De stad Zanzibar, die ik in alle richtingen heb doorkruist, heeft in mijne herinnering een verward en onbevallig beeld achtergelaten.
De voorname, aanzienlijke wijk is eene warreling van nauwe bochtige stegen, met witte huizen en met kalk bepleisterde straten; in de wijk der Banyans is het eene opeenvolging van smalle, diepe, duistere winkels, aan bedsteden gelijk: op den voorgrond eenige bronskleurige mannen met roode tulbanden, en daarachter stapels van gemeene katoenen stoffen: wit katoen, ongebleekt katoen, geruit, gestreept, gebloemd katoen, katoen zonder einde; dan planken, zwoegende onder zware olifantstanden; donkere hoeken, waar ge, in de schemering, hoopen ruwe katoen, aardewerk, spijkers, gereedschappen en allerlei andere artikelen, in bonte wanorde door elkander, ontdekt.-De negerwijk laat de herinnering achter aan wollige kroeskoppen boven donkergele of zwarte lichamen, meestal dampende van zweet: onbevallige gedaanten, neergehurkt voor de deuren van ellendige krotten, lachende, babbelende, twistende, schacherende, te midden van eene bedompte, stinkende, bedorven lucht: een mengsel van allerlei uitwasemingen, van teer, huiden, leer, verrottende planten en alle denkbare, niet te noemen onreinheden en afval.
Ik herinner mij groote, stevig gebouwde huizen, met platte daken en hooge gebeeldhouwde deuren, van zware ijzeren kloppers voorzien; voor de deur zit eene of andere donkerkleurige gestalte, met gekruiste beenen, nauwlettend den ingang van de woning des meesters bewakende. Voorts, een tamelijk ondiepen zeearm, met booten, sloepen, schuiten, arabische daous, en een vreemde stoomsleepboot, half verzonken in het slib, dat de eb heeft achtergelaten. Eindelijk, een plein, Nazi-Moya genaamd, waar de Europeanen, des avonds, met loome schreden op en neder drentelen, om de frissche zeelucht in te ademen; eenige graftomben van zeelieden, die hier den laatsten adem hebben uitgeblazen; een groot gebouw, bewoond door den heer Doctor Tozer, bisschop van Centraal-Afrika, de bisschoppelijke school, en duizende andere dingen.... Al te gader verwarde en onbestemde beelden, waarin ik ter nauwernood de Arabieren van de Afrikanen, de Afrikanen van de Banyans, de Banyans van de Hindi, de Hindi van de Europeanen kan onderscheiden....
Zanzibar is zoowel het Bagdad als het Stamboel van oostelijk Afrika: het is de groote markt- en stapelplaats voor den handel in ivoor: kopalhars, verfmos, huiden, kostbare houtsoorten en slaven; daar worden, diep uit het binnenland, de zwarte dochteren van Oehiyoe, van Oegindo, Oegogo en het land der Gallas aangevoerd, om in het openbaar verkocht te worden. Zanzibar drijft bovendien handel in kruidnagelen, peper, sesam, schelpen en kokosolie. De waarde van den uitvoer wordt op zeven millioen gulden, die van den invoer op ruim acht millioen geschat.
Deze geheele handel wordt door drie verschillende klassen van lieden gedreven: door de Arabieren van Maskate, door de Banyans en door de mohammedaansche Hindoes, die te zamen den hoogen en den middelstand vormen. Zij zijn de grondeigenaars; zij bezitten magazijnen en schepen; het geld en daarmede ook de macht, is in hunne handen. De werkende klasse bestaat uit Afrikanen, hetzij dan slaven of vrijen. Waarschijnlijk maken zij twee derde der bevolking uit, die op tweehonderd-duizend zielen geschat wordt, waarvan omstreeks de helft in de stad zelve woont.
De Banyan is een geboren handelaar, een schacheraar van nature; het geld stroomt even natuurlijk in zijne zakken, als het water eene steile helling afloopt; in slimheid, oneerlijkheid en doortrapte bedriegerij wint hij het zelfs van den Jood, en kent geen mededinger dan den Parsi; bij hem vergeleken, is de Arabier een onbedreven knaap. Toch zou ik bijna durven beweren, dat de Hindi, waar het op geslepenheid en boosaardige roofzucht aankomt, niet voor den Banyan onderdoet. Ik heb mij zelf dikwijls afgevraagd, aan wie van beiden de palm toekwam: en ik heb lang geaarzeld, eer ik die den Banyan toekende. Met zulk soort van lieden zou ik thans te doen krijgen.
In de eerste plaats wenschte ik kennis te maken met den heer Kirk, den consul en diplomatieken vertegenwoordiger van Groot-Brittanje. Hij was de reisgezel van Livingstone geweest; en ik verbeeldde mij dat hij, meer dan iemand anders, de man was, tot wien ik mij te wenden had om eenige inlichtingen omtrent den beroemden reiziger, zijn vriend en landgenoot, te bekomen.-De heer Webb stelde mij aan Dr. Kirk voor: een schraal manneke, zeer eenvoudig gekleed, met eenigszins gebogen rug, een mager gelaat, zwart haar en dito baard. Op het hooren van mijn naam, trok hij zijne wenkbrauwen in de hoogte, en zag mij met verbazing aan. Het gesprek liep over allerlei zaken; alleen als hij over zijne jachtavonturen sprak, kwam er leven en beweging in zijne stroeve trekken. Er werd geen woord gerept van hetgeen mij bovenal ter harte ging; en ik moest den volgenden dinsdag afwachten, toen er receptie was aan het britsche consulaat, om daarover met den consul te kunnen spreken.
Ik had mij naar het consulaat begeven, en verveelde mij daar schrikkelijk, toen de heer Kirk eindelijk medelijden met mij kreeg. Hij kwam naar mij toe, liet mij een kostbaar geweer voor de olifantenjacht zien, en begon mij iets te vertellen van zijne vroegere reizen met Livingstone. Ik haastte mij, van de gelegenheid gebruik te maken.
"Waar denkt gij wel, dat Livingstone zich nu zou bevinden?" vroeg ik hem.
