Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > Piet Uijs
Piet Uijs

Piet Uijs

Author: : Christaan Willem Hendrik van der Post
Genre: Literature
Piet Uijs by Christaan Willem Hendrik van der Post

Chapter 1 Aanhangsel 201

LEVEN VAN C. W. H. VAN DER POST.

Christiaan Willem Hendrik van der Post werd op 26 Maart 1856 te Leiden, Holland, geboren. In 1859 kwamen zijn vader en moeder met hun drie-jarige zoon naar Zuid-Afrika, en nadat zij een tijdlang aan de Kaap hadden vertoefd, ging zijn vader naar Montagu als bank-bestierder. Door krankheid werd hij later genoodzaakt zijn betrekking neer te leggen en toen ging hij met zijn familie te Ladismith wonen.

Daar ging het niet beter, de krankheid nam toe en spoedig was het gezin in armoede gedompeld. Nu sprong de vijftienjarige Christiaan in de bres.

Naar school was hij alleen maar voor drie maanden gegaan; maar zijn vader en moeder die allebei 'n zeer goede opvoeding hadden genoten, hadden alles in hun vermogen gedaan om zijn verstand te ontwikkelen, en hun zoon had van hun lessen goed gebruik gemaakt. Veel had hij ook te danken aan Ds. D. van Velden, die hem boeken gaf om te lezen en die ze dan met hem besprak.

Op 26 Maart 1871, begon de knaap zijn werk. Een vriend van de familie nam hem in huis als onderwijzer voor zijn kinderen. Hier kreeg hij £ 1 per maand. Treffend is het hoe hij, toen hij zijn eerste pond ontving, aan Meneer de Wet vroeg hem dat toch in zilver te geven, hij wou voelen dat hij iets verdiend had; en hoe trots legde hij die 20 shillings in zijn moeder's schoot. Op de plaats kreeg hij ook iedere morgen en iedere middag bij de koffie een beschuitje. Hij zelf at die beschuitjes nooit, maar hij gaarde ze op en nam ze aan het eind van iedere maand naar huis voor de kleinere broertjes en zusjes.

Bij grote vastberadenheid van karakter was hij tevens uiterst grootmoedig-onzelfzuchtig-onbaatzuchtig en weekhartig. Nooit klopte een behoeftige of verdrukte tevergeefs bij hem aan.

Intussen studeerde hij vlijtig totdat hij het onderwijzers-certifikaat van de Kaap Kolonie verkreeg. Nu ging hij naar de Vrijstaat als onderwijzer op de plaats Abrahamsfontein, Philippolis.

Later werd hij aangesteld als onderwijzer aan het Grey College, waar hij bleef tot 1881, toen hij zich op de rechten begon toe te leggen.

Hij vestigde zich te Fauresmith en genoot een van de grootste praktijken in de O. V. S.-één hoofdkantoor en 7 takken.

In 1885 huwde hij met Johanna J. Lubbe van Philippolis en na haar dood in 1888 met Maria N. Lubbe. Uit het eerste huwelik had hij één zoon, H. P. van der Post, en uit het tweede zes zoons en acht dochters, waarvan twee overleden zijn.

In 1887 werd hij gekozen tot lid van de Volksraad en hij bleef zulks totdat de oorlog uitbrak. Voor 'n tijd was hij ook voorzitter van de Volksraad van de O. V. S.

Hij was ook Consul der Nederlanden en consulaire agent voor Frankrijk. Maar toen de oorlog uitbrak bedankte hij voor het Consulschap en werd hij Kommandant voor de delen van de Vrijstaat zuid en oost van Bloemfontein.

Toen de vijand Fauresmith innam, weigerde hij zich over te geven en vluchtte hij, vergezeld van één man, Hendrik Lubbe, de bergen in. Hij trachtte weer een kommando bij elkaar te krijgen, en kwam eindelik met 17 man in de Transvaal aan, waar hij tot Kommandant van Barberton benoemd werd. Hier werd hij op 13 September door Generaal French gevangen genomen.

Het werd hem toegestaan op "parool" naar de K. K. te gaan. Een tijdlang bleef hij te Ladismith en Laingsburg, vanwaar hij met zijn familie naar Stellenbosch ging.

Daar woonde hij 5 jaar lang voordat het hem in 1906 toegelaten werd naar de Vrijstaat terug te keren, zonder de Eed van Getrouwheid af te leggen. Hij ging echter niet naar Fauresmith terug, maar vestigde zich te Philippolis.

Van af 1907 tot 1910 vertegenwoordigde hij Philippolis in het Parlement van de O. R. K. Maar na de Unie trok hij zich terug uit de politiek en weidde hij zijn aandacht groteliks aan zijn tuin op het dorp en aan zijn plaats, Wolvenkop.

Na een kort ziekbed overleed hij op 20 Augustus 1914 te Philippolis.

Hij schreef "Piet Uys" en "Ingnas Prinsloo" alsmede vele korte stukken en gedichten; ook vertaalde hij veel uit het engels, vooral van Tennyson en Longfellow.

ANNA VAN DER POST.

Philippolis,

30 Sept. 1915.

VOORWOORD.

(Voor de eerste druk).

Het boekje, dat ik hiermede het Hollands lezend Publiek aanbied, handelt over een tijdvak in de Geschiedenis van Zuid-Afrika, dat ten volle onderzoek en beschrijving waard is. Immers, in die dagen werd door de wakkere Voortrekkers het zaad gezaaid, waaruit, eenmaal ontkiemd, de Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaansche Republiek zijn ontsproten; en het is te betreuren, dat veel dat in die dagen is gebeurd, voor het nageslacht verloren zal gaan, en nimmer zal worden geboekstaafd, tenzij er meer werk wordt gemaakt om hun bevindingen te vernemen en op te tekenen, uit de mond van die weinigen, die nog leven van degenen, die aan de gebeurtenissen van die dagen deel hebben genomen.

Ik wens de indruk niet te laten, dat mijn boekje in alle opzichten histories korrekt is; de aard van het werk bracht het mede, dat ik mij zekere vrijheden moest veroorloven; maar toch, in hoofdzaak is mijn verhaal histories, en op de geschiedenis van Zuid-Afrika gegrond. Veel is er door mij neergeschreven, zoals door mij vernomen van de lippen van personen, die in die bloedige dagen van de Grote Trek in Natal geleden en gestreden hebben. Zelfs heb ik niet nagelaten inlichtingen in te winnen bij sommige Zulu's, die maar al te goede reden hebben om de dagen van Dingaan nimmer te vergeten. Ook heb ik de vrijheid genomen hier en daar te putten uit "De Worstelstrijd der Transvalers" van Ds. F. Lion Cachet, "Geschiedenis van Zuid-Afrika" van de Heer John Noble, en "The History of the Battles and Adventures in Southern Africa" van de Heer D. C. F. Moodie.

Op politiek gebied wens ik mij niet te begeven, maar toch kan ik de verzoeking niet weerstaan, de Jongelingschap van Zuid-Afrika toe te roepen: Ge hebt recht, trots te zijn op uw voorgeslacht. Ge behoeft u voor uw geschiedenis niet te schamen. In u ligt de kern van een groot en edel volk. Ge bezit al de bestanddelen, waaruit een natie kan worden geboren. Bouw voort op de fondamenten door een waardig voorgeslacht gelegd, en maak u dat voorgeslacht waardig. Moge het voorbeeld van Piet Uijs, de nederige, eerlike en moedige Christen en krijgsman; van Dirk Uijs, de vaderlievende knaap, die het sterven aan de zijde zijns vaders boven het leven verkoos, en wiens heldemoed verdient voor eeuwig in de herinnering van Zuid-Afrika's zonen te blijven voortleven; van zo menig edel hart in mijn werkje genoemd, u zovele spoorslagen zijn, om te streven naar alles dat goed, schoon en edel is. En vooral: Laat u niet her- en derwaarts leiden, maar streef naar zelfstandig denken, overwegen en handelen. Streef om de woorden van de Amerikaanse dichter Longfellow voor u zelf in toepassing te brengen, en wandel op de levensweg. "Het hart van binnen en God omhoog." Doe, en doe eerlik naar het best van uw vermogen, wat uw hand te doen vindt; wellicht dat dan het heilig, rein en zuiverend licht, dat aan het Eeuwig Licht ontstraalt, op u zal afdalen, en gij zonder het te zoeken, het u zelf onbewust, zult worden een levend, wandelend protest tegen al wat laag, gemeen, onedel en onmannelik is.

