Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.
STERNE.
We zaten nog vrij laat bij elkaar, in dien gedenkwaardigen nacht van 24 op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.
?Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, ?'k mag lijden dat we toch ook 'reis een storm bijwonen!" - ?O wee," kermde Judocus, van achter 't kooigordijntje - .
?Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat,
Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme,
Und jetzo warm und ruhig sitzt
Im guten Rathskeller zu Bremen."
Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als bandieten, en droomden als po?ten bij maneschijn.
* * *
Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd geslapen, gesnorkt en gedroomd, - lang kon 't niet wezen, want onze kajuitslamp brandde nog, - toen ik, Gabri?l, gewekt werd door - - ja, door iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor; - daar volgt een slag - een gerinkel als van brekend glas; - ik spring mijn kooi uit, loop naar de tafel, en - zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.
De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze ?Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.
Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken; doch, waren onze ooren ons van weinig dienst - we zagen beiden nog zeer goed uit de oogen, en - wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaar - want nog niemand had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan - , een flesch jenever was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten en stommelen - als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten los. Bij alle krachten en resultanten - hier had Galile? zijn hellend vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand! - We trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd, dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand te blijven afwachten; - - maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik in een killen waterplas: ik vloek, zie rond, - hemel, hebben we een lek gemaakt, gaan we te gronde! - neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die, mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten - !
?Geduld is zulk een schoone zaak"! - Juist, mijn brave Sancte Hieronyme, uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze ge?mancipeerde schooljeugd er van zeggen - maar, als ge mij de daarin vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U, ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken ?bondel gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen - !
* * *
's Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen naar boven. - Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.
De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan. - Hoe ze steigeren en ploffen door elkaar, jagend voortgestuwd door den magtigen Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden! - Hoe klein vond ik alles aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen, als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ook mijn aanzijn als ?Koning der Schepselen ?gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want ook ik had moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste wateren - gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind, die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan mogelijk gevaar - alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed weêr eens warm en jeugdig vloeijen - ja, voor de eerste maal sints 't smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de verre kust zijner droomen zag heengedragen. - Lang stond ik zóó, me vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten - : opgetogen, boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen omrukken; of ik 't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en als meester bevel voerde over den strijd der elementen - !
* * *
Eilaas - ?stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."
Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord bewonderen der worstelende natuurkrachten - toen een hoogst stoffelijk voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.
Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen, met 't loffelijk voornemen, om, in vertrouwelijke overgave des harten, zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning bukken - - boem - daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug. - ?Hel en dood!" vloekte de pati?nt. - ?Bravissimo!" lachten de omstanders. - ?Voelt u zich niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij op de beenen stond; - Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen de tanden, en - bibberend van ko? en katterigheid zette hij zich op 't kippenhok, om wat bij te komen. - ?Wil ik je wat eten boven brengen?" vroeg ik toen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen toon. - ?Stik-jij!" siste hij nijdig. - Kort daarop, na 't trekken van eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en hekjes naar omlaag scharrelen - om, in zijn kooi, 't voorbeeld van zooveel andere braven na te volgen.
* * *
Mij dunkt - ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf, boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn - welke overtuiging oorzaak is, dat men, onder zeelu?, op een zeezieke ongeveer evenveel acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim; - en, van dit beginsel uitgaande, ziet men er minder bezwaar in - mits men zelf frisch en gezond blijft - een weinig aan schadenfreude toe te geven, en aan een neiging tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo onbevreesd en levenslustig - nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel zieltogenden erbij neêrliggen.
Wáár bleef - vraagt men - toch de reddende kracht van de heerlijke probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde - ? Wáár was die heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn gift A qua Laur. cer.; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en saffraan - ? - Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige radicalen; ons zou geen aqua mirabilis sterken; geen specificium uit Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de jammerlijkste aller misselijkheden; - en juist dáárom bleven we zoo gezond, meende Josua, in zijn overmoed; - hoe dat ook zij, 't was ons geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren - wij, buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord: want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer inclus, waren naar kooi - zóó hevig was 't stampen. - Hoe kwam 't, dat we zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk? - ?Ik zal 't je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet, begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund, quantum sufficit, en, om de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood, ham, snert of ossetong.