"Dat is moeilijk te zeggen; misschien is hij wel dood; er zijn reeds twee jaar verloopen, sedert wij het laatst tijding van hem ontvingen. Telkens zenden wij hem allerlei zaken. Op dit oogenblik staat weer eene kleine karavaan te Bagamoyo gereed om te vertrekken. Hij moest nu terugkeeren; hij wordt oud; en als hij kwam te sterven, zouden al zijne ontdekkingen verloren zijn. Hij houdt geen dagboek, en maakt weinig of geene aanteekeningen; hij schrijft vluchtig iets op eene kaart, of maakt daarop een teeken, waaruit niemand wijs kan worden. Hij moest nu waarlijk terugkeeren, en de taak aan jongere overlaten."
"Wat is het voor een man?" vroeg ik met levendige belangstelling.
"Iemand met wien het niet gemakkelijk is om te gaan. Persoonlijk heb ik mij nooit over hem te beklagen gehad; maar hoe dikwijls heb ik hem tegen anderen zich driftig zien maken! Dat komt, geloof ik, omdat hij geen reismakkers nevens zich dulden kan."
"Maar stel eens, dat ik hem op mijne tochten ontmoet, wat zeer licht gebeuren kan: hoe zou hij zich dan wel tegenover mij gedragen?"
"Om u de waarheid te zeggen, geloof ik niet dat hem dit aangenaam zou zijn. Ik weet wel, dat wanneer Burton, of Grant, of Baker hem wilden gaan opzoeken, en hij daarvan de lucht kreeg, hij dadelijk zou zorgen dat een afstand van een paar honderd mijlen ondoordringbare wildernis, moerassen en poelen hen van hem scheidde. Ik houd mij overtuigd, dat hij het zou doen."
Behoef ik te zeggen, welken indruk die mededeelingen op mij maakten? Ik was geheel uit het veld geslagen, en zou gaarne van mijn voornemen hebben afgezien, indien de plicht mij niet ware opgelegd. Trouwens, toen ik de taak op mij nam, Livingstone te gaan zoeken, wist ik heel goed, dat mijn pad niet met rozen bestrooid zou zijn. De last was stellig; ik had de verplichting op mij genomen; en al had ik nu zeker geweten, dat ik als een indringer, als een ongeroepen mededinger, als iemand die zich bemoeit met dingen, die hem niet aangaan, zou worden afgewezen-toch moest ik Livingstone opzoeken, hem vinden zoo hij nog in leven was, of anders mij de bewijzen verschaffen dat hij was overleden. Dit was mijn plicht, en dus ook mijn vaste wil.
Ik wist volstrekt niet, wat er al zoo voor eene expeditie naar het binnenland van Afrika noodig was; en den ganschen nacht tobde ik over vragen als deze:-Hoeveel geld moet ik medenemen?-Hoeveel dragers?-Hoeveel soldaten? (Daarmede bedoelde ik de vrije negers, van Zanzibar geboortig, of de vrijgelaten slaven, die de reizigers vergezellen, en zich zelf Askari noemen, een hindoesch woord dat soldaat beteekent).-Hoeveel katoen, glaswerk, koperdraad en andere snuisterijen?-Welke soorten van stoffen?-En op al die vragen zocht ik te vergeefs een antwoord. Ik bedekte gansche vellen papier met eindelooze reeksen van cijfers, om uit te rekenen hoeveel het onderhoud van honderd man mij per jaar wel kosten zou: en ik kwam tot geen resultaat. Ik bestudeerde Burton, Speke en Grant: ik vond heel veel geographische, ethnographische en andere geleerdheid, maar geen enkel woord omtrent de inrichting eener karavaan. De europeanen, die ik daarover sprak, waren op dat punt al even wijs als ik; het was ook trouwens hun zaak niet.
Eindelijk wendde ik mij tot een Arabier, een vermogend en deftig man, die juist uit het binnenland was teruggekeerd, en die de eerste kooplui der stad in zijn huis ontving. Van hem vernam ik, dat voor het onderhoud van honderd manschappen, tien doti of veertig ellen katoen per dag voldoende waren; mijne reis op twee jaren rekenende, had ik dus vijftigduizend el katoenen stof noodig, die ik nu verder moest uitzoeken.-Dan, het glaswerk, of liever de glazen koralen, die in vele streken de eenige munt zijn. Het lastige hierbij was, dat de smaak bij de verschillende stammen zeer uiteenloopt: de eene wil witte kralen, een andere bruine of groene; in Oenyamoe?zi bij voorbeeld, zijn de roode kralen zeer in trek, met uitsluiting van alle anderen; in Oegogo daarentegen verlangt men alleen de zwarte, die nergens anders gangbaar zijn. Burton moest eenige duizende kralensnoeren weggooien, die niemand hebben wilde.
Ik moest dus, hoe ongaarne ook, aan dit punt al mijne aandacht wijden, en zooveel mogelijk trachten te berekenen, hoeveel tijd ik in elke landstreek waarschijnlijk zou doorbrengen. Dat was een vermoeiende arbeid. Telkens en telkens herhaalde ik bij mij zelf de namen van dingen en maten en gewichten: barbaarsche namen, die ik maar niet kon onthouden, en die mijn geduld op eene zware proef stelden. Eindelijk, na allerlei berekeningen, kwam ik tot het besluit, dat vijf-en-twintigduizend snoeren voldoende zouden zijn, en dat ik mij tot elf verschillende soorten kon bepalen.
Maar ik was nog niet klaar: na de glaskoralen, het koperdraad. In de landstreek, die ik ging doortrekken, vervangen de glaskoralen het kopergeld; de katoenen stoffen, het zilvergeld; en aan gene zijde van het meer Tanganjika, bekleedt het koperdraad de plaats van gouden munt. Met groote moeite, kwam ik eindelijk tot de wetenschap, dat draden van ongeveer de dikte onzer telegraafdraden, de meest gezochte waren, en dat ik aan driehonderd-vijftig pond koperdraad meer dan genoeg zou hebben.
