Het hooge noorden.
?De Witte-zee!" riep, met een luiden lach, onze deensche gezagvoerder, terwijl hij zijn dunnen rossigen knevel opstreek;-?de Witte-zee! een mooie naam, inderdaad, voor eene zee, die er uitziet als engelsch bier! De bedding moge wit zijn, want die is bezaaid met de beenderen der schipbreukelingen;-maar het water is het nooit, tenzij dan dat het bevroren en met sneeuw bedekt is. Neen, dan hebben de matrozen en de zeehondenvisschers een beteren naam bedacht: zij noemen haar de IJszee."
Na de Noordkaap-eene lichtgrijze, fantastisch gevormde, sombere rotsmassa, die ver in de schuimende golven der Poolzee uitsteekt,-te zijn omgevaren, stevenen wij zuidoostwaarts, onophoudelijk gedurende twee verschrikkelijke dagen geteisterd door wind, hagel en regen. In al dien tijd zagen wij niets van de zon: wel bespeurden wij omstreeks middernacht een flauw schijnsel, dat aan den morgenstond deed denken: maar op den middag was het weder dezelfde onbestemde schemering, juist even voldoende om de omringende duisternis zichtbaar te maken.
De schilderachtige, overal door baaien en inhammen afgebroken en met hooge bergen geteekende kust, die wij tot dusver volgden, ligt achter ons: wij zeilen nu langs een vlak, eentonig, somber, ongebroken strand, bijna altijd in een dichten nevelsluier gehuld, die ons slechts nu en dan een blik op de akelige, levenlooze streek gunt. Na eene vervelende vaart van ongeveer vijftig uren, komen wij eindelijk aan een laag land, dat, half in den nevel verloren, zich verre weg naar het zuiden uitstrekt, niet ongelijk aan eene grauwe wolkenlaag. Wij varen tusschen kaap Kanin en de zoogenaamde Heilige-kaap, Swioetoi-Noss, door, en stevenen vervolgens het ongeveer dertig mijlen breede kanaal binnen, dat van de Poolzee naar de ruime en grillig gevormde binnenzee voert, onder den naam van de Witte- of IJszee bekend.
De kust aan onze rechterhand is die van Lapland: een treurig, akelig land, waar men niets ziet dan sombere, doodsche meren en poelen, en naakte, grijze duinen, door een grauwen hemel overwelfd. Hier en daar zetten enkele jagers, te midden dezer eenzame wildernissen, het schrale wild na; ettelijke visschers werpen hunne netten in de naargeestige wateren. Deze lieden zijn onderdanen van den Tsaar en leden der orthodoxe kerk: maar zij spreken eene taal, die in het Winterpaleis bezwaarlijk verstaan zou worden; en zij hebben zekere godsdienstige ceremoni?n en gebruiken bewaard, waaraan de heilige Synode hare goedkeuring nog niet gehecht heeft.
Lapland is ééne groote wildernis van reusachtige rotsen, en diepe en donkere poelen en moerassen; hier en daar kronkelt zich daartusschen eene smalle vallei, langs wier hellingen die schrale mosplanten groeien, waarmede zich de rendieren voeden. Groepen van pijn- en berkeboomen brengen nu en dan in dit sombere landschap een weinig afwisseling; maar in deze koude luchtstreek tiert geen graan, en de bewoners moeten van de opbrengst hunner jacht en visscherij leven. Hunne eenige weelde, het roggebrood, moet te water uit Onega en Archangel worden aangevoerd: deze steden zelf ontvangen dit brood uit de zuidelijker provinci?n. De Laplanders zijn nomaden; zij brengen den eindeloozen winter door in hutten, die zij zoo goed mogelijk inrichten; gedurende den vluchtigen zomer vertoeven zij in tenten. De piramidaalvormige hutten worden uit ruw behouwen boomstammen opgetrokken; eene dikke laag van mos belet het doordringen van het ijskoude water. Hunne tenten deden mij denken aan die der Comanches-Indianen: zij bestaan uit aaneengenaaide rendiervellen, die over een paal gespannen worden; eene opening van boven dient om den rook door te laten.
Naar gelang van het jaargetijde, verplaatst de Laplander zijne woning van de eene plek naar de andere; nu eens laat hij zijne rendieren langs de hellingen der heuvelen grazen; dan weder tracht hij de visschen in de rivieren en langs de kusten te verschalken; des zomers zwerft hij door het binnenland, om mossen op te zoeken; in den winter trekt hij naar het strand, om zeehonden en kabeljauw te vangen. De mannen weten evengoed om te gaan met de lans, het oude nationale wapen, als met het geweer, dat zij in later tijd van vreemde kolonisten hebben overgenomen. De vrouwen, die er met hare broeken van zeehondenvel en hare jassen van rendierenvel alles behalve bevallig uitzien, zijn meest allen in allerlei tooverkunsten ervaren. In alle noordsche landen gewaagt men niet dan met schrik van die afschuwelijke heksen, die, naar de boeren meenen, altijd een of anderen boozen geest tot hare beschikking hebben. Eene Laplandsche leest in de toekomst, en voorspelt wat de komende dag brengen zal. Zij heeft de macht om iemand te betooveren of met kwalen en ziekten te bezoeken; zij kan zich naar goedvinden in de lucht verheffen, en de schepen doen zinken, die op den verren oceaan met de golven worstelen.
