De dood van Mevrouw Chanteraine
Stil, stil is de hooge kamer. Tegen de neergelaten venstergordijnen blauwt de vroege Meimorgen en verwisselt zijn violette klaarte met het ongelijke kaarsenlicht. Twaalf groote kaarsen branden aan het hoofdeinde van het zwarte praalbed, waar, in de opene zwaar-eiken kist, wit uitrust de doode mevrouw Chanteraine. Aan de wanden hangen, breed-neervouwend, met zilver betikkeld en berand, de rouwfloersen zwaar en roerloos. In gele beweeglijke schemering reikt hoog en somber de stille kamer. Hier houdt de tijd op zijn tastbaren gang en geen werkzame vinger kruipt over een geheimzinnig horlogegezicht. Het is alsof deze kamer buiten de vergankelijke wereld stond. Hier gebeurt de eeuwigheid. Rond de sponde en tot tegen de kist kleuren de bloemen in tuilen door mekaar of gevlochten kroonsgewijs. 't Is een levende hoop van geurende bloemen. De geur walmt in de kamer, flauw, met iets vunzigs erom, iets ongemeens. De sponde is donker en veelvervig.
Vooraan, knielend over een lagen stoel, bidt een oude priester. Zijn oude hoofd blinkt grijs boven zijn zwart kleed uit, onder het waggelend kaarsenvuur. Zijn hoofd neigt diep naar voren, en zijne bleeke handen rusten op de stoelleuning, saamgebracht in vrome onbeweeglijke houding. Onbeweeglijk is hij gansch. Geen plooiken roert over hem. Zijne oogen zijn gesloten. Hij is als een stuk van de hooge kamer, dewelke zelve als de stilte is en de eindeloosheid.
Ernest Verlat blijft nog een poos bij de deur staan, steunend tegen de deur. Het gaat hem zoo vreemd in het hoofd. Het dreunt en klopt er zoo pijnlijk. Het zindert er alsof daar iets barsten zou van binnen. Is dat moeder, dat witte ding, die lichte doorzichtige witheid op die massale stede van floers en van bloemen, die wonderlijke witheid in zwaren eik besloten? Gisteren-avond lag ze nog in 't klare, gewone bed, vrij op het klare kussen. Het slaat in zijne borst:
-Moet alles zoo rap, zoo rap ....?
Hij nadert traag. De oude priester ziet niet om en bidt. Ernest staat nevens hem, stijf rechtop, en staart met strakke blikken naar zijn moeder. Aldoor kleppert het door zijne hersens:
-Moeder .... moeder ....
O! kon hij eens warm doorweenen, kon dat harde gebons in zijn hoofd week worden en uitvloeien met heeten tranenvloed, kon hij vergaan in een breed-snikkend al-verterend verdriet, en niet denken, niet denken meer. Sinds moeders dood is hij, door innerlijke koorts gejaagd, rechtgebleven, versteend in eenzelvige droefenis. Als steenen wegen eenzelvige gedachten op zijn hart. En weenen kan hij nog niet. Aldoor denken en zijn eigen opvreten in zelfverwijt. Dat moeder zoo plots ziek werd en ineens stierf, 't was zijne schuld. 't Verleden ligt open, en halsstarrig wroet hij daarin. Hij voedt met steeds hernieuwde gepeinzen de wroeging die als een gier in zijne hersens huist. Hij heeft geen andere gepeinzen dan die tot spijs voor zijne wroeging dienen. En zoo ratelt het onverpoosd in hem:
-Moeder .... ik heb u lief, ik heb u lief .... wat is alles schielijk gebeurd .... dat niet meer te veranderen is.. door mij, door mij, enkel door mij....
Hij maakt zijn leed tot zichtbare onuitgesproken woorden, waarbij hij hoopt dat hij eindelijk zal kunnen weenen.
Straks breekt zijn hoofd. Als er daar iets gebroken is, breekt dan misschien de ondragelijke pijn? Hij bijt op zijne tanden, zijne vuisten werken tegen mekaar, zijne blikken liggen vast op moeders aangezicht. Als er iets breekt onder zijn schedel, zal hij weenen. In hem ook zit een onzekere gewaarwording-dat hij weenen moet, als een uitwendig teeken van zijn groote harteleed. Niet onecht is zijn wee, maar diep en overdadig. Zijn geest echter zoekt het theatrale gebaar, dat zijn wee vertolken moet. Wel strijdt seffens zijn geest tegen die verzoeking, seffens daarop hertracht heimelijk de bezorgde gedachte naar 't uiterlijk verdriet. Dan nog sterker golft het zelfverwijt, dan wil hij om die oolijke begeerte zijn eigen kastijden, en zoo foltert hij zich met het schuldgevoel, dat door hem zijne doode moeder beleedigd wordt.
Zonder rust is die strijd. Hij staat paalrecht en stijf. Hij voelt niet de oogen van den ouden priester op hem, denkt evenwel vluggelings:
-Beziet hij me? ....
En hij zelf ziet zich staan, terwijl hij toch niet weenen kan en wel zou willen weenen. Hij hoopt dan de aandoeningen opeen over hem, schept met groote brokken weemoed het verleden tot een lillende wroeging te voorschijn en hijgt onder 't bonzen, dat aanhoudend door zijn slapen slaat.
* * *
Bleek, als door een wazig floers heen, klaart op, bijkans alover moeders bleek gezicht, zijne kindsheid. Hij was een lichtblonde jongen, toen vader stierf. Vader was raadsheer bij het hof van cassatie, een goede man, te oud getrouwd, die zijn zoon, zijn dochtertje en zijne jonge vrouw op zijne handen droeg. Vader stierf. Ernest werd naar het athenaeum en Francine, zijn zusje, op pensioen bij nonnen gestuurd. 't Werd, in het groote huis, op de Regentielaan, een sober, grijs leven, even opgekleurd door de bestendige aanwezigheid van moeders jongsten oom, mijnheer du Bessy. Mijnheer du Bessy was, door de familie, tot Ernest's en Francine's voogd aangesteld. Hij was waarlijk een lief opgeruimd ventje, de zestig jaar voorbij, fier op zijn baronetblazoen, en arm. Hij kwam bij mevrouw Verlat inwonen en werd, spijts zijn zeer lichtzinnig karakter, een uitmuntende gids voor Ernest. Na drie jaar hertrouwde mevrouw Verlat en Ernest kreeg vaders vriend, mijnheer Chanteraine, prokureur-generaal bij het beroepshof, als tweeden vader. Vijf en twintig maanden duurde dat huwelijk. Mevrouw Chanteraine maakte zeer veel toilet, voerde een leven van overdreven weelde en lette niet meer op haar zoon, die nu gansch aan het eigenaardig geleide van mijnheer du Bessy werd overgeleverd. Ernest leed wel een tijd onder die plotselinge verwijdering, maar het trof hem niet zoo ongemeen en de lichte elegantie van zijn voogd hielp mede om het ongemak te besluieren. Hij leefde door in den slenter van recepties, feestmalen en avondpartijen, zag zijne moeder gedurig omringd en omfleurd. Hij zelf bewonderde zijne moeder, dewelke in de volle pracht van een rijpe schoonheid zeer aanzette tot bewondering. Hij vergat dat hij haar nooit anders zag dan in de staatsie van rijkdom en vrouwenluxus, en dat zij nooit op den drempel van zijne kamer meer verscheen, nooit, bij uchtend, aan de sponde van zijn bed, nooit over hem boog en hem bedekte met een licht van lach, dat hij wel wist .... eens .... eens .... Hij kòn 't niet vergeten, al groeide boven hem een schaduw van pijnlijke vergetelheid. Hij werd een stille jongen, een droomende jongen. Hij las veel, verwijlde in een wereld van roerende fantazij en lag soms uren en uren, door late avonden, te suffen over verzen. Hij dichtte zelf. Hierin had hij de leering van mijnheer du Bessy ontvangen. Mijnheer du Bessy was een dichter van madrigalen en rondeelkens.
Ernest bestond bijna buiten moeders zorgen en geheel buiten de herinnering aan zijn zusje. Francine kwam eens in 't jaar naar huis, bleef enkele dagen, was een broos bleek meisje met een vroom-gemanierde houding die in het hotel van de Regentielaan niet thuis hoorde. Ze kwam en ging. 't Gebeurde eens in 't jaar, en gebeurde het waarlijk? Niemand zag naar heur om, en 't leek wel alsof het niet gebeurde. Zij ging, en 't was al niet meer gebeurd. Tusschen deze drie wezens, waar de komst van mijnheer Chanteraine stilaan de lauwte van eene zonderlinge onverschilligheid had gebracht, behield mijnheer du Bessy toch, als teere snoerkens, de banden van een natuurlijke genegenheid. De invloed van den minzamen baronet was zekerlijk niet zwaarwichtig; ook werd deze invloed te grillig, te ongeregeld bewerkt om het tijdelijk doel van mijnheer du Bessy stelselmatig te bevorderen. Maar mijnheer du Bessy was elkendeen zoo innig sympathiek, dat hij het verwantschapsgevoel onder de leden van de verlaten familie wist te bewaren.
Mijnheer Chanteraine bezweek aan een schielijke beroerte. Het was, korten tijd na dit ongeval, alsof mevrouw Chanteraine hare kinderen wedervond. Ze riep Francine uit het pensionaat, verwonderde zich over hare schoonheid, liet haar thuis een goed onderwijs geven en was bezorgd omtrent de minste regeling van deze nieuwe opvoeding. Ze had gedurig wat op te merken-de taalmeesteres was te streng, de borduurmeesteres was niet kunstig, de zangmeesteres was leelijk. Ze placht te zuchten, terwijl ze Francine kuste:
-Och, wat doen ze alweer met mijn dierbaar kind! ....
Ze merkte dan dat Francine's oogen er moede uitzagen, dat haar goudblonde haar niet meer zoo glansde, dat de blos op hare wangen doffer werd, dat haar stem niet zoo fijnhelder opzilverde; ze aaide haar kind en troetelde het, klagend en deernisvol:
-Wat doen ze, wat doen ze toch, lieve Fran!....
En Francine lachte en was dankbaar.
Met Ernest deed mevrouw Chanteraine nog gevoeliger. Hare liefde straalde over hem en warmde gretig zijn kleinste begeerten. Niets kon ze hem weigeren, verlangend en aandachtig ging ze zijn wil te gemoet. Ze was schrander van zinnen en kon met ongewone teergevoeligheid de luttele geheimen raden, die optikkelden, menig en veranderlijk, in zijne jonge ziel. Die behandeling oefende op hem een onverwachten invloed. Hij werd eerst zeer minzaam, dan uitgelaten, dan verwend en tiranniek. Toen hij het athenaeum verliet en student werd in de rechten, sprong hij als een woestaard in het studentenleven. Hij bleef laat uit, was op alle partijen, braste geweldig en verging in een roes van ziekelijk gezwabber. 't Mocht geld kosten. Na een tijd was hij tot de overtuiging gedaald dat het geld kosten móest. Daar was immers geld. Hij eischte 't in overdaad en moeder dierf niet weigeren. Wel berispte de oude du Bessy zijn bedorven neef. 't En baatte. De student boemelde, deed gemeen in late kroegen, hield er een danseresje op na, dat hem in het Zomerpaleis was aangekleefd en zijn kleederen met patchouli besmette. Moeder zeide niets. Een groote ernst was over moeders gezicht gekomen. Ze zag alles, ze wist alles. Brieven van sletjes vielen haar in de handen. Ze zweeg. Hare oogen werden grijzer en haar voorhoofd bleef niet zoo glad-effen. Soms was haar gelaat, boven het malsche zwart van haar kleed, krijtwit en eendelijk. Soms waren hare oogleden blauwrood, en kleurloos hare lippen. Soms schenen hare handen zoo bleek, zoo mager, zoo akelig-lang .... Ernest lette op niets. De weken en maanden woeien over hem, en hij ging maar door, in zijn roes voortrakkerend, en ploeterend midden zijn lage pret. Toen ontmoette hij Simon Peter.
Hij ontmoette Peter in het atelier van zijn joelmakker Florjan Pac?me, den schilder van viezigheidjes. Het trof hem hoe schoon en sterk de blik van Peter was, hoe adellijk zijn groot, breed-grootsch voorkomen, en hoe stil en rechtzinnig het gebaar van zijne struische beeldhouwershanden. Hij was dadelijk zeer erg met hem ingenomen. Hij las hem zijn verzen voor, besprak ze met hem, voelde allengs, uitgaande van zijn nieuwen vriend, het gewicht van een ernstiger, zwaarder, humaner leven. Simon Peter redeneerde sober en beeldend. Hij was ouder dan Ernest, rustiger, verdraagzaam. Ze praatten veel over de pas-ontstane revolutionaire beweging, waarbij Peter scheen aangesloten. Beiden toonden zich danig volksgezind. Maar geleidelijk moest bij Ernest de overgang naar het grondiger leven gebeuren. Te veel vraagstukken lagen in de nieuwe toekomst te glanzen. De openbaring maakte hem dronken en met lichtzinnige geestdrift kleefde hij heel de vrije nieuwigheid aan.
In die nieuwigheid was liefde aan het gloeien als een wonderlijk juweel. Hij werd verliefd. Hij werd verliefd op de dochter van een fanatiek-katholiek schrijver, een meisje met ongewone gaven van gelaten, zelf-verloochenend gevoel. Ernest was sterkelijk door haar gemind. Hij stortte zich algeheel in de laaiing. 't Docht hem dat nu de weg beslist voor hem gekozen en open lag. Hij kwam bij zijne moeder aan en zeide dat hij het meisje huwen zou.
