Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > Hendrik Conscience / zijn persoon en zijn werk
Hendrik Conscience / zijn persoon en zijn werk

Hendrik Conscience / zijn persoon en zijn werk

Author: : Eugène de Bock
Genre: Literature
Hendrik Conscience / zijn persoon en zijn werk by Eugène de Bock

Chapter 1 No.1

Antwerpen was, binnen de oude muren, een vervallen schoone. Meer dan een eeuw was de Schelde gesloten, het gras groeide tusschen de steenen naast de donkere ruien, wanneer na den slag van Fleurus de stroom weer geopend werd en, eenige jaren later, de Keizer zijn schepen kwam laten bouwen in de oude hansastad.

De geplunderde Michielskerk, tegen de haven, en het zoogenaamde Prinsenhof, dat vroeger jaren had gestraald van weelde, kregen binnen hun muren de vreemde galeiboeven, die Napoleon had doen komen om zijn vloot te bouwen onder het oog van de Engelschen. Het gebeurde soms dat een van de gevangenen ontsnapte; hij werd dan opgejaagd door de Antwerpsche bevolking en aan zijn bewakers overgeleverd.

Er kwam meer nering in de enge straten. De kleine koophandel die was blijven woekeren op den roemrijken bodem, had voor belangrijker ondernemingen plaats gemaakt. Er werd weer gelost en geladen. Boven de muren die rond de abdij het werk omsloten, klonk gedurig gehamer en na den arbeid zochten de beambten en "contre-ma?tres" hun tehuis onder de vreemde menschen.

Eenigen hadden een Vlaamsche vrouw genomen. De twee en twintigjarige Cornelia Ballieu huwde in Februari 1809 met Pierre Francois Conscience, uit Besan?on, die elf jaar ouder was. De jonge vrouw kende geen woord Fransch. Met teekens en de weinige woorden "Antwerpsch" die Pierre Fran?ois geleerd had, konden ze elkaar verstaan. Zij kregen na tien maanden hun eersten zoon, Pierre, die echter slechts drie jaar oud werd. Hij stierf den 8en November 1812. Den 3den December werd hun een tweede zoon geboren, Henri, die, even ziekelijk, geen zeven jaar scheen te zullen worden. Den 14den December 1820 stierf de moeder zelf, na eerst zoo gelukkig te zijn geweest Henri met sterker lichaam den door den dokter gestelden termijn te zien overleven.

Nog een jongen, Jean Balthazar, kwam ondertusschen het gezin vermeerderen. Omtrent denzelfden tijd, in 1815, bij Napoleons ondergang, verloor Pierre Conscience zijn ambt van onderhavenmeester of toezichter op de timmerwerf. Moeder opende een kruidenierswinkel, vader kocht en verkocht afbraak van oude schepen, en zorgde voor oude boeken waarvan het papier in den winkel werd gebruikt.

Hij leerde zijn oudsten zoon, in zijn vrije uren, het A B C. En de letters niet alleen: "Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist wat er te veel en wat er te weinig in was" zou de jongen later getuigen. Zij kwamen met elkaar best overeen. De kleine kon moeilijk loopen; hij moest zich voortslepen op een kruk. Later zat hij zonder beweging op zijn stoeltje, achter het venster in de Pompstraat. Op de vensterbank trippelde een tamme kraai.

Het Vlaamsch kon hij zeker van zijn vader niet leeren en moeder was ongeletterd. Maar op zolder, onder de groote boeken, lagen werken die hem aantrokken om de plaatjes: gezichten uit verre landen en voorstellingen van veldslagen en steden. Daar zat hij dan den heelen dag bij, als vader weg was, en als hij zoo ziek werd dat hij er alleen niet meer geraakte, moest zijn moeder hem er naar toe dragen. Hij leerde er den tekst een beetje ontcijferen en schiep zich een verbeeldingswereld met de gegraveerde planten en huizen. Daar lag onder andere de "Gedenkwaerdige Zee- en Lantreize" van Johan Nieuhof, gedrukt te Amsterdam in 1682.