Aan onze linkerhand hebben wij het schiereiland Kanin, dat mede deel uitmaakt van de woeste, dorre landstreek, waar de Samojeden hun zwervend leger opslaan: eene akelige ijswoestijn, nog verschrikkelijker dan de wildernissen, waarin de Laplander het wild vervolgt. Deze provincie van het groote rijk heeft noch dorpen, noch wegen, noch akkers; zij heeft zelfs geen eigen naam, want de Russen noemen haar nooit anders dan het land der Samojeden. Zij strekt zich noord- en oostwaarts uit, van de muren van Archangel en de kust van kaap Kanin, tot aan de toppen van het Oeral-gebergte en de IJzeren poorten van den zeeboezem van Kara. In hare dalen en kloven smelt de sneeuw nooit; en hare kusten, die eene lengte van ongeveer zevenhonderd mijlen beslaan, zijn gedurende acht maanden van het jaar ongenaakbaar door onafzienbare ijsmassa's. In Juni, wanneer de winter voor korte oogenblikken wijkt, bekleeden zich de hellingen van enkele gunstig gelegen valleien met mossen, waarvan het doffe, sombere groen, hier en daar, scherp afsteekt tegen het eentonige bruin der naakte rotsen en het grauwe lijkkleed van vuile sneeuw. Met deze kostbare mossen voedt zich het rendier, het kameel der poollanden, dat in deze onherbergzame oorden het leven voor de menschen voor 't minst mogelijk maakt.
Het woord Samojeed beteekent kannibaal, menscheneter: althans zoo zegt de taalwetenschap. De Samojeden zouden dus antropophagen zijn. Maar ook deze wetenschap is niet onfeilbaar: en om eene dergelijke uitspraak te staven, zijn er duchtige bewijzen noodig, meer afdoende dan tot dusver zijn aangevoerd: er blijft dus nog ruimte voor verdere onderzoekingen. De Samojeden koken hunne spijzen niet; het is mij onbekend, of zij menschenvleesch eten; wel weet ik dat zij het vleesch der rendieren rauw verslinden. Hunne jacht- en zwerftochten steeds verder uitstrekkende, zijn de Samojeden, aanvankelijk in het hooge noorden van Azi? gevestigd, het Oeral-gebergte overgetrokken, en hebben zich in de landstreken tot nabij kaap Kanin verspreid: een land, zoo koud, zoo ruw en zoo dor, dat waarschijnlijk geen ander menschenras het daar zou kunnen uithouden. Daar vonden hen de Zarayny, die hen hebben overwonnen en in een toestand gebracht, zeer nabij aan de slavernij grenzende.
Deze Zarayny, een dapper en verstandig volk, schijnen, wat afstamming en taal betreft, het naast aan de Finnen verwant; waarschijnlijk zijn zij de overblijfselen eener aloude volkplanting van trappers of jagers. Zoowel door gestalte en voorkomen als door aanleg en ontwikkeling, munten zij boven de Samojeden uit; evenals de Russen, bouwen zij zich houten hutten, en bezitten talrijke kudden rendieren, waarvan de bewaking aan het overwonnen volk wordt opgedragen. Deze onderwerping aan een meer begaafd en ontwikkeld ras is voor den Samojeed de natuurlijke voorbereiding tot een hooger trap van beschaving; hij leert het menschelijk leven ontzien en eerbiedigen, de rechten van den eigendom erkennen en waardeeren. Een amerikaansche Roodhuid leeft van de buffeljacht; hij doodt veel meer dieren dan hij voor zijne behoefte noodig heeft, louter uit zucht om te dooden en de vernielen. De Samojeden zouden evenzoo handelen: maar de Zarayny hebben hun geleerd, het zoo onontbeerlijke dier, zonder hetwelk de mensch hier niet leven kan, te vangen, te temmen en als huisdier te gebruiken. Als een echte wilde, maar weinig hooger staande dan de Pawnie van Noord-Amerika, bouwt de Samojeed zich geene vaste woning; hij weet niets van landbouw, en heeft ook geen begrip van grondeigendom. Even als de Laplander, woont hij in eene hoogst eenvoudige tent, die, vooral van binnen, dadelijk aan een indiaanschen wigwam denken doet: want zij bevat niets dan eenige huiden, waarop de bewoners plaats nemen. In deze tenten zoudt ge vruchteloos naar eenig spoor van kunstvaardigheid zoeken; zelfs de ruwe teekeningen, waarmede enkele indiaansche stammen hunne armelijke woningen opsieren, ontbreken hier. Toch heeft de Samojeed eenige, het is waar zeer onbestemde, denkbeelden en voorstellingen van maatschappelijk leven, zelfs van eene regeering. Eene groep van een zeker aantal woningen draagt den naam van choum; aan het hoofd van iederen choum staat een chaman, een soort van geestelijk opperhoofd.
