Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > Mathias Sandorf
Mathias Sandorf

Mathias Sandorf

Author: : Jules Verne
Genre: Literature
Mathias Sandorf by Jules Verne

Chapter 1 No.1

Het Presidio van Ceuta.

Drie weken na de schrikkelijke gebeurtenissen, welke wij in het vorige deel verhaalden, en waarvan de provincie Catania, op het eiland Sicili?, het tooneel was geweest-drie weken later, zeggen wij, dus op 9 October, stevende een snelvarend stoomjacht-de Ferrato, onze oude bekende-geholpen door een stevige noordoosterbries, tusschen de zuiderpunt van Europa, die eigenaardig genoeg op het Spaansche schiereiland Engelsch is, en kaap Almina, de noordelijkste punt van Afrika, die daarentegen, op het Marokkaansch gebied gelegen, Spaansch is. De vier mijlen afstand, welke van de eene landspits tot de andere gerekend worden, zouden, wanneer men op mythologische gronddenkbeelden zou mogen afgaan, of daaraan slechts eenige waarde mocht schenken, door wijlen Hercules, een waardigen voorganger van den heer Ferdinand de Lesseps, de moderne landengte-doorsteker, daargesteld en toegang aan de wateren van de Mare Mediterranea of Middellandsche zee tot die van den Atlantischen Oceaan verleend zijn, door met een enkelen knodsslag de rotsachtige omdijking van het Middellandsche meerbekken daar ter plaatse te verbrijzelen, hetgeen, zooals ieder lezer zal moeten bekennen, eene vrij aardige krachtsontwikkeling zou vereischt hebben. Jammer, dat dergelijke halfgoden in onze eeuw niet meer aangetroffen worden. De doorgraving van de landengte van Suez zou zooveel geld niet gekost hebben, en de landengten van Panama en van Corinthe zouden zooveel schatten niet verslinden. Met drie zulke knodsslagen waren dan de Andes in de Nieuwe Wereld, de Dioikos in Griekenland en de drempel van Serapeum in Egypte verbrijzeld geweest, om de Middellandsche zee met de Roode zee, de golf van Corinthe met die van Egina, en den Mexicaanschen zeeboezem met de Groote Stille Zuidzee in verbinding te stellen. Nogmaals jammer, doodjammer!

Ziedaar, wat Pescadospunt voorzeker aan zijn vriend Kaap Matifou zou medegedeeld hebben, terwijl hij hem daarbij tegelijkertijd de rots van Gibraltar in het noorden, en den Hachoberg in het zuiden zoude aangewezen hebben.

En, inderdaad, Calpé en Abyla zijn nog steeds de beide bekende rotsmassa?s, de beide zuilen, die als de "Zuilen van Hercules," den naam van den beroemden Griekschen held dragen.

Kaap Matifou zou ongetwijfeld dat "kunststuk van krachtsinspanning" bewonderd en naar waarde geschat hebben, en dat nog wel, zonder dat de nijd zijne eenvoudige en bescheiden ziel zoude verontreinigd, zonder dat zijn edel hart door eene onwaardige gedachte zoude bezoedeld zijn. Nogmaals, Kaap Matifou zou bewonderd en gewaardeerd hebben.

De Proven?aalsche Hercules zou voor den Griekschen held, voor den zoon van Jupiter en Alcmene, eerbiedig het groote hoofd gebogen hebben.

Maar Pescadospunt kon zijnen vriend dat verhaal niet opdisschen, en Kaap Matifou kon zijn Titanshoofd niet buigen, om de eenvoudige reden, dat noch de een noch de andere zich aan boord bevond. Beiden waren op bevel van dokter Antekirrt te Antekirrta achtergebleven, de eerste, omdat hij, zooals wij weten, vrij ernstig gekwetst was, en de andere, om zijn vriend op te passen en te verplegen.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren alleen aan boord van de Ferrato, die door kapitein K?strik gekommandeerd werd; terwijl Luigi-Ferrato nog steeds als eerste officier aan boord van het stoomjacht dienst deed. Van bevordering was nog geen sprake geweest. Maar er was nog tijd.

De expeditie, laatstelijk op het eiland Sicili? ondernomen, met het doel om Sarcany en Silas Toronthal op te sporen en op te lichten, als daar mogelijkheid toe bestond, had volstrekt geen resultaat gehad, daar zij den dood van Zirone tengevolge had gehad. Men moest dus andermaal trachten, die twee booswichten op het spoor te komen, door den Spanjaard Carpena te noodzaken mede te deelen, alles wat hij omtrent Sarcany en diens medeplichtige moest weten en ook wist; daarvan waren dokter Antekirrt en Piet Bathory overtuigd.

Daar de Spanjaard nu tot de galeien veroordeeld en naar het Presidio van Ceuta verwezen was, zou men hem daar moeten gaan opzoeken. Want daar alleen kon men in aanraking met hem komen, en daarom was tot die reis besloten.

Ceuta, in het Spaansch als Ce Veta en in het Arabisch als Septa uitgesproken, is eene kleine, maar zeer versterkte stad, een ware vesting, een soort van Spaansch Gibraltar op de Oostelijke hellingen van den Hacho-berg en op de Marokkaansche kust gelegen, op eene landtong ten westen van Tanger, waarachter de Apenberg, een der Zuilen van Hercules verrijst. De stad bestaat uit drie deelen, namelijk: de reeds genoemde berg Hacho, waarop een zeer sterk fort, hetwelk de geheele landtong en den ingang der zee?ngte bestrijkt; de Citadel, aan het uiteinde van de landtong gelegen en alleen over een ophaalbrug toegankelijk; en eindelijk de eigenlijke stad of Almena, waar de burgers en handelaren wonen. Hier bevinden zich ook de hoofdkerk, twee kloosters, een hospitaal en onderscheidene scholen, waaronder eene voor de zeevaart. Langs den zeeoever voert eene kade, vanwaar men een verrukkelijk uitzicht op Spanje heeft. Aan de andere zijde der stad ligt de Alameda of openbare wandelplaats, vanwaar men het oog kan laten rondwaren, langs de Marokkaansche kust tot aan de bergen van het Riff. Het aantal inwoners bedraagt bijna 12,000 en deze vormen een mengelmoes van Spanjaarden, Engelschen, Franschen, Italianen, Mooren, Negers, Mulatten, Isra?lieten en Marokkanen. Ceuta is de zetel van een bisschop, gesteld onder den aartsbisschop van Sevilla; de Spaansche Regeering bezigt de stad voornamelijk als ballingsoord en bagno.

Ceuta is het oude Septa of Septum of Ad Septem fratres: In de zeven broeders.

Het wordt door sommigen voor Abyla, door anderen voor het Esilissa van koning Ptolomeus gehouden, en was weleer de hoofdstad van Mauritania Tingitana. Na den val van het Romeinsche rijk werd de stad achtereenvolgens door de Vandalen, Gothen en Arabieren overweldigd. Laatstbedoelden gaven haar den naam van Septa, en verhieven haar tijdens hunne heerschappij over Zuid-Spanje, tot een gewichtig oord. Later viel zij ten deel aan de Hamoedieten en daarna aan de Almoravieden; en in 1409 werd zij veroverd door den Portugeeschen koning Joào I, nadat ook de Genueezen er reeds korten tijd heerschappij hadden gevoerd.

In 1580 kwam zij tegelijk met Portugal aan Spanje en bleef hieraan onderworpen,-ook na de scheiding van die twee rijken in 1640.

Vruchteloos belegerden haar de Marokkanen bijna 23 jaren, van 1697 tot 1720, en te vergeefs trokken zij in 1732, onder aanvoering van den bekenden renegaat Ripperda, nogmaals met een groote krijgsmacht derwaarts. De stad werd dapper verdedigd, en is ook nu nog het belangrijkste steunpunt der Spanjaarden in Noord-Afrika.

Er bestaat niets levendiger ter wereld dan die beroemde zee?ngte van Gibraltar, die als het ware de monding der Middellandsche zee vormt. Het is langs dat smalle kanaal, dat de heerlijke en overschoone Amphytrite water-verversching uit de wereldzee, uit den Atlantischen Oceaan erlangt. Daarlangs ontvangt zij ook duizenden vaartuigen, die van Noordelijk Europa en van de beide Amerika?s komen, om de honderden havens aan te doen, die langs haren onmetelijken omtrek aangetroffen worden. Daarlangs stoomen, naar binnen en naar buiten, die prachtige en groote pakketbooten, die oorlogschepen van alle nati?n, aan wie het genie van een Franschman, van Ferdinand de Lesseps, eene deur ontsloten heeft, toegang verleenende tot de Roode zee, tot de Golf van Bengalen, tot den Indischen Oceaan, tot de Chineesche zee en tot de Groote Stille Zuidzee.

Die Straat, door de Ouden Fretum Herculeum geheeten, heeft eene diepte van 16 meters1, doch bezit in haar vaarwater geen banken of klippen. Toch levert zij voor de schepen, die uit de Middellandsche zee komen, wel eens gevaar op, wegens den sterken stroom, die er van den kant van den Atlantischen Oceaan doorheen trekt. Bij dezen is de ingang der Straat-tusschen Kaap Trafalgar en Kaap Spartel-vijf geographische mijlen, en aan den anderen kant-tusschen Punta de Europa en Punta de Afrika-ruim half zoo breed. Het smalste gedeelte is 1? geographische mijl breed en bevindt zich tusschen Punta del Frayle, ten noorden, en Punta de Ciris ten zuiden.

Aan de Afrikaansche kust is de Straat begrensd door een effen rotswand; doch de oever aan de Europeesche zijde vormt onderscheidene inhammen, bepaaldelijk ten oosten in de golf van Gibraltar, die ook, vanwege de daartegenover gelegen stad, Golf van Algesiras geheeten wordt.

Niets schilderachtiger bestaat er dan die smalle zee?ngte, die door hoog gebergte van zeer verschillend uitzicht omlijst is. In het noorden strekken zich de Sierra?s van Andalusi? uit. In het zuiden steigeren langs die zoo heerlijk ingesneden kust, van Kaap Spartel af tot aan de punt van d?Almina, de zwarte toppen van de Bullonen, van den Apenberg en de nokken van de Septem fratres, de Zeven Gebroeders omhoog. Rechts en links vertoonen zich in de diepte der baaien en der kreeken, of als neergevlijd aan den voet en op de eerste hellingen, welke zich langs de lagere kuststreek uitstrekken en door een reusachtigen achtergrond beheerscht worden, schilderachtig gelegen steden, als Tarifa, Algesiras, Tanger en Ceuta. Dan tusschen die beide romantische oevers vertoont zich voor den scherpen boeg der stoomschepen, die noch door de zee, noch door den wind weerhouden worden, of voor den steden der zeilschepen, die soms bij honderden door den westenwind in die monding naar den Atlantischen Oceaan weerhouden worden, eene zeer bewegelijke wateroppervlakte, die uiterst veranderlijk van kleurtinten is, die zich hier grijs en met machtige kuiven getooid voordoet, elders aangenaam blauw en kalm, hier weer geheele strepen van kleine krullende golfjes en maalkolkjes vormt die de grenzen der stroomen en tegenstroomingen met hunnen getanden rand zoo duidelijk mogelijk aangeven.