Voor het eerst, terwijl hij verlegen sprak tot haar die zweeg en ernstig opkeek, merkte hij hoe oud en hoog-stil zij geworden was. Hij voelde een onbekende angstigheid drukken op zijne borst. Was deze vrouw niet zijne moeder? Hij herkende, op een slag van zijn herwonnen geweten, de vrouw, wier lach eens als een licht hem bedekken kwam en welke hij verloren waande. Het was maar toen hij neerzitten ging en over het tafelberd ineens te weenen begon, dat mevrouw Chanteraine de stilte brak, waarlangs haar zoon tot haar was gekomen. Nog nooit had zij zich tegen een gril, tegen een wil van hem verzet. Nu, met bedaarde, effene bewoording, lei ze tusschen hen beiden de koude verklaring, dat hij met dat meisje niet trouwen mocht. Ze sprak van zijn niet voldoenden ouderdom, van zijne in slempspel versmeten gezondheid, van zijn naam en van zijn toekomst. Lang sprak ze, haar gedachte lengde zich uit over een eentonigen vloed van grijze volzinnen, en bevreesd, beklemd, verwonnen luisterde hij toe. Ze kuste hem en verliet hem. Dagen slierden om, dagen aan dagen. Meer warmte, meer gezelligheid was in huis teruggekomen; maar, gelijk een killig water, bleef liggen tusschen Ernest en zijne moeder haar wil, dat hij niet trouwen mocht. Niet eens steigerde zijn wil daartegen op. Het witte gelaat van mevrouw Chanteraine, met gedachten van leed overladen, benauwde hem, spookte alom de hooge kamers rond. 's Avonds, rechtuitgestrekt op zijn bed, lag hij vaak halfluide te stamelen "of zij nu waarlijk zijne moeder was? ...." Warme geuten schoten naar zijne slapen, waar ze uitdruppelden in plotselijk zweet, en hij schaamde zich. Zoo sleet de tijd.
Op Kerstavond gebeurde die leelijke slag....
Het meisje ging zwanger, had alles aan haar vader bekend, en de vader, wiens dweepzucht en gestrengheid hem niet toelieten een gevallen meisje op te rapen, zette haar aan de deur. Op Kerstavond zei Ernest aan zijne moeder dat het meisje zwanger ging, dat haar vader haar had aan de deur gezet en dat moeder nu eens goed bedenken zou of 't niet raadzaam was dat hij trouwde. Het ernstige gezicht van mevrouw Chanteraine betrok, hare grijze oogen werden rond en groot. Een zonderlinge glimlach krulde hare lippen, binstdat schielijk een rechte rimpel, van weerskanten haren neus, de witte wangen neerwaarts snokte. Dan opende ze haar mond die, een heele poos, gelijk een vierkante gaping, daar somberde. Ze zeeg zachtekens in hare zwarte kleeren thoope op het roode karpet. Men droeg ze in haar kamer. Men riep den dokter, mijnheer du Bessy en pastoor Doening, den ouden vriend van den huize. Als ze weer bekwam, deed ze seffens Ernest roepen en wilde alleen zijn met hem. Toen lachte ze vriendelijk haar zoon tegen en zei dat alles wel goed was en zich zou schikken geleidelijk; hij moest het meisje bij haar brengen, en zij zou haar liefhebben. Ze vroeg dikwijls:
-Heeft zij u lief, mijn jongen?
Hij moest dan maar gauw trouwen. Pastoor Doening zou dat allemaal regelen, en dan zouden ze tezaam in een lief huisje wonen, heel dichtebij, ergens rond den Bloemenhof. Heel dichtebij, hoor! Hij moest dan zijne studi?n voleinden en een hoog magistraat worden, zooals vader zaliger. Ze leek zóo ganschelijk gelukkig. Ze huilde stille....
Ernest trouwde. Alles werd aangelegd en besteld zooals 't moeder wilde. Maar moeder kon uit haar bed niet meer.
En moeder stierf.
Waar moeder ligt, op de sombere koets bekleurd met paarse en mauve en wit-violette bloemkransen, in de stilte, die hangt om de hooge kamer en roerloos den roerloozen dood begeleidt, schemert het bevende kaarsenlicht en speelt met verfplekken en donkerten. Over moeder heen speelt het eenderlijk. 't Vloeit bleek uit op moeders matbleek gelaat, scherpt den neus tegen de schaduw, die van den neusrug op de beenderige wang, tot in de dompe oogholten, vlekt. Effen is het blanke voorhoofd, alsof daar nooit een streepken smart was doorgerimpeld, en glad, dof-wit onder de kaars, spannen de kaken over het uitpuilend schedelbeen. Half-ontsloten gaapt de liplooze mond-hebben daar ooit lippen bewogen, heeft daar ooit een kleur langs gelachen, heeft ooit een zinrijk geluid geklonken uit dezen mond, waar rust, zonder einde, de eeuwigheid geluideloos? Een doorzichtig Sineesch netelfloers plooit licht op het donkere haar en vouwt over het kleine hoofdkussen tot langs de wegzinkende schouders. Wit, tot aan het voeteinde toe, is het lijk rechtuit-gelengd in de kiste. Over de borst, dewelke even oprondt, liggen tegaar de witte mooie handen om het wit-ivoren Krist-kruis ....
Tusschen de zwarte kandelaars heen, doet nu Ernest een stap. Zijn knie sliert langs de malsche kronen en zijne handen raken de koude nattigheid van bloemtuilen. Hij schrikt bij het schielijk-veranderd uitzicht van deze dingen-hoe groot worden ineens de koperen knoppen van de kist en hoe klaar-afgeteekend liggen daar moeders handen! Het lichtgespeel verschilt en moeders aangezicht is zoo plots uitgelengd tusschen de plooien van de licht-zijige netelvool. En alweer ziet Ernest hoe hij zelf hier vóor zijn moeder staat, en hij staat recht overeind als een stake. Hij ziet over zijn eigen gelaat de pijnlijke pees, die zijn lippen neerwaarts drukt en tot in de hoeken van zijn oogen trilt. Hij ziet zijne handen langs zijn rouwrok wit nederhangen, en vluggelings schiet door zijn geest de heimelijke vraag of 't zoo passend is en of insgelijks de oude priester het ziet. Hij buigt zich langzaam, plukt in den dikken bloemenhoop witte en teer-roze rozen. Hij zoent de rozen, die geuren en zoet-bedwelmend over zijn mond aanwalmen. Hij legt ze rond moeders hoofd. Traag schikt hij ze, zoekt onwillekeurig de bleeke kleureffekten, brengt daar een zachte schakeering van licht-amber, wit-roze, safraan-roze, wit-geel en blank. Zijne vingeren werken om de natte kelken, mijden de nadering van het kille hoofd, van het jeukend gewaad, en zorgen dat niets beweegt van die witte doening, die versteend rust in den dood. Hij vreest de doode, omdat ze thans bedeeld is met de machten van het onbekende, en hij raadt den vreeselijken toets van dat koude hoofd, zooals hij soms in hollen nacht de spoken voelt, die uit de duisternis een lichaam krijgen. Zijne vingeren leggen tot een losse kroon de rozen om het koude hoofd. Dan, lang, strak, staart hij op het koude aangezicht. Hij verzint, in rappe sprongen van zijn koorts, de eenvormige beelden van zelfverwijt. Hij staart op de doode en zijn koorts klopt door zijn gedachte:
-Sta op! sta op! en kijk naar mij ....
Hij voelt den tijd heel dicht komen bij de gebeurtenis die hij verzint, en hij verwacht zich erop, dat moeders oogen gaan openschuiven en een leven brengen in het wassig gelaat. 't Is àl fantazije. Het is de gebeurlijke straf, maar hij weet wel, dat ze niet zal gebeuren. O, moest moeder nu eens opblikken naar hem en met overweldigende sterkte dringen tot diep binnen hem, daar alles blootleggend wat er zijne oolijke lafheid is-zou hij dan vergaan, verwoest en verdrongen tot in de waarachtige kleinigheid van zijne ziel? Zoo juist weet hij alles wel, maar moeder zal niet opblikken. Bij zwakkelingen komt de vervaarlijke hallucinatie, die den geest op hol brengt. Bij hem zal 't niet gebeuren. Bij hem is 't alles een gewikkeld spel van vizioenaire gissingen, die leuteren buiten het bereik der logische werkelijkheid. Maar 't is toch een kant van zijn waarlijk verdriet, en het hijgt mede met het lijdelijk slaan dat door zijne slapen dreunt. Dan komt de wanhoop, omdat alles onherstelbaar is. Dan herziet hij de moeder van vroeger, de lieve mevrouw Verlat, zoo keurig en zindelijk voorkomend uit de verte van den verleden tijd en buigend, met zoenen op haar mond, over de blonde hoofden van Ernest en Francine. Dan herziet hij de heerlijke mevrouw Chanteraine, de onverschillige pracht, die glansde langs hare mooie lenigheid, de verschillige weelde van hare vele toiletten, den sekuren blos die den lonk van oogen opwakkerde en de blankheid der keel verteederde, de uitmuntende mevrouw Chanteraine, zoo zwierig werkzaam met lachjes en voorname salutati?n in 't gewoel van blikkerende onthaalsalons. Dan nog herziet hij de allerlaatste rouwfiguur, het bleeke ernstige gezicht boven het effen-zwart kleed, den gulzigen mond, snakkend naar stille kinderliefde, de oogen die volgden en zochten, beangstigd, bezorgd, begaafd, in moederangst, met wonderbare verduldigheid. Zoo was moeder, zoo, eindelijk, de moeder veropenbaard. Naastbij geuren, flauw, de bloemranken, de tombe van geurende bloemen, en iets ongemeens, dat opwolkt bij poozen, precies uit de donkerheid van het staatsiebed. Er dibbert een nieuwe geut naar Ernest's wangen en tot op zijne oogleden stijgt de vlugge heetigheid. Maar hij kan niet weenen, al kittelt de goede aandoening in zijn neus. 't Slaat aldoor zijn schedel binnen, als een geweld van hamerschokken:
-O moeder, ik heb u niet bij wete zeer gedaan ....
En seffens weet hij niet meer of hij zich nog houdt gelijk hij moet. Hij kan die bezorgdheid niet wegdringen uit hem, en gedurig neemt hij zijn minste gebaar in acht, wil al zijn doen op de maat brengen van zijn groot leed. Hij is bij oogenblikken geheel vol met die bijzonderlijke aandacht, en dan zou hij wel gaarne zijlings omkijken naar pastoor Doening, den ouden priester, die roerloos zit en bidt. Hij durft niet omkijken, verlegen wegens de reden, die hem omkijken doet. Hij voelt wel dat hij niet enkelvoudig en gemakkelijk kan omkijken, en hij vreest den blik, die tegen zijn blik mocht stooten en raden de dubbelzinnigheid. Toch, en al meteen, kijkt hij om.
De oude priester bukt onbeweeglijk over de leuning van zijn stoel. Zijn grijze hoofd buigt ver over de leuning juist boven den bleeken glans van zijne saamgevouwen handen. Zeker heeft hij geen enkele maal zijn gelaat geheven naar het kaarsenlicht en tusschen zijne zwarte schouders hangt het nederig grijze hoofd, gelijk een zwaar gebed. Ernest voelt de droefenis die op den ouden priester weegt, en voelt tegelijk hoe diep zijne moeder door elkendeen vereerd werd en bemind. 't Jaagt een versche aandoening op in hem en grooter nog lijkt hem het verlies, dat hij heeft aan zijn doode moeder. Zou, geheel en volledig, het leed van den ouden priester rechtzinnig zijn? Is het dan mogelijk dat men zich, gelaten en gansch, aan éene aandoening kan overgeven, zoodanig dat het gemoed en den geest meegaan zonder hindernis en geheel het wezen in éene richting wordt bestierd? Hij denkt daaraan, terwijl hij algelijk bewust is dat zijn wee niet uitsluitelijk meester wordt van hem, en dat er ievers, boven zijn zinnen, wakende loert het toezicht van zijne kleine ziel.
De dood van Mevrouw Chanteraine
(Vervolg).
Dien morgen sloeg leutig de gulden meizon tegen de ruiten van Francine's kamer. Ze tokkelde, als een regen van licht, tegen de ruiten. Ze druppelde de groenzijden gordijnen langs, dibberde over de zware franje en, waar 't kon, vlaagde binnen klabetterend. Zoo viel ze op het kleine tafeltje Louis XV, juist te midden op het rood marmeren tafelberd, pletste verder open langs de witte vacht, vóor 't mahoniehouten bed, kroop hooger op, tegen 't bed aan, totdat ze daar, tusschen de plooien van een blauw-satijnen bovensargie, over een lieve roze hand kwam streelen. Al de rest van de vierkante kamer was nog met blauw-grijze schemering omdaan. Heel lui en lauw was de kamer, zwaar van 't warme ademleven, hetwelk als een wiegelende zwoelte in de lucht hing.
De roze hand roerde nu even. De vingertjes krulden eens dicht toe, bijeen en toen langzaam weer uit elkaar, zoodat ze eindelijk, stil als te voren, gelijk wonderlijke spoelen schoon lagen op het blauwe satijn. Daarbinst zwol de gansche sargie, herrok hare plooien, en een zucht voer lang en luidelijk op, boven het witte hoofdkussen.