De tegenwoordige keizer heeft eenige priesters naar deze stammen afgezonden, zooals weleer Marfa Boretski zijne popen en monniken naar Lapland en Kareli? zond, in de hoop de onbeschaafde heidensche inwoners tot het Christendom te bekeeren. Men zou zoo gaarne willen gelooven, dat deze zendelingen inderdaad nut stichten en eenige vrucht op hun arbeid zien: maar de Russen, die van nabij met het land en zijne bewoners bekend zijn, halen glimlachend de schouders op, als men hen spreekt over de orthodoxe propaganda langs de kusten van de golf van Obi en de zee van Kara. Uit eigen ervaring kan ik hieromtrent geen oordeel vellen; het toeval heeft mij echter in aanraking gebracht met een dier grieksche priesters, die, waarschijnlijk wanhopende aan de mogelijkheid om het volk tot zich op te heffen, mooi op weg was om zelf tot het peil zijner onwillige hoorders af te dalen. Hoewel hij nog altijd den titel van pope bleef voeren, leefde hij als een chaman; hij had de kleeding van zulk een samojeedsch opperhoofd aangenomen, en met elken dag naderde hij in zijn gang, manieren en voorkomen, meer en meer tot de mongoolsche type. Men beweerde zelfs, dat hij zijne tent met eene inlandsche tooverkol deelde.
Deze volksstammen bewaken de grenzen van het rijk der Tsaren; hunne naakte rotsen en wilde bergen zijn als het ware de voorhof van Groot-Rusland, dat aloude vaderland der Russen van echten ouden stam, welks velden en vlakten en bosschen nooit hebben weergalmd van den hoefslag der tartaarsche ruiters.
Waarom, vraagt iemand wellicht, dus door het uiterste noorden Rusland binnen getreden? Mijn waarde lezer, ik had daarvoor mijne goede redenen. Stel eens dat de Groot-mogol in de zeventiende eeuw Engeland veroverd had; dat de aziatische denkbeelden en gewoonten, gedurende meer dan twee eeuwen, te Londen den toon hadden gegeven; dat ons Brittanje, eindelijk het juk afwerpende, zijne burgerlijke zelfstandigheid, zijne overoude vrijheden, instellingen en rechten had herwonnen:-welk land denkt gij dan, dat een vreemdeling, die het echte engelsche karakter zou willen bestudeeren, in de eerste plaats zou bezoeken? Zou hij niet zijne schreden naar Amerika richten, om daar, in Massachusetts, een zuivere type te vinden, door geen vreemde oostersche invloeden verbasterd? Eerst later zou hij de daar aangevangen studi?n willen voltooien door een bezoek aan de boorden van den Theems en de Mersey.
Een bedelende pelgrim.
Evenzoo moet de reiziger, die zich eene juiste voorstelling wil vormen van het vrije Rusland der toekomst, waaraan de Krimoorlog het leven gegeven heeft, zijne waarnemingen beginnen in de noordelijke provinci?n: want alleen in dit land van wouden en meren en moerassen vindt hij een tak van den grooten slavischen stam, die nimmer voor een vreemden heerscher gebogen heeft, en nooit, door de aanraking met andere nationaliteiten, van zijne voorvaderlijke zeden en levenswijze is afgetrokken.
De landstreek tusschen Perm en Onega, die eene oppervlakte beslaat van zevenmaal de uitgestrektheid van Frankrijk, werd door kolonisten uit Nishny-Nowgorod bevolkt en ontgonnen, ten tijde toen deze groote stad nog in het genot harer volle zelfstandigheid was, rijk door haar handel, beroemd door haar kunstliefde en haar godsdienstzin, de mededingster van Frankfort en Florence, evenals Londen en Brugge, lid van het machtige verbond der Hansa. De aldus gestichte koloni?n handhaafden en verdedigden eeuwen lang hare aloude rechten en vrijheden; zij weerden zoowel den duitschen invloed als de overheersching der Tartaren af, en bewaarden het nationale karakter in al zijne zuiverheid, vrij van alle vreemde bijmengselen. ?Nooit," zeide mij, met blijkbare fierheid, een pachter van Archangel, ?nooit hebben wij onder ons edelen of slaven gekend." In alle opzichten, zoowel ten goede als ten kwade, zijn zij aan hunne oude levenswijze en zeden getrouw gebleven; en toen de Tsaar Godounoff, ten jare 1601, de aartsvaderlijke inrichting van het dorps- en gemeentewezen naar het tartaarsche model wilde vervormen, boden zij een even hardnekkigen weerstand, als toen, zes-en-zestig jaren later, de patriarch Nikon in de eeredienst veranderingen wilde invoeren, die meer met den byzantijnschen geest dan met de oud-russische traditie strookten.
De Noordkaap.
Deze vrije kolonisten, niet wijkende voor den aandrang van wereldlijke en geestelijke machthebbers, weigerden standvastig hun ouden ritus te verruilen voor de offici?ele liturgie, die men hun opdringen wilde. Zij behielden hunne taal, hoewel de hoofdstad die verworpen had; en eindelijk, toen de bestemde tijd vervuld was, schonken zij aan de wereld een groot dichter, Michael Lomonosoff, die, in eene boerenhut geboren, der vernederde en vergeten taal een nieuwen luister schonk, en haar de heerschappij verzekerde in de school, in de regeeringscollegi?n en zelfs aan het hof.