Niemand die zulk een tafereel onder de oogen krijgt, kan ongevoelig blijven voor de bekoorlijkheden van die verheven schoonheden, die door twee tegenover elkander gelegen werelddeelen als een dubbel panorama langs de oevers van de zee?ngte van Gibraltar ten toon gespreid worden, en de reizigers in den volsten zin des woords in verrukking brengen.

De Ferrato naderde inmiddels vlug de Afrikaansche kust. De diep ingesneden baai, aan welker uiteinde Tanger zich als het ware verbergt, begon zich voor het oog der opvarenden te sluiten, terwijl de rotsmassa van Ceuta des te meer zichtbaar werd, daar de kust daar ter plaatse eene haaksgewijze verandering van richting naar het zuiden vormt. Men zag dien steenklomp langzamerhand zich van de achtergelegen massa afscheiden en alleen vooruitkomen als een schiereiland, dat aan den voet van eene kaap gelegen, en daaraan door een smalle landengte verbonden is, die het aan den vasten wal vasthecht.

Hoog daarboven, dicht bij den top van den Hachoberg, werd een fortje bespeurd dat op de plek verrezen was, waar vroeger eene Romeinsche citadel gestaan had. Daarin zijn steeds uitkijken op wacht, die in opdracht hebben, de zee?ngte scherp gade te slaan, maar vooral het Marokkaansche grondgebied waardoor Ceuta, behalve aan de zeezijde, geheel omsloten wordt. Die geheele streek vertoont nagenoeg eene zelfde bergachtige terreingesteldheid, evenals het kleine vorstendom Monaco te midden van het Fransche grondgebied.

Het sloeg tien uren in den morgen, toen de Ferrato eindelijk het anker liet vallen in de haven, op twee kabellengten afstand van de ontschepingskade, die door de deininggolven uit volle zee met ongetemde kracht gebeukt werd. Daar bestaat echter slechts eene vluchthaven, die bij frisschen en stevig doorstaanden wind voor de branding uit de Middellandsche zee weinig beschutting aanbiedt, en dus nog al gevaarlijk is.

Zeer gelukkig dat wanneer de schepen niet ten westen van Ceuta kunnen ankeren, zij eene tweede ligplaats aan den anderen kant der rots vinden, waar zij voor de westenwinden behoorlijk gedekt liggen.

Toen "de geneeskundige dienst" aan boord was gekomen, en toen de scheepspapieren van de Ferrato in orde bevonden waren, stapten dokter Antekirrt en Piet Bathory tegen een uur des namiddags in de sloep en lieten zich naar den wal roeien. Zij ontscheepten op eene kleine kade, die zich dicht langs den voet der walmuren van de vesting uitstrekte.

Dat de dokter het ernstige voornemen opgevat had, om zich van Carpena meester te maken, daaromtrent bestond hoegenaamd geen twijfel. Maar hoe zou hij dat uitvoeren? Dat zou hij eerst beslissen, nadat hij de plaats en hare omgeving in oogenschouw had genomen. Daarna zou hij naar omstandigheden te werk gaan, hetzij door geweld te gebruiken, om den Spanjaard te ontvoeren, hetzij hij diens ontsnapping uit het Presidio van Ceuta in de hand zou werken. In ieder geval, hij rekende er op, dat hij den Spanjaard in handen kreeg. Zijne maatregelen zouden goed getroffen worden. Ditmaal was de dokter er niet op uit, om het incognito te bewaren. Integendeel, reeds hadden zijn agenten, die aan boord verschenen waren en hem weer verlaten hadden, het gerucht van de aankomst van zoo een beroemd persoon allerwege verbreid. Wie toch in dat geheele Arabische land, van Suez af tot aan Kaap Spartel, kende dien geleerden taleb niet bij naam, die zich thans op het eiland Antekirrta teruggetrokken had en daar in het binnenste gedeelte der Syrtische zee verblijf hield?

De beste ontvangst viel hem dan ook, zoowel van den kant der Spanjaarden, als van dien der Marokkanen ten deel.

Daarenboven was het niet verboden de Ferrato te bezoeken en te bezichtigen, zoodat weldra een groot aantal vaartuigen het stoomjacht omringden en men aan boord kwam.

Dat alles kwam waarschijnlijk met de plannen van dokter Antekirrt overeen. Zijne beroemdheid moest zijne voornemens te hulp komen. Piet Bathory en hij poogden dan ook niet, zich aan de algemeene aandacht te onttrekken. Een open rijtuig, dat in het voornaamste h?tel van Ceuta gehuurd was, veroorloofde hen, om in de stad rond te toeren en haar te bezichtigen. Die rijtoer was een ware zegetocht door het stadje.

Zij bevonden, dat de straten smal, ja nauw en omgeven waren door droefgeestig uitziende huizen, waaraan iedere eigenaardigheid of lokale kleur ontbrak. Hier en daar bespeurden zij kleine pleinen met teringachtige boomen, welker takken en bladeren met een grauw stof overdekt waren, en hunne spaarzame schaduw verleenden aan eene armzalige kroeg of aan een of twee openbare gebouwen, die veel op kazernes geleken. In één woord, er bestond niets oorspronkelijks, tenzij het Moorsche kwartier, dat zijn bijzonderen stempel niet verloren had.

Tegen drie uren gaf dokter Antekirrt aan den koetsier bevel, om hem naar den Gouverneur van Ceuta te rijden, wien hij een bezoek wilde brengen,-een eenvoudig beleefdheidsbezoek, dat van den kant van een zoo aanzienlijk vreemdeling niet anders dan natuurlijk moest voorkomen. Onmiddellijk werd in die richting voortgereden.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat die gouverneur onmogelijk een civiel ambtenaar kon zijn. Ceuta is boven alles een militaire kolonie. Men telt er ongeveer tien duizend zielen, alles bij elkaar gerekend: officieren en soldaten, handelaren, visschers en matrozen van de kustvaart, die zoowel in de stad wonen, als op de terreinstrook, die zich oostwaarts van de vesting uitstrekt, en zoo de omgeving van het Spaansche grondgebied vormt.

Ceuta werd in die dagen bestuurd en gekommandeerd door den Kolonel Guyara.

Die hoofdofficier had onder zijne bevelen drie bataillons infanterie, die van het landleger van Spanje gedetacheerd waren, en die daar den garnizoens-dienst waarnamen; verder had hij een regiment van aan de strengere krijgstucht onderworpen militairen, die bestendig in de kleine kolonie gevestigd waren; dan nog twee batterijen vestingartillerie, eene kompagnie pontonniers, en eindelijk nog eene kompagnie Mooren, wier gezinnen een bijzonder kwartier bewoonden. Het garnizoen was dus vrij sterk, zooals men ziet. Ongeveer drie duizend vijfhonderd man.

Wat de tot de galeien veroordeelden betrof, hun getal bedroeg nagenoeg twee duizend.

Om zich van de stad naar den zetel van den gouverneur te begeven, moest het rijtuig den bedekten weg of ronde-weg volgen, die buiten den walgang der stad liep. Dat was een gemaccadamiseerde heirbaan, die niet alleen rondom het geheele territoir, maar ook tot aan het oostelijkste uiteinde daarvan voerde.

Aan beide kanten van die baan was de smalle strook tusschen haar en den voet der bergen aan de eene zijde, en tusschen haar en den zeeoever aan de andere zijde, die, dank zij der onbezweken vlijt en arbeid der inwoners, goed bebouwd was. Deze hebben de slechte hoedanigheden van den grond weten te overwinnen. Noch groenten van allerlei soort, noch vruchtboomen, die heerlijk dragen, ontbreken er. Maar er mag ook niet verzwegen worden, dat aan handen en armen om te arbeiden geen gebrek is, en dat de teelaarde, evenals dit voor Sint Helena gebeurde, van Europa aangevoerd werd.

Inderdaad, de gedeporteerden worden niet alleen voor of vanwege den Staat gebezigd, hetzij in bijzondere werkplaatsen, hetzij aan de vestingwerken, hetzij aan de wegen, welker onderhoud voortdurende voorzorgen vereischt, hetzij bij de stedelijke politie, wanneer hun voortdurend goed gedrag aanleiding geeft, om er agenten van te maken, die het toezicht voeren, maar tevens onder opzicht staan. Die mannen, die hetzij voor twintig jaren, hetzij voor levenslang naar het Presidio van Ceuta gezonden werden, kunnen ook door particulieren gebezigd worden, evenwel slechts onder zekere voorwaarden, die door het gouvernement in het belang der openbare veiligheid gesteld zijn, en waaraan natuurlijk streng de hand gehouden wordt, hetgeen noodzakelijk is, zooals ieder moet beamen.

Dokter Antekirrt had bij zijn bezoek te Ceuta verscheidene van die ellendelingen ontmoet, die vrij en frank door de straten van de stad zich bewogen, voornamelijk diegenen, die voor huishoudelijken arbeid gebezigd werden. Maar hij zou een veel grooter aantal te zien krijgen, wanneer hij buiten den versterkten walgang met voorliggende verdedigingswerken gekomen zou zijn, daar buiten op de wegen en op het veld, in de voorwerken of op den akker.

Tot welke categorie van het personeel van dat Presidio behoorde nu Carpena? Dat was in de eerste plaats belangrijk om te weten te komen. Want het plan van dokter Antekirrt kon toch slechts in algemeene trekken vastgesteld zijn, en moest natuurlijk gewijzigd worden, naarmate de bestaande omstandigheden, dat wil zeggen: naar gelang de Spanjaard vrij rondliep of opgesloten zat, of hij bij particulieren arbeidde, of in de werkplaatsen van den Staat. Dat diende dus in de eerste plaats uitgevischt te worden.

"Maar", zeide de dokter tot Piet Bathory, "daar die Carpena nog niet lang geleden veroordeeld is, is het meer dan waarschijnlijk, dat hij nog niet die voordeelen geniet, welke den ouderen veroordeelden, vanwege hun goed gedrag, toegestaan zijn."

"Dat ?s waar," antwoordde Piet, "hoewel het toch zou kunnen zijn, dat hij reeds buiten kwam."