Te midden van het witte hoofdkussen rustte, zacht ademend opnieuw, het kleine hoofd, zacht in de schaduw en omlokt met de gouden gloeiing van geel-gulden haar. De gesloten oogen, het kleine neusje en de kin, 't kleurde altegare effen uit met de wangen en het roommatte voorhoofd. 't Was niet te merken dat, van weerskanten, iets, als een bleeke blos, in de bleeke verve levendig werd, maar de mond, met zijn kersen-blonk, blekte zeer voornaam, malsch en versch en uitmuntend. De lippen waren niet geheel dicht, en het leven luwde er zoetekens over.
Nog bewoog die helverlichte hand. De bloote arm, die precies van tusschen het zware haargoud was heengedrongen, herroerde op de zijige bedekking. 't Was alsof nu Francine ontwaken zou. Een nieuwe zucht blies ruischend boven haar rooden mond en vluggelings trilden hare wimpers. Ze ontwaakte toch algelijk niet seffens, want hare oogen bleven gesloten en de zon aaide weer rustig op hare roze hand. Geleidelijk kwam haar bemeesteren de leelijke onrust van deze laatste dagen, en 't gebeurde zoo 's ochtends, dat ze, nog slapende, reeds de angst voelde naderen, die zich te nacht verwijderd had.
Ze ontwaakte met een schok. Wijd-open rondden hare groene oogen en staarden onbeweeglijk rechtop naar de zoldering ....
Zoo bleef ze een poos. Zoo lag ze te glari?n, verwijlend in een verte, waar ze niets wist en niets herkende. Dan, terwijl ze zich overeind zette en haar los haar met een rappe beweging naar achter smeet, tuurde ze verwonderd de kamer rond. Hare hand, waar ze gansch op leunde, drukte dieper in het beddedons, en haar hoofdje zeeg traag zijdewaarts, op haar naakten schouder. Nog gleden hare groene blikken, van de vergulde versiersels der zoldering allangs de met dof-geel brokaat behangen muren, lager over het klein marmeren toiletgerief tot op het oranje tapijt met zijn bleek-karmijnen bloemen. Toen vloeide alles saam in een plotselinge nattigheid en ze begon halfluide te snikken. Haar hoofd schokte bij elk geweld van haar boezem en de lichte kant die op haar borst rond blauwe snoerkens thoopfrommelde, rok rap uit iedermaal. Dieper drong in het kussen de tengere hand en dieper, al schokkend, zakte het hoofd. Op mekaar stapelden zich de dikke haarlokken en zwaarder werd de rijkdom van het haargoud. De arm plooide eindelijk en het gezichtje zeeg voorover, weg in dat overvloedig goud. En Francine weende aldoor, gelaten in weldadigen tranenvloed. Het lauwe leven, dat straks stille en matelijk door de zoele kamerlucht asemde, was thans beroerd en overrompeld.
Als ze weer recht kroop, was heel rood heur aangezicht en glom het nat uit rond de oogen, welke nog baadden in de sterke aandoening. Ze nam, achter het kussen, het zijden doekje met lavendelwater, dat zij er 's avonds had weggestopt, en vaagde daarmede alover haar voorhoofd, hare wimpers en haar mond, binstwijl stille de opfrisschende geur snuivend die walmde als een goed windje. De geur schoot, docht het haar, tot binnen in hare hersens, zoodat hare kleine gedachtjes nevenseen zeer duidelijk te voorschijn opwipten, gelijk soms in ochtendheesters, wanneer 't gewaai van zonnelicht den nevel verdrijft, schoon zichtbaar de verscheidene vogeltjes joepen, elk naar eigen gedoe ....
En ze dacht het eerst, op die manier, aan Simon Peter. Ze rok zich uit, liet zich achterover zinken op hare ellebogen, lengde hare beenen buiten de sargie en gleed zoo langs den malschen bedderug tot op de witte groote vacht. Daar stonden, naast mekaar, hare kleine poppevoetjes op de witte vacht. Ze leunde nog tegen het bed. Haar wit lichte hemdje viel in rechte plooien nederwaarts, gansch wit waar het haar lichaam niet raakte, en bleek koraal-rozig doorglanzend op den klein-dubbelen boezem, op de heupen, op de beenen. Ze hief tegelijk hare armen op en pakte, in twee mooie wrongen, het mooie haar boven op haar hoofd samen. Maar het bleef daar niet thoopegeleid: 't zeeg van de zwaarte tot in haar hals, waar 't gulden en gewichtig massief rusten bleef.
Onderwijl dacht ze aan Simon Peter. Ze zag waarlijk zijn groote struische gestalte, zijn bleek gelaat vol ernst en gepeinzen, zijne zwarte oogen die zoo lang op haar konden staren en haar omdoen met de goedheid die er uitstraalde onverpoosd. Ze zag dat wit gelaat met den grooten zwarten baard en den forschen arendsneus erboven, zijn blanke voorhoofd, marmerhard en fijn-gebult. Zij dacht waarlijk aan hem, omdat hij zoo kalm-sterk was, zoo groot en edel-denkend, terwijl zij zelve zoo klein en kinderachtig deed en zoo luttele gedachtekens liet opflappen. Op die wijze, elke ochtends en veel overdag, dacht zij aan hem. Hij was een machtiger broeder dan Ernest en hij had breeder schouders om op te rusten. Nu dat moeder gestorven was, bleef Simon als een schoone steun.
Ze trok hare kousen aan, stak hare voetjes in de roode muilslofjes, die daar veerdig stonden, en pantoffelde korttrippelend naar de toilettafel. Ze kwam vóór den hoogen spiegel staan en zag, in een rap zicht over haar gansche lijf, hoe ze in 't blauwe kamerlicht oprankte blank en blond en blozend tallenkant. Naast den spiegel, aan een koperen knop hing het grijze morgenjapon, beverfd met kleine groene en violette bloempjes, die door mekaar in het dichte gevouw wegschoven. Ze wierp het lichte japon om hare schouders en 't golfde breed uit, woei rond haar leên en ruischte langzaam tot het met rustige bloempjes eindelijk nederhing. Toen schelde ze voor Mari?tte, de kamermeid.
Mari?tte kwam rap en gedienstig en hielp Francine in haar opschik. Ze was zeer handig en beweeglijk. Omdat ze merkte dat Francine geweend had, begon ze een vlug getater vol vriendelijkheid.
-Heeft mejuffrouw goed geslapen? .... O! Het is buiten zoo'n mooi weer. Kijk maar naar 't venster, mejuffer. Echt lenteweer. Wil ik de gordijn wegpakken?
-Ga uw gang, Mari?tte .... ik heb zoo'n hoofdpijn ..... Och!
't Groote ongeluk, dat moeder dood was, viel over haar, en ze zeide nu dat ze hoofdpijn voelde om te toonen dat ze gevoelig was. Ze boog sierlijk haar hoofdje, terwijl Mari?tte heur haar ontvlocht, en ze zweeg, als in een droom luisterend naar het gebabbel van de kamermeid. Ze begreep dat Mari?tte zoo dol doorpraatte uit gedienstigheid en om den akeligen dag met lichte figuurkens in te leiden. Maar ze schaamde zich erover, dat ze mocht be?nvloed worden en zich verwijderen van haar smart. Ze zweeg maar, en mijmerde, bleef lang uitkijken naar 't volle zonnelicht, dat met vrije geuten binnenviel. Ze voelde 't ijverig vingerenwerk van Mari?tte om haar, dat gejeuk op haar hoofd, 't kittelend gefleer van handen in roerende haren. 't Maakte haar stil en lui. Ze dacht alweer aan Simon Peter ....
Vóór ze haar keurslijf aanreeg, bracht Mari?tte de dampende chocolade en de beschuitjes met zeem. Ze bracht het op een breed Japansch draagbord, zwart-verlakt en bebloemd met aardige versiersels, goud-bespikkeld en opgelicht met klare verven. De witte dampende chocoladepot, het honingvaatje, het bordje met beschuiten, het broze tasje en 't zilverwerk, 't leuterde er fraai te midden, onder de volle straling der zon. Terwijl Mari?tte zwijgend om de kamer ijverde en alles nog te pas schikte voor verder gebruik, schoof Francine een lagen stoel bij tafel, wierp er een licht kussen op en zette zich te ontbijten. Ze schonk zonder aandacht den geurenden drank, die uitwalmde de gansche kamer door en de kamerlauwte ging verdikken. Ze liet de witte suikerkorreltjes er in regenen en al smeltend weer tot schuim opborrelen. Ze brak de droge beschuitjes, streek met het ronde smeermesje den gelen zeem erover en snuisterde traagbekkend eraan. Snoezig hief ze hare lippen boven hare tanden naar voren, om ze in de zoetigheid niet te bemorsen. Ze dronk met kleine slokjes. Het kopje tikte kort, als zij 't op het porseleinen bord nederzette. Dan speelde ze met het zilveren lepeltje, klonk het tegen het witte tasje of deed het in evenwicht wiegen op haar duim.
-Wel, zei ze zuchtend, is mevrouw Verlat reeds op?
-Ja zeker, juffrouw, ze heeft het al zeer druk gehad dezen morgen, maar mijnheer Peter helpt haar goed. Mijnheer Peter is zeer vroeg aangekomen, juffrouw.
-O zoo! ....
Het lepeltje wiegelde op haar duim. Op het kristallen honingvaatje blikkerde de zon. Francine smakte langzaam, dronk nog eens, bracht hare roode lippen saam, thoopegefronst en gedrongen tot een klein rond mondje. Toen zonk ze achterover tegen de leuning, in het lichte kussen. Het zilveren lepeltje viel.
-Kijk eens, Mari?tte, vroeg ze, houdt ge niet waarlijk van deze kamer?
-Het is een mooie lieve kamer, mejuffrouw.
-Ja wel, eene lieve kamer .... maar mijne echte, breedere kamer, ginds thuis, daar houd ik meer van .... Och, Mari?tte, roep toch even Vere boven, zeg aan Mevrouw Verlat .... roep mevrouw Verlat .... het is hier niet om uit te houden!
De deur klonk achter Mari?tte dicht. Francine stond schielijk recht en schelde.
-Neen, zei ze somber, als Mari?tte de deur openstiet, ga maar liefst niet .... 't Is gekheid. Ze zou gaan denken dat ik ziek ben. Ik zal zelf wel beneden gaan.
Dan stiller en vriendelijk, zich nederzettend:
-Zie ik er ziekelijk uit, Mari?tte?
Mari?tte meende van neen. Een beetje koortsig, korzelig en gejaagd, meende ze.
-O ik ben niet wel, Mari?tte, dat zal Vere wel merken. Mijne oogen zijn betraand en gezwollen, niet waar? Mijn hoofd gloeit en klopt. Kunt ge dat alles niet zien toch, Mari?tte?
-Haast niet, juffrouw, haast heelemaal niet, ik verzeker u.
Francine brak beschuitjes en kruimelde ze over de rood-bestippelde servet. Daarbinst nam Mari?tte de muilslofjes weg en bracht schoenen met hooge hakken. Op een laag bankje rustten Francine's kleine voetjes. Mari?tte knoopte de spannende schoenen toe. 't Sloeg negen uren beneden, op de groote klok van het vestibule.
-Hemel! hoe rap gaat de tijd! .... Wat zou Ernest nu doen? Heeft hij dan heel den nacht ginder doorgebracht, Mari?tte?
-Ik geloof ja, juffrouw ....
-Dat is toch akelig, niet waar, Mari?tte? .... O! het is een groot ongeluk!
Terwijl Mari?tte haar dat zwarte rouwkleed aantrok, sprak ze niet. Ze had een ernstig gezichtje. Hare groene oogen keken ernstig rechtuit, maar rozig waren haar wangen en haar mond bleef rood van frisch en overdadig leven. Het kleed somberde om haar, gewichtig en zwaar. Het deed nog feller opgloeien het goud van heur massieve haar, en haar gelaat blonk klein en liefelijk uit, in blanke mooiheid en doorzichtige blosjes daar langs. Bleek hingen, als bloemen, haar fijne handen tegen het zwarte kleed.
Ze ging vóor den grooten spiegel staan, keerde zich half rechts om, dan links, deed de plooien in den rok uitrekken of breken, boog haar leên en hief haren arm. Ze lei een dubbele rang doffe gitparelen rond haren hals. Ze wendde zich naar Mari?tte:
-Ik dank u-laat me alleen ....
Nog stond ze vóor den spiegel. De zon kaatste achter haar tegen het gele brokaat van het muurbehangsel. Ze mompelde:
-Hoe bar zie ik er uit!
Ze nam uit een lade van de toilettafel een nieuw-zijden zakdoekje met zwarte bolletjes op de randen, goot er een paar druppels reukwater op en verliet de kamer. Op de trap moest ze zich bedenken of ze alles bijhad en alles in orde was. Ze dacht nog eens vluggelings aan haar geldtasje, haar poeierdoosje, haar pennemesje, haar drie kleine sleuteltjes, haar zakdoekje .... Ze dacht even aan Simon Peter, alsof hij daarbij hoorde. Ze had wel alles bij, en rustig gleed ze de trap af in 't breede geruisch van haar nieuw kleed.