De Witte-zee.
Wij varen om kaap Intzy, en laten achter ons de nauwe zee?ngten, die Lapland van het land der Samojeden scheiden: de Witte-zee opent zich voor ons.
Deze zee, ruim tweemaal zoo groot als het uitgestrektste meer der Vereenigde Staten, het Lake Superior, herinnert door hare gedaante eenigermate aan het meer van Como: ten noordwesten dringt zij met eene smalle baai, de golf van Kandalask, diep in Lapland door; ten zuiden splitst zij zich wederom in twee baaien, door eene breede zandvlakte gescheiden, waarvan de armzalige bewoners van visscherij en zeehondenvangst leven. Naar de rivieren, die zich in deze baaien uitstorten, voert de eene den naam van golf van Onega, de andere dien van golf van Dwina of van Archangel: welke laatste naam meer algemeen is. Aan de monden dezer rivieren liggen de beide koopsteden Onega en Archangel.
De Witte-zee is over het algemeen zeer diep: aan den ingang schat men de diepte op tachtig vademen; nabij de golf van Kandalask wijst het peillood niet minder dan honderd-zestig vademen aan; toch is het strand doorgaans noch hoog, noch steil. De golf van Onega is met rotsen en eilanden bezaaid, waarvan de meesten echter niet veel meer zijn dan zandbanken, die haar ontstaan danken aan het slib, dat de golven van de vlakten van Kargopol medevoeren. Aan den ingang der golf, tusschen kaap Orlow en de stad Kem, ligt eene groep van meer belangrijke eilanden, zooals Solowetsk Anzersk, Moksalma en anderen, aan wier namen zich veelvuldige legenden en herinneringen uit de vroegere en latere geschiedenis van Rusland hechten.
Solowetsk, het aanzienlijkste eiland van dezen kleinen archipel, boogt op zijn beroemd klooster, nog geheel vervuld met de herinnering aan Sint-Servatius en Sint-Zosimus; zijne muren herbergden ook eenmaal den heiligen Filippus. Dit klooster bezit hoogvereerde relieken, waaraan monarchen en bedelaars om strijd hulde komen bewijzen; in zijne ruime gangen en hoven dwaalt het ontzaggelijke spooksel om, waarvan de gedachte alleen den kozak in zijne tent, en den kabeljauwvisscher in zijne schuit, eene siddering door de leden jaagt. Dit klooster was het tooneel van een aantal merkwaardige gebeurtenissen, en zelfs van wonderen, door de po?zie en de schilderkunst verheerlijkt.
Nabij den mond van de Dwina verheft zich de voor korten tijd gebouwde vuurtoren, die tachtig voet boven de zee oprijst; maar de nevel is meestal zoo dicht, dat het bijkans onmogelijk is den toren te zien. Wij krijgen hier een loods aan boord; zijn gelaat, door zware lokken omgolfd, drukt zachtheid en geduldige lijdzaamheid uit. Op een nederigen, half vreesachtigen toon, als duchtte hij dat zijn raad kwalijk zou worden opgenomen en hij zelf mishandeld, deelde hij ons mede, dat het aan den mond der rivier laag water was, en dat wij verplicht zouden zijn den vloed af te wachten.
?Wachten!" roept onze kapitein; ?neen, dat nooit! Help ons liever een handje, dan zullen wij er wel doorkomen."
Juist breekt de zon door de nevelen heen; maar de zwarte wolken hangen laag en dreigend; ieder gevoelt dat een stormvlaag op handen is. Dicht bij den mond liggen twee booten, de Thera en de Olga, die als beschonkenen heen en weder slingeren; toch geeft de russische loods glimlachend toe; de machine werkt met halve kracht, en wij stevenen naar de rij van zwarte en witte bakens, die voor ons op de golven dobberen. Weldra laten wij de Thera en de Olga achter ons, die, terwijl wij voorbij stoomen, nog heviger slingeren en schudden, en waarvan de zeilen rusteloos beven, als een door de koorts gefolterde kranke. Een half uur later varen wij tusschen de tonnen door: wij zijn in de buitenhaven.