Ik voor mij geloof - indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets anders te gelooven mag overblijven - dat niets de zeeziekte kan voorkomen of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit opzigt volmaakt ééns met Lepidus - spitsvondiger gedachtenis - die, tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten in 't midden brengen: ?hoe zijn ondervinding hem had geleerd, dat men, in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten 't gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te strekken." - Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden - edoch, hier vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden: want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen - ge moogt eten wat ge wilt - ham of brood, tong of snert - 't zal u alles opbreken als den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras - ; zoodat, uit de tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den wind slaan: niet zullen eten, niet drinken - maar te kooi gaan liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel wenschen.
Triste exilé, sur la terre etrangère,
Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!
?La Reine de Chypre."
Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner bestemming, scheidde, te paard af te leggen - gaf echter de Resident van X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen bezorgen. Maar, hij wist beter raad; - hij, Resident, zou me zijn eigen tandoe[18] leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de hoofdplaats X... tot de dessa[19] M... vorderen, en, den volgenden dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.
Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusie van dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.
Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen vingerdruk en een genadig ?goede reis, meneer Gabri?l!" - Toen begaf ik mij terug naar 't logement, waar alras de bewuste tandoe, door een paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.
Groote goden! - ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens belegden palankijn voorgesteld - maar zóó'n ding als die tandoe was - zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken en tjitjaq's[20] bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken - - moest ik dáár in! - Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en zou dus niemand mijn schande vernemen.
Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging, verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en herhaalde mijn ?trima kassih banjak sama Toean Rèsiden!"[21] - Vervolgens liet ik koeli's halen, en gelastte dezen, op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't sprak wel van zelf, dat ik den tandoe niet als tot mijn gevolg behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben verwijderd. - Had de Resident mij een ?koopje" willen leveren? - Ik geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar, in zijn grootheid meende hij, dat zoo'n mode of conveyance, die ik alleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der tweede klasse.
Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijn koeli's den gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn rekening - want ook op Java doet men dat in enkele gevallen - en ontsnapte door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die waarschijnlijk den tandoe gezien hadden, en mij, met heel onnoozele gezigten, vroegen, ?waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien naar Boemi-aijoe ging kuijeren - ?"
* * *
Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn Bataviaschen jongen gevolgd - die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijl ik wandelde, zijn paard bij den teugel te leiden - den weg bergwaarts op.
De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij gelaten. Doch de kampong[23] van X... is groot, en strekt zich minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven was er dien dag juist groote pasar[24], zoodat, ook buiten de limieten van de kampong, nog immer de weg bezet bleef door een aaneengeschakelde reeks van warong's[25].
Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijn tandoe voortbewegen; de koeli's die ik spoedig had ingehaald, geven teekenen van herkenning - doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geen tandoe ter wereld afwist - : ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch niet weggooijen; - neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op 't restje van mijn blonde lokken had gedrukt. - Maar nog altijd hield die gevloekte pasar aan, en digt op elkaar sluitende gaarkeukentjes getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.
Eindelijk, ja - de breede waringin's[26] worden schaarscher langs den weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep tusschen 't groen der sawah's[27] verloor. - Hier zou ik instappen - 't was hoog tijd ook: ik kon niet meer. - De tandoe werd geopend, d. w. z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog geslagen; een paar reusachtige spinnen werden verwijderd; de smerige tikar[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met mijn regenjas - - daar zat ik. De koeli's schreeuwen en kibbelen een poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken aanmoedigt; daar tillen ze mij op - - de tandoe kraakt en waggelt, en dreigt onder mijn ligten last te bezwijken - - doch neen, 't evenwigt is hersteld, de bamboezen pikoelan's[29] buigen gracieuslijk door - - voorwaarts gaat de processie: - mijn jongen aan de spits - als adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij wijze van straggler, een kerel, die mijn geweer en minoeman[30] zeult - - al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt, onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk maakt en vergemakkelijkt.