Ze vond hare schoonzuster in de verandah. Vere keek op, als ze Francine's lichten stap hoorde kloppen op het houten parket. Haar bleek-ovale gezicht met de diepe blauwe oogen kwam juist opsteken in een smalle zonnestreep, die verder tegen den wand op het ebbenhouten étagère een onyxen naakt-figuurtje zeer zonderling en bijna alleen te beglanzen lag. Het naakt-figuurtje glom en al de rest vaagde weg in ondergeschikte kleurenspeling: de groene muur met oker-bruine friezen, de vele schilderijen daarop, bronzen beeldhouwwerk op het schouwblad, de zwaar-groene meubileering, 't verdoezelde tot eene traag-levende grijsheid. Hoofdzakelijk en met een zonnestraal bekletst glom het naakt-figuurtje van onyx. Dat was aardig. Eronder blikte het stille gelaat van Vere, vermoeid en te bleek. Stil glimlachte Vere's gelaat:
-Goêmorgen, liefje .... hebt ge wel wat gerust?
-Ach ja .... ach ja ....
Francine boog en kuste Vere op het voorhoofd. Toen schudde ze haar kopje en kloeg:
-Ik voel me niet lekker .... zeker ....
-Och, zie! dat moet allemaal voorbijgaan; dat doet de tijd, mijn zoete Fran.
-O! maar gij .... gij ziet zoo wit, wit .... wit ....
-Dat moet allemaal voorbij .... Het belangrijkste nu is, dat wij erdoor geraken. Veel hangt van ons zelf af, vindt ge niet? Waarachtig. Ik heb zeer veel medelijden met Ernest bijvoorbeeld.
-Ho! ik ook, beste Vere .... Arme jongen! En Simon heeft u goed geholpen, niet waar?
-Simon is een edel man. Hij heeft hier alles geschikt. En nu is hij ginder, bij Ernest, met Oomken.
-Met Oomken .... Hoe mal! Nu had ik Oomken heelemaal vergeten.
Ze rechtte zich en lachte meteen gulzig. Ze klopte met hare hakjes tegen den vloer en gichelde zilverig:
-Dat is toch raar, ten minste .... Wel, Oomken!
Ze lachte door: Oomken! Oomken! .... Ze werd rood tot op hare slapen en haar boezem schokte. Ze zweeg plots. Ze keek naar het stapeltje doodbrieven, die, vóor Vere, op de groene tafel vlekten wit-en-zwart. Ze vroeg ernstig, laag:
-Adressen schrijven? Nog .... ?
Ze zag ineens moeder liggen, moeder op het witte bed waar ze gisteren en eergisteren lag, en straks de begrafenis. Ze zeeg op een stoel neder en begon luide te snikken, aldoor jammerend:
-Moederken! .... mijn moederken! .... waar zijt ge nu?
Vere ging over haar neigen, vatte haar gansch in hare armen, zoende haar in heur dichte haar en troostte met innig gestreel dat groote leed, hetwelk zoo ineens en zoo geweldig opschoot. Francine wou eindelijk bedaren. Maar nu wilde ze seffens bij moeder gaan, seffens naar het andere huis, waar moeder lag. Ze moest nog eens moeder zien, eer men ze wegdroeg.
-Kom .... kom rap .... Wilt ge niet gaan met mij?
Dan moest ze bloemen hebben. Waren er wel bloemen genoeg ginder? Dat had Simon geschikt.. dat had Simon geschikt, ja, maar ze wilde het precies weten. Ze was er zeker van dat er niet eens bloemen genoeg waren. Ze wilde veel, veel bloemen, volle vrachten met witte en teer-blauwe en paarse, versch geplukt en nog met frissche nattigheid bepereld. Had daar dan niemand aan gedacht? Dat was toch niet mogelijk. Vere zei dat ze de groote koets zou doen inspannen. Maar neen, dat duurt, en hoe laat is het, hoe laat reeds is het, in Gods name? Ze zouden saam te voet gaan. Roep gauw Mari?tte. Ze zouden enkel haar kapeliene opwerpen, en Mari?tte zou medeloopen om de bloemen te dragen, gedeeltelijk. Dat geraakt zoo wel in orde. Ze hijgde, en kuste, bij vlagen van zenuwachtigheid, Vere die knikte met dikke, ernstige tranen in hare oogen.
-Kom .... kom .... och kom!
Geen verzet baatte. Vere dacht dat Francine op straat redelijk en kalm zou worden, en ze riep Mari?tte. Ze kleedden zich aan in allerhaast, speldden de groote zwarte vool vast aan hun hoed en drilden koortsig langs de huizen. Mari?tte volgde. Ze drilden, dicht bij mekaar gedrongen. Vere, grooter en breeder dan Francine, leidde den gang. Francine hing aan haar arm. De blijde lentezon viel van de daken, plaste op de grijze steenen, flikkerde tegen de ruiten. Leven roerde allentwege en de zon gloorde daar te midden, wipte langs loopende menschen heen, vlekte kleurig op trams en rijtuigen en wagens uiteen, of rustte, als een groote vlinder met onrustige vlerken, op een vlak verlaten plein.
Op een plein, achter de St. Bonifaciuskerk, vonden ze een bloemenwinkel. Ze hadden niet gesproken onderwege. Ontspannen jubelde Francine:
-Dàar! dàar!
Vooruit liep ze binnen. Ze zag niet om naar de oude juffrouw, die met een stroopgezicht naar haar toe kwam suikerlachen. Ze bestelde zonder mate. Vroege lelies waren uitgestald bij bundels, krokuskelken dicht bijeen, zeldzame tulpen, violen van Parma en geurende tubereuzen. Ze kocht alles op en stapelde de bloemen in Mari?tte's armen op hoopen. Ze belaadde Vere met violen. Gedurig blonken tranen door hare wimpers, die ze wegvingerde ongemerkt. Dan betaalde ze en weer waren alle drie op weg. Francine wilde van geen huurrijtuig weten. Ze hoorde hare harde hielen slaan op de steenen en 't schokte weldadig door haar lijf op. Ze trippelde in de zon. De zon stoof uit in de lucht, waar ontelbare lichtkorrels dooreenwemelden, en zij omdeed alles met eene verkwikkende warmte die traagzaam en doordringend was. Francine meende dat hare gedachten als klare vaantjes in de zon wapperden en dat hare smart heel klein uitvloeide onder het groote groote licht. Ze vermeed de schaduwzijden der straat om gansch in de klaterende zonplassen te plonsen, en ze keek tusschenbeide om naar Mari?tte, zich gauw eens deugd doende aan 't schaterend gedoe der bloemen, die, gelijk een gewichtig belang, sterk de zon naar voren droegen. Ze waren een gewichtig belang in het overige bedrijf der stad.
Als Francine op de Regentielaan kwam, kon ze niet meer zoo hard loopen. Ze hing zwaar aan Vere's arm en hare rokken sleepten. Ze werd zeer angstig en stond daar nu te hijgen vóor de groote poort van het hoogstille huis. Het docht haar dat het een vreemde woonste was; ze herkende niet goed meer den platten drempelarduin en de twee zwart marmeren bollen die, van weerskanten de poort, den muur voor wielen-aanstoot bevrijdden. Ook de elektrische bel rinkelde zonderling daarbinnen ....
Bij de deur van het salon liet ze hare bloemen vallen, hare armen zegen omlaag en ze stond te staren naar Ko, den ouden knecht, die in zijn nieuw rouwpak vóor haar, tegen het gedempte vensterlicht, opsomberde. Onwillekeurig vroeg ze:
-Zijt gij het, Ko?
Seffens trad, uit de nevenkamer, mijnheer du Bessy. Hij liep met open armen naar Francine en Vere, omhelsde ze en kon niet spreken eer hij drie-viermaal een dikken snik met geweld had neergezwolgen. Toen hakkelde hij:
-Och, kinderen, wat doet ge hier?
Vere vouwde haar vool zijlings op en bracht insgelijks Francine's vool alover hare schouders. Vere was uitermate bleek.
-Fran wilde bloemen brengen, zeide ze.
-O ja, weende Francine, o ja, Oomken, als het u belieft, laat me bij moederken gaan!
Mijnheer du Bessy schudde zijn hoofd. Hij zag er wel oud uit, mijnheer du Bessy; maar, gelijk altijd, waren zijn blinkende haren, schoon zwart geverfd, geleid in een wit-rechte streep tot op zijn hoog-witte halsboordje van achter, en zijn snor en kinnebaardje zwart-glansden onverbeterlijk. Hij zag er zeer oud uit. Rimpelige zakjes bultten onder zijn oogen en zijn voorhoofd lag gebroken menigmaal. Boven zijn hagelwit dasje en zijn zwarten rok was zijn aangezicht bijna geel. Hij schudde zijn hoofd en sloot radeloos Francine in zijne armen. Hij blikte benauwd naar Vere, alsof hij zeggen wou: Wat moeten we nu doen, lieve hemel! Hij vroeg:
-Waar is Ernest?
Hij keerde zich om naar de kleine nevenkamer en vroeg het nog:
-Simon, waar is Ernest?
Uit de nevenkamer trad nu de stille Simon Peter te voorschijn. Zijn groote gestalte steeg boven het bleeke tapijt en groeide ontzaglijk tegen de klaarte die daarnaast volop aan het zonnen was. Hij groette stil. Hij deed zoo stil over zijn gansch wezen en hij was gelijk een die blijft in kiesche verwachting. Hij merkte mijnheer du Bessy's wanhoop, maar wist geen raad. Ernest was in de groote kamer met pastoor Doening, zei hij. Hij sprak bijna fluisterend. Hij nam Francine bij de hand, nadat hij de gevallen bloemen had opgeraapt. Hij leidde Francine uit het schemerige salon en Vere volgde met Oomken.
In het kleine nevenplaatsje leefde fraai en kwistig de Meizon. Simon had het venster wijdopen gezet, dat uitzicht gaf op den tuin. De tuin was lichtgroen en prevelde. Kleine windjes voeren langs het jonge getwijg en vogeltjes tjirrelden door elkander. De Lente asemde binnen. Bijen kwamen tot in het raam wiegen, gonsden langs de ruiten op en schoten weg, de vrije ruimte door.
-Rust hier een beetje, juffrouw Francine, zei Simon.
Hij schoof op de tafel de groote zilveren schaal zijwaarts, welke vol met kaartjes en brieven stond, en deed Mari?tte de dikke bloemenvracht daar leggen. Toen sprak hij, op zijn stille manier, van de bloemen. Zij geurden zoo versch, zei hij. Ze waren zoo helkleurig, zoo gansch mooi. Waar had ze zulke mooie gekregen? O dáar, op den hoek van dat bloote plein? Zoo! Hij kende den winkel wel. Hij kende de oude juffrouw wel, met haar jeleivette kin en haar honinglachje.
-Ja, ja.... lachte Francine, zóo is ze. Hoor eens aan, Vere, was de juffrouw niet waarlijk zóo?
Stil sprak Simon van de bloemen. Het was nog niet de volle tijd van de heerlijke bloemen, maar deze bleek-paarse tulpen waren zeldzaam. Had juffrouw Francine die zelf gekozen? Francine knikte gretig. Simon dacht het wel dat zij die gekozen had om hunne wonderteere kleur. En deze ongemeene tubereuzen? Hield ze veel van tubereuzen? En mevrouw Verlat? Hij hield meer van viooltjes. Die ruiken niet zoo sterk, maar de herinnering ervan is trouwer. Francine zei met gulzigheid:
-Ik heb vooral viooltjes gevraagd, niet waar, Vere?
De lelies vond hij uitstekend. Hij prees ze zeer. Hij kon er lang over praten. Mijnheer du Bessy was geneigd een vers uit het Ars Amandi van St.-Gomair bij deze gelegenheid te pas te brengen. Hij wist ook een hoop liefelijks van de leli?n te vertellen en 't schoot hem almeteen te binnen. Maar iets kropte ongelijk in zijne keel, en hij zweeg. Hij voelde ook dat hij niet zoo bedaard en zacht als Simon zou kunnen spreken. Hij luisterde meegaande. Vere insgelijks luisterde met geveinsde belangstelling. Ze deden aldus getwee?n mede aan het broze werk, dat Simon langs eenvormige woorden optrok rond Francine. Ze luisterden in gedwongen houding, terwijl elders hunne bezorgde aandacht verwijlde. En krokus had juffrouw Francine ook medegebracht. Hoe minzaam ziet er het fijne krokuskelkje uit! Krokus doet zoo heerlijk tenger in een Kopenhaagsch vaasje, wist ze dat wel?
-Ik heb op mijne kamer Kopenhaagsch goed, eenig mooi, mijnheer Simon.
-Hewel, in zoo'n vaasje, laat er een trosselken krokus in bellen. Francine zuchtte:
-Moeder hield zoo veel van die witte krokus ....
Ze stond dan ineens verschrikt recht en keek verward rond. Ze toetste plots het heimelijk ongemak dat hier in huis spookte, en begon te huilen. Niets troostte haar meer. Ze kreet dat ze bij moeder moest, en dat al de bloemen voor moeder waren. Ze wilde naar boven ijlen, in moeders kamer. Simon hield haar zacht tegen en Oomken, binstdat zijn gemoed volschoot, schudde zijn kop. Moeder lag niet meer in hare kamer.
-Waar dan? Waar dan, als het u blieft? Waarom spreekt gijlie nu niet meer?
Ze smeekte. Ze ging Vere kussen en weende op Vere's schouder. Simon vertrok schielijk; hij zou eens gaan kijken, en ze moesten alle drie wachten tot hij terugkwam. Francine bad:
-Wat hebben ze met moederken gedaan? Oomkelief, waarom moet ik wachten? Waar is Ernest?
Oomken stotterde, mompelde tusschen zijne tanden, kon niets dan schuddebollen. En Vere zweeg. Vere was uitermate bleek en hare blauwe oogen waren als met een grijs floers omhangen.