Toen deze inkoopen volbracht waren, kon ik niet nalaten met zekere zelfvoldoening een blik te werpen op mijne balen, netjes in de ruime magazijnen van het consulaat gerangschikt. Toch was mijne taak nog op verre na niet afgeloopen: nog ontbraken er mondbehoeften, keukengereedschap, zakken, tenten, tuigen voor de ezels, teer, zeildoek, naalden, gereedschappen, wapenen, ammunitie, geneesmiddelen, dekens: in een woord, honderde artikelen die nog allen gekocht moesten worden. En dan-het loven en bieden met die doortrapte, schraapzuchtige kooplui! Voor de ezels, waarvan ik er twee-en-twintig noodig had, vroeg men mij honderd tot honderd-vijf-en-twintig gulden het stuk; ik kreeg ze eindelijk voor tusschen de veertig en vijftig gulden; maar wat had ik daarvoor niet moeten redeneeren en pleiten, als gold het eene halszaak! Ik kon geen kaart spelden koopen, zonder dat er over den prijs getwist werd, hetgeen natuurlijk eindeloos veel tijd kostte en mij soms buiten mij zelven bracht.
Toen ik de ezels gekocht had, ontdekte ik dat er in de gansche stad geen pakzadel te krijgen was. Er schoot niet anders over, dan ze zelf te maken. Farquhar en ik togen aan het werk, en slaagden er in de noodige pakzakels te vervaardigen van touwen, zeildoek en katoen; wij volgden daarbij hetzelfde model, waarvan het engelsche leger bij den veldtocht in Abessini? had gebruik gemaakt.
Omstreeks dezen tijd kwam John William Shaw, te Londen geboren, en derde stuurman op een amerikaansch koopvaardijschip, mij zijne diensten aanbieden. Hoewel zijn vertrek van zijn schip een weinig verdacht was, vond ik daarin toch geen reden om hem af te wijzen. Hij was vlug en behendig, kon goed met de naald en schaar omgaan, had verstand van varen, was werkzaam en voorkomend; ik nam hem dus in mijne dienst, tegen een loon van zevenhonderd gulden per jaar. Mijn andere bediende, Farquhar, was een zeer bekwaam zeeman, en een knap mathematicus; hij was krachtig gebouwd, vol energie en had een goed karakter; jammer genoeg was hij aan den drank verslaafd, en het losbandige leven, dat hij te Zanzibar leidde, zou hem weldra noodlottig worden.
Henry Stanley.
Toen ik met mijne inkoopen klaar was, moest ik nog twintig man aanwerven, die mij tot geleide moesten dienen, en hen wapenen en uitrusten. Johari, de tolk van het consulaat, sprak mij over enkele inlanders, die Speke op zijne reis hadden vergezeld. Het scheen mij een groot voorrecht toe, indien het mij mocht gelukken, menschen in mijne dienst te krijgen, die met de europeesche gewoonten en manieren bekend waren, en die misschien andere geschikte personen zouden overhalen om met hen te gaan. Vooral had ik aan Bombay gedacht, den trouwen hoofdman van het geleide van Speke. Met behulp van Johari, slaagde ik er in weinige uren in mij te verzekeren van Oeledi, den voormaligen bediende van Grant; van Oelimengo, Barati, Mabroeki, den bediende van Burton, en van Ambari, die alle vijf deel hadden uitgemaakt van het gevolg van Speke. Bombay, de aanvoerder van het geleide, bezorgde mij bovendien achttien vrijwilligers, die, zooals hij verzekerde niet zouden wegloopen, en voor wier trouw hij instond. Het waren mooie, welgevormde mannen, die er veel verstandiger uitzagen, dan ik ooit van wilde Afrikanen had verwacht. Hunne maandelijksche bezoldiging werd op drie dollars bepaald; ieder van hen ontving een musket, een kruidhoorn, een zak met kogels, een bijl, een mes, en de noodige ammunitie voor tweehonderd schoten.
Ik ontveinsde mij geene enkele der vele moeilijkheden en bezwaren, aan mijne onderneming verbonden, en beijverde mij zooveel mogelijk, maatregelen te nemen om die moeilijkheden en bezwaren, die ik kon vermoeden dat mij wachtten, te overwinnen. Als ik, aan den oever van het meer Tanganjika gekomen en den overkant voor mij ziende, eens werd opgehouden door den onwil van een of ander opperhoofd of de luimen van een Arabier? Moest ik daarvan afhankelijk zijn? Om dit te voorkomen kocht ik twee booten; de eene, waarvoor ik tachtig dollars betaalde, kon twintig personen bevatten, met de noodige koopwaren; in de andere konden zes personen met hunne bagage gemakkelijk plaats vinden. Ik nam die vaartuigen uit elkander, en behield alleen het geraamte; de rest verdeelde ik in pakken, die niet meer dan acht-en-zestig pond wogen. De houten bekleeding werd vervangen door een bekleedsel van stevig, geteerd, dubbel zeildoek: eene uitvinding van John Shaw, die bij dit werk eene groote handigheid aan den dag legde.
Ik verbeeldde mij dat een kleine kar, geschikt voor de bijkans onbegaanbare wegen des lands, ons heel goed te pas zou kunnen komen. Zoo een ezel honderd-veertig pond kon dragen, was het toch waarschijnlijk, dat hij het dubbele van dien last zou kunnen trekken: zoo doende zouden vier mannen zijn uitgewonnen. Of ik goed gezien had, zal later blijken.
Toen ik, nadat al deze voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, die lange reeksen van balen en zakken, van kisten en valiezen, die tenten, die stapels van goederen van allerlei aard overzag, stond ik een oogenblik versteld over mijne eigene stoutmoedigheid. Hoe zou ik deze gansche massa door de woestijn vervoerd krijgen, die zich van de kust tot aan de groote binnenlandsche meren uitstrekt?-Komaan! zeide ik bij mij zelf, geen moed verloren! Handen uit de mouwen en aan het werk! Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad; loopen wij niet vooruit op den morgen. Het maximum van vracht voor een drager is zeventig pond; aangenomen dat die rommel daar elfduizend pond weegt, dan heb ik zoo wat honderd-zestig dragers noodig. Ik moet zien die te krijgen. Te Bagamoyo zijn ze te vinden: alzoo naar Bagamoyo.