* * *
We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat 't loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.
Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijn tandoe geschouderd hadden, onderling in afmetingen ? à ? kop verschilden, zoodat mijn arm ligchaam, bij elken pas, een epicyclo?dische beweging in de ruimte beschreef, die mij zeker - ware mijn gestel niet tegen dergelijke misselijkheden proef bevonden - allerjammerlijkst aan zeeziekte te land[31] had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet, daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk, nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat. - Bij al de miljoenen van 't Batig Slot - ik had dien Inspekteur der Cultures willen zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie X... heeft gemaakt!
Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen we een kleine kampong waren genaderd, waar ons van tijd tot tijd voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in den tandoe keken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk Wolanda[32] - toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn voeten sprong, en - - en, na een kwartieruur loopens, mij door de gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te beklimmen: vloekend en razend tegen de stomme koeli's, die 't niet helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den ezel van een Gabri?l, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl hij 't t'huis zoo goed had.
Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.
Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat ik - o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat! - mijn toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige Jonker was er - hoewel ver van betooverd - ; de kooi was er; de ossen waren er - in de gedaante van koeli's - ; slechts de priester en de Barbier ontbraken - en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza. - Zóó mijmerend, maakte ik 't mij in den tandoe zoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk over den rand der draagkoets bengelen; - toen eerst gevoelde ik mij gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik te slaan.
Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde door de breede bladeren der Djati-boomen; regts en links huppelde een vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk de sawah's uit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen, die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't groote middenpunt van den Slamat. - - Ik tuurde en soesde; - en zóólang tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde onder de spelende middagkoelte - en naar de palmboschjes, die hier en daar een dessa verhullen - en naar de hooge, omwolkte toppen der bergen - - tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor korten tijd, tandoe en koeli's, ja zelfs den gouden pajong[33], 't vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed vergeten.
* * *
Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij onzacht door de leden voer. - Ik zie opwaarts - daar is 't atappen dakje van mijn tandoe; ik zie omlaag - daar is de grond; - maar, niet de grond op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten afstand van vijf à zes voeten - neen, vlak onder mijn facie, op geen handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen? - O neen: mijn zorgzame koeli's en jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de wijdberoemde warong te L... (want tot binnen die dessa waren we gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs considerati?n en advies - den hun toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond neêrgezet. - Qui dort, qui mange, hadden ze gemeend.
En ik - - daar zat ik - met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn ge?xamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een troep schurftige koeli's, met wie ik, ondanks mijn Roordasche taalgeleerdheid, geen boe of ba Javaansch kon wisselen - : ik, de accurate vertolker van Mawerdi, de amor et deliciae van 't Maleisch college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes - - - daar zat ik! En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's trouwlustige schoonen - waarom hebt gij mij niet zien zitten, toen ik daar zat: opdat met één slag ook uw illusi?n mogten in rook zijn opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet omtrent de glorie en de heerlijkheid van een Ambtenaar bij die burgerlijke dienst in Nederlandsch Indi? - !
[17] Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.
[18] Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.
[19] Dorp, gemeente.
[20] Kleine muurhagedis.
[21] ?Grooten dank aan meneer den Resident!"
[22] Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche dwang-arbeiders of kettinggangers.
[23] Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.
[24] Weekmarkt.
[25] Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.
[26] Een schoone, breedgetakte boom.
[27] Natte rijstvelden.
[28] Van biezen gevlochten matje.
[29] Draagboomen.
[30] Dranken.
[31] Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn, heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche stroomen.
[32] Holland; van 't Portugeesch Olanda.
[33] Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.
Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was een pasangrahan[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan verkwikking en slaap.
Mijn eerste werk was - wijl ik ook hier niet met den verwenschten tandoe wilde gezien worden - de koeli's halt te doen maken, met verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naaste warong binnensluipen. - Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de wijze der Apostelen - stof op onze hoofden, en stof aan onze voetzolen - traden we de dessa binnen, wier bewoners ons aangaapten, alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te zien - en, aan te voet of in een tandoe reizen, dachten de na?ve kampong-menschen niet eens.
