Een Roemlooze Vangst
Zaterdag namiddag werden onze kanonnen eerst op den Impatiberg gebracht. Zaterdag namiddag, toen Generaal Meijer's geheele commando over de Buffelrivier op Transvaalschen bodem stond, en de weg naar het zuiden voor het groote Engelsche leger weer open was! Een Kruppkanon werd met groote moeite tot boven op den top van Impatiberg door de burgers getrokken-evenals zij vroeger een groote vestingkanon boven op een hoogen top in de Drakensbergen (tegenover Majuba) gesleept hadden, en later.... maar daarover vooreerst niet. De overige stukken werden op de westelijke helling van den Impati, vlak boven ?Marshall's Farm", in positie gesteld. Er waren er vier heerlijke Fransche veldstukken van 7? c.m. en twee eerste klas Krupps van 7? c.m., een pom-pom (Vickers-Maxim van 3.7 c.m., die 2 lb. bommetjes over de 4000 treden werpt), en een gewone maxim. Er was geen Britsche macht op die belangrijke stelling, om ons haar bezit te betwisten. Een paar geweerschoten met een kleine buitenpost gewisseld maakten ons den weg daarheen open. Even zoo waren een paar bommen uit onze Creusot's voldoende om het gansche leger in de bergen ten zuiden van Dundee te doen vluchten. Er was geen kanon of fort op eenige hoogte om het Engelsche kamp gesteld. Generaal Penn-Symons had een zeer lagen dunk omtrent de strijdkracht der Transvalers en zijn gansch leger kon gemakkelijk, zelfs na den ongelukkigen slag van Talana Heuvel, in onze handen zijn gevallen. Hij zelf lag doodelijk gewond in het dorp en zijn opvolger toonde weinig vechtlust. De Talana overwinning was inderdaad een van die, waarvan Koning Pyrrhus van Epirus zou gezegd hebben: ?Nog zulk eene zegepraal, en ik ben verloren!" Het was ongetwijfeld een bloedig gevecht van beide kanten, maar het Engelsche verlies was natuurlijk veel grooter dan dat der Boeren. De aanvallers lijden immers altoos veel meer dan de verdedigers. Het moraal der Britsche troepen liet dus heel wat te wenschen over-even als 't met Generaal Meijer's commando voor eenige dagen het geval was-terwijl de hoofdmacht van Generaal Joubert nog niet in den slag geweest was en, vooral na de kleine schermutseling te Adelaide, vol vuur en geestdrift was. Indien er toen nog een sterke afdeeling-zegge de Heidelbergers-om Dundee ware gezonden, dan zou Generaal Yule (de opvolger van Generaal Symons), zich tusschen twee vuren geplaatst ziende, in wanhoop de witte vlag geheschen hebben. Dit werd, echter, om de eene of andere reden, niet gedaan. Mogelijk dacht Generaal Erasmus, dat Generaal Meijer nog den Helpmalkaar Pas in zijn bezit hield. Mogelijk zag hij geen kans, om Commandant Weilbach er toe te krijgen, om zoodanige flankbeweging uittevoeren, daar hij meermalen in mijne tegenwoordigheid verklaarde: ?Weilbach wil mij niet gehoorzamen. Zeg ik, dat hij oost moet gaan, dan gaat hij west en omgekeerd. Ik kan op hem niet rekenen." Great Scott!
Onwillekeurig heb ik mij tot een weinig critiek laten verleiden. Of ik gelijk heb, zal den lezer verder duidelijk worden uit het vervolg van mijn verhaal. Zoodra ons geschut in positie kwam, werd er op het Engelsche Kamp, dat geen zes mijl van daar verwijderd lag, gevuurd. Een paar schoten werden terug gezonden, maar het Armstrong veldgeschut was niet bij machte onze stelling te bereiken, en de vijand verdween achter de heuvelen ten zuiden van het dorp! De verachte Boer had wel veel minder, maar veel beter grof geschut dan de met zichzelven steeds ingenomen Brit. Daar lagen zij achter Dundee, machteloos en verstomd over de situatie, waarin zij zich bevonden. Voedsel hadden zij er voor ruim drie maanden voor een 6000 man. Hun veld-hospitaal was vol gewonden. Ook andere gebouwen in het dorp werden tot hospitalen ingericht, van vriend en vijand. (Zoo lag er bijvoorbeeld de wakkere, dappere Mike du Toit, Luitenant bij de derde Batterij, die op Talana's Kruin bij zijn kanon zwaar gewond werd.) Er bleef den trotschen Brit, echter, niets over, dan alles achter te laten en op de vlucht te gaan. Dat deed hij echter eerst Zondag nacht, aan ons ruim genoeg tijd gunnend, om hem totaal intesluiten! 't Is om hoofdpijn te krijgen, als men over de ?blunders" van die dagen nadenkt.
Wij bleven Zaterdag nacht op Marshall's plaats. Het regende gruwelijk en ik bewonderde de gehardheid en gehoorzaamheid en tevredenheid onzer mannen meer dan immer te voren. Daar zaten zij tegen de kraal muren, klaar om een aanval eenig oogenblik afteslaan. Hoe jammer, dat zij niet aanvallenderwijze konden optreden?