-O, steende Francine, ik weet het wel, Vere, wat gij denkt. Ik mag het wel zeggen wat ge denkt. Ge denkt dat moeder u niet liefhad. O, ik heb zoo veel verdriet!..
-Neen, Fran, dat denk ik niet. God beware me, hoe kunt ge dat zeggen?
-Ik weet het. Ik zie het toch. Och, moeder heeft u misschien iets misdaan .... in den beginne .... maar ze had u toch lief, nadien ....
-Zij heeft mij niets misdaan, Fran. Evenmin als mijn vader. Ik denk aan mijn vader, Fran. Ik denk aan alles .... Ik denk ....
Koortsig sloeg Francine hare beide armen om Vere's hals en snikte. Vere mocht niet boos zijn op haar. Vere moest haar vergiffenis schenken.
-Ik ben zoo diep ongelukkig, Vere-lief.
Simon kwam en gaf een teeken dat ze gaan zouden. Hij scheen zeer bezorgd en keek steelsgewijs op naar Francine, die, snikkend en betraand, met moeite al hare bloemen van de tafel opnam in hare handen. Ze gingen zwijgend het breede vestibule door en zagen over de deur van de hooge ontvangstzaal hangen de zwarte gordijnen met zilveren franjen. Was het dáar? Francine werd bang en blikte verbaasd in het stille gelaat van Simon. Ze voelde dat hare beenen zouden knikken en dat ze te wege was lang-uit achterover te stuiken. Hare handen beefden om de zware bloemenlading. Simon schoof de gordijn op zijde, opende langzaam de dubbele deur en de groote kamer gaapte als een nacht.
Onder het gele licht van de twaalf kaarsen rees het praalbed. Links zat pastoor Doening geknield en aan den anderen kant stond Ernest staakrecht in zijn zwarten rok. Op het praalbed, in de opene kist die nu haast onzichtbaar onder de vele kronen verkleurde, lag moeder, wit, wit, bijna doorzichtig, licht-wit.
Vere boog, onder haar zwarte vool, haar hoofd, en bracht de handen saam in biddende houding. Francine trad met rappe schokken vooruit, ging stijf, stokkig-stappend, het gansche lijf als een rechten paal voorover stekend. Ze reikte zenuwachtig de levende bloemen. Ze reikte de bloemen terwijl ze nog voortschokte op hare klinkende hakken, en haar mondje viel open, en hare groene oogen werden rond en uitermate groot. Ernest keek niet op; maar pastoor Doening hief zich recht en zijn grijze hoofd neeg naar Francine. Mijnheer du Bessy beet op zijne lippen. Simon had stil de deur dichtgedaan.
De dood van Mevrouw Chanteraine
(Slot.)
Toen de kist in de statige lijkkoets was opgesloten kwam de ceremoniemeester buigen vóor Ernest Verlat en mijnheer du Bessy, die, getwee?n, als eenige geleiders van den rouw, in de duistere kamer waren gebleven. Ze hadden er de vele vrienden en kennissen ontvangen, die al te reke het praalbed waren voorbijgeschoven, gelijk zwijgende schimmen, al te reke malkander vooruitduwend en glijdend met witte onverschillige gezichten .... De ceremoniemeester boog en dit was het teeken, dat alles vaardig wachtte. Ernest trad met Oomken het vestibule door en stond een oogenblikje verblind door het helle straatlicht, op den drempel van de breede huispoort. Ook de poort was met zwarte draperie?n behangen. Ernest voelde hun zware somberheid wegen boven hem, onder het geweldige licht. Hij pinkoogde in de zon, merkte ineens al de hoofden van het toekijkende volk gericht naar hem. 't Besef klaarde op in zijn geest, dat hij, op deze stonde, de groote figuur was van de gebeurende plechtigheid. De oogen van het volk staken op hem als naalden en, in een rappe gewaarwording, vatte hij de vragende houding van al die geesten:
-Is hij aangedaan? Weent hij? Ziet hij er bleek uit? Is hij ziek? Is hij waarlijk een boemelaar? Het schijnt dat zijne moeder van verdriet gestorven is? Hij is verouderd, geloof ik?
Hij kwam zijn eigen vóor als een barakgek met uitgestalde smarte, ten beste overgegeven aan het nieuwsgierig gepeupel. En toch, al voelde hij diep het valsch-klaterige van zijn toestand, toch lette hij erop, om sympathiek te blijven. Het streelde zijn leed, dat de menschen zouden zien en zeggen: Arme jongen! hoe hard een slag is het hem! ....
Hij bleef dus een oogenblik op den drempel staan onder het wegend zwarte floers. Hij zag vooraan, midden in de straat, den grooten vierkanten wagen, van bovenaan, waar het kruis zilverblinkend uitstak, tot over de wielen behangen met kransen en bloemen, sterk schitterend tegen het grauwe gelommerte dat onder de olmenkronen der laan te donkeren hing. Een leegte was rond den wagen. De grijze straatsteenen waren er bekletst met zinderende zon en, dáar, eendelijk, een beetje gebogen in zijn nauwe kleed en blootshoofds, stond pastoor Doening. Verder krioelde, somber, massaal, laag-ruischend, de menigte. Ernest trad vooruit, langs de blakke steenenleegte, in de zinderende zon. De zon stortte op zijn voorhoofd en trilde, gelijk tikkelende lichtdroppels, op zijne goud-omrande brilglazen. Hij boog rijzekens zijn hoofd, ging onder al die blikken, als onder een lage brug, heen en sloot half zijne oogen. Een zenuw trok de puntjes van zijn mond omlaag naar zijne kin. Hij behield nadien met opzet de drukking van die zenuw, en voelde daardoor over zijn aangezicht komen een masker van innige, nu gelaten lijdelijkheid. Zoo was dan zijne houding, die hem in overeenstemming moest brengen met het karakter zelf van de pijnlijke plechtigheid. Hij deed het voor 't publiek. Hij kon zich aan den drang niet onttrekken, om de nieuwsgierigheid van die loerende koppen te beantwoorden. Hij veinsde niet zijn leed, maar hij voelde zich gedwongen zijn leed te toonen. Hij wilde begrepen worden. Hij kon niet anders ....
Hij behield deze aangezette uiterlijkheid heel den weg door. Hij behield ze in de kerk, terwijl de zeven pastoors om het hooge catafalque de lange, triestige zangen zongen, en terwijl, vóor hem, en op een trage rij, al het zwarte volk ter offerande voorbij slofferde. Hij keek er niet naar. Hij had, over de fluweelen stoelleuning zijn aangezicht gebogen en bleef zoo, onbeweeglijk. Hij zag, van al die opkomende menschen, alleen de verschillige voetenparen. De voeten slierden op de blauwe kareelen te voorschijn overhand, klein-stappend en ongemakkelijk, tot ze, in het heengaan, vasteren gang kregen en rap wegzoolden al piepend. Hij raadde echter de koppen die boven hem uitstaken, de bloote koppen, met nuchtere gelaten, van lui, die akelig-ernstig uitkijken en gemeen worden in plechtigheid. Allen wierpen gauw een blik op hem, dat raadde hij. Het kleine gedacht, dat hij vermenigvuldigd voelde opduiken boven die roerende lijn van koppen, speelde als een streelende schemering om zijn hoofd:
-Och ja, hij is wel verslagen .... waarlijk, hij ziet er verslagen uit ....
En zoo, eender gezegde aan eender gezegde, voort. Na den dienst in de kerk, moest hij met mijnheer du Bessy en pastoor Doening in een rijtuig stijgen, en ze reden de stad door, de voorstede en buitenwijken door, eindelijk in 't volle veld, langs den Leuvenschen steenweg, naar het kerkhof. Hij zag de gevels in zonnekladden voorbij blekkeren. Hij zag, tegen de zwarte diepte van het rijtuig het droef-bleeke gezicht van Oomken boven het glanzende boordje en de helwitte das. Daarnaast, precies verder in de donkerte, het stilopklarend hoofd van pastoor Doening, die droomend, langs de portière, uitkeek naar de zon. Hij voelde altijd een onduidelijk ongemak, in de aanwezigheid van den ouden droomenden man ....
Op het kerkhof, terwijl hij weer achter het lijk te voet tusschen de vele prachtzerken heenstapte, herkwam in zijne hersens dat sterke bonzen van dezen morgen. Was het dat de scheiding hem nu duidelijker en pijnlijker docht? Er spookte iets om hem, iets dat hier in de lucht hing, dat bedeeld was met de groote rustigheid van deze aarde, zoo zeldzaam door hem betreden. Daar waarde een vlucht van onzichtbare wezens, vlerken die ver zich uitrepten, alsof ze reikten boven aarde en uren. Hier, in deze omwaaiende heimelijkheid, zou voortaan moeder begraven zijn. Hij beeldde zich gedurig in, al starende naar de zilveren franjen die waggelden over de kist:
-Daar ligt ze, zoo dichtebij ....
Hij raakte haast haar hoofd .... Hier zou ze liggen, onder het verschillig bedrijf der seizoenen, jaren en jaren eenderlijk. Hij had rozen om hare slapen geleid. Zoo zou ze liggen. En 't dreunde op zijn schedelbeen, gelijk hamerslagen;
-Moeder.... moederken....
Droog bleven zijne oogen. In zijne borst, met zijn adem mee, zwoegde een onstuimige golving. Hij onderhield ze met zijn droef-spekuleerend gedacht, wilde zijn pijn langs een hijgenden omgang in eene warme, lyrische hoogte brengen, waar hij zou kunnen weenen. Hij volhardde in het gistend uitbeelden van moeders dood, voelde de zenuwsmart die de klopping joeg door zijne hersens. En 't kwam alles op moeder neder, op dat lieve ding, dat wit uitlengde binnen de harde kist en in den drang van de stuwende menigte werd weggedragen.
Hij staat vóor het graf. De zwarte wagen staat stille vóor het graf. Het volk ruischt aan, perst zich in een wijden kring, en wordt gansch stil. Na het eenvormig wielen-gedaver en 't langzaam gekloef van paarden, na het gelijke, aaneensloffend geluid, daarachter, van al die slenterende menschenvoeten, valt nu, plotselijk, de stille lucht alom. De stilte valt als eene schrikkelijke voorbereiding. Het dunkt Ernest, dat de slagen harder en harder aanstormen tegen zijne slapen. De kist wordt bloot uit de bloemen gehaald; op de berrie, laag bij den grond, ligt de kist. De priesters, in wit gewaad, kleuren onder de zon, de wierook walmt zwaar, de half-luide gebeden gonzen om. De kist is het middelpunt van alles, ligt daar in haar geelbruinen eik, en de zon leutert op elken koperen knop. Het zilveren kruis spettert op de borst van de kist.
O moeder, vergeef het verdragen leed. Zie uw zoon aan, die bedwelmd in zijn zwakheid ommeduizelt. Hij tracht zijn eigen te herkennen en verliest zijn eenvoud in al zijne onmacht. Hij weet nog wel, lieve moeder, uwe ontelbare weldaden, uwe goedheid die zonder einde was. Hij herinnert zich zeer hoe hij u heeft miskend, hoe hij twijfelde aan uwe zorgen en onverschillig bleef bij uwe wanhoop. Wat zal hij doen, nu hij achterblijft met het beeld van uwe liefde en gij niet meer komen zult om te zien hoe innig-trouw hij het bewaart? O moeder, zie mij aan. Ik weet niet hoe te handelen met die menschen. Ik wil vergaan in mijn leed, ik wil alleen zijn met u, ik wil u vereeren met de hulde van mijne wroeging. Moeder, moeder, ik heb u verwoest en ik heb u zóo lief!....
Krijscht daar niet eene koord om het hout? Gaapt daar niet de sterke aarde? Het bonst, het stoot, het dondert. Moeder! .... Moederken! .... Rustig gaapt de aarde, en rustig staat, nevens de holte, de berrie bloot. Nu breekt het, nu, eindelijk, breekt er iets in zijn hoofd, de felle warmte schiet op rond hem en overdoet hem gansch. Een donkere man staat tegen den gulden muur der zon, nadert zonder oogen, reikt bloemen en bloemen. Het schemert en het danst alles in de ronde, wat oprijst tegen den geweldigen zonnemuur. Ernest ziet nog, daar diepe, het zilveren kruis op de borst van de kist. Hij raadt nog de koperen knoppen, maar de eikenkleur smelt weg in de struische verve van den grond. Hij laat de bloemen neerbladeren, staat een poosje versteend met opgeheven arm. Oomken dringt hem zoetekens zijdewaarts en werpt ook bloemen. Dan komt iedereen, en iedereen heft boven het graf een trage hand, en de bloemen rijzen, kelkje na kelkje.
Pastoor Doening neemt Ernest onder den arm, klopt gemoedelijk op zijne hand:
-Ween zoo niet, mijn jongen, zegt hij, uwe moeder is thans gelukkig ....
Hij kijkt verwonderd op. Hij blikt in 't kalme gezicht van pastoor Doening. Ween ik? peinst hij. Hij spreekt niet. Hij staart onthutst, merkt zeer duidelijk de droge lippen van pastoor Doening, en de zon, metallisch, stippelend op zijn grijze hoofd. O ja, nu voelt hij 't. Nu is 't goed. Nu weent hij waarlijk. Pastoor Doening moet het zien. Laat het hem maar zien. Hij drukt op den arm van den ouden man, plots zeer vertrouwelijk. Hij durft nu opzien naar het zwijgend gelaat van den ouden droomenden man ....