Evenals de meeste groote rivieren, heeft ook de Dwina aan haar mond een delta van eilandjes en banken gevormd, waartusschen hare wateren naar zee vloeien. Geen enkel dezer kanalen kan aanspraak maken op den naam van eigenlijken hoofdtak der rivier; want de Dwina, nog grilliger dan de zee, is aan voortdurende veranderingen onderhevig. Een stoomboot, die in Augustus door een breeden arm naar zee is gestevend, zal, in Juni van het volgende jaar terugkomende, dien weg soms bijkans gesloten vinden en een anderen doortocht moeten zoeken. Volgens oude kaarten bevond zich de voornaamste monding niet ver van het klooster Sint-Nikolaas; later had zij zich nabij het eiland Rosa verplaatst; eindelijk liep zij voorbij de batterijen van het fort Dwina. Maar twee zomers achtereen woedden er geweldige stormen in de poolzee?n, die den loop der stroomen en de ligging der banken veranderden: de bestaande riviermond werd verstopt. De haven-politie zag de ramp aan-en bleef werkeloos. Wat kon zij ook doen? dit geval was in hare instructie niet voorzien. Misschien zou Archangel voor immer van zijne gemeenschap met de zee, waaraan het zijn welvaart dankt, zijn verstoken geworden, indien niet een deensch koopman aan de vreemde handelshuizen had voorgesteld, een stoomboot te huren, en te beproeven of er voor hunne schepen geen andere weg naar zee te vinden was. ?Het water in de rivier zakt, zeide hij: dus moet het zich een doortocht naar zee hebben gebaand. Laat ons dien opzoeken." De noodige gelden werden bijeengebracht; de boot voer de rivier af, en bracht de blijde tijding, dat in een der armen, dien van Maimaks, voldoende diepte werd aangetroffen om de grootste schepen te kunnen doorlaten. Zoo scheen dan het bezwaar opgeheven, de gemeenschap tusschen de stad en de zee was weder hersteld, en de inwoners verheugden zich reeds over de gewichtige dienst, aan hun handel bewezen. Maar zij hadden buiten den waard, dat is buiten de havendirectie gerekend. Nog nooit was een schip van Archangel door dien rivierarm naar zee gegaan; voor dien waterweg was geen reglement vastgesteld; en de politie kon toch niet toelaten, dat een schip, zonder reglement, langs dien weg uitliep! Vergeefs waren alle verzoeken en protesten der kooplieden: de politie was onverbiddelijk; de scheepvaart stond stil; de rijk geladen schepen konden in de haven blijven liggen, omdat in de reglementen geen melding werd gemaakt van dien nieuwen mond.
Men richtte een adres aan den gouverneur van Archangel, prins Gagarin: maar hoewel hij hartelijk lachte om de bespottelijke bekrompenheid der havendirectie, liet hij toch de zaak zooals zij was: ook hij had omtrent dit punt geene instructie, en zijn persoonlijk belang was er niet bij betrokken. De directeur der douane, Gospadin Sredine, wilde er, zoo mogelijk, een eind aan maken, en bood aan, op eigen gezag, voor den nieuwen waterweg ontvangers te benoemen en kantoren te vestigen; maar de politie was..... de politie. Eindelijk, nadat eenige weken met dit gehaspel vermorst waren, zonden de kooplieden en reeders een smeekschrift naar Petersburg, en zoo kwam de zaak Keizer Alexander ter oore. Deze maakte er dadelijk een einde aan, zeggende: ?Het spreekt van zelf, dat de schepen een nieuwen weg naar zee moeten volgen, als de oude onbruikbaar is geworden."
De Witte-zee zou bijna den naam van de moorddadige verdienen: zij is een groot graf. Zelfs de lieden, voor wie stormen en schipbreuken zich oplossen in eene reeks cijfers en vergelijkende tabellen-zooveel schepen door de ijsschotsen verbrijzeld, zooveel gezonken, zooveel menschen verongelukt of vermist, dat is zooveel percent van het geheel; zelfs de statistici, voor wie de menschen geene andere bestemming schijnen te hebben dan om in kabbalistische tabellen en vervelende rapporten te figureeren; zelfs zij zouden wellicht nog een ander gevoel niet geheel kunnen onderdrukken, wanneer de sombere geschiedenis dezer akelige zee voor hen werd ontrold. Wat vreeselijke worstelingen, wat zielverscheurende angsten en smarten heeft zij niet aanschouwd; welke onuitsprekelijke klachten en jammerkreten hebben daar niet weerklonken over die doodsche, grauwe wateren, door dien duisteren nevelsluier, als eene lijkwade over de golven verspreid: klachten en jammerkreten, door geen menschelijk oor vernomen, wegstervende in het loeien van den storm, het brullen der golven, het donderend kraken der ijsbergen! Eenige jaren geleden, waren meer dan honderd schepen op eenmaal in het ijs geklemd: schepen van allerlei afmeting en soort, en van verschillende landen afkomstig: zweedsche, deensche, hollandsche, engelsche. De engelsche consul te Archangel, van den toestand onderricht, telegrafeerde om hulp naar Engeland. Weinige dagen later, den 12den Juli, vertrokken twee stoombooten van Londen, om de ingesloten schepen en hunne bemanning te redden. Veertien dagen na haar vertrek, verschenen de beide booten in de Witte-zee, en begonnen zij haar zwaren en moeilijken arbeid.
De talrijke vloot was de havens van de Dwina uitgezeild, zoodra de tijding was gekomen dat het ijs in de golf begon te smelten; maar toen de schepen den zoogenaamden Gorgel-het kanaal dat de Witte-zee met de Poolzee verbindt-waren binnengeloopen, keerde de wind plotseling van het noorden naar het zuiden; in een oogenblik zagen de schepen zich nu van alle zijden omringd en ingesloten door ijsschotsen, die met geweld tegen elkander botsten. Met groote moeite en de uiterste voorzichtigheid bereikte de vloot, zonder hinder, kaap Kanin; maar nu strekte zich voor haar eene hooge en zware ijsmassa uit; het was volstrekt onmogelijk, verder door te dringen: de schepen kraakten en zuchtten en trilden bij den herhaalden schok der drijvende schotsen en ijsbergen. Tot overmaat van ramp, draaide de wind weder naar het noorden, en dreef nu drie dagen achtereen de ijsschotsen naar de zee-engten; de schepen werden achteruit geworpen, en de doortocht naar de open zee hun geheel versperd. Vruchteloos worstelden zij tegen den geweldigen stroom, die hen naar de rotsige kusten van Lapland heenvoerde, waar zij weldra door een onverbreekbaren muur van ijs waren ingesloten.