Ofwel hij zat bij moeder op den schoot, die hem vertelde van den hemel, waar zij meende dat hij binnen kort zou heengaan, en van de heiligen en de gevleugelde engelen, en de kinderlijke lusten die er worden gesmaakt.

Tegen ieders verwachting sterker geworden-op een morgen was hij alleen uit bed en op den zolder gekropen, en had zijn "boek met de wildemannen" vóór zich op den vloer gelegd-mocht hij eindelijk buiten en spelen met de rakkers van de buurt. Dat ging niet altijd naar wensch. Hij heette "de magere" en zijn jongere, sterkere broer "de dikke." Hij werd gesard en geslagen. Alleen wanneer de bende op een keldermond bijeen zat, en hij kon vertellen en al zijn fantazie gebruiken, was hij de voorste.

Ook zijn vader bezat die gaaf. Des avonds moest hij verhalen van "zijn wedervaren op zee, van zijn drie schipbreuken, van stormen en tempeesten, van Napoleon, van den oorlog en van de pontons te Norman Cross," waar hij drie keer had krijgsgevangen gezeten. "Dit deed hij in een zonderlinge taal; zoo iets half Vlaamsch en half Fransch, dat de buren en klanten dikwijls deed lachen, doch ik was er aan gewend als aan een natuurlijke spraak."

"Een diep gevoel voor het schilderachtige bezat mijn vader: hij kon schoon vertellen en legde mij alles in zijn kleurvolle zeemanstaal met zulke kernachtige klaarheid uit, dat ik uren lang met gapenden mond op hem luisterde en soms, bij het verhaal van eenen zeeslag of van eene schipbreuk, lag te beven van angst of van medelijden."

Na zijn 7e jaar gaat Hendrik op school, waar hij natuurlijk zijn makkers overvleugelt. Zijn literatuurkennis heeft hij verrijkt met de drama's en kluchten van den poesjenellenkelder, oeroud marionettenspel, volkstheater van donker Antwerpen, en met de volksboekjes van vijf centen, die de geschiedenis verhalen van Malegijs, den toovenaar, van Fortunatus' beurze en zijn Wenschhoedeken en van de Vier Heemskinderen.

Van zijn huis naar school en van zijn huis naar den poesjenellenkelder in de naburige Boogaerdtstraat, ging hij door zijn schilderachtig Sint-Andrieskwartier, dat stadje in de stad, met zijn na?eve lievevrouwbeelden tegen vele ziekten, boven lantarentjes op de hoeken van de straten, of in een bocht tegen 't verweerde geveltje; de stad van steegjes en puntgevels, nauwe gangen en, omklemd door huisjes, een kerk met grooten toren, die brokkelig reusachtig boven die armoede rijst.

Van Sint-Andries, na den dood van moeder, verhuist de kleine familie naar een meer noordelijk gelegen wijk, niet minder schilderachtig, nu nagenoeg verdwenen.

"Recht voor mij lag (er) de Borchtgracht," zegt Hendrik later in de "Geschiedenis mijner Jeugd," "aan onze linkerzijde verbergde zich de woelige straat; aan onze rechter hadden wij een korte stege, langswaar wij over den Scheldestroom konden heenzien, terwijl het laatste avondpurper op den verren gezichteinder allengs in het nachtelijke donker wegsmolt."

Des daags, achter open poortjes, gaat nog het rumoerig leven van de volkswijk zijn gang. In stilte of in lawaai. Soms vechten wel dronken vrouwen met krijschende stem en zwaaien dreigend hun armen, tot een man met lachende tronie of verontwaardigd gelaat de twisters scheidt en de toeschouwers in hun deurtjes verdwijnen. De natuurlijke atmosfeer is er de goedhartige behulpzaamheid, die arme menschen elkaar betoonen.