"Jawel, wij kunnen daarop toch eenigermate rekenen, ja wij moeten het zelfs."

"Maar als hij opgesloten zit?" vroeg de jonge werktuigkundige. "Dan dunkt mij...."

"Dan wordt het vraagstuk veel lastiger," antwoordde dokter Antekirrt droog.

"Dat meen ik ook. Het zal goed zijn, dit bij onze ontwerpen niet uit het oog te verliezen."

"Maar, om het even: die kerel moet ontvoerd worden, en hij zal ontvoerd worden!"

Het rijtuig reed gedurende dat gesprek zachtkens voort, terwijl de paarden in een matigen korten draf liepen.

Op twee honderd meter afstand buiten den kring der vestingwerken, was een zeker getal gedeporteerden onder opzicht van ettelijke gevangenbewaarders van het Presidio bezig met keien en steenen als verhardings-materiaal op den weg te brengen. Er waren daar een goede vijftig aanwezig, waarvan een gedeelte de keien in kleine stukken sloeg, een ander gedeelte die stukken over den weg uitstortte, en een derde gedeelte hen onder een kolossale welrol verbrijzelde en schier fijnmaalde.

Het rijtuig had dat gedeelte van den weg, waar die herstelling plaats had, stapvoets, ja zelfs gedeeltelijk langs een zijweg moeten volgen, waarop het werk nog niet aangevangen was. Dat was onzen reizigers evenwel niet aangenaam.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren alleen aan boord. (Bladz. 2.)

Plotseling greep dokter Antekirrt Piet Bathory bij den arm.

"Hij!" zeide hij met gedempte stem, terwijl hij zijn makker gevoelig kneep.

"Waar?" vroeg Piet Bathory, overal rondkijkende. "Waar toch? Ik zie hem niet."

De dokter trok Piet naar zich toe en wees met den vinger in zekere richting.

"Daar! Daar!" sprak hij steeds fluisterend.

Een man stond daar, op twintig passen afstand van zijne makkers en leunde op den steel zijner schop.

Dat was Carpena.

Aan zijne oude geaardheid getrouw, nam hij er zijn gemak van en arbeidde zoo min mogelijk.

Dokter Antekirrt had, hoewel hij dien man in twintig jaren niet gezien had, den zoutvervaardiger van Istri?, in weerwil van zijne tegenwoordige kleeding als galeiboef, dadelijk herkend, zooals Maria Ferrato hem ook, in weerwil van zijn Maltezer kleeding, in de straten van het Manderaggio-kwartier zonder aarzelen herkend had.

Dien misdadiger, die door zijne aangeboren luiheid, niets geleerd had in het leven en dan ook tot eenig vak, welk ook, geheel en al ongeschikt was, had men in de werkplaatsen van het Presidio niet kunnen gebruiken. Keien stuk slaan op den weg, dat was alles, waartoe hij gebezigd kon worden. Tot iets anders was hij onmogelijk in staat.

Maar had dokter Antekirrt hem ook al herkend, Carpena kon onmogelijk in dien man daar in dat rijtuig den graaf Mathias Sandorf herkennen, dien hij zoo snood verraden had. Ternauwernood had hij hem toen eventjes gezien in het huis van den visscher Andreas Ferrato te Rovigno, op het oogenblik, dat hij tot gids strekte van het detachement politie-agenten, die de woning zouden omsingelen, om de vluchtelingen gevangen te nemen.

Echter, evenals iedereen had hij de aankomst van dokter Antekirrt te Ceuta vernomen.

Nu was die zoo beroemde dokter-en dat was Carpena niet onbekend-dezelfde persoon, waarvan hem Zirone gedurende hun onderhoud bij de rotsen van Polyphemus, op het zeestrand van het eiland Sicili?, gesproken had. Dat was de man, waarvoor hij zich, volgens de aanbeveling van Sarcany, vooral wachten moest. Dat was de millioenen-bezitter tegen wien de bende van Zirone den vergeefschen aanslag bij de Casa Inglese op de hellingen van den Etna uitgevoerd, en waarbij ze het onderspit gedolven had. Ja, zeker, dat alles wist hij.

Wat ging er in Carpena?s brein om, toen hij zich zoo plotseling in tegenwoordigheid van dokter Antekirrt bevond?

Welke waren de indrukken, die zijne hersenen met die gevoeligheid en die oogenblikkelijkheid opvingen, welke sommige photografische bewerkingen kenmerken?

Dat zou zeer moeielijk te zeggen zijn. De lezer zal dat wel begrijpen, hopen wij.

Wat evenwel de Spanjaard in werkelijkheid ondervond, dat was: dat hij plotseling gevoelde, dat de dokter zich door een soort van moreel overwicht van zijn geheel wezen meester maakte; dat zijne verpersoonlijking te niet ging tegenover die van dien vreemden man; dat eene vreemde wilskracht, sterker dan de zijne, hem beheerschte en vermeesterde.

Te vergeefs poogde hij zich tegen dien invloed te verzetten. Hij bezweek er voor en vermocht niets anders te doen, dan voor die overheersching lijdelijk te bukken.

Intusschen had dokter Antekirrt zijn rijtuig doen stilstaan en ging voort den galeiboef met een doordringenden blik aan te staren. De schitterende uitstraling van dien blik bracht op de hersenen van Carpena een vreemdsoortig en onweerstaanbaar effect teweeg. De zinnen van den Spanjaard werden als door een soort van verdooving verlamd. Zijne oogleden knipten en sloten zich eindelijk, daar hij onmachtig was ze open te houden; terwijl hij geene andere beweging dan eene trillende beving in de oogleden en wenkbrauwen ondervond. Toen viel hij, zoodra de gevoelloosheid de overhand genomen had en derhalve volkomen was, aan den rand van den weg neer, zonder dat zijne makkers of lotgenooten er iets van bespeurden, daar hunne aandacht op de zoo rijke reizigers gevestigd was. Hij was in een diepen magnetischen slaap gedompeld, waaruit niemand hem zou hebben kunnen wekken, welke middelen ook aangewend werden.

Toen het zoover gekomen was, gaf dokter Antekirrt bevel, om den rijtoer te vervolgen en gebood den koetsier zich naar het verblijf van den gouverneur te richten.

Dat geheele tooneel had hem niet meer dan eene halve minuut oponthoud gekost. Niemand had kunnen waarnemen, wat tusschen hem en dien Spaanschen galeiboef voorgevallen was,-niemand tenzij Piet Bathory, die de zaak daarenboven niet begrepen had.

"Thans behoort die man mij", zei dokter Antekirrt tot Piet, "hij is in mijne macht en ik kan hem tot alles noodzaken."

"Ook om u alles mede te deelen wat hij weet?" vroeg Piet Bathory vrij ongeloovig.

"Neen, dat niet," antwoordde dokter Antekirrt met een geheimzinnigen glimlach.

"Niet?... Dat is jammer!" meende de jeugdige werktuigkundige teleurgesteld.

"Neen, maar ik kan hem wel noodzaken, alles te doen, wat ik wil, dat hij uitvoeren zal."

"Zonder dat hij dit weet?... Zonder dat hij dit zal willen?"

"Ja, maar niet alleen dat, maar zelfs geheel onbewust," antwoordde dokter Antekirrt.

"Hoe weet gij dat?" vroeg Piet Bathory, die, als ingenieur, het hoe en waarom gaarne vernam.

"Bij den eersten blik, dien ik op den ellendeling wierp, gevoelde ik, dat ik hem in mijne macht had, dat ik zijn wil door den mijnen kon vervangen."

"Die man is toch niet ziek, niet waar? Zijn uiterlijk verraadde daarvan niets."

"Neen, hij is volstrekt niet ziek. Hij is integendeel zoo gezond als gij en ik", antwoordde dokter Antekirrt.

"Hoe verklaart gij dan...?"

"Denkt gij dan, dat die zenuwuitwerkselen alleen bij ziekelijke zenuwlijders teweeg kunnen gebracht worden?"

"Mij dunkt, dat een gezond mensch aan dergelijke invloeden weerstand kan bieden."

"Neen, Piet. Zij, die nog het meeste weerstand bieden, zijn juist de hersenzieken, de waanzinnigen."

"Maar..."

"Een goed en gevoelig sujet moet juist een eigen wil hebben, om behoorlijk gedomineerd te worden, en ik ben uitermate door de omstandigheden begunstigd geworden, daar ik in dien Carpena juist eene geaardheid aangetroffen heb, geheel en al geschikt, om mijn invloed te ondervinden..."

"Maar wat helpt dat thans?" vroeg Piet Bathory. "Al hebt gij hem ook al onder uwen zedelijken invloed, dan hebt gij hem nog niet in uwe physieke macht."

"Neen, maar die galeiboef zal in slaap gedompeld blijven, en zonder mijne tusschenkomst zal die slaap niet wijken."

"Aangenomen", zei Piet; "maar waartoe zal dat dienen? Ik zie daar geen uitkomst in."

"Waartoe dat zal dienen, vraagt ge? Welke uitkomst dat zal hebben?"

"Voorzeker vraag ik dat, daar het onmogelijk is, om hem in den toestand, waarin hij zich bevindt, te doen zeggen, wat wij zooveel belang hebben te weten te komen."

"Dat is ontwijfelbaar waar," antwoordde dokter Antekirrt. "Ik kan hem wel in mijne gedachten doen lezen; maar ik kan hem onmogelijk doen zeggen, wat ik zelf niet weet."

"Welnu, dan herhaal ik mijne vraag: waartoe zal dat dienen, welke uitkomst zal dat opleveren?"

Bracht hij de hielen op dezelfde lijn, sloot het dikke der kuiten tegen elkander en bracht de rechterhand aan de klep zijner politiemuts. (Bladz. 21.)

"Maar wat ik wel in mijne macht heb", ging dokter Antekirrt onverstoorbaar voort, alsof hij die vraag niet gehoord had, "is hem te noodzaken te doen, wat mij in mijn kraam te pas komt, wat ik zal willen, dat hij doen zal, en dat zonder dat zijn wil er zich tegen verzetten kan."

"Ja, maar wat?" vroeg Piet Bathory ongeduldig. "Ja, maar wat? Zeg mij."

"Wanneer ik bijvoorbeeld zal willen, dat hij morgen of overmorgen, over acht dagen of over drie of zes maanden, zelfs wanneer hij in wakenden toestand is, het Presidio zal verlaten, dan zal hij dat ongetwijfeld doen."

"Het Presidio verlaten!... Kom, gij gekscheert met mij!... Hoe zou dat mogelijk zijn?"