Indien ik, in welke geringe mate ook, daartoe heb kunnen bijdragen door het schrijven van dit boekje, zal het mij genoegen doen, te kunnen denken, dat ik een plicht vervuld heb, tegenover Zuid-Afrika, het Vaderland mijner kinderen, mijn aangenomen Vaderland, dat mij dierbaar is.

Chapter 2 No.2

Het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.

Men schrijft 25 Februarie 1838. 't Is een koele nacht geweest. De nachtdampen uit de door overvloedige regen doorweekte bodem gestegen, opwaarts gedreven door een zacht windje, dat uit het Oosten komt, hebben het Quathlamba gebergte, dat zich trots ten Westen verheft, omsluierd, en de indrukwekkende rotsgevaarten zijn als met het blanke kleed van de onschuld omtooid. In het Zuid-Westen verheft zich de 12000 voet hoge top van de Mont-aux-Sources, hartader van enige der grootste rivieren van Zuid-Afrika, die in hem ontstaan, oorspronkelik door hem worden gevoed; en de zon werpt zijn eerste stralen op de kruin van de berg, alsof Natuur zijn voorhoofd met gouden kransen wilde kronen. In dit gedeelte van het Zuidelike punt van het Donkere Werelddeel wijkt het nachtelik donker met de dageraad terug voor het licht van de Dagvorstin. Jaren zullen nog verlopen, stromen bloeds vergoten, hete tranen geschreid, nameloos lijden en ontbering verduurd, edele blijken van moed, volharding en zelfopoffering worden geleverd, eer de nachtelike nevelen van Onkunde, Heidendom en Barbarisme verdreven zullen worden door de stralen van de Zon der Gerechtigdheid Gods, plaats zullen inruimen, bij het hoorngeschal van de dagheraut der beschaving, voor instellingen gegrondvest op rechtvaardigheid, gerechtigheid en recht.

Op een kleine verhevenheid, in een vruchtbare, met weelderig wuivend, hier en daar door trekkend vee platgetrapt gras overdekte vallei, aan de helling van het gebergte is een lager. Laten wij dat nader beschouwen.

Omtrent een honderdtal ossewagens zijn in een kring getrokken, zodanig dat de disselboom van de ene wagen onder de buikplank van de andere insteekt. Alle openingen tussen en onder de wagens zijn opgevuld met staketsels van takken van doorn- en stekelbossen, en hier en daar met wallen van graszoden. Ten Noord-Oosten van het lager, aan de voet van de verhevenheid waarop het rust, vloeit een kristalheldere beek, die van het gebergte gedaald, zich voortspoedt z'n wateren te storten in de Klerkspruit, een tak van de Wilgerivier, die zich oplost in de Vaalrivier. Op een punt, waar het water van deze beek de verhevenheid raakt, bevindt zich een opening in de dicht aaneengesloten wagenkring, op geringe afstand van die kring gedekt door een stevige wal van graszoden, omtrent vijf voet hoog. Hier is de lagerpoort, die in- en uitgang verschaft aan de lagerbewoners en hun vee. Met regelmatige pas, niet zozeer omdat zulks door de lagertucht vereist wordt, dan wel om het kille gevoel te verdrijven, dat in hem gedurende de koude nacht ontstaan is, loopt de poortschildwacht op en neder, het oog af en toe richtende naar de overzijde van de vallei, van waar hij ieder ogenblik de terugkomst van de brandwacht verbeidt, die als voorpost, gedurende de nacht, voor de veiligheid van het lager mede gewaakt heeft.

Hij is een fors gebouwd man, onze schildwacht, zeker niet ouder dan dertig jaar. Het is hem aan te zien dat hij voor geen klein geruchtje vervaard is. Zijn hoofd is gedekt door een breedgerande vilten hoed, waarop enige prachtige struisvogelpluimen door het morgenwindje heen en weder gewuifd worden. Zijn regelmatige, krachtig getekende gelaatstrekken, gebronsd door koude en hitte, wind en weder, gedurende zijn omzwervingen door de vlakten van dit Zuid-Afrikaans hoogland, zijn omlijst door een korte, zware, blonde baard. Grote, donkerblauwe, heldere ogen fonkelen nu en dan van onder de brede hoederand, als hij de blik slaat in de richting, vanwaar de brandwacht terugkeren moet. Een kort, grijs duffels jasje of baadje, zeker ter beschutting tegen de koude, tot aan de hals over de brede borst dichtgeknoopt, dekt zijn bovenlijf; en een ruime klapbroek van gelooid en daarna bereid leder, gemeenzaam onder de naam van velbroek bekend, met eigengemaakte schoenen van grof gelooid leder, veldschoenen genoemd, die tans door de dauw zijn doorweekt, voltooien zijn kleding. Aan de lederen bandelier, die hem omgordt, en welks kogeltas wel gevuld is, hangt zijn kruithoorn, met koperen ringen en ivoor ingelegd en versierd, benevens een tasje vol van kleine linnen zakjes met lopers gevuld, krachtig doeltreffend verdedigingsmiddel bij het stormlopen, of bij aanval door een overweldigende vijand; en in een lederen schede het korte, scherpe dolkmes met houten heft, bekend als Hernhutter mes, nuttig bij het afslachten en uiteensnijden van gedood wild of geslacht vee, bruikbaar als tafelmes bij de eenvoudige maaltijd, onmisbaar somtijds als wapen, wanneer de nood aan de man komt en het geweer is leeg geschoten. Op zijn linkerschouder draagt hij de zware baviaansbout, het pangeweer van welks dappere en degelike hantering de voortrekkers zovele blijken hebben gegeven en uit de klippijp, met lange houten en hoornen steel, die hij tussen de lippen houdt, doet hij, schoon het nog zo vroeg in de morgen is, gestadig de rookwolkjes opstijgen.

Onze schildwacht,-wij behoren hem de lezer voor te stellen, Louis Nel is zijn naam, en wij zullen hem in de loop van dit verhaal meermalen ontmoeten,-is onderwijl blijkbaar onrustig en ongeduldig geworden, want hij mompelt herhaaldelik in zichzelf: "Waar blijft de brandwacht? Ik hoop maar, dat ze geen ongeluk gekregen hebben," en intussen blijft hij met versnelde tred, waaruit duidelik gemoedsaandoening is af te leiden, voor de lagerpoort heen en weer stappen.

In het midden van het lager is een tweede afschutting of omheining van palen, takkebossen en graszoden gevormd, een tamelik brede ruimte latende tussen deze en de wagenverschansing. Dit is de kraal, waar des nachts het vee wordt ingesloten, en beveiligd is tegen de lagen van de roofzuchtige inboorlingen, zowel als tegen de aanvallen van de leeuw, hier niet de Koning der wouden, want wouden zijn er niet, maar de Grootvorst der vlakten, wiens donderend gebrul nacht aan nacht tot in het lager doordringt, en van de jakhalzen, wolven, hyena's en wilde honden, wier klagend geblaf en gehuil dikwerf als een wantonig koor op de krachtige monotoon van de leeuw wordt vernomen. In de voormelde open ruimte binnen het lager zijn verscheiden veldtenten opgeslagen, en is hier en daar een kookscherm te zien, van zoden gebouwd, zonder dak, en slechts bedoeld om de wind en het door hem medegedragen stof enigermate af te keren.

De zon is tans boven de kimmen gerezen, en nauweliks hebben z'n eerste stralen de witte wagenkappen en tenten verguld, of het geluid van stemmen doet zich overal in het lager horen. Een rookzuil stijgt op uit een kookscherm, langs een der grootste tenten, dicht bij de lagerpoort, en weldra ziet men overal in het lager rookwolkjes oprijzen. In het genoemde kookscherm heeft een reeds bejaarde kleurling vuur aangelegd, de ijzeren waterketel boven het vuur gehangen, en wacht nu, terwijl hij zijn koude handen bij de vlam koestert, tot het water kookt om koffie te zetten. Het is die kleurling aan te zien dat hij geen Kaffer, Koranna of Bosjesman is. Schoon donker, bijna geheel zwart van tint, toont de vorm zijner trekken, zowel als zijn lang, slank haar dat hij een Malabaar is, een der aan hun meesters verknochte slaven, die van de hun geschonken vrijheid geen ander gebruik maakten, dan om hun meesters vrijwillig te vergezellen, toen dezen de tocht naar de binnenlanden ondernamen, om zelf vrij te zijn van de Britse Regering, die huns inziens, hun menig onrecht had aangedaan, het minste waarvan niet was de wijze waarop door deze Regering uitvoering was gegeven aan de vrijverklaring der slaven.