Nu werd de akelige stilte dezer doodsche wateren telkens afgebroken door het luide gekraak der schepen, wier kiel tusschen de opdringende schotsen verbrijzeld werd, als een glas tusschen de vuist van een reus. Ging een schip te gronde, dan sprongen de matrozen op het ijs, en redden zich aan boord van het naastbij gelegen vaartuig: misschien om eenige uren later nogmaals te verhuizen. Soms leden dezelfde matrozen, op eenen dag, vijf of zesmaal schipbreuk, wanneer de bodems, waarop zij eene toevlucht hadden gezocht, plotseling onder hunne voeten wegzonken.-Toen de twee stoombooten hare taak hadden volbracht, werd de volgende opgave aan het ministerie van koophandel gezonden:
?Het getal schepen, die door de bemanning moesten verlaten worden, bedroeg vier-en-zestig; veertien schepen waren gered; de vijftig anderen waren gezonken. Onder deze laatsten waren er achttien, in Engeland gebouwd en door Engelschen bemand."
De Dwina.
De lage en vlakke oevers, met een weelderigen plantengroei bedekt, de vele groene eilanden in den mond der Dwina verspreid, herinneren aan den Missouri: maar het slib van de Dwina is minder vruchtbaar dan dat, hetwelk de amerikaansche rivier met hare wateren aanvoert. Hier prijken de eilanden alleen met gras en laag geboomte. Ginds, op het vaste land, strekt zich, zoover men zien kan, een bosch van eeuwenheugende pijnboomen uit.
Samojeden.
Het lage vlakke eiland, dat men, bij het invaren der monding, ter rechterhand laat liggen, heet Sint-Nikolaas, ter eere van den priester, die, in heiligen geloofsijver ontvlamd, maar men verhaalt, op het concilie te Nicea, den ketter Arius een slag in het aangezicht gaf. Niemand weet waar deze Nikolaas eigenlijk geleefd heeft en gestorven is; ook maakt de geschiedenis geene melding van zijne tegenwoordigheid op het eerste concilie van Nicea. Volgens de overlevering zou hij te Liki geboren zijn, en te Mira hebben gewoond: van daar de bijnaam van den heilige van Mirliki; maar geen enkele regel schrifts van hem is tot ons gekomen, en hetgeen men van hem verhaalt is dikwijls in onderlinge tegenspraak. Dit alles belet evenwel niet, dat Nikolaas een zeer populaire heilige is, die bij het volk hoog staat aangeschreven. Hij is de patroon der edelen, der kinderen, der matrozen, der bedevaartgangers; de troost en hulp der armen, der verdrukten en zwervelingen. In deze noordsche wildernissen wordt zijn naam door allen aangeroepen, vindt men zijn beeld in elke hut; maar nergens misschien wordt hij ijveriger en vuriger vereerd dan langs de kusten der Witte-zee. Met welk eene vrome blijdschap en innige zelfvoldoening leest de arme visscher dezer stranden in zijn Levens der Heiligen (voor hem Bijbel, heldendicht, geschied- en wetboek tevens), dat Nikolaas de machtigste is van alle heiligen, die in den hemel wonen; dat hij aan de rechterhand Gods is gezeten, en het bevel voert over een leger van driehonderd engelen, die, met het zwaard in de vuist, gereed staan op zijn wenken te vliegen!
Leonidas, patriarch van Moskou.
Een moujik (boer) vroeg eens aan een mijner vrienden, wie God zou worden, wanneer God kwam te sterven.
?Mijn goede vriend", antwoordde de Engelschman met een glimlach, ?God zal nooit sterven."
De boer stond een oogenblik versuft, en herhaalde hoofdschuddend: ?Hij zal nooit sterven!"-Toen, zich eensklaps herstellende, als ware hem plotseling een licht opgegaan, hernam hij ernstig: ?Ja, nu zie ik het: gij zijt een ongeloovige, iemand zonder godsdienst. Ik weet het beter dan gij. God zal zeker eens sterven, want Hij is reeds zeer oud; en dan zal Sint-Nikolaas in zijne plaats treden."