"Ja! het Presidio verlaten!... Piet, ik ben te ernstig, om mij eene grap te veroorloven!"

"Het Presidio verlaten?... Vrij en ongehinderd?..." vroeg Piet Bathory steeds ongeloovig. "Dan zouden de bewakers dat toch moeten veroorloven! De invloed van uwe wilskracht kan zoo ver niet reiken, om hem zijne ketenen te doen verbreken, om hem de deur van het bagno te doen verbrijzelen, om hem een onoverkomelijken muur te doen overklimmen, ... waarbij de gevangenbewaarders hem dan nog behulpzaam zouden moeten zijn."

"Neen, Piet," antwoordde dokter Antekirrt, "gij hebt gelijk; ik kan hem niet noodzaken te doen, wat ik zelf niet uitrichten kan... Maar ik kan..."

"Maar wat dan? Wat is uw plan?" vroeg de jonge werktuigkundige vrij opgewonden.

"Mijn plan? Juist om dat uit te voeren, begeven wij ons thans naar den gouverneur van Ceuta, ten einde dien hoofd-officier een offici?el bezoek te brengen. En let nu maar op de verdere ontwikkeling van de zaak, die ik mij gesteld heb."

Dokter Antekirrt overdreef niet. Dat zou Piet Bathory spoedig genoeg ondervinden.

Die daadzaken omtrent den invloed der wilskracht op iemand in den hypnotischen toestand, zijn thans algemeen erkend. De werken en nasporingen van Charcot, van Brown Sequard, van Azam, van Richet, van Dumontpallier, van Maudsley, van Bernheim, van Hack Tuke, van Rieger, en van zooveel andere geleerden, kunnen daaromtrent geen twijfel laten bestaan.

Dokter Antekirrt had gedurende zijne reizen in Oostersche landen zeer merkwaardige gevallen daaromtrent kunnen bestudeeren en aan dien tak der physiologie een rijken schat van nieuwe en belangrijke waarnemingen toevoegen, en zijne reeds zoo rijke ondervinding zeer kunnen vermeerderen.

Hij was dus uitnemend op de hoogte van die verschijnselen en van de resultaten, die er van te erlangen zijn. Hij was zelf begaafd niet eene groote mate van zich opdringende wilskracht, die hij dikwijls gelegenheid had gehad in Klein-Azi? uit te oefenen. En het was op die wilskracht, dat hij rekende, om zich van Carpena meester te maken,-daar toch het toeval het zoo gewild had, dat de Spanjaard aan haren invloed volkomen onderhevig was.

Maar al was dokter Antekirrt voortaan meester over de wilskracht van Carpena; al kon hij hem ook doen handelen, zooals en wanneer hij wilde, door hem zijn eigen wil op te dringen, zoo was het toch noodzakelijk, om tot eene afdoende handeling te kunnen overgaan, dat de gevangene vrij in zijne bewegingen was, wanneer het oogenblik gekomen zou zijn om hem deze of gene daad te doen uitvoeren. Daarvoor was de vergunning van den gouverneur noodig, en die vergunning hoopte hij wel van den kolonel Guyara, een uiterst welwillend en goedaardig mensch, te verkrijgen, om daardoor de ontvluchting van den Spanjaard uit het Presidio mogelijk te maken.

Tien minuten later kwam het rijtuig van dokter Antekirrt bij den ingang der groote kazernes aan, die bij de grens van het ge?nclaveerde grondgebied opgetrokken zijn, en hield bij het verblijf van den gouverneur, dat in de nabijheid gebouwd is, stil.

De kolonel Guyara had reeds kennis bekomen van de aankomst van dokter Antekirrt te Ceuta. Die beroemde persoon was, dank zij zijn algemeen door zijne rijkdommen en zijne bekwaamheden bekenden naam, als een soort souverein op reis. Nadat hij dan ook in het salon van het gouvernements-paleis was binnengeleid, ontving de gouverneur hem, alsook zijnen jeugdigen reisgenoot, op de meest innemende wijze. Al dadelijk wilde die kolonel zich geheel en al ter hunner beschikking stellen, om het kleine ge?nclaveerde grondgebied te bezoeken, dat kleine stuk van Spanje, zoo zonderling in het Marokkaansche rijk ingesneden.

"Gaarne nemen wij uw aanbod aan, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt in het Spaansch,-eene taal, die ook door Piet Bathory goed verstaan en vlug gesproken werd.-"Maar ik weet niet, of wij wel den tijd zullen hebben, om uwe dienstvaardigheid te kunnen benuttigen."

"O, de kolonie is niet groot, dokter Antekirrt", antwoordde de gouverneur. "In een halven dag kan men den geheelen omtrek er van afleggen."

"Dat is zoo, maar ... onze tijd is nog al beperkt, heer gouverneur," antwoordde de dokter.

"Denkt gij dan niet eenigen tijd hier te vertoeven, zooals het gerucht zich verbreid heeft?"

"Hoogstens vier of vijf uren," antwoordde de dokter. "Langer kan ik inderdaad niet."

"Zoo kort? Maar, heer dokter, dan zult gij niets kunnen bezichtigen. En dat is toch jammer."

"Ik moet heden avond nog naar Gibraltar vertrekken, waar ik morgen in de ochtenduren verwacht word."

"Heden avond nog vertrekken!" riep de gouverneur uit. "Hoe is dat toch mogelijk?"

"Het moet! heer gouverneur, het moet! Geloof intusschen, dat het mij geweldig spijt."

"O, veroorloof mij te beproeven, u van dat voornemen af te brengen." zei kolonel Guyara.

"Dat zou vergeefsche moeite zijn, heer gouverneur. Volkomen vergeefsche moeite, geloof mij."

"Ik verzeker u, dokter Antekirrt, dat onze militaire volksplanting inderdaad waard is van nabij bestudeerd te worden," drong kolonel Guyara levendig aan.

"Ik twijfel er niet aan, heer gouverneur. Ik weet het trouwens, want ik heb er veel van gelezen."

"Gij hebt ongetwijfeld veel gezien, veel waargenomen, heer dokter, gedurende uwe veelvuldige reizen; maar uit het oogpunt van verbeterings-kolonie of beter strafkolonie, verdient Ceuta, ik verzeker het u, de geheele opmerkzaamheid zoowel van geleerden, als van staathuishoudkundigen!"

Natuurlijk dreef de eigenliefde kolonel Guyara wel eenigermate om zijn kleine volksplanting zoodanig te prijzen en te verheffen. Toch overdreef hij niet; want het administratief bestuur van het Presidio van Ceuta, wat geheel gelijk is aan dat der Presidios van Sevilla, wordt beschouwd als een van de besten, zoowel van het Oude als van het Nieuwe halfrond. En, dat niet alleen wat betreft den materieelen toestand der gedeporteerden, maar ook hunne zedelijke verbetering, waarbij beoogd wordt, gelouterde sujetten aan de maatschappij weer te geven.

De gouverneur drong er dan ook op aan, dat een zoo voornaam man als dokter Antekirrt was, zijn vertrek zou willen uitstellen, om de verschillende lokalen en inrichtingen van de strafkolonie met een bezoek te vereeren.

"Het is onmogelijk, dat ik langer blijf, heer gouverneur," verzekerde de dokter, en ging met een glimlach voort; "maar heden behoor ik u toe, en wanneer gij wilt, dan is het weinigje tijd, dat mij rest, nog wel te benutten, dunkt mij."

"Het is reeds vier uren," hernam kolonel Guyara, terwijl hij een blik op de pendule wierp.

"Reeds zoo laat?" vroeg de dokter, terwijl hij zijn horloge met het salon-uurwerk vergeleek.

"Voorzeker. En gij ziet, er blijft ons slechts weinig tijd over, om Ceuta te bezichtigen."

Waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir. (Bladz. 31.)

"Inderdaad," antwoordde de dokter, "en dat hindert mij te meer, daar ik er prijs op gesteld zoude hebben, om u, na uwe gastvrijheid genoten te hebben, aan boord van mijn stoomjacht te ontvangen."

"Dokter Antekirrt, zoudt gij uw vertrek naar Gibraltar niet een dag, een enkelen dag kunnen uitstellen?"

"Dat deed ik zeker, heer gouverneur, als ik geen samenkomst bepaald had voor morgen, zooals ik u reeds gezegd heb. Inderdaad, ik ben verplicht, om nog heden avond zee te kiezen!"

"Dat is waarlijk betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "en niets zal mij kunnen troosten, dat ik u niet langer hier heb kunnen houden! Maar ... pas op..."

"Waarop moet ik passen, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt met een glimlach.

"Het vaartuig ligt onder het bereik mijner kanonnen en mijner mortieren ten anker...."

"Ho, ho!" riep de dokter lachende uit. "Dat is eene internationale bedreiging!"

"En ik kan u op de plaats in den grond boren!" vervolgde kolonel Guyara schertsende.

"En de represailles dan, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt lachende.

"Welke represailles? Zijn er represailles mogelijk, als uw scheepje in den grond geschoten is?"

"Zoudt gij denken dat Antekirrta die schending van het volkenrecht ongewroken zou laten?"

"Wat, Antekirrta?..." riep kolonel Guyara schaterlachende uit.

"Zoudt gij in staat van oorlog met het machtige rijk van Antekirrta willen geraken?"

"Ik weet, dat ik groot gevaar zou loopen," antwoordde de gouverneur op denzelfden toon van gekscheren.

"Dat geloof ik ook... Zijt derhalve zeer op uw hoede, want Antekirrta is machtig!"

"Maar, wat zou men niet willen wagen, om u vier en twintig uren langer te mogen behouden!"

"Ja, maar het is toch beter dat gevaar niet te trotseeren," antwoordde dokter Antekirrt met een beleefden glimlach.

Piet Bathory, die geen deel aan dit gesprek genomen had, vroeg zich af, of dokter Antekirrt al of niet het doel, dat hij wenschte te bereiken, nader was gekomen. Het besluit, om denzelfden avond nog Ceuta te willen verlaten, hoorde hij voor het eerst, en het bevreemdde hem niet weinig.

"Te drommel", dacht hij, "hoe zullen in zoo weinig tijd de noodige maatregelen te nemen zijn, om de ontsnapping van Carpena, met hoop op goeden uitslag, te kunnen bewerkstelligen. Dat zal inderdaad een tooverstuk zijn!"

Hij overdacht dat weinige uren later de gedeporteerden in het Presidio wedergekeerd en achter slot gesteld zouden zijn. Onder die omstandigheden werd het zeer onwaarschijnlijk, dat iemand de vergunning verkrijgen zou, dat de Spanjaard zich buiten de gevangenismuren zoude mogen begeven. Waarlijk, het vraagstuk werd uiterst belangwekkend.

