Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaar en tusschen alles door, al