Onze schildwacht gaat nog steeds voort met zijn eentonige wandeling; alleen schijnt zijn ongerustheid sterk te zijn aangegroeid. Zo?ven heeft hij tot zichzelf uitgeroepen: "Het lijkt me, dat er iets verkeerd is. Als de brandwacht nog vijf minuten wegblijft, ga ik de Kommandant roepen."

"Morgen, Baas Louis!" klonk het op eens uit het kookscherm. "Baas heeft het zeker van nacht hot-achter gehad met die kou."

"Morgen Galant! Dat kan jij geloven, mijn voeten zijn nat van de dauw, en het smaakt me, of mijn baard en haren ook vol water zitten. Als jou koffie klaar is, kan jij me gerust een koppie vol inschenken en brengen. Dat zal mijn lijf goed doen. Ik zal aan jou Baas vertellen, dat je mij op mijn verzoek met koffie geholpen hebt."

"Dat is goed, Baas Louis! de ketel zingt al. Het zal net nou koken, en dan zal ik Baas 'n beetje koffie geven: maar het is voor niet om met mijn Baas daarover te gaan praten: Baas weet mos goed, dat Baas Piet maar te blij zal zijn, om jou te plezieren."

"Ja! Ik weet dit, Galant! Maar ik wens dat Oom Piet wou opstaan en uitkomen, anders zal ik hem moeten gaan roepen. De zon is al heeltemaal op, en de brandwacht is nog niet in. Die ding lijkt mij niet pluis."

Terwijl dit gesprek plaats vond, was het gordijn, dat de ingang van de tent dekte, terzijde geschoven en een knaap van ongeveer veertienjarige leeftijd naar buiten getreden. Hij was blootshoofd en ongeschoeid. Het scheen, als had hij zich de tijd niet gegund zich geheel te kleden, maar als ware hij, verlangend de beperkte atmosfeer van de tent te ontvlieden en de frisse morgenlucht in te ademen, gedeeltelik gekleed naar buiten onder de vrije hemel gesneld. Hij was een kloeke knaap. Slank, maar veerkrachtig gebouwd, lag er een waas van fierheid over zijn trekken, dat iets manneliks aan zijn voorkomen gaf. Zijn breed gewelfd voorhoofd, bedekt met blonde verwarde lokken, die in de glans van de morgenzon hem als met een aureool kroonden, verried geest- en denkvermogen; terwijl uit de vrolike oogopslag, de glimlach die om zijn lippen speelde, te lezen was, dat de kinderziel nog in hem heerste, schoon hij de overgang tot het manzijn reeds was genaakt, en daartoe geroepen, zou tonen dat hij zich manlik kon gedragen. Trouwens, in menig gevaarlik ogenblik had hij reeds bewezen, dat geen laf hart hem in de borst klopte. Zijn onverschrokkenheid had dikwels reeds de bewondering zijner landgenoten opgewekt, terwijl zijn vriendelike, vrolike inborst hem de toegenegenheid en liefde van allen had verworven.

Hij bleef een ogenblik staan, de blik gevestigd op het heerlik toneel van het met morgenwolken half omsluierd Quathlamba gebergte, en begaf zich toen naar het kookscherm, met de uitroep: "Hoe is 't, Galant? Kan 'n mens al koffie krijgen? Morgen outa!"

"Morgen kleinbaas! De ketel kookt net nou. Als Baas Dirkie zo'n klein beetje wacht, zal ik inschenken, en de oubaas en de ounooi z'n koffie ook brengen. Baas Louis heeft ook al aan me om koffie gevraagd. Het lijkt me, hij is net koud van morgen."

De knaap sloeg zijn ogen op de schildwacht, en zei tot Galant: "Toe, outa! maak gauw gauw. Ik zal oom Louis de koffie brengen."

Galant had weldra de koffie gezet en in de eenvoudige kommen geschonken. De knaap nam een kom voor zich zelf en een voor de schildwacht, tot wie hij zich toen dadelik begaf.

Na het wisselen van de morgengroet, en na zijn lippen aan de stomende kom te hebben gebracht, zei de schildwacht: "Dirk! Ik ben net blij dat je kom. Is oom Piet al wakker?"

"Ja, oom Louis! Pa trekt nog aan. Maar wat mankeer? Het lijkt me of er met oom iets verkeerd is."

"Ja, Dirkie! Ik begin heeltemaal ongerust te voelen. Jij moet weten, de brandwacht is nog niet in, en de zon klimt. In ben amper zeker, dat hun iets overkomen is. Ik wil niet graag voor niets alarm in het lager maken, maar ik meen daarom, dat ik oom Piet in kennis moet stellen."

Dirk zette zijn kom koffie dadelik op de grond neer en zag de schildwacht met grote ogen aan, terwijl hij zei: "Oom! Ik ben maar een kind, maar in oom zijn plek, zou ik Pa al lang geroepen hebben. Dit kan een gevaarlike zaak wezen. Ik zal Pa dadelik gaan halen." En zich omkerende, liep hij met spoed naar de tent, bijna Galant, die juist uit de tent kwam, omverlopende, uitroepende: "Pa! Pa! Als Pa klaar is, kom toch even buiten! De poortwacht wil Pa zien."

Onmiddellik trad een man de tent uit, bij wiens eerste aanblik niemand zou geraden hebben, dat hij de Kommandant van het lager, de onverschrokken, maar tevens bezadigde en godvruchtige Pieter Lafras Uijs, een der leidsmannen van een grote trek der Hollands-Afrikaanse boeren voor zich had: want niets in zijn eenvoudige kleding onderscheidde hem van de schildwacht bij de lagerpoort. En toch had die man veel ondervonden en doorstaan, veel gedaan, gedacht en gestreden; en schoon zijn lager slechts een deel uitmaakte van de grote trek, die onder leiding van zijn vader, de zeventigjarige patriarch Jacobus Johannes Uijs, een groot jaar te voren de Oranje-Rivier was overgetrokken, werd hij door de trek als de leidsman erkend, die hen in stonden van gevaar ten strijde moest voeren, en berustte het daadwerkelik bestuur van de trek bij hem. Terwijl hij en Dirk enige ogenblikken bij elkander stonden en hij aandachtig luisterde naar de mededeling, door de knaap met drift gemaakt, was het niet te miskennen, dat zij vader en zoon waren. De een was het verjongde evenbeeld van de ander. Vader's haar en baard begonnen echter reeds door de grijsheid verzilverd te worden; de saamgetrokken wenkbrauwen getuigden van ernstig, diep nadenken; zijn gelaat drukte iets onbeschrijfeliks weemoedigs, peinzends uit.

De knaap had zijn mededeling ge?indigd. Beslist en fier richtte Piet Uijs het hoofd op, dat hij, naar Dirk luisterende, gebogen had gehouden, en er straalde een levendige bezieling uit zijn oog. "Het is goed, Dirkie," zei hij. "Ga dadelik naar de Veldkornetten, en zeg dat ze zonder verzuim vijf en twintig man moeten aanzeggen, om op te zadelen en bij de lagerpoort te komen. En, wacht een beetje; we moeten de mensen niet voor niets schrik aanjagen, en toch behoort ieder te weten, wat ik doen wil. Laat ze de mensen duidelik maken, dat ik net met een patroelje uitga, om te zien, waarom de brandwacht zo laat uitblijft."

Dirk verwijderde zich met spoed, en zijn vader begaf zich in de tent, om dadelik weer te voorschijn te treden, met een lange verrekijker in de hand. Met haastige stappen richtte hij zich naar de lagerpoort, in het voorbijgaan Galant toevoegende: "Galant! Zadel haastig Welsier op, en breng hem voor me naar de poort; en breng ook mijn roer, bandelier en pistolen."

"Ja Baas Piet, maar ik ga toch ook saam? Baas wil toch niet zonder zijn achterruiter uitgaan?"

"Nee! zeker niet, Galant! maar maak gauw. We kunnen niet verzuimen."