Maar Piet begreep, dat de dokter een vastgesteld plan volgde, toen hij hem hoorde antwoorden:

"Waarlijk, heer gouverneur, het spijt mij zeer, dat ik aan uw zoo vriendelijk geuit verlangen niet voldoen kan."

"Het spijt mij nog meer. Maar kunt gij waarlijk niet?" vroeg kolonel Guyara met plichtpleging.

"Neen, althans heden niet. Maar toch is het mogelijk, dat ik aan uw wensch zal kunnen voldoen."

"Hoe dat?... Spreek spoedig!... Ik ben inderdaad zeer verlangend, heer dokter..."

"Luister."

"Spreek, dokter Antekirrt, spreek dan toch!" hernam de gouverneur ongeduldig.

"Daar ik morgen ochtend noodzakelijk te Gibraltar moet wezen, moet ik heden avond vertrekken. Daaraan valt niets te veranderen. Maar ik reken, dat mijn verblijf op die Engelsche rots niet langer dan twee of drie dagen zal duren. Het zou mij zeer tegenvallen, wanneer het anders ware en ik er langer zou moeten blijven."

"Des te beter! Want geloof mij, daar op dat Britsche grondgebied is niet veel te zien."

"Neen, ik wil er niet langer verwijlen dan noodig is. Het is heden Donderdag, niet waar?"

"Inderdaad."

"Welnu, in plaats van mijne reis langs de noordkust der Middellandsche zee te vervolgen, zal mij niets gemakkelijker vallen, dan Zondagmorgen naar Ceuta terug te keeren...."

"Juist, niets gemakkelijker dan dat, inderdaad," antwoordde de gouverneur, "en ook niets aangenamer en verplichtender voor mij! Ik betoon waarschijnlijk wel wat te veel eigenliefde, niet waar, heer dokter?"

"Laten wij daarvan niet spreken, heer gouverneur."

"Och, wie heeft zijne ijdelheids-beweegredenen niet in deze wereld, niet waar? Dat is dus afgesproken, dokter Antekirrt, tot Zondag! Niet vergeten, hoor!"

"Jawel, maar op eene voorwaarde, hoort gij op uwe beurt, heer gouverneur?"

"Voorzeker, ik hoor. En die voorwaarde is, heer dokter?.. Kom laat hooren!"

"Maar neemt gij ze aan? Dat dien ik vooraf te weten, heer gouverneur. Neemt gij ze aan?"

"Blindelings! Welke zij ook moge zijn!" antwoordde kolonel Guyara galant.

"Ook dat gij met uw adjudant aan boord van de Ferrato zult komen ontbijten?"

"Aangenomen, heer dokter, aangenomen! Maar..."

Kolonel Guyara scheen te aarzelen.

"Maar wat? Trekt ge terug, heer gouverneur? Dat zou ik niet mooi vinden."

"Maar, ook op mijne beurt, op eene voorwaarde, heer dokter," ging de kolonel voort.

"Evenals gij, neem ik haar blindelings aan. Laat hooren, heer gouverneur."

"Dat is, dat gij met den heer Bathory op het gouvernementshuis zult komen dineeren."

"Dat is afgesproken, heer gouverneur. Zoodat tusschen het ontbijt en het middagmaal..."

"Ik van mijn gezag en mijne macht misbruik zal maken..." antwoordde kolonel Guyara lachende.

"Brr! Misbruik van gezag en macht! Het is om kippenvel te krijgen! Om er van te ontstellen!"

"Om u al de heerlijkheid van mijn rijk te doen bewonderen," voleindigde kolonel Guyara, terwijl hij de hand van dokter Antekirrt drukte.

Piet Bathory had evenzeer de uitnoodiging, die hem gedaan was, aangenomen, en bedankte voor de welwillendheid van den gouverneur van Ceuta met eene beleefde buiging.

Dokter Antekirrt nam afscheid, en Piet kon toen reeds in zijne oogen lezen, dat hij zijn doelwit bereikt had. Maar de gouverneur wilde zijne toekomstige gasten tot in de stad vergezellen. Alle drie namen toen plaats in het rijtuig en volgden den eenigen weg, die het gouvernements-h?tel met het stedeke Ceuta in verbinding stelt.

Het was van dien Spaanschen gouverneur niet te verwonderen, dat hij de gelegenheid te baat nam, om de beide bezoekers de min of meer betwistbare schoonheden van de kleine volksplanting te doen bewonderen, dat hij met eene zekere voorliefde sprak over de verbeteringen, die hij zich voorgenomen had in te voeren, zoowel in het militair als in het civiel bestuur der nederzetting; dat hij de meening verkondigde en verdedigde, dat de ligging van het oude Abyla niet minder was dan die van Calpi aan de andere zijde van de zee?ngte; dat hij beweerde, dat het mogelijk was er een waar Gibraltar van te maken, even onneembaar als zijn Britsche tegenhanger; dat hij protesteerde tegen de onbeschofte woorden van master Ford: dat Ceuta aan Engeland moest toebehooren, omdat Spanje er niets van weet te maken en onbekwaam is om het te behouden indien het aangevallen werd; dat hij zich zeer vertoornd betoonde over die halsstarrige Engelschen, die nergens den voet aan wal kunnen zetten, zonder dat die voet dadelijk wortel schiet. Neen waarlijk, dat was niet te verwonderen.

"Inderdaad", riep hij vrij opgewonden uit, "voordat zij er aan denken, om zich van Ceuta meester te maken, moeten zij er voor waken, dat zij Gibraltar behouden! Er bestaat daar een berg, die Spanje op hun hoofd zou kunnen neerstorten!"

Dokter Antekirrt, zonder te vragen op welke wijze de Spanjaarden een zoodanig gewelddadig geologisch verschijnsel in het leven zouden kunnen roepen, wachtte zich wel die bewering tegen te spreken, die met al de opgewondenheid, een hidalgo zoo eigen, geuit was. Daarenboven werd het gesprek door het plotseling stil houden van het rijtuig afgebroken. De koetsier had zich genoodzaakt gezien zijne paarden te moeten inhouden bij eene verzameling van gedeporteerden, die als het ware den weg afsloten. Het was eene bepaalde opstopping, zooals men wel in groote steden, maar niet in eene verbeteringsplaats kon verwachten.

De gouverneur werd ongeduldig, wenkte met een enkel gebaar een der brigadiers van het bewakings-detachement, om tot hem te komen. Die agent naderde hem dadelijk met den voorgeschreven versnelden militairen pas. Bij het rijtuig aangekomen, bracht hij de hielen op dezelfde lijn, sloot het dikke der kuiten tegen elkander, bracht de rechterhand aan de klep zijner politiemuts, en wachtte in die voorschriftmatige houding, totdat de gouverneur het woord tot hem zoude richten.

Al de andere aanwezigen, zoowel bewakers als gevangenen, hadden zich op een gelid aan weerszijden van den weg geschaard en keken eerbiedig toe, zonder een vin te durven verroeren.

"Wat is er aan de hand?" vroeg de gouverneur. "Waarom die versperring van den weg?"

"Excellentie," antwoordde de brigadier, "wij hebben een veroordeelde op de helling van het talud van den weg vinden liggen. Hij schijnt slechts ingeslapen te zijn..."

"Welnu, brigadier? Wat heeft dat te beduiden?" ging kolonel Guyara met vragen voort.

"Men is er niet in geslaagd hem wakker te kunnen maken, Excellentie," was het antwoord.

"Sinds hoelang is die man in dien toestand, brigadier?"

"Sedert een uur ongeveer, Excellentie," was het eerbiedige antwoord van den ondergeschikte.

"En slaapt hij steeds door? Het is, alsof gij mij een sprookje vertelt."

"Steeds, Excellentie."

"Hoe weet gij dat, brigadier? Hebt gij u daarvan overtuigd? Zeg?"

"Ja, Excellentie. Hij is zoo ongevoelig, alsof hij dood ware. Men heeft hem geschud, men heeft hem geprikt...."

"Wat verder?"

"Men heeft hem geroepen, zelfs een pistoolschot vlak bij het oor gelost."

"Welnu?"

"Excellentie, hij voelt niets en hij hoort niets! Hij blijft ongevoelig en bewusteloos liggen."

"Waarom heeft men den geneesheer van het Presidio niet gehaald?" vroeg de gouverneur. "Dat is eene nalatigheid."

"Ik heb hem laten halen, Excellentie; maar men trof hem niet te huis"

"En?"

"In afwachting dat hij komt, weten wij niet, wat wij met dien man moeten uitvoeren."

"Welnu, laat hem naar het hospitaal dragen! Mij dunkt, dat is nog al eenvoudig."

De brigadier was op het punt dat bevel te doen uitvoeren, toen dokter Antekirrt tusschenbeide kwam.

"Heer gouverneur," sprak hij, "wilt gij mij in mijne hoedanigheid van geneesheer veroorloven, dien hardnekkigen slaper te onderzoeken. Ik wenschte hem wel van nabij gade te slaan."

"Waarachtig, dat ?s waar ook," zei de gouverneur, "dat behoort tot uw departement!... Een boef, die door dokter Antekirrt behandeld zal worden!... Waarlijk, de kerel zal zich niet te beklagen hebben, dunkt me."

Het drietal stapte uit het rijtuig en de dokter naderde den veroordeelde, die op het talud van den weg uitgestrekt lag. Het leven vertoonde zich bij dien man, die in diepen slaap gedompeld was, niet anders meer dan door eene ietwat hijgende ademhaling en door eene snellere beweging van den pols. Dat was alles.

De dokter wenkte, dat de omstanders meer achteruit zouden wijken, om de toetreding van meer lucht mogelijk te maken. Toen dat gebeurd was, bukte hij zich over dat schijnbaar levenlooze lichaam, en sprak tot Carpena, maar met een zachte stem. Daarna bekeek hij hem een lange poos, alsof hij een zijner wilsuitingen in de hersenen van den galeiboef wilde doen doordringen.

En zich toen oprichtende, zeide hij kalm en bedaard, alsof het geheele voorval niets te beduiden had:

"Het is niets! Die man is slechts door een aanval van magnetischen slaap overvallen geworden!"

"Waarlijk?" vroeg de gouverneur. "Niets anders dan dat?"

"Niets anders," antwoordde de dokter met een schier onmerkbaren glimlach op de lippen.

"Dat is inderdaad zonderling," meende de gouverneur. "Vindt gij niet, dokter Antekirrt?"

"Toch niet," antwoordde deze ernstig en afgemeten in toon en gebaren. "Zoo iets komt meer voor."

"En kunt gij hem uit dien slaap wakker maken? Dat zou ik wel eens willen zien."