Heel den middag sliep hij. Hij was overmoede, had zich thuis seffens ontdaan van Oomken, om gauw zijne studeerkamer te bereiken. De roode gordijnen van het breede venster boven zijne leestafel, deed hij dicht en de dag, die toch binnendrong, kwam om gansch de kamer een rozige klaarte leggen. Hij zette zich in een lagen leunstoel en sloot, al denkend, zijne oogen. Hij dacht over de gebeurtenis na, over de verleden dagen en over de toekomst. Hij had een gevoel van ontlasting, die zijne overspannen zenuwen bevrijdde en tevens de moeheid in zijne leden verduidelijkte. De leelijkste uren waren voorbij, de rest zou geleidelijk gebeuren. Hij was niet ontevreden over zijne houding sinds moeder's dood. Ofschoon hij 't niet precies beredeneerde, streek eene snelle streeling langs zijn geest: hij had zich goed gedragen. Hij beschouwde 't inderdaad als een rol, dien hij had moeten vervullen. Hij dierf zijn eigen niet in deze ware klaarte bezien, maar, hoe hij zich ook beloog met romantische middeltjes, de klaarte schoot door zijne gedachten. Hij wist dat hij "speelde." Hij veinsde niet, hij huichelde niet: hij dichtte om bestwil, fantazeerde meegaandelijk, kleedde, naar den eisch der omstandigheden, zijne minste aandoeningen. Nu, terwijl hij in eenigheid te denken zat, kon hij zonder uiterlijke ornamenten aan zijne moeder denken. Hij dacht aan haar met veel liefde; maar hij verwonderde zich dat zij al zooverre van hem verwijderd was. Binstdat een grijze vaak op zijne oogen kwam wegen, kon hij nog dit gevoel ontleden, want werktuigelijk liet hij niets in zijn idee ongemerkt of onbegrepen voorbijgaan. Hij bekende dat moeder hem al zoo verre scheen.
In der waarheid was moeder dood. Hij had zich dat van den beginne af aan met redelijkheid opgedrongen, en de zenuwkoorts had hij er met gevoelsbombast bij gehaald. De hartstochtelijke en plechtige gevalletjes van de laatste drie dagen waren parasiet-uitslagen van die zenuwkoorts. Het groote leed lag dieper en de gebeurtenis was van algemeener aard. Moeder was dood. Het overige was ziekelijk verzinsel en gestikuleerende romantiek. Iedereen moet eens sterven, en moeder was gestorven. Daarom had hij er zich van kunnen overtuigen, dat alles redelijk was toegegaan. Daarom ook docht het hem nu, na al de vele smarteffekten en zijn verschillig opgewonden bedrijf, na de vooruit beraamde plechtigheid en, tusschen-in, de kleine opborreling van zijne waarachtige wroeging, dat het echte ongeval verder reikte in het verleden en dat de doode zich reeds verwijderd had.
Hij sliep in, langzaam en zacht. Als hij wakker schoot, was de venstergordijn doffer geworden. De gloed, binnen de kamer, voer doezelig om, begrauwd met de twijfelachtige schaduw van vespertijd. Hij schoot wakker met een schok, en seffens herviel hij, rond moeders afsterven, in gepeinzen. Zijn hoofd werd rustiger. Hij voelde zich verkeeren op eene plaats van overgang. Het gebeurde was af. De toekomst zou gebeuren met een versch en ongeraden gelaat.
De sukkelige Ko, stijf in zijn rouwpak, bracht een schotel met brieven. Terwijl hij weer vertrok en zijn ronden zwarten rug opstak in het klaardere deurgat, ging Ernest hem na. 't Was of hij denken zou:
-Hoe speelt deze zijn deel in de komedie?
Hij had gelet op het zeer treurende aangezicht van Ko. Ko zag er oprecht uit, maar het was misschien een simpel teeken dat hij zich goed uitdrukken kon. Ko werd, reeds vóor twee-en-twintig jaren, in den dienst van mevrouw Chanteraine aangenomen. Het was niet onwaarschijnlijk dat de oude kerel zich aan zijne meesteres gewend had of gehecht. Hoelang zou zijne droefheid duren?
De zilveren schotel stond vóor Ernest, en de witte brieven schervelden er over elkander. Daar lag weer een stapel uiterlijkheid van spelende menschen. Daar moest hij doorwoelen en nieuwe gezichten voorbereiden. Als hij die menschen ontmoette ergens, zou hij weer maskeren en jagen, in overeenstemming met wat elk van hen geschreven had. Hij kon zich daarvan niet bevrijden. Het was gek en onmenschelijk, maar hij wist toch goed dat hij het doen zou. Hij nam enkele brieven, brak den omslag, keek naar de handteekening of alleen naar het geschrift, en lei ze op zijde, om later te lezen.
Hij deed zoo met velen. 't Waren brieven van nauwbekenden, korte woorden van hooge lui of lange plattigheidjes van onderdanen Een brief was er van Florjan Pac?me, den schilder van bar-meiden. Hij herinnerde zich ineens dat hij de smalle puntschoenen van Florjan over de blauwe kerkkareelen had zien ter offerande doorschuiven. De jongen schreef nu over zijne deelneming in Ernest's verdriet. Ernest glimlachte even. Hij zag hoe Florjan het briefje had geschreven: lang en mager, gebogen over een taveernetafel, met zijne fijne spitse vingeren alle tien op het geurend papiertje en onhandig de pen langs krulletjes omvoerend. Waarlijk, het briefje geurde. Een gemeene heliotroopreuk walmde boven de kleine ongelijke letters. Het was, tot in het uiterste, Florjan's karakter: alles wilde hij fijn en keurig aanleggen, zooals hij er in zijn kunst geraffineerd-modern wilde uitzien. Zijne deelneming lag in een slimmen omdraai van gezochte en gemanierde woorden. Ernest lei het briefje op zijde. Hij peinsde:
-Deze veinst, maar heeft zich blootgemaakt.
Hij kon er geen oogenblik aan denken dat Florjan's medelijden oprecht was. Florjan was, meende hij, bij uitmuntendheid een huichelaar. Al wat hij deed, aan schilderkunde of anderszins, was tweeslachtig of droeg, duidelijk, den stempel van plagiaat. Florjan had een zeer ontwikkeld assimilatievermogen; maar hij kon het niet, dan op een laag peil en in vieze bedrijven, gebruiken. Gelijk hij bestond echter, toonde hij zich. Daar lette Ernest bijzonderlijk op. Florjan was, van éen stuk, een kortgewiekte bedrieger. Zoo gedroeg hij zich dan toch, op slot van rekening, als een eenvoudig-recht-handelend man, die nooit hoefde met zijn eigen in konflikt te treden. Binstdat Ernest mijmerde in dezen zin, ontsloot hij werktuigelijk de andere brieven. In zijn geest schoven de menschen voorbij, snel en eenderlijk.
Bij den brief van Rupert S?rge schoot óp zijne aandacht. Hij las langzaam den korten brief, terwijl hij zich de sierlijke gestalte te binnen bracht van den nieuwen vriend, welken hij, evenals Simon Peter, in het atelier van Pac?me had opgedaan. Hij zag S?rge's bleek-ovale gezicht, met de diep-gloeiende oogen, het zwarte snorretje, de glanzende favoris, en het evenrondlokkend blauw-zwarte haar. Het trof hem nu hoe fijn S?rge zich aanstelde in alles, en deze brief insgelijks was subtiel-sober, gelijk al wat hij deed of gebaarde. Hij had de weldadige goedheid van Peter, maar ze was fijner-gesnaard en drong, als met broze draadjes, verder en dieper. Hij was geen kunstenaar. Hij leefde rijk, zijn leven vullend met zijn eigen. Ernest was seffens groot vriend met hem geworden, en bekende dat hij een buitengewoon mensch was. Driemaal herlas hij het briefje. De woorden, daar stille en ongekunsteld neergelegd, rankten saam tot eene stemming vol echte en klare gevoeligheid. 't Was alsof hij neerblikte in de pure diepte van vijvervrede. Het deed hem sterk aan.
Juist klopte Simon Peter en trad binnen. Hij zette zich onder het breede venster. Zijn zwarte baard somberde weg in de zwaarte van zijn zwarte frak, maar bleek blonk zijn hoog voorhoofd. Hij zat heel recht, vroeg zacht:
-Hee-wel! ouwe jongen, gaat ge u wat opknappen?
Zijne handen rustten wit op zijne knie?n. Zijne stem klonk als een zoete troost. Ernest zuchtte eens, keek langzaam op, knikte. Hij voelde zoo duidelijk dat Simon bevreesd was hem alleen te laten, en dat hij nu kwam praten om 't naderen van den avondstond te bedekken met gewone geluiden en gewoon gebaar. Hij was er dankbaar voor en wilde toonen ook dat hij 't noodig had. Hij wachtte, eer hij sprak. De korte stilte lag bloot op de wonde, die Simon heelen wilde. Toen zei Ernest dat hij veel beter was, dat hij geslapen had en zich thans probeerde op te beuren.
-Het zal wel gaan, mijn goede Simon. Ik dank u hartelijk.
-Och ja, troostte Simon, ge moet maar naar voren opblikken. Dat is heel de zaak. Met dat verdiepen in gedane dingen, dat eenvormig inwerken in 't verleden, schiet ge niet op. Ge ontzenuwt gansch, demoralizeert en ontbindt u, wordt een rotte lap. Ik wil u niet den troost geven van volzinnen, Ernest. Ik vind dat uw leed moet zijn volte hebben en dan traagzaam kan vergaan. Ik vind het goed alzoo. Het is de waarheid, die niet kan getroost worden noch verborgen. Maar ik zeg u: spekuleer niet met het verleden. Kijk voorwaarts.
Ernest knikte ja. Hij zou doen zooals Simon 't aanried. Veel toch hing van eigen wilskracht af, en hij zou zich in acht nemen. Hij sprak onwillekeurig van S?rge's brief:
-Daar hebt ge S?rge, zei hij. Hij schrijft dat hij niet troosten wil, maar zijne vriendschap aanbiedt als een steun. Lees eens zijn brief, Simon. Hij is vol roerende simpelheid. Het spijt me dat ge niet zoo erg met Rupert ingenomen zijt als ik.
-Ja toch.... waar haalt ge dat?
-Wees niet overmoedig. Ik zie het best. Als Rupert bij me komt, wordt ge somber en stilzwijgend. Meent ge dat hij hier eene reeds bezeten plaats wil innemen? Onzin.
-Ik begrijp u niet, waarlijk niet.
-Ik meen: vreest gij dat hij u kwetst in uwe vriendschap voor ons, of dat hij mij treft in mijne genegenheid voor u? Onzin, onzin. Hij is heel anders dan gij. Hij beweegt zich op een gansch verschillend terrein. Hij is zoo schrander en zoo fijngevoelig, zoo uitmuntend hedendaagsch. Is er iets dat moet verdedigd worden bij hem? Simon, zeg het mij. Wat hapert er?
-Maar, lieve vriend, ik ben heelemaal op zulke vragen niet voorbereid. Daar komt ge nu ineens mede voor den dag. Ik ben zeer verwonderd. Ik weet niet wat ge bedoelt. Ik herhaal: ik weet het niet, Ernest. Wat wilt ge mij doen zeggen? Ik waardeer S?rge zeer. Hij is een allergevoeligst man en een sterke geest. Al oefent hij in schijn geen kunst, hij is grooter kunstenaar dan wij allen: zijn onweergalijk meesterstuk is hij zelf. Ik stel hem hoog op prijs. Dat hoort ge nu. Maar ik voel me niet, in losse genegenheid, aangetrokken door hem.
-O! daar heb ik u! Daar hapert iets.... zei ik het niet?
-Om met de bloote waarheid uit te pakken, Ernest-ik ben bang voor dien man.
-Nee, geen raadsels .... ik heb hoofdpijn.
Simon stond recht, kwam over Ernest bukken, legde zijn breede zware hand op zijn schouder. Ernest keek op en zag den genegen glimlach in Simon's zwarten baard. Simon vroeg:
-Willen we nu rustig blijven en een poosje afbreken met onze ijdele ontledingsgewoonte? Laat, vandaag, de avond naderen. In den peiselijken avond kunnen we altegare uwe verleden moeder gedenken, en, binst de stilte, uit ons ganscher hart, haar hulde brengen gezamenlijk. Ik ben bij u gekomen om u in de eetzaal te brengen, waar iedereen wacht op u.
En hij lachte goedig, drukte op den schouder van Ernest, sprak gedempt en overhalend. Ernest vatte zijne handen ....
Maar gelijk een rap windje kwam Francine binnen stuiven. Ze bleef palstaan, als ze Simon zag, bloosde en opende zeer wonderlijk hare groote groene oogen. Terwijl Simon achteruit week, sprong ze naar voren en viel in de armen van Ernest. Ze weende, dook haar hoofdje in zijnen hals, kuste hem. En aldoor snikte ze onderwijl:
-Mijn arme broer, mijn arme, arme broer! Ach Heere! hebt ge nog zoo'n hoofdpijn?
Ze streelde hem met hare kleine handjes over zijne kaken, over zijn blonde snor, in zijn bruin-blonde haren. Had hij inderdaad nog veel pijn? O! het was zoo'n lieve, dierbare moeder! En had hij gezien de krokussen, die zij had medegebracht voor moeder? Maar het was zoo akelig-donker in de groote zaal, waar moeder was. Waarom hadden ze 't toch zoo buitenmate donker gemaakt? Zij zou nooit durven in de eendelijke zaal gaan. Nooit meer in haar leven!