Terwijl de oude dienaar in een oogwenk verdwenen was, om de hem gegeven last te volvoeren, had de Kommandant de lagerpoort bereikt. Blijkbaar waren zijn gedachten verstrooid, want de morgengroet van de schildwacht werd door de anders zo gulhartige, vriendelike man niet beantwoord, en was schijnbaar door hem niet eens gehoord. Zijn oog rustte doordringend, zelfs enigermate verwijtend op de schildwacht, terwijl hij zei: "Louis! Louis! Mij dunkt, je hebt van morgen een fout gemaakt. Je weet toch dat als 't helder dag wordt, de brandwacht in het lager terug moet wezen, en waarom heb je me niet dadelik komen roepen, toen de tijd van hun komst voorbij was? God weet, wat die arme kerels misschien overkomen is; want nadat Piet Retief het vee van Sikonyella afgenomen heeft, om het aan de Zulu-Kapitein terug te geven, vertrouw ik de Witkros Kaffers niet meer. De Here geve dat de brandwacht niet vermoord is, en dat een aanval op ons lager niet te verwachten is."

Hij had zijn verrekijker geopend, en onderzocht met bezorgdheid de heuvelreeks aan de overzijde van de vallei.

Intussen begon de enigszins gegriefde schildwacht zich te rechtvaardigen. "Oom Piet moet me toch niet verdenken. Het is al meer keer gebeurd, dat de brandwacht later dan naar gewoonte inkwam, en ik dacht..."

"Goed, goed, Louis!" viel de Kommandant hem in de rede, en vroeg met klimmende angst: "Wie zijn de mannen van de brandwacht?"

"Oom, gisteravond zijn maar vijf man uitgegaan: Koos Labuschagne, Klein Koos Uijs, Floris en Cornelis Botha en mijn broer Stefanus.."

De Kommandant bespiedde weer aandachtig de overzijde van de vallei: "Dat zijn vijf kloeke mannen, en voorzichtig ook. Koos Labuschagne is een man die orde kan houden. Zeg me, heb je nog geen schoten horen vallen?"

"Nee oom, ik heb niks gezien of gehoord, anders zou ik zeker alarm gegeven hebben."

"Here! Here! Als die arme kerels zich toch maar niet in gevaar begeven hebben. Daar is geen ogenblik tijd te verliezen." Hij sloot met haast weer zijn verrekijker, en gelastte de schildwacht in het lager te gaan, en de Veldkornetten tot spoed in het bijeenbrengen hunner manschappen aan te sporen.

Reeds was de onrustwekkende tijding door het lager verspreid, dat de brandwacht uitgebleven was en de Kommandant bij de lagerpoort wachtte, om met een patroelje van vijf en twintig man op onderzoek uit te gaan; en van verschillende zijden kwam men aanlopen naar de poort. Geen onnodig rumoer of luidruchtigheid deden deze lieden horen. Als met het leven in de hand waren zij de wildernis ingetrokken, niet gedreven door de zucht, zoals sommige schrijvers het tans nog durven voorstellen, bandeloos en wetteloos te zijn, maar integendeel voortgezweept door de drift naar vrijheid, door de Allerhoogste Zelf in hun boezem geplant. Zich ten volle bewust van de gevaren die hen bedreigden, waren de volwassenen volkomen bereid handelend op te treden, en waar nodig te lijden, en te berusten in Gods wil; en als ware het instinktmatig, had dit gevoel zich reeds medegedeeld aan de jongeren van dagen die tot kennis des onderscheids waren geraakt. Ernst was op het gelaat van allen, mannen, vrouwen en kinderen te lezen. Hier en daar merkte men onder de vrouwen, de stille traan tot God geschreid. Want, immers hun Kommandant was blijkbaar door de omstandigheid bewogen. Die moest wel ernstig zijn, om hem, de kalme, vastberaden man zo plotseling de plooien van bekommernis op het gelaat te brengen.

Enigen der mannen wendden zich tot de Kommandant, die nu weer met zijn verrekijker de omtrek bespiedde, en vernamen van hem in weinige woorden de bevestiging van het vreeswekkend gerucht, dat als een lopend vuur van tent tot tent, van wagen tot wagen door het lager was gegaan.

Een nog jeugdige vrouw, in wezen en vorm werkelik schoon te noemen, was de Kommandant genaderd. Zij hield een jongske van nog geen jaar oud aan de boezem geklemd, en had hem ter beschutting tegen de morgenwind in een sjaal gewikkeld. 't Was haar aan te zien dat hevige gemoedsaandoening haar bezielde, en ondanks zichzelf, haar leden deed trillen. De ene bedwongen traan na de andere biggelde haar over de wangen. Zij was de echtgenote van Koos Labuschagne, zuster van Klein Koos Uijs, enige dochter van een reeds ontslapen oudere broeder van de Kommandant, tot wie zij met schokkende stem de vraag richtte: "Oom Pieter, wat is er met mijn man en mijn broer gebeurd? Wat weet oom? Zijn ze in gevaar? Steek dit toch niet voor me weg. Ik weet, we zijn allen in de hand des Heren. Wat Hij doet is welgedaan. Maar die onzekerheid, die onzekerheid, oom, breekt me 't hart!"

"Mijn arme dochter, jou onrust is natuurlik, maar misschien helemaal voorbarig. Je zegt, en met recht, dat we allemaal in de hand des Heren zijn. Hij zal ons geven wat goed voor ons is. Ik zal niks voor jou wegsteken. Zover ik weet, is jou man en broer niks overkomen. Ik ben alleen ongerust omdat ze zo lang uitblijven, en wil zelf gaan zien wat de oorzaak daarvan is."

"Och oom, maak toch gauw! Een mens kan niet weten wat aan de hand is. Een ogenblik verzuim kan het leven kosten van mijn arme man en zijn maters."

"Houd moed, mijn kind! Daar komt Galant met mijn paard, en daar is de patroelje ook. In korte tijd zullen we weten wat er gebeurd is. Maar Sannie, mijn kind, wat of de uitslag ook mag wezen, onthoud toch: Wat de Here doet, is welgedaan."

De ruiterbende was bij de lagerpoort verzameld. Galant, op zijn eigen vospaard gezeten, hield Welsier aan de teugel, en overhandigde de Kommandant zijn roer en verdere wapenrusting. Ook Dirk was daar. Op een klein, maar sterk paardje gezeten, met de bandelier om, en zijn roer in de hand, scheen hij van mening te zijn, dat het vanzelf sprak dat hij de verkenningstocht zou meemaken.

Met vaderlike trots viel het oog van de Kommandant op zijn kloeke zoon. Toch zei hij met nadruk; "Nee Dirk, jij kan niet saam gaan; jou plaats is vandaag bij jou moeder in het lager."

Een wolk van teleurstelling tekende zich op het sterksprekend gelaat van de knaap; doch voordat hij iets te berde kon brengen, had zijn vader nogmaals de verrekijker ontbloot, en die gericht naar de heuvels vanwaar de brandwacht komen moest. Aller blikken waren met gespannen aandacht op hem gevestigd. Op eens hief hij zijn hand op en riep: "Daar komt iets achter de bult uit. Het lijkt me naar de hoofden van mensen. Wacht kerels! Wacht een beetje. Daar komen ruiters tegen de bult uit." Ieder oog, als magneties getrokken, vestigde zich onmiddellik op de overzijde van de vallei, en als met één stem weerklonk de kreet: "De brandwacht! De brandwacht!" en liep een schok van vreugde door de kleine schare.

Tans had een kleine ruitertroep zijn verschijning op een heuvel gemaakt en langzaam de richting naar het lager ingeslagen. Schoon voor het naakte oog zichtbaar, kon men nog niet onderscheiden, of zij, die naderden, blanken dan wel zwarten waren. De Kommandant bleef hen steeds door zijn kijker beschouwen en zei eindelik tot de omstanders: "Wees gerust mensen! Het zijn onze broeders van de brandwacht die daar aankomen. Ik herken duidelik de blauwe schimmel van Floris Botha, en de zwarte trippelaar van Stefanus Nel; maar wat me wonderlik voorkomt, is dat er maar vijf van onze mannen zijn, en nu komen daar negen ruiters aan. Eén lijkt me een kleurling, en de andere acht zijn witmensen. Ze rijden ook zo stadig, alsof partij paarden flauw zijn."

Maar ziet; een ruiter uit de kleine troep heeft zijn paard de sporen gegeven, en komt tans in volle galop naar het kamp. Op blijde toon roept de Kommandant uit: "Vrienden! alle twijfel is voorbij. Het zijn onze mensen. Dat is Koos Labuschagne die daar vooruitrijdt." Een blijde juichkreet weerklonk over het veld, en Sannie, haar kind vaster in de armen drukkende, murmelde: "Dank, genadige Vader! Dank voor deze uitredding!" En weer rolden tranen, nu door vreugde opgestuwd, haar langs het gelaat.