Eene laatste onaangenaamheid wachtte mij nog bij de betaling mijner rekeningen. Laat ieder, die te Zanzibar komt, zorgen dat hij baar geld bij zich heeft. Credietbrieven, wissels, banknoten, mandaten, wat ook, niets wordt hier aangenomen, zonder eene korting van twintig tot dertig percent per dollar; en dan nog kost het de grootste moeite uw papier kwijt te raken. Eindelijk was toch ook dit afgeloopen. Mij restte nu nog slechts de Europeanen te bedanken, die mij hunne hulp en medewerking hadden verleend, en afscheid te nemen van zijne hoogheid den sultan, die mij een arabisch paard ten geschenke had gegeven en mij ook op andere wijze zijne goede gezindheid had betoond. Hij gaf mij nu aanbevelingsbrieven mede voor zijne ambtenaren langs de kust, en ook een firman gericht aan alle Arabieren, die ik onder weg zou ontmoeten.
Mijn laatste bezoek was aan den heer Goodhen, een amerikaansch koopman, sedert geruimen tijd te Zanzibar gevestigd, en die mij, bij het afscheid nemen, een bruinen vos ten geschenke gaf, een echt raspaard, van de Kaap afkomstig, en dat minstens vijftienhonderd gulden waard was.
Den volgenden dag, 5 Februari, negen-en-twintig dagen na onze komst op het eiland, lagen vier daous, arabische barken, ten anker voor het consulaat der Vereenigde-Staten. Alles was ingescheept, alle man was aan boord: John Shaw en Farquhar verschenen niet. Eindelijk, na lang zoeken, vond men ze bij een drankverkooper.
"Een slecht begin," zeide ik tot hen.
"Denkt ge niet, mijnheer, dat ik verkeerd gedaan heb, toen ik beloofde met u te gaan?" vroeg Shaw.
"Hebt gij het contract niet geteekend?" vroeg ik op mijn beurt. "En nu, spoedig aan boord. Wat ons ook te wachten sta, niemand mag zijn plicht verzaken!"
De afstand van het eiland Zanzibar naar Bagamoyo op den vasten wal bedraagt niet veel meer dan vijf-en-twintig mijlen: toch had onze luie daou niet minder dan tien uren voor die reis noodig.
Eene bonte volksmenigte; uit Arabieren, Banyans en inlanders bestaande, stond ons op het strand op te wachten; onder hen merkte ik een der geestelijken op van de missie, die de Jezu?eten te Bagamoyo hebben gesticht. De eerwaarde pater bood ons, met uitgezochte beleefdheid, dadelijk de gastvrijheid aan; maar hoe hartelijk en dringend de uitnoodiging ook mocht zijn, toch nam ik haar slechts voor een enkelen nacht aan, daar mijne vrijheid mij boven alles waard is.
Den volgenden morgen begaf ik mij reeds vroeg naar ons kamp en telde mijne ezels; ik miste er twee, benevens een rol koperdraad. Blijkbaar hadden al onze lieden geslapen, zonder aan dieven te denken. De djemadar, de kommandant der plaats, werd van het voorgevallene onderricht, soldaten werden in verschillende richtingen uitgezonden; aan den vinder van het vermiste werd eene belooning toegezegd. Nog voor den avond werd een der ezels teruggevonden in een maniokveld, waar hij rustig de bladeren afknabbelde; de andere was evenwel voorgoed verdwenen, evenals het koperdraad.
In den loop van den dag ontving ik een bezoek van Ali-ben-Selim, die mij kwam begroeten. Zijn broeder het voormalige opperhoofd der karavaan van Burton en Speke, zou mijn agent zijn in Oenyanyembe; ik liet mij door zijne beleefdheid innemen, en ging des avonds een kop koffie bij hem drinken. De koffie, hoewel zonder suiker gebruikt, was zeer goed; en het onthaal was zoo vriendelijk mogelijk.
"Wat kan ik voor u doen? ik ben uw vriend, en wensch niets liever dan u dit te toonen."
"Ik heb groote behoefte," antwoordde ik, "aan een vertrouwd persoon, die mij zoo spoedig mogelijk aan de noodige dragers helpt. Zoo gij er mij honderd-veertig bezorgen kunt; wil ik u gaarne betalen wat gij vraagt."
"Mij betalen voor zoo kleine dienst!" hernam de slang, op zoetvloeienden, zalvenden toon. "Ik vraag u niets, mijn vriend; en wees maar gerust, over veertien dagen zijt gij niet meer hier."
Twee gewichtige redenen deden mij een spoedig vertrek zeer wenschelijk achten. Was het waar, dat Livingstone, zooals de heer Kirk beweerde, eene ontmoeting met mij zou trachten te vermijden, dan kwam het er voor mij op aan, Oedzjidzji te bereiken, vóór het gerucht mijner komst tot daar kon zijn doorgedrongen. Nu was de masika, de regentijd, niet verre meer: overviel zij mij te Bagamoyo, dan zou ik daar moeten vertoeven, tot zij voorbij was: minstens een oponthoud van veertig dagen.
Getrouw aan zijne belofte, kwam Ali den volgenden morgen bij mij, en onderzocht met een zeer ernstig gezicht, mijne bagage. Hij deelde mij mede, dat al die pakken en balen in matten zakken gepakt moesten worden, en dat hij iemand zou zenden om daarvan de maat te nemen. Vooral drukte hij mij op het hart, niet met dien man over den prijs te spreken; daar zou hij voor zorgen. Het inpakken mijner goederen had ik opgedragen aan een zekeren Jetta, commissionnair te Zanzibar, die alles door elkander had ingepakt, zonder zich om het gewicht te bekommeren. Nu verschijnen op zekeren dag twee pagazis (dragers), die, eer zij zich verhuren, de bagage wenschen te zien. Zij lichten de pakken op, trekken een bedenkelijk gezicht, en weigeren eene overeenkomst aan te gaan. De bagage wordt nu gewogen: elk pak woog minstens dertig pond meer dan het bepaalde maximum. Alles moest weder losgemaakt, uit elkander genomen en op nieuw ingepakt worden.