Hij stilde haar, zoende heur goud-geurende lokken, omsloot in beide handen haar mooi kopje, dat traande en kloeg. Hij keek minzaam in haar aangezicht, tot ze bedaarde en te glimlachen begon. Ze glimlachte schuchter, kinderlijk; hare tanden perelden in de halve schemering en hare natte lippen glansden. Ze lachte eindelijk zeer vrij, vertelde dat ze goed gewend was aan hare nieuwe kamer en dat ze wel verlangde om niet naar het groote huis op de Regentielaan te moeten teruggaan. Ze zou al haar klein gerief door Mari?tte doen halen en 't was niet eene zeer groote vracht. Ze kon 't wel missen, maar ze had het toch ook wel noodig. Vere stelde zich met eene te simpele toilet tevreden. Het allernoodzakelijkste ontbrak bij Vere. Vere had ook geen kamermeid. Vere wilde geen kamermeid. Hoe deed Vere, om dan toch degelijk gekleed uit hare kamer te komen? Beeld u dat in.
Zoo was ze aan den gang. Ze blikte somtijds naar Simon Peter, die bij de roode venstergordijn stond en, alover Ernest's hoofd, droomend staarde op Francine. Ze verlieten alle drie tegelijk de studeerkamer. Ernest had zijn linkerarm om de leên van zijn zusje geslagen en zoo gingen ze de trap af.
Het avondmaal was uitzonderlijk stil. Mijnheer du Bessy zat alleen aan een kant van de groot-vierkante tafel. Vere zat naast Peter, rechts, en links zat Ernest met Francine. Een kant bleef ledig. Een stoel stond er en een bord. 't Was, juist rechtover mijnheer du Bessy, de open plaats van pastoor Doening.
Oomken sprak niet, at met moeite een zierken. Hij tuurde onnoozel rond, tuurde een heelen tijd naar de twee mooie vijfarmige kandelaars, die op het blak-witte ammelaken en langs de glazen en schotels hun roerende klaarten wierpen. Hij zat te dubben op het pasteitje-met-kip, dat op zijn witte bord lag, juist te midden. De oude Ko had het juist te midden geleid. Het had bruin-gerookte randen en de gulden saus glom er over heen. Mijnheer du Bessy merkte het goed, staarde als een die niet weet wat nu daarmede te beginnen. Hij moest zich werkelijk bedenken, eer hij het pasteitje met mes en vork aandurfde. Soms luisterde hij naar de korte gesprekken, viel er te onpas in, ja zeggend, of nee-hoor! of gunstig knikkebollend. Ko bracht hem altijd versche spijs. Hij hief zijne oogen op naar Ko, blikte dwaas in het onveranderlijk-droef gelaat van Ko, en dankte zonderling. De spijzen hadden voor hem ongewone uitzichten. Hij belonkte ze met schijnbare belangstelling, liet ze een lange poos ongetaakt op zijn schotel, scheen er eindelijk kennis mede te maken. Maar dan juist had hij geen trek, en hij tuurde alweer naar de mooie kandelaars. Hij schrikte als iemand hem aansprak. Vroeg Francine:
-Oomken, smaakt het niet?
Dan schrikte hij, stak zijn kop nuchter vooruit, mummelde met werktuigelijke beleefdheid:
-Als het u belieft?
Seffens was hij weer weg in gepeinzen. Hij hoorde Simon Peter kalm spreken van het schoone meiweder, en Ernest kalm antwoorden, en Vere spaarzaam medepraten, en boven alles, er tusschen in als kinder-wispelturigheid, het heldere getater van Francine. Hij zag overhand alles na en, dadelijk alles vergetend, herzag en herzag. Op den schoorsteen stond een hooge spiegel in gouden lijst, en vooraan, op een kleine klokkekast, een blauw-groen porseleinen meisjeskopje. Tegen den diep-bruinen wand, aan de beide zijden van den spiegel, hing het geschilderd portret van moeder en van den ouden heer Verlat, haar eersten gade. Hij keek bij voorkeur naar den spiegel en het porseleinen kopje, dierf niet kijken daarnaast, waar de portretten zacht te voorschijn kleurden. Zijn geest echter was vol met die twee gebeurtenissen, en hij had schoon het klokkekopje te bezien en te beletten, hij geraakte er niet toe om gansch erop zijne aandacht te dwingen. Dan zonk hij achterwaarts, in het verleden. Hij wist nog goed hoe diep de brave heer Verlat zijn nichtje beminde. Hoe oud was ze toen? Wacht, dat wist hij te berekenen. Negentien. De du Bessy's waren niet rijk, Verlat integendeel had flinke renten. Hij kwam alle avonden zijn hof maken, en, al was hij niet zoo jong meer, men ontving hem hartelijk. Verlat werd du Bessy's beste vriend en hij zou trouwen met het nichtje. Dat was besloten. Hoe eerlijk zag er het nichtje uit in haar witte huwelijksgewaad! Ha! Ha! du Bessy had een beetje geweend dien avond. Ze was zoo jong, zoo jong.. Maar Verlat was een uitstekend man, een man met een hart van louter adel. Wel! ze zouden gelukkig zijn, had du Bessy gezeid. En du Bessy begon een leventje van een lichtmis, woonde heel alleen, bezocht haast nooit zijn goeden vriend en zijn kostbare nichtje. Maar hij wist toch heel goed dat ze gelukkig waren. Deed hij niet? Ja wel. Hij ging op informaties. Toen kregen ze een zoontje, en naderhand een dochtertje. De kinderen groeiden op en du Bessy werd oud; du Bessy woonde nu zeer, zeer alleen, voelde 't zoo smartelijk, hunkerde naar dat kleine jongetje en dat broze meisje. Ha! Ha! du Bessy weende nog af en toe een beetje .... Verlat stierf.
Verder mijmerde Oomken niet. De rest was een vage veeg in den verstreken tijd. Hij herbegon liefst, van vooraan, den droom langs het lieve nichtje dat trouwde met den ouden vriend, en hij zat daar, met zijne vork in zijne hand, te staren op het blauw-groene porseleinkopje. Ineens-juist hing eene ongemakkelijke stilte over de tafel-zei hij:
-Wil ik eens wat vertellen?
Zijn kop bloosde. Zijn zwarte knevels en zijn geitebaardje blonken als voorheen. Ook zijne oogen waren met een nieuw leven beroerd. Zijne wangen echter hingen flets en groeven rimpelden op zijn voorhoofd. Hij blikte iedereen in het aangezicht, keek verward en zijn halsboordje stond wit en stijfrecht, langer en smaller in schijn dan het was.
-Wie ooit, sprak hij dof, zal den naam kennen van dien geel-harigen faun die dagen aan dagen aan den oever van Oceanos' rijk, in het hooge lisch te loeren zat? Hij zat waarlijk in het hooge lisch, terwijl hem niemand daar vermoedde, en hij floot, op rieten, aardige deuntjes, van vroeg in den morgen dat hij te loeren zat. Maar zijn deuntjes waren lang niet vroolijk, en het leek wel alsof niemand in het lisch leefde, tenzij de kleine wind die door de halmen kloeg en verder wegstreek, gelijk een zucht, alover de zee.. Alover de zee.
Francine vestigde op hem hare groen-blinkende oogen glimlachte half, had seffens eene groote aandacht voor het witte sprookje dat Oomken zoo schielijk in de grijze stilte deed optikkelen. Oomken scheen zich te bedenken, belonkte zijne tien vingeren, die al te zaam rond den gebloemden rand van zijn dessert-schoteltje lagen, herhaalde nog: "alover de zee" en:
-Dat is toch jammer, hee? fluisterde hij, dat is toch jammer.... dat ze gestorven is.... dat ze gestorven is....?
Men keek hem aan met verbazing. Mijnheer du Bessy voltooide in gepeinzen het vertelseltje dat hij begonnen had. 't Ging vlug en jagend door zijne hersens; doch hij kon niet weerstaan aan de gewoonte die hem sinds lange jaren beheerschte, om alles wat hij dacht of voelde met mythologische decoratie te omhangen.
En zoo ging in hem de gebeurtenis van een faun die wachtte op Dione, de jonge dochter van Oceanos, god van het schuim en de baren. Ze placht in de nabijheid te dartelen op het roerende rijk. Ze was schoon, en geen nimfe was schooner dan Dione, dochter van Oceanos. Maar de faun was onbekend. Wie zal hem ooit kennen, vraag ik u?....
De hazelnoten lagen binnen hunne roode sluts op een kristallen schaal. Een zeldzame meloen rondde zijn oranje bulten op onder het kaarsenlicht, en vroege kersen bloosden op een stapelken in een zilveren kom. Vere staarde Oomken aan. Van deernis kwam haar gemoed vol, en ze was te wege hem te omhelzen en te sussen als een kind, tot hij bedaren zou.
-Welnu, dacht Oomken, daar kwam op een morgen Zeus over het water, en hij werd op Dione verliefd. Alzoo kaapte hij Dione, dochter van de zee. Van blijdschap weende de faun in het lisch. Ja juist, van blijdschap. Sindsdien, oud geworden en half-blind, blijft hij gedoken bij den oever, dagen aan dagen, en schuifelt op zijn rieten tuig zijn zonderlijke deuntjes, alover de zee. Kent gij hem niet? Zijn gele haar is gelijk den gloed van de avondzon. Hij luistert naar 't gespeel van Aphroditè, op de baren; want alle uchtends komt dartelen op het roerende rijk Aphroditè, de hemelsche, dochter van Dione en van Zeus.
-Verder! Verder! lispelde Francine, terwijl ze in de uitlengende stilte verrukt hare handjes samenbracht.
-Mijn kind, sprak Oomken, glimlachend, het is al zoo langen tijd geleden .... Ik weet het niet meer.
Hij glimlachte vreemd, en 't was alsof hij weer zeer hoofsch en zeer galant werd. Hij was zoo ineens met zijn vertelsel in de stilte gevallen, had met kleine gebaren zijne woorden omsierd. Hij deed gelijk vroeger, brillant-sprekend en traag-voornaam. Maar zijne oogen droomden zonderling, en als hij met vertellen ophield, droomden ze voort, alover het glimlachje, waarmede hij Francine bejegend had. Nu echter stapelde op de wit-glanzende eettafel de stilte hare onzichtbare lagen ongemak. Mijnheer du Bessy bemerkte niet dat iedereen hem verlegen aankeek en niet wist hoe die onverwachtsche verzinsels uit te leggen. Hij tuurde naar een trossel druiven, die Vere op zijn bordje geleid had, en overhand naar de kristallen kom met water, ernevens geschoven. Werktuigelijk plukte hij de blauwe druiven en doopte ze herhaalde malen in de glinsterende kom. Hij zoog het frissche sap. Soms hing een druppeltje in zijn snor, en 't biggelde daar, en 't viel op zijn witte servet. De toppen van zijne vingeren glommen. Hij zweeg. Hij had zich in nieuwe gepeinzen verwijderd.
Simon Peter wilde de ondragelijke lucht breken en de stemming redden door behendige gezegden. Hij probeerde met eene lichte toespeling op het mooie verhaaltje van mijnheer du Bessy. Zijne korte, gemaakte volzinnen ploften in de ruimte als in een poel. Nog zwaarder werd de lucht. De lucht werd inderdaad benauwd. Hij kwam vol met de verschillige bangheid van allen, tot, op een einde, eeniglijk er waarde het beeld van moeder, die overleden was. Al de oogen waren schuchter op het ammelaken gevestigd, staarden naar het lichtgespeel langs de glazen, de schotels en het rijk-beverfde fruit. Al de geesten drongen integendeel door den nacht heen, slenterden over het donkere kerkhof, zagen de versche aarde, waaronder moeder haren eersten doodnacht doorbracht. De oude Ko stond, achter Oomkens stoel, stijf overeind. Langzamerhand zakte zijn hoofd op zijne borst neder, en zijne blikken lagen vast op de blanke tafelbedekking, met al de andere blikken, en tusschen de schoon-uitgebeitelde voeten van de vijfarmige kandelaars.
Zoo vond pastoor Doening het treurende gezelschap. Hij kwam binnen zonder gerucht, groette stil, verwonderd. Hij was een groote zwarte gestalte in het licht. Zijn grijze hoofd kleurde zilverig, taakte, gevoelig, de angstigheid die in de kamer aanwezig was.
* * *
Vere en Ernest begaven zich te bed, als iedereen reeds was gaan slapen. Hunne kamer was niet zeer hel verlicht. Twee gaspitten onder mat-groene bokalen vlamden op het breed-marmeren schoorsteenblad en wierpen in de ruimte een zacht-groene klaarte. Het bed lag onder haar blauw-satijnen met kant overladen sargie toegedekt.
Ernest had zich op een lagen zetel, in een hoek van de kamer, neergezet. Zijne knie?n staken op, zijn rug duwde tegen de malsche leuning. Na dezen vermoeienden dag, voelde hij zich lam en lui en ontzenuwd. Hij kon zich niet inbeelden dat hij vandaag nog bij moeders praalkoetse had gestaan. Het docht hem dat het langen tijd was geleden. Hij zat uitgeput. De beelden van zijn smart konden niet meer inwerken op hem en aandoeningen verwekken. Al zijn geestelijk bedrijf lengde op eene lijn uit in kleurlooze schemering.