Chapter 2 No.2

De kleine Hendrik was acht jaar toen zijn moeder stierf. De familie had al een paar nieuwe woningen betrokken toen Pierre Conscience, in 1822, een eigenaardig plan opvatte. Hij verliet de stad en huurde, op tien minuten afstands van de wallen, een veld waarop hij een huisje bouwde, geheel uit stukken van scheepswrakken samengesteld waar hij, met de hulp van een vriend, een aardig geheel van had weten te vormen.

In den wilden tuin stonden, op geschikte plaatsen, kleiaarden beeldjes die hijzelf boetseerde. In vrije oogenblikken maakte hij teekeningen met de pen of schilderde figuren op glas. Dikwijls was hij voor zijn zaak afwezig. Hij bleef dan drie tot vier dagen weg, terwijl de jongens alleen in het huis waren midden de eenzame velden.

In volledige vrijheid groeiden de kinderen op. Geen gezag was er om hen te berispen om een gescheurde broek of vuile handen. Geen school en geen lastige taak. Ze kwamen en gingen 'lijk ze wilden. Ze leefden gelijk de bloemen van het veld, en alle wetenschap dankten ze aan hun vader, waarvan Hendrik later met liefderijke woorden getuigde: dat hij "liefst des avonds, ja, soms tot middernacht, tusschen (hen) beiden in de duisternis op een bank zat." "Dan toonde hij ons de sterren en planeten, en leerde ons de namen der hemelteekens noemen. Als zeeman kende hij veel van de sterrekunde; hij legde ons den loop der hemellichamen uit, en zeide ons hoe de kapiteins hun baan op den Oceaan berekenen en herkennen. Ik luisterde met gretigheid op zijn verklaringen, nog lang zelf nadat hij opgehouden had van spreken....

"Zijne stem was gewoonlijk langzaam en kalm."

Een bijzondere neiging tot droomen en de natuur te onderzoeken kon Hendrik botvieren in volkomen rust. Een ontmoeting zou ze voor goed komen vestigen en meer bewust maken. Eens dat hij insekten op den weg gadesloeg werd hij door een oud man aangesproken, die in de nabijheid woonde en den kleinen jongen meermaals met kruiden en diertjes had in de hand gezien. Het gesprek werd dikwijls daarna hervat. De grijsaard was een gewezen priester van de St. Jacobskerk te Antwerpen, die in den patriottentijd om zijn hervormingsgezindheid moeilijkheden had gekregen met zijn oversten, en die nu eenzaam en menschenschuw zich niet verre van den "Groenen Hoek" had teruggetrokken. De man schepte genoegen in de geestdrift en de schranderheid van zijn jongen vriend, die van hem de beginselen der natuurkennis leerde.

Niet veel later ontmoette hij een knaap die op zijn verder leven een beslissenden invloed heeft uitgeoefend. Die heette Jan de Laet. Zijn ouders waren begoed en hadden een landhuis tegen de stad. Dagelijks liep hij langs de tuinpaden met een ezeltje, waarop de gebuurtjes, ook de Consciencen, om beurten mochten rijden.

Een warme vriendschap werd zeer spoedig tusschen Hendrik en het burgerkind gesloten. "Toen ik hem ontmoette," schreef de Laet in het jaar van Conscience's dood, "was hij vijftien jaar oud en ik twaalf, maar wij waren omtrent even groot en sterk." Zijn jongere broer integendeel was goed ontwikkeld, en uiterlijk vol kracht en leven evenals zijn vader, wat een groot kontrast vormde met de zenuwachtige, teruggetrokken houding van Hendrik, die gewoonlijk melancholisch was en in zich zelf gekeerd.

Nochtans waren zijn lichaamskrachten toereikend, en meer dan eens overwon hij zijn jonge kameraden in het loopen of in de worsteling. Hij was een onvermoeibaar zwemmer, een energiek roeier, en weinige schippers konden als hij, op de Schelde, een zeilboot voeren. Maar wat hem boven allen onderscheidde was zijn intellectueel en zedelijk vermogen. Naast de taal van zijn vader en van zijn moeder had hij genoeg Engelsch geleerd om Ossian te kunnen lezen.