Met ongeduld ingewacht, kwam de berichtbrenger snel nader. De naaste koers door de vallei nemende, was hij in vijf minuten tijds bij de lagerpoort, en sprong van zijn dampend, met zweetschuim bedekt ros. Het was Koos Labuschagne. Een sombere wolk van smart scheen over hem te rusten; blijkbaar was de krachtvolle, moedige man hevig ontroerd. Op zijn aanblik ging de vreugde van de schare, die zijn komst onder vrolike kout en scherts had verbeid, in droevige onrust over. Het was niet te betwijfelen, iets ernstigs was er gebeurd, of stond hen voor de deur.

Op de onstuimige vragen, die hem van alle kanten gedaan werden, gaf hij geen antwoord, doch wendde zich tot de Kommandant, die hem genaderd was, en zei met doffe stem: "Oom Pieter, bereid jou voor om slechte tijding te vernemen. Vannacht zijn er van over de berg rapportgangers bij ons gekomen. Hun paarden waren gedaan, en zij zelf geheel afgemat, daarom komen we zo laat in. Dit zijn oom Stoffel van Staden, Andries de Klerk en Piet Maré, met een achterruiter. Het bericht, dat ze brengen, is vreselik, vreselik! Bijna de helft van onze broeders en zusters in Natal is door die Zulu Kaffer vermoord. O, mijn God! Van mijn vader z'n huis is niet één uitgekomen! Ik ben de enige van mijn vader z'n stam, die overblijft." En een krampachtig gesnik steeg op uit zijn brede zwoegende borst.

De diepste stilte was onder de toehoorders gevallen. Zij schenen verstomd en verpletterd door het verschrikkelik bericht. Hun wangen verbleekten. Zelfs de Kommandant sidderde, en scheen als door de droevige tijding overmeesterd, doelloos voor zich te staren. Daar klonk de zachte stem ener vrouw. Sannie was haar man genaderd, toen hij zijn kort verhaal ge?indigd had, en zijn hand vattende, en die op de borst drukkende tussen haar en hun kind, zei zij gevoelvol en troostend: "O Koos, mijn dierbare echtgenoot, blijf man en Christen, en laat je niet wegslepen door de smart. De Here regeert. Hij is een genadige God. Hij doet wat recht is in Zijn ogen."

Tans barstte de droefenis los. Uit menige beklemde borst steeg de smartkreet naar boven; weeklachten en snikken vervulden de lucht. Immers, niemand onder de aanwezigen, die niet vader of moeder, broeder of zuster, zoon of dochter, onder de mensen aan de overzijde van het gebergte had; en nu was de helft dier mensen vermoord door de wrede Zulu. Had God de hunnen gered, of moesten zij evenals Koos Labuschagne hun treurig uiteinde bewenen? Ouders sidderden, als zij dachten aan hun kinderen. Kinderen beefden van ontzetting bij het gedenken aan hun ouders. Menig jongeling voelde zich het hart samenkrimpen bij het denkbeeld, dat zij,-die hij gehoopt had weldra, als de trek tot stilstaan gekomen was en hij zich zou kunnen vestigen, zijn vrouw te kunnen noemen,-het dierbaar meisje, dat reeds in de oude Kolonie haar jawoord aan hem had verpand, onder de vermoorden kon worden geteld. Menige jongedochter vergoot in stilte haar tranen, als zij zich het beeld van de jongeling voor de geest riep, die zij zich als levensgezel had gekozen, aan wie zij zo innig gehecht was met de peilloze diepte van maagdelike ongekunstelde liefde, en die misschien ook onder de Zulu-assagaai was bezweken.

De woorden van Sannie hadden de Kommandant tot zich zelf geroepen. Hij overmeesterde zijn diepe aandoening en de blik over de schare werpende, riep hij met krachtige stem: "Broeders en zusters! Ja, de Heer is God. Zijn wil geschiede in Hemel en op aarde. Zwaar en bitter om te dragen is de slag, die ons allen getroffen heeft. Maar broeders en zusters, het is nu niet de tijd om alleen te treuren. Ik ben zeker dat we gereed zullen moeten wezen, om onze broeders, die overgebleven zijn, te hulp te snellen. Ik kan het verstaan, dat ge allen verlangend zijt, om al de biezonderheden van deze treurige gebeurtenis te vernemen; maar zoals ge gehoord hebt, zijn de rapportgangers die net nou hier zullen wezen, afgemat, en toch moet de Krijgsraad met eens hun rapport vernemen, om te besluiten hoe te handelen. Ik verzoek dus dat allen hier tegenwoordig, buiten de leden van de Krijgsraad, dadelik naar hun tenten teruggaan. Als de zitting van de Krijgsraad voorbij is, zullen we je van alles in kennis stellen. Gaat, mijn vrienden! En zolang als we beraadslagen, verootmoedige een iegelik zich voor de Here."

Treurig en zwijgend verspreidde de schare zich, Piet Uijs, Koos Labuschagne, de schildwacht die Louis Nel was komen aflossen, en de leden van de Krijgsraad, bij de lagerpoort latende.

Chapter 3 No.3

Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der blanken in Natal.

Het behoeft geen betoog dat de aankomst der overbergse boden, door de Kommandant en de leden van de Krijgsraad in bijna plechtige stilte werd afgewacht. Diep waren deze mannen geschokt door de hun aangekondigde treurmare; en de ramp die de Voortrekkers, waarvan hun trek het niet onaanzienlikste deel uitmaakte, getroffen had, omtrent de juiste omvang waarvan zij nog in het duister verkeerden, deed hen in treurig gepeins tot zich zelf inkeren. Nog weinige ogenblikken en de onzekerheid zou ophouden. Het bloedig drama dat aan de overzijde der Quathlamba Bergen was afgespeeld, zou hun in al zijn afgrijselikheid worden kenbaar gemaakt.

De ruiters hadden het lager bereikt, en stegen van hun paarden.

Van Staden en Uijs waren op elkander toegelopen, en nauweliks hadden zij de gewone handdruk gewisseld, of van Staden, door smart en vermoeienis uitgeput, en zijn zenuwen niet meer geheel meester, wierp zich aan de borst van Uijs, en riep uit, terwijl tranen zijn getaande wangen bevochtigden: "Mijn broeder! mijn broeder! welke ontzettende tijding moet ik u brengen! Ik ben een ongeluksbode, en breng u de boodschap van bloed. Bloed onzer landgenoten! Bloed van mannen, vrouwen en kinderen, door de Zulu-moordenaars op verraderlike wijze bij stromen vergoten! Bloed, dat ten Hemel schreit om wraak! Broeder, ge moet komen, om met ons de bloedwraak te nemen, en om de overgeblevenen voor verder verraad, list en gewapend geweld te helpen beschermen."

Schoon innerlik, tot in het diepst van zijn gemoed ontroerd, bewaarde Uijs met waardigheid zijn uiterlike kalmte. Zich uit van Staden's omarming zachtkens losmakende, sprak hij: "Broeder, uw woorden bevestigen het hartdoorborend bericht, door mij reeds uit de mond van Koos Labuschagne vernomen. Gods hand is zwaar op ons neergedaald; toch moeten wij met kinderlike ootmoed onder Zijn heilige wil bukken, en waar Hij zegt: "Mij komt de wrake toe," zal Hij ons als zwakke werktuigen in Zijn hand gebruiken, die wraak uit te oefenen en de verrader Dingaan naar loon te tuchtigen. Slechts na rijp beraad en met kalmte moeten wij echter te werk gaan. Gij met uw mannen zijt uitgeput, en moet eerst rusten, dan zullen wij beraadslagen. Laat me toe eerst uw tochtgenoten de hand te drukken, en enige bevelen te geven."

Naar de Klerk en Maré tredende, schudde hij hen hartelik de hand, en sprak hun enige vriendelike woorden van welkom toe. Zich daarna tot de leden van de Krijgsraad richtende, zei hij: "Broeders! Het is tans acht uur. Te negen uur komt de Krijgsraad in mijn tent bijeen, om de biezonderheden van deze treurige gebeurtenis van de boden te vernemen. Intussen kunt ge het ontbijt nemen, en alle weerbare mannen in het lager aanzeggen, dat zij zich voorbereiden om behoorlik uitgerust en van schietgoed en mondkost voorzien, met mij, misschien heden nog, de tocht over het gebergte te ondernemen." Hij wenkte de boden hem te volgen, en begaf zich naar zijn tent.