"Niets gemakkelijker dan dat!" antwoordde dokter Antekirrt meesmuilend. "Kijk goed toe, kolonel."

En na het voorhoofd van Carpena met de vingertoppen aangeraakt te hebben, opende hij met vaardige en lichte hand de oogleden van den lijder, en zeide toen:

"Word wakker! ... ik wil het! Hoort ge?... Ik wil het... word wakker!"

Carpena bewoog zich, eerst onmerkbaar schier, daarna meer duidelijk, keerde zich om, opende de oogen, hoewel hij toch nog in een staat van slaapdronkenheid en verdooving bleef. De dokter bewoog toen verscheidene malen en in schuine richting de hand voor het gelaat van den gedeporteerde, alsof hij ten doel had de hem omringende luchtlaag in beweging te brengen. Langzamerhand verdween de verdooving. Toen stond Carpena op en ging, evenwel loom en traag, en zonder dat hij eenig bewustzijn scheen te hebben van hetgeen er voorgevallen was, plaats tusschen zijne makkers nemen.

De gouverneur Guyara, dokter Antekirrt en Piet Bathory stegen weer in het rijtuig, dat de weg naar de stad vervolgde in vollen draf, om het tijdverlies van het oponthoud in te halen.

"Was de kerel, alles wel beschouwd, niet ietwat onder den invloed van sterken drank?" vroeg de gouverneur met een spotachtigen glimlach. "Het kwam mij zoo voor."

"Dat geloof ik niet," antwoordde dokter Antekirrt ernstig. "Neen, dat was het niet."

"Vooreerst ontbrak geheel en al de alcohollucht," zei Piet Bathory, die den dokter te hulp kwam.

"Meent ge? Ik moet erkennen, dat ik daar niet op gelet heb," zei kolonel Guyara.

"En dan valt hier slechts eene eenvoudige uitwerking van het somnambulisme te constateeren."

"Maar hoe kan die uitwerking te voorschijn geroepen zijn?" vroeg de gouverneur.

"Daarop kan ik niet antwoorden, heer gouverneur. Misschien is die man onderhevig aan dergelijke aanvallen."

"Maar hij is nu op de been, verdere zorgen mijnerzijds zijn nu overbodig en deze aanval zal hem geen kwaad doen."

"Mijnentwege," dacht de gouverneur. "Zoo?n boef! Alsof ik mij daarom bekommeren zou."

Het rijtuig bereikte weldra den gordel der vestingwerken, reed de stad in en dwars door en hield stil op een klein plein, waarbij de verschillende inschepings-kaden van Ceuta uitkwamen.

Daar nam dokter Antekirrt hartelijk afscheid van den kolonel Guyara.

"Ziet, daar ligt de Ferrato," sprak de eerstgenoemde, terwijl hij naar het sierlijk stoomjacht wees, dat op de open reede bevallig door de deining heen en weer bewogen werd. "Vergeef mij, dat ik u uwe belofte herinner. Gij zult niet vergeten, heer gouverneur, dat gij aangenomen hebt, om aanstaanden Zondag-ochtend aan boord te komen ontbijten?"

"Zeker niet, dokter Antekirrt. Evenmin als gij vergeten zult, dat gij Zondag-avond op het gouvernementshuis dineeren zult! Denk daar ook om; want ik reken er op."

"Ik zal woord houden, heer gouverneur, dat verzeker ik u," zei dokter Antekirrt met plichtpleging.

"En ik ook, wees daar verzekerd van," was het wederantwoord van den kolonel.

Beiden scheidden en de gouverneur verliet de kade niet, dan nadat hij de sloep had zien afsteken.

"Een merkwaardig man!" zei hij bij het heengaan tot zijn adjudant. "Bepaald een merkwaardig man."

De jonge officier knikte toestemmend, zooals dat een goed ondergeschikte betaamt.

Toen de sloep aan boord gekomen was, antwoordde dokter Antekirrt op de vraag van Piet Bathory, of alles volmaakt naar zijn wensch was afgeloopen en of hij de uitvoering zijner plannen meer nabij gekomen was:

"Ja!"

"Meent gij dat wezenlijk?" vroeg Piet Bathory, niet zonder ietwat verbazing te laten blijken.

"Zeker! Want Zondag-avond zal Carpena met of zonder vergunning van den gouverneur aan boord van de Ferrato zijn."

Tegen acht uren verliet het stoomjacht zijne ankerplaats, wendde den steven noordwaarts en weldra verdween de berg Hacho, die deze Afrikaansche kusten beheerscht, in den nevel, die zich bij het vallen van den avond uit den Atlantischen Oceaan en uit de Middellandsche zee verhief.

Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur hem op de kade af te wachten. (Bladz. 40.)

* * *

1 De werkelijke diepte van de straat van Gibraltar is 300 tot 900 meter.-J.H.

Chapter 2 EENE PROEFNEMING VAN DOKTER ANTEKIRRT.

Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.

Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers-dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.

Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.

Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa?s en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.

Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne "oude besjestanden" zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.

Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte "monos", een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste famili?n van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.

Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.

Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zee?ngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.

De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.

Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusi?, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend h?tel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d?Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6′ 42″ Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.

Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779–1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht-twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.

Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.

Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.

Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa?s en tuinen, een weg naar Punta d?Europa.

Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.

Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede h?tels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts O.69 vierk. geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,-jaarlijks ongeveer tienduizend,-geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.

Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen den 21sten Juli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4en Augustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12en daaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7en Maart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.

Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.

In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27sten November 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.

De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.

Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.

Wanneer de Ferrato, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.

Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19en September op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.

Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.

De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicili? bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo?n vreeselijken dood vond.

Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.

De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicili? verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.

Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.

Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.

Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.

Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.

Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.

Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.

Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.

"Sava?..." vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. "Waar is Sava?"

"Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid," antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.

"Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?" vroeg de Tripolitaan.

"Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust," was het antwoord van de oude feeks.

"Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden...."

"Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben."

"Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan."

"Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen."

"Is dat zeker?"

"Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven..."

"Ga voort... Ga dan toch voort... Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij."

"Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust."

"Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?... Gij weet, dat dit van belang is."

"Voorzeker, Sarcany," antwoordde Namir. "Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!"

"Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft... Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel."

"Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!"

Gibraltar.

"Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren... Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij."

"Ik zal haar wel noodzaken toe te geven," antwoordde Namir gemelijk. "Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!... Laat dat maar aan mij over, Sarcany!"

Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.

"Goed, Namir, zeer goed!" antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.

"O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?"

"Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen," antwoordde deze.

"Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?" vroeg de Marokkaansche.

"Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn," antwoordde Sarcany met een glimlach.

"Gij hebt gelijk," zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.

"Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?"

"Zoo is het goed, Sarcany," hernam Namir. "Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?"

"Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven."

"Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!"

"Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed," antwoordde Sarcany: "Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicili?. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!"

"Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend," zei Namir met haren leelijken grijnslach.

"Ja, maar ..." hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. "Ja maar...."

"Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?" vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.

"Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is."

"Wie zijn dat?" vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.

"De eene is Carpena," antwoordde Sarcany. "Gij weet wel, de Spanjaard Carpena!"

"Zoo!" gromde de Marokkaansche met sombere stem. "En wie is de andere?"

"De andere... dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam, en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!"

De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar oogenblik.

"Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken, natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!"

"Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is," antwoordde Namir. "Meer dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen... Ik heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd."

"Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen steeds te weten, wat hij uitvoert..."

"Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel zoudt meenen."

"Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten," sprak de Tripolitaan.

"Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany," antwoordde Namir.

"Waarom dat?"

"Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer aan het andere uiteinde!"

"Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te bezitten!" riep Sarcany met een zucht uit. "Maar het zal niet gezegd worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken, zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich ernstig in acht neme!"

"Voorzichtig, Sarcany!" vermaande de oude. "Voorzichtig toch! Als gij met vuur omgaat..."

"En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken," ging Sarcany hartstochtelijk voort, "ik zal hem..."

"Als dat huwelijk voltrokken is," suste hem Namir, "dan zult gij van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar, Sarcany? Van niemand meer?"

"Ongetwijfeld, Namir; ... maar intusschen ... is dat huwelijk nog niet voltrokken."

"Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?"

"Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?"

"Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan, waar wij ons bevinden."

"Dat is waar."

"Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien man te vreezen?"

"Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe makkers en vrienden waren."

"Zoo!"

"Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan ... dan zou ik verloren zijn."

"Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta, veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord, niet waar?"

"Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik u niet verbergen."

"Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen."

"Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting van straf te erlangen, aan het verraden gaan."

"Och, kom!... Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo gauw niet."

"Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat anderen ook."

"Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet vatbaar is."

"Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken."

"Dat is niet onmogelijk," zei Namir peinzende. "En in dat geval is inderdaad het gevaar groot."

"Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe bezit hij de middelen."

"Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men zou hem dat daar toch maar afnemen."

"Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd goud gebruiken."

"Ja, zoo beschouwd... Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel geld!" zei de Marokkaansche.

"Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!"

Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.

Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand, zeer gevaarlijk kon worden.

"Waarom," riep Sarcany uit, "is hij niet in stede van Zirone daar ginds verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!"

"Wat niet in Sicili? gebeurd is," antwoordde Namir kalm en op ijskouden toon, "kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier geen krater ter beschikking staat."

Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen elkander.

Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen, dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand, niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over zijne verdwijning?

Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena?s geheimen te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.

Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena, werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden, vanwaar niemand ontvluchten kan.

Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid van elkander.

Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.

Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde, alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.

Dat was de Ferrato. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het Catania aandeed, herkende het dadelijk.

"Dokter Antekirrt hier!" prevelde zij binnensmonds. "Sarcany heeft gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan iemand onzer zelfs vermoedt."

Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.

Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest, als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.

Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen, dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.

"Dus," dacht zij, "er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk, een geluk bij een ongeluk!"

En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.

Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk verzekeren.

De Ferrato kwam in den avond van den 22sten September in het binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd, zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar het Post Office in de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.

Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicili? aan den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek der Ferrato, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina, zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.

Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou, die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.

De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van eene moeder dan wel van eene zuster.

Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.

Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van de Ferrato te vullen met behulp der gabara?s, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.

Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die in een h?tel op de Commercial Square gedineerd hadden, aan boord terugkwamen, op het oogenblik dat het "first gun fire", het eerste kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche vesting als Mainz of Coblenz.

Toch lichtte de Ferrato niet dienzelfden avond het anker. Daar het vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zee?ngte over te steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta, na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn, die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond te boren.

Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had, niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de zeewinden gedekt was. Daar liet de Ferrato op twee kabellengten afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen onbewegelijk liggen.

Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier, die in zee uitgebouwd was.

Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot, gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen, uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.

Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie, vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.

"Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!" riep kolonel Guyara uit. "Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen dag toebehoort..., zult gij mij niet ontsnappen."

"Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn gast zult geweest zijn. Vergeet niet..."

"Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag...!" vroeg kolonel Guyara.

"Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van de Ferrato gereed staat."

"Dat?s waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het niet beleefd zijn, mij te laten wachten!"

En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knie?n. (Bladz. 52.)

De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.

Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap gewekt had.

"Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?" vroeg hij niet zonder belangstelling.

"Niets," antwoordde de gouverneur. "Ten minste, zooals mij is gerapporteerd geworden."

"Dat verwondert mij niet," opperde dokter Antekirrt zoo ernstig mogelijk.

"Maar," ging kolonel Guyara voort, "hij is niet meer ten arbeid gesteld aan de verharding der wegen."

"Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer gouverneur?"

"Neen, dokter Antekirrt," antwoordde de kolonel. "Volstrekt niet."

"Waar is hij dan?" vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar te nemen.

"Hij is in het hospitaal," antwoordde de gouverneur. "Het schijnt dat dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar, die moet hersteld worden?"

"Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher of een Italiaan?"

"Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet," antwoordde kolonel Guyara. "Hij is voor levenslang hier."

"Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd, die hem hier gebracht hebben?"

"Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk geen verlies voor het Presidio zijn!"

Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal zou verlaten.

Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van het achterschip bevallig omhoog kronkelden.

Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich thans geheel ter beschikking en was gereed het ge?nclaveerde Spaansche grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.

Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te geleiden en hem alles te laten bezichtigen.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien dag-het was op een Zondag-waren de gedeporteerden niet aan hunnen gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand kon waarnemen.

Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.

De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt, des ochtends aan boord van het stoomjacht de Ferrato genoten.

Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende die wandeling intra et extra muros, binnen en buiten de stad, door Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten, wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?

Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie, verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.

De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door Syri?, door Palestina, door Arabi?, door Nubi?, door Egypte, door Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel verdiensten het Spaansche ge?nclaveerde grondgebied bestuurde. Het was volgens hem bewonderenswaardig.

"Maar," liet hij er op volgen, "het toezicht over de veroordeelden moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?"

"Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht..."

"Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen, denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden."

De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk, alsof hij nadacht.

"Daar nu de gevangenen," ging de dokter voort, "er meer aan denken om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl mankeerden."

"Nooit!" riep de gouverneur uit. "Nooit! Ik zou wel eens willen zien, dat zoo iets zou gebeuren!"

"Evenwel, heer gouverneur... Er bestaan legenden van beroemde ontsnappingen."

"Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens af! Daarin zit de groote moeilijkheid."

"Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve maar te kiezen hebben."

"Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan een doode ontsnapte."

"Als dat zoo is," antwoordde de dokter, "dan kan ik u gelukwenschen, heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen in de toekomst allengs moeielijker zal worden."

"Om welke reden, als het u belieft?" vroeg een der genoodigden, die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur der strafkolonie was.

"Welnu, mijnheer," antwoordde de dokter, "omdat de studie der magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen heeft gemaakt...."

"Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen te maken?" vroeg de verblufte directeur.

Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde, alsof hij niet gestoord ware:

"Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken moeielijk wordt."

"En, in dat geval?" ... vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.

"In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn, niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat zult gij moeten toegeven!"

"Hé, hé!" riep de directeur ge?rgerd uit. "Dat is sterk. Als de bewakers bewaakt zullen moeten worden!"

"Gedurende mijne reizen, heer gouverneur," ging dokter Antekirrt voort, "ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is."

"Dus gij meent?..." vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.

"Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten, eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even onbewust kan laten ontsnappen."

"Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel bestaat?" vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.

"Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks verlangt. Spreek maar een woord."

"Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede zeer verplichten."

"Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en ... zijn beter. Een enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg," antwoordde de dokter.

"Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt," zei de gouverneur. "En wachten met ongeduld uw voorbeeld."

"Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed op hem uitoefent... Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen."

"Ongetwijfeld, heer dokter," antwoordde de directeur, "maar op eene voorwaarde, niet waar?"

"En die is?" vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.

"Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben, meen ik?"

"Daarin vergist gij u, mijnheer," antwoordde de dokter hoogst ernstig.

"Zou ik?"

"Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of ondervindt."

"Wat, gij beweert...?"

"Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!... Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk."

"Dat alles, wanneer hij wakker is?" vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.

"Juist wanneer hij volkomen wakker is!" bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.

Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.

"Niets is toch zekerder evenwel," zei toen Piet Bathory; "en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken ..."

"Zoodat," zei de gouverneur, "men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?"

"Geheel en al, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt, "evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen."

"Dokter Antekirrt" zei toen de gouverneur, "ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!"

"En, zelfs dan nog! ..." meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.

"Het is dus zeer betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen."

"Maar... met uw verlof, heer gouverneur," zei de dokter tot den gouverneur.

"Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?" vroeg kolonel Guyara. "Gij wildet iets zeggen."

"Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven."

"Mijne toestemming? Dadelijk," sprak de gouverneur opgewonden uit.

"Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!" antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.

"Ja, wat mij betreft," antwoordde de gouverneur. "Zult gij willen? Zult gij kunnen?"

"Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas."

"Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen."

"Het zij zoo," antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. "Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-h?tel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?"

"Inderdaad," zei de directeur der strafkolonie, "en die man bevindt zich thans in het hospitaal."

"Gij herinnert u ook, niet waar," ging de dokter voort tot den gouverneur, "dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?"

"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde kolonel Guyara levendig.

"Welnu, dat is voldoende geweest," ging de dokter kalm en bedaard voort.

"Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?" vroeg de gouverneur. "Voldoende voor wat?"

"Om tusschen mij en dien... Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?"

"Carpena."

"...Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt."

"Ha!" riep de directeur ongeloovig. "Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!"

"Zoodat... gij hier in het gouvernements-h?tel ... en hij daar ginds in het hospitaal!..." vroeg de gouverneur nieuwsgierig.

"Ongeloofelijk!" zei de directeur hoofdschuddend. "Dat is niet mogelijk!"

"Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur," vroeg de dokter, "om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?"

"Jawel, hij zal wegloopen!" antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.

Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.

"Neen, heeren," hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, "die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!"

"Maar wat, als ?t u blieft?" vroeg kolonel Guyara met aandrang.

"Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-h?tel, heer gouverneur."

"En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk."

"Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts."

"Mij wel," antwoordde de gouverneur. "Ik geef ten volle permissie, heer directeur."

"Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?" zeide dokter Antekirrt.

"Mij?"

"Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,-en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,-zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden."

"Voor wien, als ?t u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?"

"Ja, voor wien?... Laat zien... Bij voorbeeld... voor den Koning Alphonsus XII."

"Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?" vroeg kolonel Guyara ongeloovig.

"Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen..."

"Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven."

"Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog..."

"Wat?"

"Het Isabella-kruis!"

Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!

"En die man zal dat volkomen wakker doen?" vroeg de directeur van de strafkolonie.

"Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen."

"Neen!... Neen!... Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!" riep kolonel Guyara uit.

"Meent gij, heer gouverneur?" vroeg de dokter met een glimlach. "Wacht de uitkomst af."

Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz. 54.)

"Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen."

"Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?"

"Hoe kan dat?"

"Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!"

"Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef."

"Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb."

"Welnu, dat is afgesproken," zei de gouverneur. "En wanneer gij slechts zult willen..."

"Het is thans acht uren." zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. "Welnu, te negen uren. Is dat goed?"

"Zeer goed. Maar...."

"Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten."

"Na de proef?..."

"Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben."

"Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?" vroeg de directeur van het bagno onthutst.

"Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,-en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,-Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zal hij dat alles niet verrichten, maar ik! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten."

De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.

Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.

Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.

Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.

Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.

Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:

"Het is thans drie minuten vóór half negen."

"Wat wilt gij daarmede zeggen?" vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.

"Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat."

Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.

Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:

"Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door."

De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.

Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,-het was vijf minuten vóór negen,-dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:

"Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-h?tel genaderd!"

"Och, kom!" zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. "Is hij reeds zoo nabij?"

Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.

Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.

"Laat dien persoon binnen komen," antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.

Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knie?n voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.

"Sire!" zei hij met heldere stembuiging, "ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!"

De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.

"Gij kunt hem gerust gratie verleenen," zei de dokter glimlachende; "want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven."

"Ik verleen ze u!" antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indi? en Oost Indi?.

"Ja, maar..." zei Carpena aarzelend. "Ik wenschte nog een verzoek te doen."

"Wat wilt ge nog meer?" vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.

"Dat ge die gratie aanvult," ging de veroordeelde steeds geknield voort, "met het eerekruis van de Isabella-orde."

"Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?"

Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.

Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-h?tel.

"Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!" riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.

"Gelooft gij mij nog niet?" vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.

"Ik kan niet!" antwoordde kolonel Guyara. "Het gaat totaal mijn begrip te boven."

"Welnu, kom dan!" zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. "Kom dan!"

De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den weg te ruimen.

De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.

De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van de Ferrato, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.

Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.

De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.

Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt?s wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.

De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:

"Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!..."

"Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt zegevierend.

"Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet."

"Dat?s nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?"

"Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op..."

"Welke, heer gouverneur?... Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?"

"Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!"

Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.

Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?

Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.

Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte...

Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht... Alles was overbodig... Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.

"Heer gouverneur," zei dokter Antekirrt, "ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad."

"Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?" vroeg de gouverneur belangstellend.

"Niet anders dan daardoor," antwoordde dokter Antekirrt, "dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig..."

"Och kom!" zei kolonel Guyara lachende. "Wat is er bij zoo?n geval betreurenswaardig!"

"Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur," hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. "Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!"

"Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!" antwoordde de gouverneur wijsgeerig.

Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.

De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-h?tel aan.

Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: "duizend wegen... maar één doel!"1

Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.

Weinig tijds later had een van de sloepen van de Ferrato den dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.

"En die man?..." vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. "Is die man aan boord?"

"De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde," antwoordde de jeugdige zeeman, "heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten."

"Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?..." vroeg Piet Bathory.

"Niets," antwoordde Luigi.

"In het geheel niets?"

"Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken... Hij schijnt stom te zijn."

"Waarom kan hij niet spreken?"

"Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen."

"Goed," zei dokter Antekirrt.

De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.

"Het was mijn wil," ging de dokter voort, "dat Carpena van boven die rots neerstortte en... hij is er afgestort.... Het was mijn wil, dat hij sliep en... hij slaapt!... Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!... En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben."

De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had de Ferrato de open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.

* * *

1 Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van: het doel heiligt de middelen huldigen. Vert.

Chapter 3 ZEVENTIEN MALEN

"Zeventien malen?..."

"Ja, zeventien malen!"