De Laet beschrijft omstandig zijn passie voor de natuur:

"Henri prenait volontiers sa part de cet amusement champêtre (het kweeken van bijen.) Mais ce qui pour tous n'était qu'un passetemps ne tarda pas à se transformer pour lui en un sujet d'étude. On connaissait une bonne demi-douzaine de sous-genres du bourdon, différents de taille, de forme, de stries et de couleurs. D'aucuns, tout le monde savait cela, habitent sous les bosquets, d'autres logent dans les hautes herbes, d'autres préfèrent presque à fleur de terre la mousse courte et drue; il en est aussi, et ce sont les plus gros, dont le corps est d'un noir brillant à stries d'or et l'extrémité postérieure d'un blanc de neige, qui, en vrais troglodytes, se creusent une ruche à trois ou quatre pieds sous la surface du sol.

"La pensée qu'en vertu de la théorie de l'échelle des êtres, il devait y avoir bien d'autres sous-genres ne tarda pas à hanter l'esprit d'Henri. Mais comment les découvrir? Comment s'en emparer? Le moyen fut bient?t trouvé. Notre ami possédait un caniche noir, au poil abondant et crépu. On le pourrait dresser à la chasse du bourdon et puis faire avec ce nouveau chien d'arrêt des excursions dans les bois, dans les bruyères, dans les polders, terrains demeurés inconnus jusqu'ores aux jeunes amateurs du sport. L'essai réussit à merveille et notre aspirant naturaliste, au grand étonnement de ses camarades, ne tarda pas à avoir sous la main, dans ses ruches-pot-à-fleurs, une vingtaine de sous-genres. Faut-il ajouter qu'il s'empressa d'en faire très scientifiquement et très méthodiquement une monographie dont pourtant ses amis les plus intimes furent seuls admis à prendre connaissance?"1

Dwalend door de velden, ver van zijns vaders huis, om te zoeken naar merkwaardige planten en dieren, denkt hij alleen aan de wetenschap die zich van lieverlede voor hem ontwikkelde. De gespaarde penningen dienen om boeken te koopen over natuurkunde, chemie en plantenkunde. Met wat oude boeken van vaders zolder, overblijfsels van d'ouden handel, vormt hij een bibliotheek. Van literatuur heeft hij slechts vage begrippen. Hij arbeidt in den hof en onderwijst de vriendjes in de leer van Linnaeus.

Er klinkt ontroering uit dankbaar herdenken in de woorden, waarmee hij later over den tuinhoek spreekt, die hem in vaders hof was voorbehouden. In den morgen hield hij zich vroolijk bezig met het onkruid uit zijn bloemperken te wieden. "Velerlei waren de gewassen die de natuur op deze belommerde plaats had gezaaid: Daar ontstonden in menigte de vergiftige Wolfsmelk, de wrange Zuurklaver, de verzachtende Maluwe en het bijtende Lepelblad."

* * *

1 Henri deed graag aan die landelijke vermaken mee. Maar wat voor de anderen een eenvoudig tijdverdrijf was, werd voor hem een voorwerp van studie. Een half dozijn soorten van hommels waren algemeen bekend, verschillend door grootte, vorm, strepen en kleur. Sommige-dat wist iedereen-leefden onder de struiken, andere tusschen de hooge kruiden, nog andere, vlak bij den grond, in het korte en dichte mos; de grootste, wier blinkend zwart lichaam met goud gestreept was en van achter sneeuwwit, graafden als echte holbewoners hun nest op drie of vier voet onder den grond.