Hoe de boden in de tent werden onthaald en wat zij met hun gastheer spraken, slaan wij over. Genoeg zij het, dat te negen uur de leden van de Krijgsraad bijeenkwamen in de tent van de Kommandant; en dat de boden door een goed maal gesterkt en door behoorlike reiniging verfrist, tans beter in staat waren hun rapport te doen, dan bij hun aankomst. In het lager heerste grote bedrijvigheid, duidelik teken, dat het bevel van de Kommandant werd uitgevoerd, en men zich bereidde voor de gevaarlike tocht over het gebergte.

De Kommandant had zich neergezet bij de kleine vouw- of veldtafel; de anderen zaten in de nauwe ruimte van de tent enigszins op elkander gedrongen, op kleine vouw- of veldstoelen.

Uijs stond op, en het woord nemende, zei hij: "Broeders, laten we ons, alvorens tot onze beraadslagingen over te gaan, verootmoedigen voor de voetbank der Genade, en van God, de bron van alle wijsheid, afsmeken heden onze Raadgever te zijn."

Met ontblote hoofden knielden allen neder. Die mannen, die zoveel van de ernstige zijde des levens gezien hadden; zij, mannen in de ruimste zin des woords, doch kinderen in het geloof, wierpen zich steeds met kinderlik vertrouwen in de armen van der vaderen God.

Met bewogen stem stortte Uijs zijn hart uit: "Onze Vader, ofschoon Gij in de Hemelen troont, gevoelen wij Uw tegenwoordigheid in ons midden. Gij hebt Uw volk gekastijd en met een zware slag geslagen.-Hebben wij gezondigd? Hemelse Vader! wees ons genadig, en vergeef het ons waar wij van U zijn afgedwaald. Met U wensen wij te vernachten en op te staan. In onze zwakheid wensen wij Uw kracht te volbrengen. Sterk en vorm ons daartoe, Heer, onze God! Wil ook tans onze Leidsman en Raadgever zijn, en ons voorlichten, waar wolken van gevaar, vrees en twijfel ons in duisternis en droefenis hullen. O Heer! leer ons wat wij moeten doen, om het verder vergieten van onschuldig bloed te beletten, en om hen die onschuldig bloed in stromen hebben vergoten, te straffen. Trek met ons op, Almachtige God, en laat Uw Vaderlike liefde en Goddelike bescherming aan onze spits gaan, zoals Uw vuurkolom voor Isra?l, Uw kinderen van ouds; en U zal zijn de eer en de aanbidding, van nu aan tot in alle eeuwigheid. Hoor ons, Vader, naar de rijkdom van Uw genade, en delg al onze zonden uit, om de wil van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser. Amen."

Allen richtten zich op en hernamen hun plaatsen. Een ademtocht van ernst, maar tevens vol opwekking en kracht, een gloed aan de Geest des Eeuwige Levens ontleend, scheen over hen te zijn gegaan en hen te hebben bezield. De Kommandant richtte het woord tot van Staden, en zei: "Broeder, de Krijgsraad is gereed om uw droevig rapport in al zijn omvang te horen en te overwegen."

De aangesprokene stond van zijn veldstoel op, en na enige ogenblikken zwijgend, als in diep gepeins verzonken gestaan te hebben, begon hij zijn verslag en zei: "Mannen, broeders, ik zal trachten u een getrouw verslag te geven van wat in de laatste weken aan de overzijde der bergen is voorgevallen. Ik zal andermaal in de geest de schriktonelen moeten doorleven, die ik daar heb aanschouwd; en als ik wellicht op het een of ander punt mocht afdwalen, of niet duidelik genoeg mocht zijn, zullen mijn medeboden mij terecht helpen of mijn verslag aanvullen, waar zulks nodig is. Het is u bekend hoe ons aller leider, Piet Retief, volgens afspraak met Dingaan, tegen het einde van het vorige jaar, aan deze zijde van het gebergte, Sikonyella, door hem gevangen te nemen en een losprijs te vorderen, dwong, aan hem een groot getal vee af te leveren, beweerd door Sikonyella van het Zuluvolk te zijn gestolen. Gij allen zult het u te binnen kunnen brengen, hoe ik, ook gij, Kommandant Uijs! en anderen hadden gemeend, dat wij ons in de onderlinge twisten der zwarte naties niet behoorden te mengen; doch het geschiedde, en het is voorbij. Toen Retief het afgenomen vee over de bergen en bij ons hoofdlager in Natal in veiligheid had gebracht, werden de leden van de Krijgsraad met de oudsten van jaren bijeengeroepen om te beraadslagen, op welke wijze wij het vee aan Dingaan zouden terugbezorgen, en welke beloning wij van hem voor de bewezen dienst zouden vorderen. Arme Retief! Moedig, onverschrokken als altoos, geen verraad voorziende of vrezende, gaf hij het als zijn plan te kennen, dat hij met een patroelje van uitgelezen mannen, zelf de beesten naar de hoofdstad van de Zulu-koning zou brengen, en als beloning zou eisen de vervulling van Dingaan's belofte, om ons de gehele landstreek, bekend als Natal, af te staan. Velen onzer aanvoerders wezen er op, dat Dingaan niet blindelings te vertrouwen was, en dat wij vooral moesten vermijden, om door een vertoning van macht zijn ijverzucht of barbaarse vrees op te wekken.-Karel Landman drong er sterk op aan, dat aan de Zulu-koning bericht zou worden gezonden, dat wij het vee aan Sikonyella ontnomen, en in ons bezit hadden; dat wij als beloning het land van Natal vroegen, en dat hij onder deze voorwaarde zenden kon om het vee te halen. Doch Retief bleef vast op zijn stuk staan. Gert Maritz bood toen aan, om met enige vrijwilligers het vee weg te brengen, en zei dat hij wist, dat zij misschien nimmer zouden terugkeren, maar dat het beter was het leven van enige mannen te wagen, dan de gehele trek in gevaar te brengen. Piet Retief was echter onverzettelik. De meerderheid van de vergadering boog voor zijn wil, en zijn voorstel werd aangenomen. Weinig dacht hij, dat daarmede zijn doodvonnis en dat van honderden der onzen werd geveld. Niemand echter werd verplicht aan de gevaarlike tocht deel te nemen. Retief vroeg vrijwilligers, en de bloem van onze krijgslieden en jongelingschap bood zich gretig aan om hem te vergezellen. De toebereidselen voor de tocht werden zonder verzuim gemaakt, en op de morgen van de eerste van deze maand vertrok Retief naar Umkungunhlovo, aan het hoofd van vier en zestig uitgelezen, welgewapende mannen, door dertig kleurling-achterruiters vergezeld. Zij waren met vrolike moed bezield, en op onze vermaningen om toch uiterst voorzichtig te zijn, en het barbaarse opperhoofd, al scheen hij nog zo vriendelik gezind, niet te vertrouwen, maar steeds voor hem op hun hoede te zijn, antwoordden zij, dat zij binnen weinige dagen met de grondbrief van Natal weer bij ons zouden zijn. Helaas, aan deze zijde van het graf zullen wij geen hunner terugzien. In slaap gewiegd door het vertrouwen, dat Retief en velen der aanzienlikste en verstandigste mannen toonden, rekenende op de vrede, door de tocht van Retief bestendigd en op hechte grondslag gelegd, gingen de voorzichtigheid en waakzaamheid der onzen te loor. In plaats van bij elkander te blijven, zoals zelfs door Retief uitdrukkelik was aangeraden, of ten minste zich in weerbare afdelingen, sterk genoeg voor verdediging, te splitsen, was de trek uiteengegaan, en verspreid in kleine troepjes, sommige waarvan slechts uit 'n paar huisgezinnen bestonden, langs de vruchtbare oevers van de Blauwkrans- en Boesmans-rivieren. Wel deed zich hier en daar een stem van waarschuwing tegen deze onvoorzichtigheid horen, maar daarop werd geen acht geslagen; men bestempelde die waarschuwers als ongeluksprofeten, bevangen door kinderachtige vrees. De bloedige ontnuchtering zou echter niet lang uitblijven. Zij, die niet zo geheel gerust omtrent de toestand waren, vormden zich in twee afdelingen, en bleven in lager langs de Blauwkrans-rivier, omtrent één uur te paard van elkander verwijderd. Ik voegde me bij de noordelike afdeling onder Gert Maritz, en merkte op dat weer ten Noorden van ons, enige kleinere afdelingen ook in lager getrokken waren. Zo bleven wij, niet zonder ongeduld, op de terugkomst van Retief, die ons verzekerd had dat zijn tocht niet van lange duur zou zijn, wachten. In de nacht tussen de 16de en 17de dezer, kort na het tweede haangekraai, lag ik half wakker in mijn wagen, toen ik op eens door het knallen van een geweerschot geheel werd gewekt. Daar valt het vreugdeschot, dat de terugkomst van Retief en zijn mannen aankondigt! riep ik met vreugde uit, en ik schudde mijn naast me slapende vrouw wakker. Maar hoe spoedig werd mijn blijdschap veranderd in ontzetting en schrik, toen ik enkele geweerschoten, sommige in de verte, hoorde vallen, opgevolgd door een oorverdovend krijgsgeschreeuw, vergezeld van een gedreun, gelijk aan het wegrollend geluid van de donder. Die geluiden waren niet te miskennen. Het was de oorlogskreet van een Zulu-impi, die ik had vernomen; het gedreun ontstond door hun slaan op hun schilden.