Dit verdrietig werk was eindelijk afgeloopen; de veertien dagen waren verstreken: en nog was er geen drager te zien. Ik zond Mabroeki naar Ben-Selim. "Over eenige dagen zult ge ze allen hebben," antwoordde de Arabier; maar ik geloof er geen woord van, zeide Mabroeki, die mij de boodschap overbracht; ik heb hem hooren zeggen, dat de sultan u aan den djemadar had aanbevolen, en dat hij zich met uwe zaken niet had te bemoeien.-De veertien dagen waren verloren!
Ik herinnerde mij nu, dat een rijke Hindi mij gesproken had over een zekeren Hadji Pallou, die wel nog zeer jong was, maar toch, volgens hem, zijns gelijke niet had, als het op het vormen eener karavaan aankwam. Dat was nog eene laatste uitkomst. Ik zond mijn tolk naar Zanzibar; na verloop van drie dagen keerde hij terug met een brief van den Hindi, en eene menigte zeer nuttige en bruikbare zaken, die de heer Webb mij zond. Korten tijd daarna ontving ik een bezoek van Sour Hadji Pallou. Hij deelde mij mede, dat er geen dragers dan tegen zeer hoogen prijs te bekomen waren; dat eene menigte Arabieren steeds op de loer lagen naar elke gelegenheid om er eenigen meester te worden, en ieder man met twintig doti (tachtig el katoen) betaalden. En toch moesten zij, die geen hooger bod deden, dikwijls nog een half jaar wachten. "Zoo gij spoedig wilt vertrekken, zeide hij eindelijk, moet gij minstens vijf-en-twintig doti geven; dan zult ge binnen drie weken gereed zijn."
"Het is goed," antwoordde ik, terwijl ik hem tevens liet zien dat ik genoegzamen voorraad van stoffen had om ruim te kunnen betalen;-"en voegde ik er bij, gij zult bovendien een geschenk ontvangen, waarmede gij tevreden zult zijn."-"Een geschenk! O, neen! volstrekt niet!" hij verzocht mij alleen aan mijne vrienden en landgenooten te doen weten, "welk een geschikt, fatsoenlijk jongmensch hij was." Toen verhaalde hij mij, tot mijne groote verwondering, dat hij bij zich aan huis tien dragers had; en dat zoo ik hem aanstonds vier balen katoen, twee zakken met koralen en twintig rollen koperdraad zond, de pagazis reeds den volgenden morgen, met drie mijner soldaten, zouden vertrekken; "want kleine karavanen verdienden de voorkeur boven groote, die de begeerlijkheid der stamhoofden opwekten en hen maar al te dikwijls tot vijandelijkheden uitlokten; de kleine daarentegen trokken ongemerkt voorbij."
Arabieren te Zanzibar.
De balen werden aan zijn huis bezorgd; ik wenschte mij zelf geluk, dat ik met dien geschikten fatsoenlijken jonkman in aanraking was gekomen, en schreef in mijn dagboek eene schitterende lofrede over zijne bekwaamheid, hulpvaardigheid en belangeloosheid. Ik dacht er reeds over na, welk geschenk ik hem geven zou, toen hij den volgenden morgen bij mij kwam "om de zaak af te doen," en mij, met de onverstoorbaarste kalmte, zijne rekening voorlei: "Eene som van.... wegens de betaling van vijf-en-twintig doti, als loon, aan iederen drager." Hij verzocht mij tevens, die rekening zoo dadelijk in klinkende munt te betalen. Ik wist letterlijk niet wat ik zeggen zou. Ik nam de vrijheid, dien fatsoenlijken jonkman onder het oog te brengen, dat toen ik hem gisteren de drieduizend doti liet zien, die in mijne tent waren, wij hadden afgesproken, dat ik zelf de dragers betalen zou. Hij stemde dit toe, maar kwam er openlijk voor uit dat hij zijne eigene waren wenschte te verkoopen, en niet de mijne: en dat hij daarom het contract maar had ter zijde gesteld. Ons gesprek duurde langer dan een uur. De brave jongeling smeekte en bad en schreide, en beloofde dat hij zich nooit meer met mijne zaken zou bemoeien. Ik gaf evenwel niet toe; en eindelijk ging Hadji Pallou, tevreden met het commissieloon dat hem niet ontgaan kon, heen, de drie soldaten met zich nemende, die zijne dragers moesten vergezellen. Toen zijn katoen hem terug werd gegeven, bleek het, dat in plaats van de vijf-en-twintig doti, die hij mij in rekening bracht, de pagazis er hoogstens ieder niet meer dan twintig hadden ontvangen; sommigen waren met twaalf doti afgescheept.
Toch moest ik de hulp blijven inroepen van dien schavuit, die, terwijl hij de halve stad door zijne in het oog loopende vroomheid stichtte, mij tien malen per dag bestal, en als hij ontdekt werd, daarover niet de minste schaamte gevoelde. Gedurende de zes weken, die ik daar heb doorgebracht, heeft die onbeschaamde jongen mij meer last en hoofdbreken veroorzaakt, dan al de gauwdieven van New-York aan de-het is waar tamelijk zorgelooze-politie. Wellicht zal men mij vragen, waarom ik dien fielt niet dadelijk de deur heb gewezen? Omdat ik zonder hem misschien zes maanden te Bagamoyo had moeten blijven.
Slavinnen te Zanzibar.
Den 18den Februari ging de eerste afdeeling mijner karavaan op weg; de tweede volgde op den 21sten, vier dagen later vertrok de derde; den 11den Maart ging de vierde op reis, en den 21sten dier maand de vijfde of laatste, waartoe ik zelf met Shaw behoorde. Verder bestond ons gezelschap uit acht-en-twintig pagazis, twaalf soldaten, een kok, een kleêrmaker, een tolk, een bediende, twee paarden, zeventien ezels en een hond. In het geheel was onze karavaan honderd-twee-en-negentig manschappen sterk.
