o. a. afgeleid uit de pachtprijzen van bestaande gelijksoortige gronden. Maar het zal wel allerminst het pachtstelsel zijn, althans zooals dat tegenwoordig geldt, dat in het nieuwe gewest bij de uitgifte van gronden zal worden toegepast. Immers bekend zijn de groote gebreken die het aankleven, vooral daarin bestaande, dat de goede kansen gedurende den pachttijd grootendeels ten goede komen aan den eigenaar, de kwade daarentegen aan den pachter. Verbetering der gronden b.v. door verbeterde afwatering of door betere behandeling door den gebruiker zelven, verbetering der verkeersmiddelen, enz. teekenen zich dadelijk af in verhooging der pacht aan het einde van den pachttermijn. De schade door droogte, natte jaren, misgewas, enz. veroorzaakt, worden door den pachter geleden. Deze kan zelden of nooit de verliezen van slechte jaren met het voordeel van goede herstellen. De pachter heeft geen langdurig belang bij verbetering van grond en bedrijf. Daardoor bereikt de landbouw zelf op de pachtgronden veelal niet de hoogte waarop hij te brengen zou zijn, zooals o. a. bevestigd is door het onderzoek van den toestand van den landbouw door de Staatscommissie van 1892–1893. In 't algemeen staat de landbouw dáár het hoogst, waar de grond het eigendom is van de gebruikers.
Daarom zal het wenschelijk zijn in het nieuwe gewest zooveel mogelijk een eigenerfden-boerenstand in 't leven te roepen. Verkoop zonder meer-daarover is men 't vrijwel eens-moet uitgesloten zijn, opdat niet het grootkapitaal zich op de nieuwe gronden werpt met alle nadeelen aan het oude pachtstelsel verbonden. Verkoop zou echter toch wel kunnen plaats hebben aan de grondgebruikers zelven en onder zekere voorwaarden, alle ten doel hebbende om de gronden zooveel mogelijk in handen der gebruikers te doen blijven.
Om ook hen die weinig gegoed zijn, maar werkkracht, ijver en kennis bezitten, in staat te stellen tot meer welvaart te komen, zou men b. v. den grond kunnen uitgeven tegen betaling van rente en aflossing bij annu?teiten, zoodat na zeker aantal jaren grondeigendom kan worden verkregen.
Dit komt dus eigenlijk neer op een verkoop met hypotheek op den grond, die binnen zekeren tijd moet worden afgelost. Men wil zelfs aan hen die zulks verlangen een gedeelte der bouwkosten van woningen en andere gebouwen voorschieten.
Intusschen heeft men bij de uitgifte van gronden in dit maagdelijk gewest een grootere vrijheid van handelen dan voor de oude landen, waarbij met allerlei bestaande toestanden is rekening te houden en waarvoor de wetgeving in sommige opzichten moeilijk en slechts geleidelijk te veranderen is. Voor zoover het noodig of gewenscht zal zijn de gronden ook in handen van niet-eigenerfde gebruikers te brengen, zal men een stelsel kunnen volgen, dat door de meest gezaghebbende deskundigen als het beste wordt aanbevolen, b. v. een verbeterd pachtstelsel met veranderlijke cijns, lage erfpacht of eenig ander stelsel. Prof. Moltzer sprak eens van ?de Zuiderzee, proefveld onzer agrarische wetgeving".31)
23) Ontwerp tot Indijking van de Wieringermeer, opgem. d. d. Commissie uit de Waterschappen.-Haarlem 1874.
24) Over de boringen en het onderzoek der grondmonsters handelt uitvoerig Nota 6 der Zuiderzee-Vereeniging.
25) Zie hierover meer uitvoerig van Bemmelen. Verslag omtr. het onderzoek v. d. monsters der grondboringen in de Zuiderzee v. 1875, gev. als Bijl. N bij het Ontwerp van Wet omtrent de bedijking en droogmaking v. h. zuidelijk deel der Zuiderzee, enz. v. 1877, Hoofdst. IV.
En van Bemmelen. Bijdr. t. d. kennis v. alluvialen bodem v. Nederland (Uitg. d. Kon. Ak. v. Wetenschappen). Amst. 1866, blz. 16 e. v.
26) Zie V. d. Houven van Oordt en Vissering. De Economische Beteekenis van de Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee, 2e Dr., blz. 83.
27) Zie o. a. Hudig. Wat kan het landbouwkundig onderzoek doen voor de droog te leggen Zuiderzeepolders? Cultura 1914.
28) § 45.
29) Zie de Mem. v. Toelichting bij dat Wetsontwerp, bl. 5.
30) Blz. 15.
31) Zie over dit onderwerp o. a. van der Houven van Oordt en Vissering. De Economische Beteekenis v. d. afsl. en droogl. d. Zuiderzee, 2e Dr. Leiden 1901, blz. 83 e. v.
Verslag der Staatscommissie 1892, § 128 en Bijl. XI van dat Verslag: Rapport v. d. HH. Fontein de Jong en v. d. Houven van Oordt.
K. Reijne. Een pleidooi v. d. droogmaking der Zuiderzee. Beverwijk 1901. (Het agrarisch vraagstuk in de nieuwe polders).