Er was geen ogenblik tijds te verliezen; ons lager werd aangevallen, ons aller leven was in gevaar. Ik greep mijn roer en ammunitie, riep mijn vrouw toe gereed te zijn mij van verdere ammunitie te voorzien, sprong uit de wagen, en ijlde naar de lagerpoort. Reeds waren enige mannen, waaronder Gert Maritz, mij voor. De dag begon aan te breken. De lichtgrijze wolkekroon op het Umpufane Gebergte nam reeds een gulden tint aan, voorbode van het verrijzen van de zon boven de kim. Zal die zon heden slechts onze naakt uitgeschudde en in koelen bloede misvormde lijken beschijnen? was de vraag die stilzwijgend in mijn beklemde borst omhoog steeg. De gedachte: strijd, en moet het zijn, sterf, als een man, scheen als antwoord op die vraag in mijn binnenste te klinken. Bij het schemerachtig licht zag ik ons lager, zover het oog reikte, omgeven door zwarte gedaanten, met de assagaai in de ene, het schild in de andere hand, ons steeds vaster insluitende in de kring des doods. Bij de lagerpoort drongen zij reeds in, en aan de voeten der voorsten herkende ik het lijk van Sijbrand de Klerk, de jongste en lievelingsbroeder van mijn vrouw, die het schot, dat het lager gewekt had, had gelost, en op zijn post als poortwacht, door dozijnen scherpgevlijmde assagaaien doorboord, de dood als een man in het aangezicht gezien had; want hij lag er niet alleen: vier Zulu's waren door zijn hand naast hem gevallen. Doch tijd tot verder denken was er niet. Er moest gestreden en het lieve leven zo duur mogelik verkocht worden. Ons geweervuur op de bij de lagerpoort indringende Zulu's, deed zovelen hunner neerstorten, dat hun lijken de ingang half versperden, en vóór zij zich van de ontstane schrik hadden hersteld, hadden wij een wagen, die gelukkig los in het lager stond, voor de lagerpoort getrokken, en begonnen we een gestadig, maar onafgebroken vuur op hun dicht opeengehoopte drommen te richten. De strijd was woedend. Terwijl de voorste gelederen der Zulu's trachtten de aaneenschakeling van onze lagerkring, door het wegnemen der staketsels, te verbreken en bres te maken, tot instorming binnen het lager, wierpen de volgende gelederen een wolk van assagaaien over en in de wagens; terwijl de achtersten, als van de duivel bezeten, rondsprongen en dansten, onder een vervaarlik geschreeuw, met knopkieries, strijdbijlen en assagaaien op hun schildvellen slaande. Wij telden slechts drie en dertig weerbare mannen, over verschillende punten verdeeld, om de vijand tegen te houden; maar wij werden door de vrouwen en kinderen krachtdadig bijgestaan. De vrouw van Gert Maritz met haar dochter stond aan zijn zijde. Zo merkte ik ook op, hoe een vrouw het hoofd van een Zulu, wie het gelukt was onder een wagen door te kruipen, met één bijlslag kloofde, eer hij zich in het lager oprichten kon; terwijl een tweede Zulu, die hem volgde door haar zoontje werd doorstoken met een assagaai, genomen uit de bundel, aan de stervende hand van zijn makker ontvallen. Maritz spoorde ons met kalme, maar krachtige en doordringende stem aan, op God te vertrouwen, en tot de laatste ademtocht te strijden; geen ammunitie te verspillen, maar te zorgen, dat ieder schot raak was. Daar droegen wij ook zorg voor. Er viel geen schot dat zijn doel miste; dat was trouwens ook bijna onmogelik, bij het schieten onder de opeengedrongen zwarte massa, die ons omgaf. Onze met lopers gevulde zakjes kwamen ons hierbij goed te pas. Mijn bandelier begon leeg te worden, toen een hand mij op de schouder werd gelegd; mijn vrouw stond naast me, en geen acht schijnende te slaan op de rondvliegende assagaaien, overhandigde zij mij een gevulde kruithoorn en een tasje met kogels en loperzakjes gevuld. Ik zag dat zij een roer in de hand hield. De aandrang der Zulu's bij de lagerpoort was nu bijna overweldigend geworden. Mijn vrouw week niet meer van mijn zijde, maar hanteerde haar geweer als de beste man. De zon, die ik gevreesd had, nimmer weer te zullen zien opgaan, rees tans over de kam der Umpufane Bergen en dreef z'n stralen in onze door kruitdamp beschaduwde kampplaats. Ons lager was als omslingerd door een zwarte gordel van Zulu-lichamen, rustende op een bloedig rode grond, waaruit het gekerm en gesteun der gewonden en stervenden onafgebroken werd vernomen. Deze aanblik, die onze moed verlevendigde, scheen onze vijand te ontzetten. Wij vuurden nog gestadig door, toen de vijand eerst langzaam maar daarna steeds sneller en sneller terugdeinsde, en weldra in de richting van het Zuiden, langs de rivier de vlucht nam. Een zucht van verlichting, een stille bede van dankzegging steeg tot de Almachtige uit onze harten op. Bij een haastig onderzoek bleek het, dat schoon velen onzer, sommigen zelfs ernstig gewond waren, niemand het leven verloren had, dan alleen onze arme poortwacht, wiens vertrapt en met Zulu-gesneuvelden bedekt lijk nog in de lagerpoort lag. Geen tijd was er tot overdenken, treuren of rusten. In alle richtingen hoorden wij in de verte het krijgsgeschreeuw der Zulu's vermengd met geweerschoten. Wij, die er in geslaagd waren de vijand af te slaan, moesten onze broeders te hulp snellen. Maritz gaf dadelik bevel, dat twaalf onzer, op onze beste paarden gezeten, met hem de vluchtende vijand zouden vervolgen, terwijl de overige twintig mannen het lager zouden beschermen, en zoveel mogelik de versterkingen zouden verbeteren en herstellen. Dra zaten wij de vijand op de hielen, die door onze kort op elkander volgende aanvallen aangehitst, snel en in volslagen vlucht voorttoog. Wij dreven hen in de richting van een lager, door de Prinsloo's en Botha's aan een kleine spruit opgeslagen. Geen geweervuur klonk ons tegen. De vluchtende Zulu's snelden het lager voorbij. Waarom bleef alles zo stil in het kamp onzer vrienden? Wij bereikten de plaats, en zagen met afgrijzen wat gebeurd was. De vijand had het lagertje overmeesterd, en aan geen enkele blanke het leven willen laten. Tussen stukgeslagen huisraad, opengebroken kisten, losgereten bedden, lagen de nog warme, bloedende lijken van mannen, vrouwen en kinderen verspreid. Vele der lichamen waren naakt uitgeschud; de borst en de buik opengesneden, als van een geslacht beest, en de ingewanden uitgesleurd. Het lijk ener jeugdige moeder lag met assagaaisteken doorboord, de schedel met knopkieries te pletter geslagen, met de starre, koude blik naar het azuren luchtgewelf gericht, als smeekte haar verkild oog de Grote Goede Geest des levens, die boven lucht en wolken troont, om erbarming; en naast haar in het vertrapte gras, ontijdig als een bloem des velds afgeplukt, lag het lijkje van haar enige maanden oude zuigeling, die aan de beschermende moederborst ontscheurd, het hoofdje tegen een wagenwiel vermorzeld, naast het moederlijk neergeworpen was. Uit een der wagens stroomde bloed langs de leer, en lekte door de reten van de buikplank. Wij vonden in de wagen de lijken van twintig vrouwen, die in doodangst elkander daarin verdrongen hadden, om allen onder het moordend wapen van de Zulu te bezwijken. Hier was voor het ogenblik niets voor ons te doen. Wij kwamen te laat; te laat om iemand te redden. Maar hoger op, aan de voet van het gebergte, weerklonk nog een zwak maar geregeld onderhouden geweervuur: daar konden wij helpen, daar konden wij redden, daar konden wij misschien het schuldig bloed doen stromen, ten zoenoffer voor het onschuldig bloed der onzen, dat nog niet op de aarde was gestold.-Wij wendden de teugel in die richting. Maar ik kan mijn verslag niet voortzetten. Mijn gemoed overstelpt me. Laat mijn medeboden voortgaan met het schokkend verhaal."