Ons vertrek van Bagamoyo geschiedde onder de gunstigste voor teekenen. Wij waren allen vroolijk en opgewekt en vol hoop; de soldaten zongen; de kirangozi, dat wil zeggen de gids, stiet allerlei afschuwelijke geluiden uit, terwijl hij de vlag der Vereenigde-Staten heen en weer zwaaide. Mijn hart klopte zoo hevig, dat ik groote moeite had, de onverstoorbare kalmte te bewaren, die aan het opperhoofd eener karavane voegt. De zorgen en beslommeringen, die mij sedert meer dan twee maanden hadden bezig gehouden, waren vergeten; de toekomst opende zich voor mij, rijk aan de schoonste beloften, de bemoedigendste verwachtingen. De landstreek was bekoorlijk: vreemde boomen, vruchtbare velden, een weelderige, liefelijke plantengroei. Vroolijk straalde de zon boven mijn hoofd; vroolijk zongen de vogelen in bosch en veld, vroolijk gonsden de insecten door de warme lucht: alles scheen mij toe te roepen: Houd goeden moed! Geluk op reis!
Den 26sten Maart kwamen wij te Kikoka, een dorp, of liever een verzameling van strooien hutten, waar wij den nacht doorbrachten. De weg, dien wij gevolgd waren, en die vóór mij nog door geen blanke was betreden geworden, had ons door eene schoone, afwisselende landstreek gevoerd: velden, bosschen, heuvelen, valleien. Ook toen wij den volgenden morgen onze reis voortzetten, behield het landschap dat eigenaardig, bekoorlijke karakter, dat mij aan een groot engelsch park denken deed.
Weldra begon de grond zich met gelijkmatige golvingen te verheffen, eindelijk vertoonden zich enkele heuvelen met struikgewas en riet bedekt. Op een dier heuvelen, door dicht en doornig kreupelhout omgeven, ligt Rosako. Op korten afstand ligt een ander dorp, evenzeer door een bij kans ondoordringbaren gordel van mimosas beschut. Tusschen de beide dorpen breidt zich eene vruchtbare vallei uit, waardoor een beek kronkelt.
Rosako ligt op de grens van Oekoeéré; wij trokken het dorp binnen, en sloegen midden tusschen de woningen ons kamp op. Reeds hadden wij sedert eenigen tijd de vierde afdeeling onzer karavaan ingehaald. Toen wij den volgenden morgen op het punt stonden van te vertrekken, kwam Maganga, de aanvoerder dier bende, mij berichten dat drie van zijne pagazis ziek waren. Ik liet de bende te Rosako achter, en vervolgde met mijn eigen gezelschap den tocht. Maar weldra begon ik mij over dit achterlaten te verontrusten en liet halt houden. Wij bevonden ons juist nabij de bijkans uitgedroogde bedding eener beek, waarin nog enkele plassen stonden. Nauwelijks hadden wij ons kamp opgeslagen, of wij werden met schrik gewaar hoezeer het op deze plek van insecten wemelde, vooral van vliegen, waarvan ik drie soorten onderscheidde, die al gonzende, bij groote scharen, door mijne tent rondvlogen. De tegenwoordigheid dier lastige en venijnige gasten beviel mij volstrekt niet. Ik herinnerde mij, wat de heer Kirk had verteld van de verderfelijke tsétsé, die in deze streken te huis behoort. De inboorlingen verzekerden mij dat al deze vliegen de gezworen en zeer gevaarlijke vijanden waren van het vee, hetgeen ook de bijna volstrekte afwezigheid van runderen, in eene streek zoo rijk aan weilanden, verklaarde. Ik onderzocht deze vliegen zoo nauwkeurig mogelijk. De grootste, die bijna drie duim lang was, hield ik voor de afrikaansche paardenvlieg. De tweede kwam meer overeen met de beschrijving, die men mij van de tsétsé gegeven had. Zij was zoo vlug, dat mijne lieden meer dan een uur werk hadden, eer zij er eene gevangen hadden. Zoodra men haar aanvatte, stak zij met alle macht, en hield met hare aanvallen niet op, voor haar een speld door het lijf was gestoken. De derde maakte minder gerucht dan de beide anderen, maar was veel geduchter; de paarden en ezels, door haar gestoken, steigerden en sloegen van pijn, terwijl hun het bloed langs het lijf liep. Later heb ik ontdekt dat zij inderdaad de beruchte tsétsé was.
Reeds waren er twee dagen voorbijgegaan, zonder dat wij iets van Maganga hadden vernomen. Ik liet hem zeggen, dat hij zich wat moest haasten, en dat ik hem aan de volgende halt zou afwachten. Daarop vertrokken wij naar Kingaroe, in eene nauwe moerassige vallei, door hooge boschrijke heuvelen omringd, gelegen: een ware bakermat voor de koorts. Het was dan ook een bij uitnemendheid ongezond oord, vooral nu de regentijd zich reeds begon aan te kondigen door geweldige stortbuien. Ik had nog geen twee dagen hier vertoefd, of reeds waren mijne beide paarden bezweken; Selim kreeg de koorts, toen de kok, toen diens bediende, toen de kleermaker. Van mijne vijf-en-twintig manschappen, waren er tien ziek.
Eindelijk den 4den April, verscheen Maganga, dien ik nu weder vooruit liet trekken. Den volgenden morgen hervatten ook wij den tocht, die ditmaal weder zeer bezwaarlijk was. Onze weg voerde ons door een bijkans ondoordringbaar dicht kreupelhout, waar de uitwasemingen van rottende planten ons schier deden stikken; het pad, dat tusschen twee hooge muren van stekelige doornen voortliep, was niet veelmeer dan een voet breed; en men kan zich moeielijk voorstellen wat het in heeft, langs zulk een weg, zeventien zwaar beladen ezels door zeven mannen te doen voortdrijven, te meer daar de scherpe doornen elk oogenblik in de bagage bleven haken. Toen wij, na een uiterst vermoeienden tocht, te Msoehoea aankwamen, moesten wij daar uitrusten, om menschen en beesten weder eenigszins op hun verhaal te laten komen. Het opperhoofd van het dorp gaf mij een zijner vetste schapen en vijf maten sorgho ten geschenke, wat mij zeer gelegen kwam. Van mijne zijde schonk ik hem acht ellen katoen, en liet hem mijne wapenen, en vooral mijne revolvers zien, die in de hoogste mate zijne bewondering opwekten.