Terwijl wij door den Maimaks-arm stoomen, mogen wij onze oogen verkwikken aan het frissche groen der weilanden en dichte struiken: eene weldadige verrassing, nadat wij zoolang niets anders hadden gezien dan naakte, sombere rotsen, loodkleurige wolken en vuil-grauwe wateren. Maar achter de biezen, achter de struiken en boomen, zoeken wij vergeefs, wat toch bovenal leven en bekoorlijkheid aan het landschap schenkt: menschelijke woningen. Eene enkele armelijke planken hut is alles, wat wij kunnen ontdekken; in een klein weiland staan eenige mannen bij een soort van dijkje; een jeugdige knaap ligt achteloos uitgestrekt in een broze schuit, die met de deining der stoomboot op en neder wiegelt; maar niemand schijnt hier te wonen; de mannen en de knaap zijn van een naburig dorp gekomen. Zij zijn de rivier afgezakt, om voor hunne koeien wat gras te maaien, en eenig brandhout te verzamelen; straks zullen zij weder scheep gaan en naar huis keeren.
Langs de oevers der oude kanalen vindt men dorpen in menigte; die dorpen bestaan uit een groep van eenige hoogst eenvoudige woningen, rondom eene kerk en een klooster geschaard, en hier en daar geflankeerd door eenige windmolens, die hunne armen, als bezetenen, rondwentelen. Elk dorp en elk gehucht is op de vooraf aangewezen plaats gebouwd; zij gelijken allen volkomen op elkander: vergeefs zoudt ge, in bouwtrant of inrichting, eenig spoor van oorspronkelijkheid zoeken. Alles geschiedt hier naar vastgestelde regels; de pope en de starost, keizerlijk ambtenaar, moeten in alle omstandigheden geraadpleegd worden, en wat zij voorschrijven of aanraden, geldt als wet.
Overal in deze streken wordt de aandacht van den vreemdeling onwillekeurig getrokken door de groote menigte kruisen, die zich langs de kusten en langs de oevers der groote rivieren verheffen. Zoodra de hemel zich dreigend laat aanzien, gaat de zeeman aan land, richt een kruis op, en knielt neder om te bidden. Als zich dan een gunstige wind verheft, rijst hij op en keert naar boord terug, het heilige teeken op de woeste kust achterlatende, als een offer zijner dankbaarheid. Is er inderdaad ernstig gevaar, dan gaat vaak de gansche bemanning aan land; een paar boomen worden geveld en daarmede een groot kruis opgericht, waarop de namen der matrozen en de dagteekening worden gesneden. Langs de kusten der Witte-zee ontmoet men elk oogenblik deze vrome gedenkteekenen maar nergens zijn zij zoo menigvuldig als op de rotsen der Heilige-eilanden. Stomme en toch welsprekende getuigen van doorgestanen angst en onverwachte uitredding: elk kruis herinnert aan een storm.
Enkelen zijn inderdaad historische monumenten. In de hoofdkerk van Archangel bewaart men zulk een ex-voto, door Peter den Groote opgericht, toen hij in deze streken ternauwernood aan een schipbreuk ontkwam; het werd later weggenomen en naar de kathedraal gebracht. ?Dit kruis is door kapitein Peter gesneden", zoo luidt het opschrift, door de hand van den Tsaar zelf vervaardigd; en dat de keizer in de beeldhouwkunst niet onervaren was, toont dit werk, dat met recht op sierlijkheid en smaak aanspraak mag maken.-Is zij niet schoon en aandoenlijk, deze gewoonte, om op de onherbergzame kusten, door stormen geteisterd, en waar zoo menig, menigeen zijn graf in de golven vond, overal de zichtbare teekenen te plaatsen van hulp en redding, als het ware de tastbare gebeden en dankzeggingen voor de goddelijke genade, die hielp waar alle menschelijke hulp te kort schoot? De engelsche matroos, door tegenwind opgehouden, verlaat, met gramschap in de ziel en luide verwenschingen op de lippen, de kust, waar hij tegen zijn zin gevangen werd gehouden. Voorzeker, Jack Tar (de bijnaam der engelsche matrozen, ons Janmaat) bezit voortreffelijke eigenschappen, die niemand hem betwisten zal: maar deze kinderlijk vrome gewoonte van den russischen zeeman, getuigt zij niet van hoedanigheden, die, uit een zedelijk oogpunt, althans niet lager staan?
Op de Dwina ontmoeten wij gansche vloten van houtvlotten en zoogenaamde praams, die ons een eigenaardig beeld van het leven in deze streken vertoonen. De vlotten bestaan uit lange reeksen van pijnboomstammen, door middel van rijshout aan elkander verbonden; op het vlot staat eene planken hut, waarin de eigenaar rustig zit te dommelen, terwijl zijne mannen op den oever hout hakken, of den gang van het vlot besturen. Deze vlotten komen dikwijls, drie- à vierhonderd mijlen ver uit het binnenland, de Dwina en hare nevenstroomen afzakken. De slanke pijnen, in de groote wouden van Wologda en Nishny-Konetz geveld, worden naar de oevers der rivieren gesleept, en daar door krachtige handen saamgebonden en tot vlotten vereenigd. In de steden, waar men langs vaart, bestaat altijd overvloedige gelegenheid om kosteloos de noodige manschappen te vinden, ter besturing van het vlot: want een aantal boeren, die het heilige klooster van Solowetsk wenschen te bezoeken, zijn steeds bereid om aldus de rivier af te zakken. Men schenkt hun vrijen overtocht, onder voorwaarde dat zij het vlot helpen besturen, en, waar het noodig is, boomen of roeien, of ook wel trekken.