"Onmogelijk!"

En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz. 59.)

"Wel mogelijk!... Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!"

"Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!"

"Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!"

"En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?"

"Ja!"

"Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?"

"De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!"

"Zeventien malen?... Zeventien malen?... Achter elkander?..."

"Ja, zeventien malen! en achter elkander!"

"Met de roulette of met het trente et quarante?... Zeg mij, met welke dier beiden?"

"Met het trente et quarante!"

"Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen."

"Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!" antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. "Ja, mijnheer, en het was toen zomer-wat zeer opmerkelijk is.-Ik ben betaald, om er iets van te weten."

Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3den October, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.

En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.

Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.

En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche evenwicht een rechtgeaarden speler aan?

Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.

"Bijna een millioen!" mompelde men in de verschillende groepjes. "Bijna een millioen!"

En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke uitkomst gestreden hadden.

Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de "déveine" genoemd wordt.

De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat, had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van een waanzinnige of van een wanhopige.

Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het duister naar den kant van de Duivenschietbaan.

"Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte serie ons te staan komt!" riep de oudste dier twee uit. "Het is verschrikkelijk!"

"Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend," verbeterde de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling controleert.

"En thans blijft mij...."

"Hoeveel?... Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch niets baten!"

"Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!" jammerde de eerste speler op treurigen toon.

"Denkt ge dat?" vroeg de andere snijdend spottend. "Ik geloof, dat gij u vergist!"

"Meent ge meer?"

"Het mocht wat!... Slechts honderd zeven en negentig duizend!" antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen toon.

"Slechts dat?"

"Ja, kijk maar!" ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.

"Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen."

"Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets meer of minder dan dat!"

"En dat in minder dan twee maanden!..."

"In een maand en zestien dagen!"

"Sarcany!..." riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers, die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.

"Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap."

"Ga zoo niet voort!" sprak de andere dreigend.

"Ah bah!" zei de ander met een luchtig gebaar. "Gij zijt heden in een booze bui."

Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had, was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop hadden beiden met Sava die stad verlaten.

Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille, dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier, die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens zijn naam en bestaan in finanti?ele ondernemingen, waarvan het blind geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.

Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen bieden?

Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?

Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering op te richten.

Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.

De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft, verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan, als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.

Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen, de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet Bathory. Maar, ... zou zij-die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen weerstand bieden?

Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel mede te hebben.

In Frankrijk, in Itali?, in Duitschland, in een woord in alle de groote bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar het verderf.

Daarenboven wat de spelers de "déveine" noemen,-een naam waarachter zij hunne domme verblindheid verbergen,-verklaarde zich werkelijk in hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest, om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.

Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan, om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat was een zware slag voor den bankier geweest.

Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar het "rien ne va plus" der "croupiers" in de Peloponesische taal, in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan de roulette en aan het "trente et quarante" te Monte Carlo. Dat zij nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.

En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie weken te Monte Carlo bevonden.

Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar het à tout Seigneur tout honneur ook hier betracht dient te worden, zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.

Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning van Itali? gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860 Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan laatstgenoemd rijk af.

Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna O,5 □ geograpische mijl beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.

Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad, die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon nationale militie.

Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras, en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot schuilplaats van zeeroovers dienden.

Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.

De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal, waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde wereld vindt.

Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichte Salons de jeu te vinden.

Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.

Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.

De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij, die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats wordt er een vernis van goede manieren ge?ischt. De edelman, die zich aan de groene tafel ru?neert, doet dat in de meest verfijnde vormen.

Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een pistoolschot het leven benam.

De contr?le, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng, ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée- of beter eene introductie-kaart, die door den Commissaire Spécial onderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven, terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts voor één dag geldig is.

Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.

In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook dat is door de almachtige "Administration" bepaald.

Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat gebarenspel!

In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest eenvoudige combinati?n met de meest samengestelde; zij hoorden de raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en pleegden de meest bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er toe komt de meest bespottelijke combinati?n uit te denken; men geeft er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld, welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.

Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond, die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo, door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij het trente et quarante uitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens meer tweemaal honderd duizend francs over.

Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet, vooral voor mannen als deze.

Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen, die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep en uitriep:

"Kijk!... Kijk!... Hij draait steeds!... Hij draait steeds!... En zal altijd draaien!..."

Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig reden om te lachen.

De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer, hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder, door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide, draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der wereld!...

De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!

"Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?" vroeg Sarcany aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis was.

"Kalm, kalm!" bromde de bankier binnensmonds. "Gij hebt goed praten! Ik wilde u wel in mijne plaats zien."

"Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil, in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen."

"Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten; maar ik wilde u wel in mijne plaats zien."

In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz. 63.)

"Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo," vervolgde Sarcany; "maar het lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder dat wij er iets voor doen."

Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende, knorde steeds binnensmonds.

"Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger te stemmen!" ging Sarcany voort. "Dat is gevaarlijk, en daarenboven geheel overbodig.... Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen, wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in ons voordeel is!... Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij de veine hebben, hoog op te voeren."

Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht, zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte, namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.

"Silas Toronthal," hernam Sarcany, "wij zijn heden zoo ongelukkig geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!... Morgen zal het ons gunstig zijn!"

"En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!" antwoordde de bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte op te komen. "Zeg, wat dan?"

"Dan blijft ons Sava Toronthal over!" was het antwoord, dat Sarcany vrij driftig gaf.

"En dan?" vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. "En dan?..."

"Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk overgetroefd worden!"

"Ja, morgen!... Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt, niet waar?"

"Zeker morgen!" bevestigde Sarcany. "Morgen zal het mijn geluksdag zijn, wees daarvan verzekerd."

"Ja, morgen! ... morgen!" herhaalde de bankier, die zich in die gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou stellen. "Morgen!... Morgen!... Welaan, het zij zoo!"

Beiden keerden naar hun h?tel terug, dat halverwege van de laan gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.

De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de h?tels, de villa?s en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is en het schilderachtige panorama van de kusten van Liguri? beheerscht.

De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, alo?ssen, myrten, palmachristi?s en zoovele anderen, die in eene bevallige wanorde naast en tusschen elkander groeien.

Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa?s, die zich op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen, van villa?s in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone Itali? oplevert.

Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven, van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad: dat is La Condamine.

Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel, naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het Monacosche rijkje.

Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte daarvan verrijzen de particuliere woningen en de h?tels, waarvan een door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen, zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.

Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?

Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in alle haast een blik in.

In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.

Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich, terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen over. Die waren verre van rooskleurig.

"Carpena dood!... Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!... Komaan, dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den bodem van den Oceaan begraven!... Van dien kant kan ik dus gerust zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!"

Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief overgaande:

"Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!... Wie is die man toch?... Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd vond in alles wat mij betreft! ... Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! ... Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! ... Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! ... Hij was daar dicht bij Tetuan! ... Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! ... Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! ... De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrena?sche kuststrook; ... zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! ... Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden ... welnu, dan zal ik wel ..."

Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany?s gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.

"Ja," zoo sprak hij tot zich zelven, "wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! ... Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! ... Of de bank zal springen, of ... wij! Dat ik geru?neerd zal zijn door zijn val ... wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen ... Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders ... Dan zal hij gevaarlijk worden, ... dan kan hij geneigd zijn te praten, ... dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! ... Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!"

En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.

Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo?n benauwend uiterste.

Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.

Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand de Focicana-kaap tot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.

Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.

Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan... Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.

"Silas! ... ik in de macht van Silas Toronthal!.." zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. "Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! ... Dat nooit! ... Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! ... Ja, dat zal ik ... mij te volgen tot Tetuan toe ... en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?"

De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.

Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.

Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.

Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam-in dit oogenblik althans-om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.

Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.

Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.

Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.

"Welnu, Silas Toronthal," begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.

De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.

"Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?" vervolgde Sarcany.

"Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!" siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.

"Niet?"

"Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?" vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.

"Zeker heb ik kunnen slapen. Maar ... des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u."

"Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten."

"Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben."

"Och, wat! Bah!... Wat beteekent rust?... Heb ik rust noodig?.. En toch...."

"Kijk mij... Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik."

"De fortuin?... De fortuin?..." herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.

"Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,"

"Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!"

"Bah!... Een eenvoudige gril!... Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!"

Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinati?n uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.

"Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?" vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.

"Ik?" hernam de bankier als verschrikt... "Ik?... Geef mij dat papier terug, Sarcany."

"Berekeningen, ... onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!"

"Kom, loop heen, ik... Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om."

"De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!"

"Welnu?" vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.

"Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen," hernam Sarcany op spotzieken toon.

"Welnu?" herhaalde de bankier vragend: "Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is."

Ingang der haven van Monaco. (Bladz. 69.)

"Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studi?n gemaakt hebben ... en op dat gebied-dit moet gij erkennen-is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten."

"Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?" vroeg Silas Toronthal stampvoetende.

"Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan"... Sarcany?s oogen glinsterden... "heb ik u niets meer te zeggen."

"Dan?..."

"Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?"

"Alles?..."

"Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij."

"God geve het!" zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.

"Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!"

"En als wij hedenavond geru?neerd zullen zijn?" hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. "Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?"

"Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?"

"Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?... Zoo zonder geld?"

"Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten."

"Monaco verlaten?... Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij."

Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.

"O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!"

De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.

"Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!" ging de bankier kermend voort.

"Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!" antwoordde de schaamtelooze kerel. "Dat moest ge toch zelf inzien."

"Zwijg!" riep de bankier uiterst vertoornd. "Zwijg, of ik zal u..."

"Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft. Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!"

"Pas op!" riep de bankier verbolgen uit. "Ik waarschuw u ernstig. Pas op!"

"Ja!... ik zal oppassen!" mompelde Sarcany onverstaanbaar. "Daar kunt ge staat op maken."

Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.

Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:

"Waarde Silas," zei hij honigzoet, "laten wij toch niet boos op elkander worden!... Waartoe zou dat dienen?... Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!... Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!... Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!"

"Maar, intusschen.... Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag."

"Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.... Dan ... ja dan...."

"Welnu?..."

"Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben."

"Ja!... Ja!..." riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. "Ja!... Ja!... ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!"

"Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer."

"Te gelukkig geweest!" herhaalde Silas Toronthal, "en dezen avond nog.... Ja, dezen avond!..."

"Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!" riep Sarcany uit, "en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge ... wij zullen dan het spelen staken."

"Heden?..." vroeg de bankier in gespannen verwachting. "Het spelen staken?... Heden reeds?"

"Morgen verlaten wij Monte Carlo!... Morgen stevenen wij naar Tetuan."

"Naar Tetuan?... Monte Carlo verlaten?... Waarom, als ik u bidden mag?"

"Ja, wij zullen vertrekken.... En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen."

"Waarheen?... Maar, waarheen dan toch?"

"Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje."

Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022