In ernstige aandacht verzonken, had men van Staden's verhaal aangehoord, zonder de spreker in de rede te vallen. Slechts af en toe een diepe zucht verlichting aan het beklemd gemoed, of werd met de rug van de hand een onbedwingbare traan van de oogleden gewist.

Toen van Staden zweeg en zijn plaats hernam, stond Piet Maré op en zei: "Ik had liever gezien, dat oom Stoffel ons verslag geheel had afgedaan, maar daar hij zich op ons beroept, zal ik verder gaan. Ik bevond me in het kleine lager van de van Rensburgs. Wij waren achttien man sterk, en hadden ons lager in de best mogelike orde, want gedachtig aan het woord: "Wees oprecht als de duif, maar voorzichtig als de slang", betrouwden we de vrede niet. In de vroege morgen van de 17de werden we gewekt door onze poortwachter, die door het lager liep, uitroepende: "Verraad! Verraad! De Zulu's bestormen ons. Te wapen! Te wapen!" In een oogwenk waren wij allen, slechts half gekleed, maar ten volle gewapend, naar buiten gesprongen. Rondom ons hoorden wij op enige afstand de oorlogskreet der Zulu's weergalmen, vermengd met geweerschoten en hulpgeschrei, terwijl een gestadig gedreun langs de oever van de rivier ons het aanrukken van een Zulu-afdeling op ons lager aankondigde. In weinige woorden verhaalde ons de poortwacht, dat hij wel enig rumoer vernomen, maar daar niets van gedacht had, totdat Klein Frederik Bezuidenhout ademloos bij het lager kwam aanlopen, uitroepende, dat hun gehele afdeling door Zulu's overvallen en afgemaakt, en dat hij de enige ontkomene was, en verder de rivier op, de anderen zou gaan waarschuwen. Door de schemering zagen wij de Zulu impi in z'n halve-maanvormige slagorde, op enige honderden treden het lager naderen, en vóór hen, doch dichter bij ons een enkel persoon, waggelende en struikelende op ons aanlopen. Het was een blanke, een onzer broeders. Enigen onzer sprongen hem tegemoet, en vingen hem in hun armen op, juist toen zijn krachten hem begaven, en hij dreigde neer te storten, om nimmer weer op te staan. Met haast werd hij in het lager gedragen. Zijn lichaam, waarin nog twee assagaaien staken, was met wonden overdekt. Het was Jan Oosthuizen, de wakkere, vrolike, levenslustige Jan, die ons zo honderden keren met zijn grappen vermaakt had. Zijn uur was echter geslagen. Met zwakke stem zei hij nog: "Vrienden, onze afdeling is uitgemoord. Ik heb u willen waarschuwen, en ben daarin geslaagd. Heer! wees mij arme zondaar genadig!" Zijn lichaam kromp ineen. Een laatste, bange ademtocht, en Jan zeeg dood in onze armen terug. Zachtkens legden wij hem neder op het met dauw bedekte gras.-Verwijlen konden wij niet. Het midden van de Zulu impi was reeds tegen ons lager; de beide hoorns daarvan begonnen ons geheel in te sluiten. Wij grepen het geweer, en begonnen wakker op de aandringende horden los te branden. Maar, waartoe in biezonderheden te treden. Wij streden tegen de overmacht als mannen die wisten, dat ons eigen leven, zowel als dat onzer vrouwen en kinderen afhing van de uitslag van de strijd. Eén vrees beving ons; ons kruit en lood was ontoereikend om de slag lang vol te houden; doch spoedig voorzag de Heer daarin, want aan de rechterzijde van ons lager sloegen Marthinus Oosthuizen,1) Abram de Boer en Jaap Naudé zich door de vijand, en bereikten ons, een aanzienlike hoeveelheid ammunitie met zich brengende. Vier der onzen waren reeds gevallen, en verscheidenen waren gewond, toen wij een troepje ruiters dicht bij ons lager zagen verschijnen. Het was Gert Maritz met zijn twaalf mannen. Ook de vijand zag de ruiters, die nu in volle vaart op hem afkwamen. Hij scheen een ogenblik te aarzelen, maar liet toen af, en vluchtte in zuidelike richting weg. De strijd was echter niet ge?indigd. Wij begonnen dadelik de overgeblevenen der verschillende afdelingen te verzamelen, en tot één lager te vormen, en waren nog slechts weinig hiermede gevorderd, toen wij uit het zuiden de Zulu's zagen terugkeren, in dichter drommen dan toen wij hen pas hadden teruggeslagen. Ook zij hadden hun verspreide benden verenigd, en waren nog door hun opgekomen achterhoede versterkt. Met de grootste woede en doodsverachting bestormden zij ons nu slechts half voltooid lager, kropen door de staketsels en klauterden over de wagens, een regen van assagaaien op ons richtende; maar hoewel het hun gelukte velen onzer te verwonden en dodelik te treffen, overmeesteren konden zij ons niet en werden telkenmale afgeslagen. Zo duurde het gevecht, bijna zonder tussenpozen voort tot in de namiddag, toen het zwarte leger terugdeinsde en spoedig geheel op de vlucht sloeg. Om hen geheel terug te drijven, zonden wij hen een afdeling ruiters achterna, die hen tot zonsondergang vervolgde, wegdreef en honderden doodde. Wat zal ik hier nog bijvoegen? Wij hebben onze doden verzameld en begraven; meer dan zes honderd werden aan de aarde toevertrouwd. De gewonden hebben wij bijeen gezocht, maar, helaas, slechts weinigen hebben wij gevonden die hoop geven op herstel. De Zulu's verstaan het moordenaarswerk maar al te wel. Onder de lijkehoop in het lagertje der Prinsloo's vonden wij Hannie van der Merwe, die zes en twintig, en Grietje Prinsloo, die twee en twintig assagaaisteken had gekregen. Beiden waren nog in leven, en leefden nog toen wij het lager verlieten. De volgende dag vroeg Maritz vrijwilligers om u de treurmare te brengen. Wij boden ons daartoe aan, en door God behoed, hebben wij onze taak volbracht."2)

"En weet ge wat er geworden is van Retief en zijn patroelje?" vroeg Uijs.

Andries de Klerk antwoordde: "Met zekerheid is ons nog niets bekend; doch bij mij, bestaat er geen twijfel, dat de aanval op onze lagers plaats vond, nadat Retief en de zijnen waren vermoord. Hoe kan men verwachten dat Dingaan hun ooit het leven gelaten zal hebben, waar zijn krijgslieden zelfs niet het kind aan de borst hebben gespaard? En bovendien, op de lijken der verslagen Zulu's vonden wij verschillende voorwerpen, die aan Retief en zijn tochtgenoten hadden behoord."

Uijs richtte zich op en riep met fonkelende ogen: "Broeders! Lang beraad is overbodig. Omtrent één punt heb ik niets te overwegen, niets te denken of te beraadslagen. Wij moeten gaan, en dat wel onmiddellik, en onze broeders in Natal te hulp snellen. Zo God wil, zullen wij het vergoten bloed wreken. Wat zegt ge?"

Een eenparig: "Ja! wij zijn met u!" klonk als antwoord op zijn vraag.

"Welnu," hernam hij, "dan is onze vergadering ge?indigd. Een ieder make vrijelik bekend wat hij tans heeft vernomen. Wij zullen met een paardekommando vooruittrekken, het lager kan langzaam volgen. Ik zal onmiddellik boden zenden naar de andere afdelingen aan deze zijde der bergen, en een verzamelplaats bepalen. De mannen die mij zullen vergezellen, zal ik uitkiezen, doch een ieder make zich gereed, want ik wil van avond nog een schoft afleggen. En nu! Laat elk onzer zijn plicht doen."

Hiermede was de vergadering van de Krijgsraad afgelopen en met bedrukt gemoed ging men uiteen.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022