3 Dec. 1904.
Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het heerlijk klimaat van Californi? ging ik verlaten met de wetenschap, dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig, vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden; het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000 kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering van the Falls der Niagara en vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika: New-York City.
De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt, bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend kilometer spoorlijn.
Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellen wanneer men weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer bedraagt. Ik zeg "eenigszins", omdat de exploitatie hier zich niet bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op 't spoor in de dining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en niemand is daarmede beter gediend dan "het publiek". Want de wijze, waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs, worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.
Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australi? of van China komende-ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en Batavia maakte-die evenals ik, ingenomen waren met de wijze, waarop de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.
Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen, ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis, voor zoover zij door Californi? gaat, kent men eenigszins uit de vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.
De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10 maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen soms geruimen tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs, want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen, dan is hun eerste en eenige aanloop de saloon, dat is de kroeg, waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank, staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is: waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.
Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een roulet of speeltafel te houden.
De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de "saloon"-houders en de houders der "gambling-tables"; personen die bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden, die bezwaar hebben tegen dobbelspel.
Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in de "saloons" worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen, Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het draaibord waarop de prijs een volgenden keer "moest" vallen. Het ging hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25 cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan, die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen men daaromheen ziet in de "saloons" waar het verhoogde recht betaald werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen, wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen, wel eens heeft waargenomen.
Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken, dat de centrale regeering van Amerika spoedig tusschenbeide kome, om een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.
Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo'n toestel, primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer-de afstand van Amsterdam naar Arnhem-en aan het eind van den afgelegden weg werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.
Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de kunstmatige beek, zooals ik zoo'n bak zou willen noemen, op tamelijk grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meer te krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte-daarop worden ze reeds gemaakt bij 't vellen-werden aan het eindpunt op platte spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen, die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken, inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags gewerkt. Van 7–12 en van 1–6 en als het druk is nog van 7–9?, waarvoor dan ? van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft, die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in die kleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr. W. A. Clark, een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat, vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel, ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers, bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor 't overige met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en co?peratie. Ik spreek ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten: de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken om dan bij honderdtallen naar de slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere grenzen gehouden door de cow-boys, te paard gezeten jonge mannen, die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das, ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk aan die van den trein. Aan den knop van 't zadel hangt de lazzo en ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.
In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter middellijn nooit missen.
Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover zijn vele interessante verhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog in de kan is, valt er met den cow-boy te praten; is zij in den man dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende kracht wordt aangewend.
Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.
Men spoort van het station Williams in een paar uur naar de grand canyon1 of Arizona en honderd pas van het station staat men voor een afgrond, die-behalve door zijn uitgebreidheid en diepte-een wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien, daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs een pad dat ruim 10 kilometer lang is-een weg die gewoonlijk op een paard of muilezel wordt afgelegd-krijgt men menig denkbeeld van deze meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht, telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel staren. Eindelijk na lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is, langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan 3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.
Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door getroffen als door den grand canyon, zijn de versteende bosschen. Op geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70 meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die het zand opzweepten en in groote massa's verplaatsten, deze boomen, naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats gespoeld, waar zij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w., men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu met hun kleurenpracht ons oog bekooren.
Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is de natuurlijke brug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd (zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom, verbonden worden.
Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is, het zijn de cliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld door windselen van grof linnen.
De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning van boven af bereikt maar moeten daarvoor een talent van klimmen en klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan traditi?n, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.
Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat daar nu nog gevonden wordt.
Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago, met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van bijna alle nati?n der wereld.
Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs van de meest energieken onder deze business-men. Met 't gevolg dat allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het aanzijn danken, kon ik ervaren bij een bezoek aan de slachtplaats van Armour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de "corned beef" en de "smoked tongue". Men kan zich moeilijk den omvang dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijd dagelijks tienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken, etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan 't werk, die 2000 ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een knoopen- en kammenfabriek (van den horens en hoeven der koeien). Toen ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijne meening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen, was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman, hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven, niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op een aandeel in de behaalde voordeelen.
De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4? dollar per dag. De unskilled $ 1.75.
Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met menschen, die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking, die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam, die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!
Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen, zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet aangaat.
In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe (meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers, worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man van 't vak, komen geschillen hoogst zelden voor.
Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivier spoorde en bedacht dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan 't mijmeren over het verleden en het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika, althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.
En nu, na 300 jaren?