Johan had zijn tasch met teekengerij over den schouder gehangen, zijn stoeltje tusschen de riemen geschoven en zoo ging hij door de poortgang uit van het H?tel-Central, waar hij logeerde. 't Was later geworden dan hij had gedacht, hij had eerst goed willen ontbijten,-dan was 't niet noodig geweest, had hij met zich zelven geredeneerd, aan zijn maag te denken vóór 't klokje van half zeven, het uur van de table d'h?te.-Toen was Sarah de meid hem een brief komen brengen, gisteren had hij zijn adres opgegeven bij de Engelsche post.... pour mesjeu....
had ze gelispeld uit haar mond met gebroken tanden; van onder den gelen foulard, dien ze als een muts om haar oud voorhoofd hield gespannen en die om haar nek afhing, had haar verlept moedergezicht eventjes vriendelijk gelachen, of 't haar schelen kon, dat ze wat aangenaams te geven had gehad. En hij was gaan zitten lezen, onderwijl etend en van zijn chocolade drinkend, middenin voor de tafel, die al heelemaal klaar was voor het tweede ontbijt, met wachtende couverten, met voor elk couvert een wachtenden stoel.
Rustigjes was hij nog wat blijven zitten, alleen in het eetzaaltje, dat zoo aardig in de binnenplaats tusschen de vier wanden was gemaakt, nu ja, matten, aangehecht tegen de kolommen welke den bovenbouw droegen. Dat scheen elk oogenblik te kunnen worden opgebroken, je zat er zoo echt op reis.... Zware kapiteelen, zeegroen geverfd en primitief-Moorsch van vorm als in de mooie moskee van Cordoba, stolpten plomp boven de gevlochten wanden uit. Dan was de tafel zoo aangenaam helder met zijn blank laken à l'anglaise gedekt, groene planten prijkten bij gebrek aan bloemen, 't was winter, tusschen de glinsterende tafelstellen en de flikkerende karaffen, waarin het water gelend schommelde, zoodra hij zijn armen maar even verlei. Als verdwaald leek heel die nieuwerwetsche disch wel in het oude Moorsche huis. Achter hem in een hoek was, éénig sieraad van het zaaltje, een groote koperen schotel, Moorsch maaksel, vol metaalglimmers op het buitensporig ornament, te pronk gezet op een ruw houten sokkel, die met roode en groene lint-arabesken op een oker-gelen grond en met dwaze draak-figuren onhandig was beklad. Voor zijn oogen een deurtje in de mat gemaakt. En boven zijn hoofd als het doorhangend dak van een ambulante tent was 't zeil over de ruimte van het patio gespannen, vastgesjord aan ringen in de architraaf, dat 't zaaltje bedonkerde, maar tusschen de spanbochten der touwen door, nog naar den lichten hemel kijken liet.
Ongestoord had hij kunnen lezen wat een goede vriend, een jong schilder als hij zelf, hem schreef. In langen tijd had hij niet zoo'n prettige boodschap van huis gekregen, van uit het Noord. De brief verhaalde van sneeuw en ijs.... koud.... over schaatsenrijden op een buitenplaatsvijver.... van een bekend wit huis, nu kil en stil tusschen zijn zwarte, verkleumde boomen.... en van een hei vol sneeuw.... wijd wit. En daardoor klaagden zachte herinneringen aan vroeger samenzijn, en woorden waren er warm als rood bloed, zonnige verzekering van weêr oplevende vriendschap, want 't was een brief van vertrouwen, na veel lang over en weêr gekijf. Niemand was gekomen; boven zijn hoofd, op het eerste bordes rommelde de meid die de kamers daar deed; overigens was het stil. De Engelschen, die in huis logeerden, kooplui met koude zakenoogen, waren zeker allen al aan het handelen in hun kantoortjes of magazijnen, in de hooge of in de lage stad; zij kwamen niet lunchen dan na den middag. En tevreden, omdat dat vervelende geval met zijn vriend eindelijk uit was, in zijn gedachten al een hartelijk antwoord aan het schrijven, was hij opgestaan, had zijn gereedschap van boven gehaald, maar zoo was 't later geworden dan hij wel gewild had.
Johan was nu reeds twee jaar pensionnaire, gesubsidi?erde door het gouvernement en al dien tijd aan het reizen. Zoo goed hij kon had hij voldaan aan al zijn verplichtingen en ook de zending van ge?ischte studies was voor het tweede studiejaar op tijd gebeurd. Wanneer daar in Amsterdam de vorderingen voldoende werden bevonden, dan was het jaargeld voor vier jaar lang toegezegd.