Hij zag nu hoe Vere zich zindelijk uitkleedde, hoe ze een oogenblik half naakt stond, in wit-licht hemd, op hare donkere onderjaponnen, die om hare voeten waren nedergevallen. Haar struisch-gewichtig lijf schaduwde door het fijne linnen. Hij zag hoe ze seffens haar kamerkleed aantrok, en dan, met groote zorgvuldigheid, hare rokken een voor een van den grond nam en plooide en ordelijk over den breeden stoelrug hing. Ze deed en ging geluideloos. Dan kwam ze vóor den spiegel van de toilettafel staan, ontstak een hooge kaars zonder lichtscherm, en ontvlocht langzaam hare bruine haarstrengen. Ze streek een enkele maal met een kam erover en wrong ze saam tot een dikke torsade, die donker op-pakte in haren hals. De kaarsvlam wippelde in de luchtbeweging van hare breede pagode-mouwen en deed de blauwe schaduwen over haar roomgele kamerjapon schuiven en uitrekken, mede met de gebaren van hare uit het kleed naakt-rozig oprankende armen.
Ernest keek peinzend toe. Traag gleden door zijn geest voorbij de opeenvolgende gebeurtenissen, die hij met deze vrouw beleefd had-hunne eerste liefde, de philosophische gesprekken met den uitstekenden schrijver Lieven Lazare, haar vader, de in driftige foltering volbrachte ondergang van Vere, haar vlucht van huis onder vaderlijken vloek na de bekentenis van hare zwangerschap. Het was alles, goed nagekeken, eigenlijk zeer burgerlijk aangelegd en 't bleef een lamme boedel. Wel had hij Vere lief. Hij kon echter zijn eigen bekennen dat die liefde niet zoo echt-zuiver was en dat ze, in ruime mate, met hartstocht en deernis was vermengd. Het zou, al meer en meer, een troebel gevoel worden, zwaar van vreemde invloeden. Hij zou het niet anders dan door veel wilskracht, gesteund op veel redelijkheid, kunnen in leven behouden. Hij had buiten haar ge?volueerd. Buiten haar had hij zich gansch ontwikkeld, en hij was nu een ander man, die zich, ten opzichte van haar, alleen nog herinnerde dat hij, in een tijd van geringer sensatievermogen, haar sterkelijk bemind had. Zoo meende hij. De waarheid lag daar in eene grijze effenheid als eene vlakte zonder rimpels. Hij verlangde Vere niet eens meer. Hij zou het zich tot eene gewoonte opdwingen haar lief en ernstig te behandelen, en van zijne hoogere begripskracht zou hij gebruik maken om haar met zorg te verbergen dat hij haar niet zooals vroeger liefhad. Dat was eenvoudiglijk zijne plicht. En dat was dan toch, evenals liefde zelve, een daad van deugddoende schoonheid.
Hij had over die soort gewaarwordingen aleens met S?rge gesproken. S?rge voelde de verhoudingen fijner dan hij. Hij wist de minste roerselen van vertwijfeling te omhangen met passende woorden. Hij placht te zeggen, terwijl hij zich, als naar gewoonte, achterover neerlegde in zijn zetel: "De hoop duurt langer dan de liefde. Hoe zonderling! Maar waarom ook houden wij ons aan éene vrouw?" Hij zei het oolijk, met een lachje, alsof hij een luchtig fantazietje verkocht. Ernest zag nochtans de gronden van zulke zetten zeer goed, en hij verwonderde zich dat hij 't zoo goed zien kon, in S?rge's aanwezigheid, en, buiten S?rge's bereik, zoo gansch verschillig handelde. Nu voor het eerst, al gingen zijne gedachten nog zoo kleur- en vormloos om, toetste hij duidelijk de gebreken van zijne verhouding tot Vere. Hij was uit de gewone betrekkingen opgegroeid, en Vere verwijlde er te midden-in. Hij had Vere gekend, toen hij nog geheel onder Peter's invloed zijn leven bedreef. Die liefde voor Vere was inderdaad een vrucht van Peter's gezelschap.
Het was een daad geweest van louter goedheid. 't Gebeurde ook in die periode van "eerlijke omwenteling," juist na het leelijke geweld der boemeljaren. Het was een daad geweest, gelijk Peter er altijd plegen zou. Maar Peter zou ook nooit opgaan in schooner verfijning en zich verheffen boven de burgerlijkheid van zijne zeden en gebruiken. Het kon in zijne kunst insgelijks worden opgemerkt. Zijne kunst was massaal en zwaar-lomp. Het zat zóo in de vizie, niet alleen in de uitwerking. Zijne beelden waren neerdrukkende vormen, gedaanten zonder doorzichtigheid, eene gebeurtenis in lengte en breedte, zonder diepte. Hij zou burgerlijk blijven.
Vere keerde zich om naar Ernest, bekeek hem lang, ging buigen over hem en, zwijgend, kuste hem op zijn voorhoofd. Dan knielde ze vóor het bed, viel voorover op de gele sargie, waar ze in hare saamgevouwen handen haar aangezicht dook, en begon stille te bidden.
Ze bad zoo elken avond. Het leek Ernest dat zij 't echter vandaag zoo bijzonder-theatraal aanlegde en het krenkte hem ineens. Hij vond het theatraal. Hij was nochtans gekrenkt, omdat hijzelf niet anders dan theatraal had kunnen handelen en zich bij moeders dood als een komediant had gedragen. Nu zag hij Vere's gebaar. Hij was op het oogenblik te zwak om in te zien dat ze eerlijk deed. Het leek hem theatraal. Had hij zóo niet willen wezen en had hij niet een akelig theaterbombast gespeeld? Hij werd prikkelbaar. Zijne knie?n staken puntig nevenseen en hij tokkelde met al zijne vingeren erover. Hij zei kort:
-Doe niet gek. Ik ben niet in staat om het aan te zien.
Ze schrikte en stond schielijk overeind. Nog nooit had hij haar op deze barsche manier aangesproken. Ze schreef het seffens toe aan zijne overspanning, keek hem goedig in de oogen, blikte ongeloovig-verwonderd. Hij voelde dat hij niet zoo ruw had moeten uitvallen, voelde zijn ongelijk. 't Maakte hem nog korzeliger. Wat moest ze zich zoo onecht aanstellen, en thans weer, terwijl ze hem aankeek, wat moest dat overdreven gedoe beduiden? Ze fluisterde, verlegen:
-Ik geloof niet dat ge onrechtvaardig zijt, Ernest?
O! Het kon toch wel eens waar zijn, op een einde.
Zijn wrevel kon hem onrechtvaardig maken. Het was uit te leggen, na die flauwe manieren, en die flauwe vraag daarop.
-Allemaal aanstellerij, kind! Ik mag toch hopen dat ge mijn toestand een beetje in acht wilt nemen?
Hij sprong uit den zetel en stapte naar den anderen hoek van de kamer. Dat ze hem niet antwoordde, was hem nog lastiger. Hij wilde niet dat ze hem medelijdend aankeek. Hij wilde niet dat ze hem van zoo hoog behandelde. Daar had ze geen recht toe. Wat meende ze toch? Hij stak zijne handen in zijne broekzakken en wierp haar, met een gemeen lachje, toe:
-Ge bidt natuurlijk voor moeder?
-Ja, Ernest, sprak ze, bijna hijgend, ik wilde voor uwe moeder bidden.
-Ha zoo!
Hij schokschouderde, voelde dat hij er niet bovenop geraakte, dat ze, in de verhouding, den hoogsten kant behield. Met brutaliteit zou zijn toestand nog verslechten. Een redelooze toorn ziedde in hem, kookte op en spande brandend om zijne slapen. Hij hakkelde dof:
-Het mag wel-inderdaad-we kunnen er ons al biddend-beter aan gewennen-dat wij ze met ons wanbedrag-hebben doodgedaan....
Nog steeds stond Vere bij het bed. Haar roomgele nachtjapon bleekte roerloos op tegen de gulden verve van de met lichten kant overwalmde sargie. Ze kwam nu, zwaar-tredend op hem af, vatte zijn arm, wilde hem dwingen op te kijken. Haar boezem zwol sterk en vlug.
-Nee, zei ze, nee, Ernest, dat meent ge niet! ....
-Waarom zou ik het niet meenen? Het is toch de waarheid.
Hij snauwde haar toe, om er gauw van af te zijn.
Hij was niet meer in staat zijn woorden te meten. Hij wist niet hoe killig en bijtend zijn stem klonk. Hij zag niet op naar heur. Ze drukte op zijn arm.
-Gij weet dat ik geen schuld heb, Ernest.
-Dat zegt gij maar ....
Ze werd koud onder het harde verwijt. Dieper drukte ze op zijn arm. Haar adem schoof ruchtbaar over hare lippen.
-O Ernest, fluisterde ze, ik word bang voor u ....
Dat ontbrak er aan. Wat hoefde ze nu nog met haar angst te kabotineeren? 't Zou schoon worden. Maar daar ging hij niet op in. 't Was over-genoeg zoo. Hij wilde zich ontdoen van hare handdrukking, schudde zijn arm en week tegen den muur. Ze wankelde en hij ergerde zich al meer:
-Laat me los. Spreek simpel, of kruip in bed.
Ze naderde weer, vatte opnieuw zijne armen, begon met een pijnlijken gil te huilen. Haar hoofd schokte op zijne borst bij elken snik. Zijne gramschap schoot plotseling los en hij riep:
-Vere, breng me niet tot geweld. Laat me los. Ik kan het niet uithouden.
Hij wrong zich tusschen haar en den muur vrij, schikte wrevelig zijn halsboordje, blies het kaarslichtje uit, dat op de toiletkamer om en weer wapperde. Haar weenen dreef hem tot een uiterste scherpe woede. Hij kon 't niet weerhouden, keerde zich rap naar heur toe en stiet ruw in haar gezicht:
-Ik heb me toch niet in uwe armen geworpen, geloof ik? Ik heb alles niet zoo doortrapt aan boord gelegd? Hou nu maar op met komedie, alsjeblieft. We zijn wettig getrouwd.
Terwijl hij sprak, besefte hij het laffe van zijn woorden. Toch was hij verwonderd dat Vere wild opsteigerde en haar hoofd forsch recht smeet. Hare wangen gloeiden koortsig. Hare stem was onherkenbaar:
-Denk er aan, Ernest, sprak ze, dat ik uw kind draag.
Daar hadt ge 't. Hij had er zich kunnen op verwachten. Het had nog lang geduurd, eer ze er mede voor den dag kwam. 't Was er nu uit. Hij keek een oogenblik verlegen toe, verlegen om de wanhoop die uit hare oogen schoot. Hij zei zachter:
-Ga-slapen.
Maar zij lengde zich uit in het groene gaslicht, werd eene breed-sterke gestalte en haar hoofd rees rots-hard op boven het bleeke nachtgewaad. Ze werd rustiger, ze kon rustig spreken en sprak. Hij wist haar niets meer te beletten. Hij stond verslagen en vernederd, zei gedurig:
-Ga te bed .... ga slapen, om de liefde Gods!
Ze wuifde zacht met hare hand, vertelde, van den beginne af aan, het gansche geval, en dwong hem, door den vreemden eenvoud van hare woorden, tot stilzwijgendheid. Ze hield het echter niet tot het einde vol. Wanneer ze haar vader herdacht, zijne gramschap en zijn vloek, barstte ze in tranen los.
Hij gaf het op, om verder te twisten met haar. Hij werd ineens moe, zuchtte nog, terwijl hij, zich neerzettend in den zetel, zijne oogen sloot:
-Ik vraag u: ga slapen ....
Ze deed langzaam haar kamerjapon over haar lichaam glijden, liet het neervallen aan hare voeten en, nadat ze het gele deken had weggeplooid, steeg zij in bed. Ze dekte zich tot op haar gelaat en weende voort, een langen tijd. Eindelijk bedaarde ze, scheen in te slapen en roerde niet meer.
Ernest zat met gesloten oogen. Alles roezemoesde dooreen in zijn kop. Het bonzen van dezen morgen en middag herkwam met versch gedreun, en de pijn zinderde door zijne hersens. Hoe akelig scheidde de dag! Hoe ellendig te moede bleef hij, na al de herrie en 't slameur, over, daar zittend in een lagen zetel onder een bleek-groen licht, terwijl alom gaande waren de stille nacht en de herinnering aan moeder!
Hij stond recht, naderde het bed, voelde de lauwte die opwalmde boven de rond-bultige bedekking. Vere was met haar rug naar hem gekeerd. Hij zag haar donker haar, op een dikke volte gestapeld, in een diepte van het kussen zwaar-somberen. Hij hoorde haar adem leven. Hij verteederde gansch, stak zijne handen uit naar heur, wilde hare bloote schouders raken. Ze bewoog zich niet. Ze zei zeer zacht:
-Kom nu, Ernest ....
Droomde ze? Hij trok schielijk zijne handen terug, luisterde toe, hoorde, gelijk te voren, haar kleinen adem leven. Toen schoof hij langzaam en voorzichtig de sargie op zijde. Haar hals kwam diep-wit te voorschijn; dan, onder het geborduurd hemdbandje, haar ronde schouders, en lager haar weelderige arm. Hij werd week-zinnelijk. Hij boog zich voorover tot de zwoele geur van haar warm lijf in zijn neus kwam luwen. Hij had geen moed meer tot niets, tot niets in de wereld; hij lispelde duizelig:
-Vere .... Vere ....
Ze draaide zich om, keek hem aan met natte oogen, keek goedig, uitermate goedig, zooals altijd.