Het denkbeeld dat er, krachtens de theorie der geleidelijke ontwikkeling, veel meer verschillende soorten bestaan moesten, liet hem geen rust. Maar hoe kon hij die ontdekken en bemachtigen? Het middel was gauw gevonden. Hij bezat een zwarten poedel, met krullend en overvloedig haar. Men zou hem kunnen africhten op de hommeljacht en tochten maken in de bosschen, in de heide, in de polders, waar de jonge sportmen vroeger nooit kwamen. De proef gelukte uitstekend en tot verwondering van zijn kameraden had onze jonge natuurkundige weldra een twintigtal vari?teiten bij elkaar, die hij onder bloempotten bewaarde. Zal ik er bijvoegen dat hij zich haastte er zeer wetenschappelijk en methodisch een monographie over te maken, die hij alleen aan zijn intiemen lezen liet?

Chapter 3 No.3

Vader Conscience hertrouwde toen hij 47 jaar oud was. De nieuwe moeder was een jonge vrouw van 25 jaar, een boerendochter uit Oostmalle, die, zooals Conscience het zelf verhaalt, "voorzag dat God haar kinderen zou verleenen". Van den 8en Januari 1827 tot den 19en Juni 1842 werden haar inderdaad niet minder dan negen kinderen geboren. De goede vrouw stierf den 28en Maart van het volgend jaar.

Met haar treedt de strengste spaarzaamheid in het gezin. Zij zwaait hardhandig de plak der tucht. Het is niet waarschijnlijk dat de jongens zich dat lieten welgevallen. "Ik kopte, zweeg en was dwars," zegt Hendrik, wiens eigenzinnige aard niet verdroeg dat hij door derde personen uit zijn element werd gerukt. Na twee jaar dringt de moeder op afdoende zuinigheidsmaatregelen aan. De jongens hebben reeds een beroep moeten kiezen en geld verdienen. De kluis op den "Groenen hoek" wordt nu verlaten en in het opkomende Borgerhout wordt een zaakje begonnen. In December 1828 betrekt Conscience zijn nieuwe woonst. Hendrik wilde geen handwerk leeren: hij had gehoopt een naturalist te worden. Nu had hij echter de school van meester Vercammen moeten bezoeken om er na korten leertijd ondermeester te worden. Vercammen had hem Engelsch geleerd en bezorgde hem lessen van Vlaamsch en Fransch in de Engelsche kolonie bij de naburige fabriek. Overigens was het onderwijs er goed, als meest overal in den Hollandschen tijd. Hendrik werd er eindelijk in de gelegenheid gesteld, de taal van zijn moeder min of meer te leeren schrijven.

Lang zou hij bij Vercammen niet blijven. Al zeer vroeg vond hij lieden die hem genegen waren; ook Vercammen hielp hem voort en liet hem naar de school van Shaw overgaan, waar hij beter Fransch leerde, en van waar hij eindelijk naar Monsieur Delin ging, die een school hield voor de beste burgerij van de stad.

Een voorwaarde was dat hij zich deftig in een zwarten rok zou kleeden. Doch vader was zeer zuinig-moest het wel zijn-en kocht ten einde raad en over de kosten nog morrend, zijn zoon een afgedragen kleed, dat hem niet paste en onderweg-Hendrik was meêgegaan en had het ding moeten aantrekken-de voorbijgangers spottend deed stilstaan.

Hendrik was zestien jaar, misschien wat ijdel, maar vooral teergevoelig. De tocht in den te langen jas was dus een lijdensweg. Hij kwam bijna weenend van ergernis te huis, en vond bij niemand troost. Vooral niet bij zijn oudsten broer, die hem niet begreep en hem als eenig antwoord zijn gescheurde mouwen toonde.

Zoo uitgedost moest hij naar de nieuwe school, waar zijne verschijning op den koer en in de klasse opstootjes verwekte. Alleen zijn sympathieke stem, en zijne innemende manieren, deden de baldadige jeugd kalmer worden en wonnen ze eindelijk geheel. Hij kon getroost vandaar gaan, maar bleef nog lang onder den indruk van het bespottelijke kleedingstuk.