Hoe nu echter den Wedono[35] uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen - ? Mijn jongen sprak geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's ?Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.
Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder de pendopo[36] zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast hem op de tafel, en de tali-api-jongen[37] is op eenigen afstand neêrgehurkt. - ?Dat zal de Wedono wezen", dacht ik. Ik had wel gehoord van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met deze idée fixe gewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te merken, dat mijn Wedono geen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden afgelegd.[38].
?Tabé, Wedono," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en laag-maleisch - ?banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan, - - "[39]
Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen. - ?Maar meneer", stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen - ?maar meneer, toean kira apa - ik ben niet Wedono - ik ben Europeaan - als uwe zoekt 't huis van den Wedono, dat is ginder."
Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!
?Pardon, meneer", stamelde ik, - -
?O", riep mijn goede kleurling - ?ik neem niet kwalijk, ik zie wel, u orang bahroe."[40]
?Maar - wil u zoo goed zijn", hervatte ik - ?mij naar de pasangrahan den weg te wijzen?"
?De pasangrahan - hij is hier."
Aha, dacht ik - u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te willen schenken. Hij deed 't. - Kort daarna drong ik er op aan, dat 't eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij ze? me, dat hij gewoonlijk eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij den mandoor[41] zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en hijzelf moest zich noode in de pasangrahan behelpen, omdat er te M... geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg zijn definitief verblijf had kunnen opslaan. - - Astaga![42] - de laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin herbergier als Wedono - maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch blijspel[43] in natura op te spelen. - Ik maakte nogmaals mijn excuses; doch de goede man wo? van niets hooren, en kon zich alles best begrijpen: de malste bokken schenen hem, meen baar als ik, hoegenaamd niet te verwonderen.
We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de inlandsche Hoofden, met wie ik zou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij mijn naaste buurman was - N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad - ; en hij eindigde met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had gewoond: - welk een-en-ander mij aanleiding gaf, me over zijne, onder zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.
Zou de Europeaan, dacht ik, die nu een hoogleeraarsplaats bekleedt, onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn geworden; en had deze arme sinjo, die zoo slecht Hollandsch sprak, en liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen groeijen?[44][Pg 151]
Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.
Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerige balé-balé[45] met een gescheurde klamboe[46] mij tot bedstede werd aangewezen.
Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; een tokèk[47] doet van uit mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte een gamelan - :
Note from the transcriber
This music is available in the following formats:
MIDI file: Depending on your browser, the music may play automatically, or may need to be downloaded and opened in a separate application.
Raw Lilypond file (convertible to other music-notation formats)
Sheet music (PDF) (generated by Lilypond)
- door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen, mythischen Hindoe-tijd.
Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in den fijngevinden peté; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.
Ik sliep er niet minder gerust om.
[34] Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.
[35] Districtshoofd.
[36] Voorgallerij.
[37] Tali api = lont. ll. vuurtouw.
[38] Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas - doch nimmer hoed of pet verloochenen.
[39] ?Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng U een bezoek, om uw hulp in te roepen, - - "
[40] Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár ons baar.
[41] Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.
[42] Uitroep van verwondering en schrik.
[43] Zie: Goldsmith's ?She stoops to conquer."
[44] Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf omdraaide. - Helaas! een bevinding in loco zou mijn begrippen omtrent uitgezogen Javanen, vertrapte sinjo's, enz. enz. aanmerkelijk wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken; doch mij tevens doen inzien - 't geen trouwens alle redelijke liberalen, die van onze koloni?n locale kennis bezitten, zonder welke niemand een oordeel vellen kan, met mij zullen instemmen: dat men niet dan trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen elk gematigd bewind hun zal toestaan: volop rijst en rust. - Maar dan te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijke rust, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken! - Zeker, dat moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school. Ja - ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen ?één kudde en één herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft vrouw Europa geleden en gebloed - nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt, als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien eeuwen! - - en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij maken! - Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indi?, alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indi? zijn langzamen, doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.
[45] Rustbank.
[46] Gazen gordijn, om de muskieten te weren.
[47] Tokèk of tjekko: een grootere muurhagedis; men beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal achtereen doen hooren.