Wat de gemakken der reis aangaat, staan de praams hooger dan de vlotten. Ik weet deze vaartuigen niet beter te vergelijken, dan met de zoogenaamde arken Noachs, waarmede de kinderen spelen: het zijn reusachtige schepen van ruw behouwen pijnboomen, door middel van ijzeren haken aan elkander bevestigd; de voegen zijn met mos en teer gestopt. Een schuin oploopend planken dak dient menschen en koopwaren tot beschutting. Van binnen is verreweg het grootste gedeelte der ruimte door een wand van dichte rietmatten afgeschoten: daar worden de waren geborgen. Achter aan het schip is gewoonlijk een pijnboom bevestigd, waarvan de kleinste helft in het water hangt, en die als roer dient; aan de voorzijde is een soortgelijk roer, van kleiner afmeting, aangebracht; het eerste wordt door zes of zeven, het laatste door vier of vijf mannen bestuurd. Naarmate van de grootte van het schip en de lading, worden dertig of veertig riemen, over de beide zijden gelijkelijk verdeeld, gebruikt; deze riemen zijn jonge, aan de uiteinden afgeplatte dennestammen. Zulk eene groote bark kost zes- of zevenhonderd roebels, en kan tot achthonderd ton graan vervoeren. Het eene uiteinde der praam is met planken afgeschoten, en dient tot kajuit; het ameublement van dit vertrek bestaat uit eenige banken, een tafel en ettelijke planken langs den wand, alles van dennenhout. Aan den balk der zoldering hangt een ijzeren pot, waarin het scheepsvolk, zoolang men op het water is, het eten kookt; maar zoodra de praam in een haven binnenloopt, mag er geen vuur aan boord zijn; zelfs mogen de matrozen dan geen pijp rooken. Het eten moet dan aan wal worden klaar gemaakt. Bij de praam behoort een platte schuit, uit vier of vijf saamgevoegde stammen bestaande, waarmede de matrozen ten allen tijde gemakkelijk den oever kunnen bereiken.
De leiding van het schip is toevertrouwd aan een nosnik, een loods, die midden op het vaartuig staat en den roeiers de noodige aanwijzingen geeft; hij is nauwkeurig met het vaarwater en alle ondiepten en stroomingen bekend. Voor het overige is het gezag opgedragen aan den gospodarz, die tevens hofmeester is.-Met het krieken van den dag roept de nosnik het scheepsvolk toe: ?Zet u neder en bidt tot God!" Allen maken het teeken des kruises en buigen zich. Op den morgen vóór de afvaart werpt ieder een koperen geldstuk in de Dwina, om de rivier gunstig voor zich te stemmen: dan worden de touwen losgegooid, en het vaartuig drijft langzaam met den stroom mede. Doorgaans heeft men in Mei, wanneer de tocht begint, nu eens sneeuwbuien, dan vorst, afgewisseld met dooiweder; straks weêr ijzel en hagel; herhaaldelijk moet het schip tegen den wal gaan liggen, en zoo vaak de praam weder afsteekt, wordt de ceremonie met het geldstuk herhaald. Bij fraai, helder weder, wanneer het schip door den stroom wordt gedragen, zetten de roeiers, wier dienst dan niet gevorderd wordt, zich in een kring op het dek, en heffen uit volle borst een lied aan. Deze roeiers zijn mannen van ijzeren kracht, die van geen vermoeienis weten.
Zoowel de pramen als de houtvlotten en de andere binnenlandsche vaartuigen hebben in den regel een aantal pelgrims aan boord, aan wie, behalve vrije overtocht, ook nog een ration zwart brood en thee wordt verstrekt, ter belooning der diensten, die zij als roeiers of stuurlui bewijzen. Doorgaans is deze dienst niet zwaar, want de rivier zelve verricht genoegzaam al het werk; de vlotten en pramen gaan nooit stroomopwaarts. Te Solombola gekomen, wordt de lading, in den regel uit graan, vlas, hennip en dergelijke artikelen bestaande, in de vreemde schepen overgebracht, die daarop wachten, en waarvan de meesten naar de engelsche of schotsche havens zijn bestemd. De praam wordt vervolgens aan den wal gehaald, uit elkander genomen en verkocht. Het hout wordt gedeeltelijk als timmer-, gedeeltelijk als brandhout gebruikt.
Solombola, de nieuwe haven van Archangel, is niet veel meer dan een handvol verstrooide hutten, die aan een groep zwitsersche chalets zouden doen denken, indien niet de menigte van groene koepels en spitse torens u veeleer het beeld van eene bulgaarsche stad voor den geest riep. Langs de rivier loopt een soort van dam of zanddijk, vijf tot zes voet hoog; daar achter ligt het land zoo laag, dat alleen deze dijk den omtrek tegen overstrooming beveiligt. Solombola is bijkans een amphibie: in de lente, wanneer de rivier, door het smelten der sneeuw, buiten hare bedding treedt, loopt de gansche stad onder, en heeft men, even als in Veneti?, een schuit noodig, om van het eene huis naar het andere te komen.