Tehuis ging het hem ook niet naar zijn zin. Hij was al lang niet meer zijn eigen meester. Als een verlossing uit onmin en dwang daagde de omwenteling in 1830 op, die de regelmatigheid van het leven onderbrak. Het geschut in de nabijheid van Antwerpen heeft hem als een kwajongen aangetrokken. Hij delft gevallen kogels uit te midden van het gevaar. Later, als de strijd binnen de Antwerpsche wallen gevoerd wordt, tracht hij zich nuttig te maken, al wordt hij dikwijls om zijn kinderlijk tenger uiterlijk vernederend afgewezen. Buiten weet van zijn vader laat hij zich als vrijwilliger opschrijven, zoodra meer manschappen worden gevraagd. Vader ontdekt hem in de rangen, bij een schouwing, en doet hem er uit komen. Hij laat zich nochtans door de schijnbare vastberadenheid van zijn zoon overreden en koopt hem zelfs, innerlijk voldaan, een mooie en meer passende uitrusting.

Conscience vertrekt met hartelijke raadgevingen en wordt vanwege zijn behendigheid met de pen en zijn "Geleerdheid" na enkele weken foerier.

Nu begon een soms aantrekkelijk leven. Verspreid in de Antwerpsche kampen lag het Belgisch leger, doelloos, en de eene groep wist van de andere gewoonlijk weinig af. De geestelijkheid was den opstand genegen, zoodat de vrijwilligers op de dorpen doorgaans goed ontvangen werden. Zoolang, natuurlijk, tot er gebrek kwam aan voedsel en de tuchtelooze zwervers baldadig werden. De nachten waren koud. In den winter was dan het leven hard. Bij het vuur, in de duisternis, stond een eenzaam foerierken, met onder den linnen kiel een zwarten rok.

Conscience werd ziek. Hij mocht toen tijdelijk het kamp verlaten, waar toch niets werd uitgericht, en een onderkomen zoeken in het naaste dorp. Zijn kameraden zien hem medelijdend vertrekken. Zijn handen bevriezen op zijn geweer, hij heeft de kracht niet meer om het van schouder te veranderen. Te vergeefs klopt hij aan vele deuren. Eindelijk wordt hem opengedaan, in een kleine hut, alleenig, waar hij met de arme bewoners het stukje spek deelt, dat vrienden hem hebben meegegeven. Hij vertelt, bij het warme vuurtje, dat nu opflakkert om den aangekomene, van zijn tehuis, zijn kindsheid, zijn ouders, zijn onderwijzerschap. Een groote liefde voor de menschen, die hem liefderijk ontvingen, vervult hem. Hij gaat vermoeid slapen, 's Morgens vindt hij de koffie dampend op hem wachten, hij is al een kind van het huis geworden. Begrijpt hij niet aanstonds hun eenvoudig leven, vertelt hij hun niet de droomen van zijn verleden? Zoo leert hij de heide kennen, haar bewoners en haar wilde verlaten schoonheid. Meer dan bij vroegere wandelingen kan ze nu indruk maken op zijn karakter, dat nog zoozeer te vormen is.

Dit leven, arcadisch, al is het dikwijls vol ontbering, wordt afgebroken door den tocht naar Leuven. De vereenigde legers trekken de Hollandsche troepen tegemoet. De soldaten, die het kamp verlieten, voegen zich bij hun makkers. Na den slag wordt een doelmatiger indeeling toegepast en de tucht versterkt. De droomerige foerier wordt in zijn rustig leven gestoord. Hij raakt in onmin met zijn oversten; hij kan zich naar de noodzakelijkheid niet schikken en aardt niet in dat ruw gezelschap. In 1835 wordt hij gedegradeerd om zgn. nalatigheid en ongeschiktheid.

Eigenlijk hindert hem dat weinig. Alleenlijk is hij eenigszins bedroefd voor zijn vader, die hem te Bergen eens kwam bezoeken na zijn uitbundige klachten en hem iets later schreef: Het leven is geen droom, al zeggen het de filosofen; het is een werkelijke strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in de oogen te zien.