Voorbij Msoehoea werd de weg aanmerkelijk beter, zoodat wij onze reis door eene schilderachtig schoone, heuvelachtige landstreek, zonder bezwaar konden vervolgen, en den 17den April te Moehalleh aankwamen, waar ik Selim-ben-Rashid aantrof, die met driehonderd olifantstanden uit het binnenland kwam. Hij schonk mij eene hoeveelheid rijst, en gaf mij ook, wat nog meer waard was, eenige berichten aangaande Livingstone. De brave Arabier had hem te Oedsjidsji achtergelaten, waar hij, gedurende veertien dagen, in eene hut naast die van Livingstone had gewoond. "Hij is zeer ziek geweest, zeide Selim, en ziet er uit als een grijsaard: zijn gelaat is vervallen en zijn baard bijna wit."
Den volgenden morgen gingen wij verder de vallei in, en trokken langs de muren van Simbamoe?nni, de hoofdstad van Oesegoehha. De aanblik dezer stad, aan den voet der bergen van Oeroegoeroe, in eene prachtige, door twee rivieren besproeide vallei gelegen, trof mij. Zij telt ongeveer vijfduizend inwoners; de huizen zijn naar afrikaansche wijze, maar in den besten stijl gebouwd; de stad is volgens het arabisch-perzische stelsel versterkt. Aan iederen hoek van de steenen omwalling verhief zich een massief steenen toren; de muur had vier poorten, naar de vier windstreken gericht, die met zware houten deuren gesloten werden. Het koninklijk paleis was een langwerpig gebouw met eene veranda en een steil oploopend dak, dat ver buiten den muur uitstak. Dit paleis werd bewoond door eene sultane, dochter van zekere Kisabengo, een handigen schurk, die bij zijn leven de schrik van zes gewesten was geweest. Van lage afkomst, maar met eene buitengewone lichaamskracht begaafd, vlug ter taal, sluw en handig, had Kisabengo zich een grooten invloed weten te verwerven op de weggeloopen slaven, die hem als hun hoofd erkenden. Door de justitie achtervolgd, was hij naar 't binnenland gevlucht, en had daar op groote schaal zijne roof- en plundertochten voortgezet: met dat gevolg dat hij eindelijk de Voeakami gedwongen had, hem eene uitgestrekte landstreek in hunne prachtige vallei af te staan. Op de fraaiste plek dier streek had hij zijne hoofdstad gebouwd, waaraan hij den naam gaf van Simbamoe?nni, dat wil zeggen Leeuwenstad. Tegen het einde van zijn leven, had de oude bandiet zijn naam van Kisabengo voor dien zijner stad verruild; en bij zijn sterven had hij gewild dat zijne dochter, die hem in de regeering opvolgde, dienzelfden koninklijken naam zou voeren.
Vier mijlen van Simbamoe?nni, aan den oever der rivier, sloegen wij ons kamp op. Wij waren midden in den regentijd; en zeer spoedig werd ik gewaar, dat mijn verblijf in de moerassen van Arkansas mij nog niet had gehard tegen de beproevingen van de afrikaansche masika. Ik kreeg de koorts; maar het gelukte mij, die spoedig, althans voor een tijd, te verdrijven. Intusschen was het onmogelijk den volgenden dag te vertrekken, zooals ik mij had voorgenomen. De Oengerengeri, in het droge jaargetijde een onbeteekenend rivierke, wordt in den regentijd een geweldige stroom, die het water van de naburige bergen ontvangt, en met geen mogelijkheid te doorwaden is. Bovendien regende het aanhoudend: een dier vervelende regens, die u dwingen in huis te blijven en u uit uw humeur maken; geen stortbuien, maar een voortdurend bad van lauw water, met vochtigen nevel doormengd.
De plek waar wij ons kamp hadden opgeslagen, mocht inderdaad een kweekplaats voor de pest worden genoemd; de onreinheden, daar door vele opvolgende geslachten van dragers achtergelaten, hadden gansche zwermen van kruipende en wriemelende ongedierten gekweekt: de grond, de boomen, de struiken, de lucht wemelden er van. Het was hier niet uit te houden, en met vreugde maakten wij van den eersten helderen dag gebruik, om onze bagage naar de overzijde der rivier te vervoeren. Dit ging niet gemakkelijk, want wij moesten ons behelpen met eene brug, die voor ieder ander dan negers of akrobaten van beroep onbegaanbaar was. Zulk eene afrikaansche brug is niet anders dan een boom, die van den eenen oever tot den anderen reikt; ge begint nu met van den oever op een der takken te springen, die zeer dikwijls half onder water ligt; dan scharrelt ge voort tot aan het andere einde, en moet dan weer een sprong wagen om den vasten grond te bereiken. Met een vracht van zeventig pond op den rug, is dat geene lichte zaak. Somwijlen heeft men de voorzorg gebruikt, van eene liane, naast de zoogenaamde brug, bij wijze van leuning, over de rivier te spannen: maar deze weelde is verre van algemeen. De overtocht duurde vijf uur, maar liep zonder ongelukken af.
Wij trokken nu noordwaarts voort, en bereikten eindelijk den voet van een heuvel, waar wij een zoogenaamde khambi, een kamp, vonden, waarvan de hutten in een goeden staat verkeerden. Deze plek heette Simbo. Van den top des heuvels overzagen wij eene wijde vlakte, de vallei van de Makata, die wij nu moesten doortrekken. Deze uitgestrekte moerassige vlakte, door eene menigte nullahs (greppels, of liever beddingen van beeken) doorsneden, die nu vol water stonden en met riet en biezen waren begroeid, heeft bij mij alleen de herinnering achtergelaten aan een vervelenden, uiterst vermoeienden marsch van tien uren, waarin wij niet meer dan even zooveel mijlen hadden afgelegd. Het was bijna middernacht, toen onze kar, door vier haast van vermoeienis bezwijkende mannen begeleid, in het kamp, dat wij in deze woestijn hadden opgeslagen, aankwam. Bombay, die medekwam, verhaalde mij dat zijne bagage hem ontstolen was, toen hij die had nedergelegd om de kar uit den modder, waarin zij bleef steken, te helpen trekken. Naar zijne meening behoorden de dieven tot den stam der Vouashensi, die de karavanen volgen met het doel om de achterblijvers uit te plunderen. Onder de verloren voorwerpen bevonden zich een groote amerikaansche bijl, een tent, een pistool en een hoorn met kruit van de beste kwaliteit. Ik maakte mij zeer boos, en beval Bombay, bij het krieken van den dag dadelijk op weg gaan, om zijn pak op te sporen.