Den volgenden morgen, Zondag 23 October, maakten de Engelschen eene beweging in de richting van Glencoe. Het was mistig weer, en zij waren een heel eind weegs uit hun kamp getrokken, eer wij hun plan ontdekten. De Heidelbergers versperden ze echter spoedig den weg, en onze Creusot's speelden met hunne kanonnen, zoo als een kat zich met een muis vermaakt. Vriend Armstrong zond een paar bommen in onze richting, die echter alleen een paar honderd treden te kort vielen. Wij stonden er volmaakt veilig op onze hoogte, terwijl onze bommen onder hun gelederen vielen. Evenzoo kan men het zich voorstellen, heeft de bekende Gulliver op zijne reizen de kleine Lilliputianen dikwijls van een heuvel met steenen lastig gevallen, zonder het minste gevaar voor zijn eigen persoon. De Engelsche batterijen keerden zich toen in woede tegen de kopjes, waarop de Heidelbergers zich bevonden, maar ook dat bleef zonder eenige vrucht. De Mausers lieten een hagelbui van kogels op hunne hoofden los en-zij keerden terug naar hun onzichtbare schuilhoeken achter Dundee. Waarheen zij gegaan waren, wisten wij niet zeker, maar niemand scheen te vermoeden dat zij hun kamp en hunne vele gewonden in ons bezit zouden laten zonder verderen tegenstand.
Een groote Creusot vestingkanon van 15? cM., die een bom van 85 ? gewicht 12000 meter ver werpt, werd nog dien Zondag met oneindig veel moeite van Dannhauser naar Marshall's plaats vervoerd. Wat een gesukkel met de zware houten balken, die tot platform voor het monster-geschut moesten dienen! En wederom was al die moeite bloot tijdverspil!
Den Zondag werd verder als een dag van rust doorgebracht! Niets werd er gedaan, om de positie en de plannen van den radeloozen vijand te ontdekken, laat staan, om hem te omsingelen. Niets. Het was een dag van rust. Het was de Sabbatdag. Wij mochten dien dag niet vrijwillig en op eigen initiatief door krijgsoperaties ontheiligen. Ach! hoe jammer, dat onze menschen het niet begrepen, dat de ééne, groote vraag deze was: of zij den oorlog met een goed en rein geweten begonnen waren! Als dat eerst in orde was, dan bestond de ware godsdienst voor den krijgsman verder vooral in het oorlogvoeren met geheel zijn verstand en hart en met al zijne krachten! Zoo moet een leger op actieven dienst zijn God dienen, mijdunkt. Maar onze voormannen dachten er blijkbaar anders over-en verzetten verder geen trede, om den vijand vast te keeren.
Den volgenden morgen werd het groote vestingkanon in positie gesteld, terwijl de Heidelbergers langzaam en voorzichtig al langs de bergen in een zuidoostelijke richting trokken om den vijand uit zijn schuilplaats op te jagen. Met gespannen aandacht werd hun tragen gang door ons gadegeslagen. Elk oogenblik kon een gevecht zich ontspinnen-meenden onze Generaals.
Niets van dat alles vond er plaats. De vogel was in den nacht reeds gevlogen! Den stal wilden wij sluiten, na het paard eruit was. Een enkel kanonschot dreunde er van den top van den Impati-het was Luitenant de Jager nog eens, die gewis tot berstens toe ziek was van de herhaalde fiasco's onzerzijds gepleegd-en eene wacht kwam uit de stad met een witte vlag te voorschijn. Hospitaal en gewonden, kamp en dorp werden ons overgegeven. Vooral de massa voedingsmiddelen (er was een heele pyramide) kwamen ons goed te pas en mochten een kolossale, hoewel roemlooze vangst heeten.
Zoo werd Dundee door ons genomen! Onze Zondagsrust kostte ons duur: het geheele leger was ontsnapt en kwam werkelijk veilig te Ladysmith aan! De teleurstelling was dubbel groot na den treurigen afloop van den slag op den vorigen Vrijdag. De Engelschen waren onuitsprekelijk dwaas om daar, te Dundee, midden in de bergen, (die zij nog al aan de Boeren overlieten) zulk een kostbaar kamp te vormen. Wij waren niet minder dwaas in de wijze, waarop wij van den Vrijdagmorgen tot den volgenden Zondagavond te werk gingen om Dundee in te nemen. Generaal Penn-Symons was overmoedig en onderschatte de kracht zijner tegenpartij; Generaal Erasmus had te min moed en overschatte de macht der Engelschen. Allerwege en voor allen was de Dundee-geschiedenis een treurige mislukking. Geen van beide partijen behaalde er veel eer mede. Vele dapperen sneuvelden er op Talana heuvel aan onzen kant, en de echtgenoote van Generaal Penn-Symons, die den val van Dundee niet overleefde, had een profetisch voorgevoel, toen zij haar man per kabel liet weten:
?Ik ben de hoogmoedigste vrouw in Engeland; vreeselijk angstig; verlangend naar boodschap. Leef om mijnentwille."
* * *