Hendrik zou, althans in het leger, dien strijd niet aangaan. Andermaal zou zijn neiging tot droomen en beschouwen een vasteren vorm krijgen. Van een kort verlof in 1834 had hij gebruik gemaakt om zijn ouden vriend De Laet op te zoeken, die hem door zijn vrienden herhaalde malen had laten groeten. De Laet was dichter geworden en verdedigde met André van Hasselt en nog eenige jongeren de nieuwe dichterschool in Belgi?, in het Fransch. Hendrik zag voor zijn oogen verbaasd een vuurwerk van geestdrift opsteken, waarin een glans van roem lichtte. De naam van zijn vriend werd in tijdschriften gedrukt en een benijdbaar geluk scheen het hem, zoo gepassioneerd te kunnen uiten, voor alle menschen, wat er in zijn binnenste omging. Na enkele dagen stond het voornemen bij hem vast denzelfden weg op te gaan. De Laet had hem bezworen het te doen. Had hij ten slotte niet even hooge aspiraties? Victor Hugo en Lamartine, en verder de verzen van De Laet en diens vrienden zou hij tot voorbeeld nemen.

Daags na zijn terugkomst in het kamp van Venloo had hij zich aan het dichten gezet. Weldra schrijft hij zijn brieven naar De Laet in verzen. Zijn gedachten bleven in Antwerpen, waar hij zijn vrienden achterliet. Hij dichtte des nachts in het kamp: "Sylphide silencieux...." In zijn cel grift hij in den muur hoe hij verlangt naar de stad, de Schelde en haar wazige einders. Op een nacht, na zijn degradeering, zit hij op een houten koffertje te schrijven. Met papier en een kaarsje had hij een kleine lamp gemaakt, die alleen een plekje onder zijn hand verlichtte. De generaal op zijn ronde verrast hem, doch spreekt hem vriendelijk toe. Daar het onmogelijk was hem uit zijn dienst te ontslaan, werd hij naar Dendermonde verplaatst en als onderwijzer in de regimentschool aangesteld.

Inmiddels heeft hij vernomen dat een jongen te Antwerpen, een vriend van De Laet,-Theodoor van Rijswijck-Vlaamsche gedichten maakt. Hij spreekt en schrijft daarover met De Laet, hij denkt erover na en bij een van zijn brieven voegt hij een opstel, dat hij "eerst voor (zich) zelven in de tael van (zijn) land had opgeschreven."-"Ik weet niet hoe het komt," zegt hij, "maar ik vind in deze tael iets geheimzinnigs, dieps, ernstigs, ja zelfs iets wilds! Indien ik ooit eenige kracht verkryg, dan werk ik nog geheel en al in de Vlaemsche literatuer."

Hij is nu niet zoover van Antwerpen en zal wel af en toe naar zijn vaderstad zijn gekomen, en in elk geval veel bezoek hebben ontvangen. Hij haakt naar het oogenblik, dat hij in het burgerleven voor goed zich aan de letterkunde zal kunnen wijden. Ook met Van Rijswijck komt hij in nauwere betrekking, hij onderwerpt hem zijn eerste proeven van Vlaamsche dichtkunde, ontvangt zijn raadgevingen en eens, als hij terneergeslagen is, een tamelijk lang vers, "Voor droefgeestigen" dat hem als troost en voorbeeld dienen moet. Hij verontschuldigt zich herhaaldelijk over de slechte taal van zijn brieven, en schrijft dat hij den dichter Van Duyse, die te Dendermonde verblijft, niet durft opzoeken, omdat hij zoo slecht Vlaamsch spreekt en Van Duyse te weinig Fransch kent. Met De Laet nochtans gebeurt de briefwisseling nog steeds in het Fransch; dat gaat voorloopig veel gemakkelijker. Met Van Rijswijck zou het bezwaarlijk kunnen. Hij is een volksjongen, woont in hetzelfde kwartier waar Conscience geboren werd.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022