Tevens zond ik drie mijner soldaten naar Simbamoe?nni om graan te koopen, en den kok te halen, die reeds den vorigen dag was vertrokken en niet teruggekomen. Drie dagen gingen voorbij, eer mijne manschappen terugkeerden. Eindelijk verscheen Bombay: hij had niets gevonden. Ik ontnam hem zijn titel van hoofdman, en zond Shaw uit om te onderzoeken wat er van de anderen geworden was. Hij keerde nog denzelfden avond, met een geweldige koorts op het lijf.
Evenwel bracht hij mijne soldaten mede, die hij onderweg had ontmoet. Zie hier wat hun overkomen was. Onderweg hadden zij vernomen dat een witte ezel, zoo en zoo opgetuigd en beladen, door twee mannen weder over de rivier was gevoerd. Niet twijfelende of dit was de ezel van onzen kok, waren zij haastig naar Simbamoe?nni teruggekeerd, en hadden tegen de mannen, die de poort bewaakten, gezegd, dat twee Vouashensi de stad waren binnen getrokken met een ezel, wier meesters zij vermoord hadden. Voor de sultane gebracht, hadden mijne soldaten hun bericht nog eens herhaald; en daar de poortwachters inderdaad de twee Vouashensi hadden zien voorbijgaan, had de sultane twintig musketiers uitgezonden, om de dieven op te sporen. Weldra had men hen gevonden, en met den ezel en al de bagage naar de stad teruggevoerd. Deze beide mannen verhaalden dat zij den ezel aan een boom vastgebonden hadden gevonden, zonder dat er iemand bij was, en dat zij het dier hadden medegenomen. Den kok hadden zij niet gezien. Intusschen was de diefstal uitgemaakt, en de sultane wilde dit vergrijp niet ongestraft laten voorbijgaan. Zij zeide tot de beide dieven dat zij hen naar den sultan van Zanzibar zou zenden, om daar hunne straf te ondergaan; en vroeg daarop aan mijne soldaten, waarom ik de verschuldigde schatting niet betaald had. Deze, die niet wisten dat de eerste afdeeling der karavaan ook reeds voor alle volgende had voldaan, konden daar niet op antwoorden. De waardige dochter van Kisabengo had hun daarop toegevoegd dat zij zich zelf betalen zoude, niet alleen door den ezel met de bagage te behouden, maar ook door hunne wapenen af te nemen; bovendien zouden zij zelf in boeien geklonken worden, tot hun meester hen kwam verlossen.
Zanzibar.
Zij had hare bedreiging ook uitgevoerd; en sedert zestien uren waren mijne drie soldaten op de markt geboeid ten toon gesteld, ten spot der menigte, toen een Arabier, dien ik te Kingaroe ontmoet had, de sheik Thani, hen gelukkig herkende. Hij had zich naar de sultane begeven, had haar een sterk gekleurd tafereel van mijne macht opgehangen; haar onder het oog gebracht, aan welk gevaar zij zich blootstelde, en haar eindelijk bewogen, mijne soldaten in vrijheid te stellen. Zelfs werd de ezel met de bagage en een der drie geweren teruggegeven; ook had men hun vergund, een genoegzamen voorraad koren te koopen, om al mijne manschappen gedurende vier dagen te onderhouden. De goede Arabier had de vrijgelatenen naar Simbo geleid, en Shaw had hen in zijn kamp teruggevonden.
Zanzibar.
Ondanks geweldige stortregens, braken wij ons kamp op en vervolgden onzen tocht. Aanvankelijk vonden wij een drogen weg of dijk, maar weldra bevonden wij ons weder in de vlakte, waar de grond week en kleverig was als lijm. Shaw was ziek; op mij alleen rustte de zorg voor het bestuur onzer karavaan. Elk oogenblik bleef een der ezels in den modder steken: en als het ons eindelijk met groote moeite gelukt was het arme dier weder op de been te helpen, zonk weer een ander in den zachten grond, en zoo ging het telkens. Daar kwam bij, dat wij bij herhaling rivieren moesten doorwaden, die in dit seizoen meest allen geweldige watermassa's medevoeren; vooral de Makata, van eene nederige beek tot een machtigen, onstuimigen, snelvlietenden stroom aangegroeid, die verre buiten zijne oevers was getreden, en niet dan met de grootste inspanning en wezenlijk gevaar was te doorwaden.
Aan den oever van het meer Tanganjika.
De noodlottige tocht door deze moerassige, half overstroomde, ongezonde vlakte duurde drie dagen. Wij plasten letterlijk door het water, dat somwijlen tot aan de borst en de schouders kwam. Mijne manschappen waren uitgeput van vermoeienis, de meesten waren ziek. Shaw had voortdurend de koorts; een der soldaten had de pokken; Bombay leed aan hevige krampen in de borst; Mabrak, een stevige jonge neger, klaagde over misselijkheid; de kleermaker had geen kracht om iets te doen; de anderen waren allen evenzeer van streek. Zij gingen eenvoudig in den modder liggen, en ik moest de toevlucht nemen tot de zweep, om hen tot voortgaan te bewegen. Dit middel hielp: de kwalen weken met verwonderlijke snelheid, en de uitgeputte krachten kwamen even spoedig terug. Onze ezels bezweken bij twee en drie per dag: er bleven eindelijk maar vijf over, die haast niet meer voort konden. Soldaten en dragers leden vreeselijk; ik zelf was dood ziek. Toch hadden wij slechts twee slachtoffers te betreuren: een pagazi, en mijn hond, mijn armen Omar, die mij sedert mijn vertrek uit Indi? had vergezeld.