In een tijd van gisting, toen om hem heen in zijn naaste omgeving een jong gedachte-leven begon te bewegen, in een tijd van veel plannen en gepraat, had Johan meêgedongen naar den zoogenaamden Prijs van Rome, die, na jaren, van nieuws aan wéér was uitgeloofd door de inrichting, waar hij zijn opleiding had genoten.... O, dat was een heele historie.... daar was heel wat aan vast, alvoor een liefhebber werd toegelaten tot zoo'n wedstrijd.... Daar was eerstens het weken lang zich drillen als een recruut, die de handgrepen en de theorie goed kennen moet vóór hij afge?xerceerd kan worden, zich 't hoofd volstoppen met moeielijkheden, wel zeker, bestemd om ze weêr te vergeten. Wat niet al? En de examendagen zelve, die den prijskamp voorafgaan.... een warboel van zenuwachtig- en de-kluts-glad-kwijt-zijn; en de eigen verbazing in eens over je zelf hoe je zoo veel weet. En dan het wanhopen en de lust om er-den-boel-bij-neêr-te-smijten.... zonder de aanporring van een vriend, die maar altijd bleef zeggen: er is maar éen weg naar Rome en reizen, en die is dien je gaat nu, was hij er nooit gekomen. Vervolgens de tijd van hard werken en 't verlangen en de eerzucht van den jongen, die eens flink wil laten zien wat hij alleen wel kan.
En daarna.... maar och, hij herinnerde zich dat geval niet graag.... woedend was hij geworden om die offici?ele onderscheiding, welke geen onderscheiding geweest was. Verbeeld je.... Boos en beleedigd had hij voor zoo'n lammiteit, als hij 't noemde, willen bedanken. Maar al de kameraden hadden hem dwaas genoemd, hoe hij, die geen cent in de wereld bezat, zou om zoo'n bagatel, om zoo iets, dat alle dagen gebeurde, en dat wel bekeken nog eervoller op den koop toe was, zulk een dommen streek doen.... wees wijzer. En toen was hij het ook dom gaan vinden, blij dat ze het hem allemaal afrieden, belust als hij was op de mooie reis, graag naar 't onbekende. Was 't geen buitenkansje?.... Had hij zich dat vroeger ooit durven voorstellen; hij, die voor zes jaar nog op klompen liep, zou nu naar Itali? worden gestuurd, gestuurd door de Regeering, zooals zijn familie zoo graag zei.
En zijn weggaan was dan ook prachtig geweest, al de kameraden hadden hem uitgeleid: hij was 't station ingestapt, opgewonden van geluk, zijn nieuwe reisdeken als een mantel omgeslagen, in schooljongensovermoed de roode binnenvoering naar buiten. Hij herinnerde zich nog alles heel precies: 't soort dag, het vroege uur, het reisbiljet naar Rome, voor tien dagen geldig, de bagageverzorging, zijn angst dat alles in de war loopen zou, de plagerijen, de profetie?n dat hij op een ongeluksdag op reis ging. En er was geen einde gekomen aan 't handen-geven, de trein ging al, toen hij nog een hand in zijn hand warm voelde. En wat een vragen van gauw en veel schrijven, wat een beloften dat hij veel brieven terug ontvangen zou. Zoo was hij gegaan op een Februari-Vrijdag 't land uit, de ooren nog vol vriendenwoorden, meênemend de beelden van vrienden aan wie zooveel van zijn leven vastzat.
Maar o, van die vrienden, ze hadden zijn mooi leven die twee jaar lang verpest met hun brieven. Eerst waren ze opgehouden te komen; dat was wel begrijpelijk geweest, ieder had het natuurlijk druk, 't broeide al zoo, toen hij wegging. Hij zelve had ook de handen vol; 't was niet gemakkelijk zoo in eens op zich zelven te moeten rekenen, zoo in eens te worden gezet heelenal voor eigen kunnen. 't Ging in den eersten tijd goed, mooie dingen zien, af en toe een vriendelijken brief, zoo was men ten minste niet alleen in de wereld. Maar 't duurde niet lang, toen was er in eens, na lang zwijgen, een brief gekomen, een brief als een plank, maar geen hartelijkheid meer, en geen van zelven gaan; gepraat van ouwelijke jeugd en wijs geredeneer.... wat.... die brief rook vijandig.... wat was er toch gebeurd?.... een tijdje later wist hij het; wat vroeger bepraat was geworden op kamers of in cafés, dat werd nu openbaar gemeend, er werd gevochten.... dat had mooie brieven gegeven, brieven die als oorlog waren, lustig van den krijg, en wreed als strijd is, brieven, waarin zinnen die als klaroenen klonken; maar daar waren ook andere, bazige brieven, met veel langdradig geleuter over anderen, en weinig mooi vertel van eigen doen.... Hij voelde het wel.... al stond het niet in de regels.... hij was gezet door de vrienden aan den kant van den vijand, zoo in eens maar.... jawel, maar bliksem, dat was toch larie.... och, wat hadden al die meeningen hem een last gegeven.... hij, die daar in dat vreemde en liefelijke land maar niets thuis was, en er toch geen oogen en vingers genoeg had, die alles wel had willen vasthouden in dat land zonder nevel, waar de eeuwige zon hem zoo begon te plagen en ziek maakte, tot hij er als een sjouwerman werkte, planloos, bang in klein-burgerlijk plichtbesef van te kort te komen, van niet genoeg te zullen kunnen laten zien van al wat hij gezien had.... En hoe was hij dikwijls met het beeld van een vriend op reis en aan 't werk geweest, dàt zal ik voor die maken en dàt voor die.... Werken, werken; ontevreden zoekend naar rust; hij domkop die hij was geweest toen, was maar door blijven hunkeren naar die vriendenbrieven, waarvan hij, vóór hij ze las, al wist dat hij er wrevelig over worden zou, wanneer er zijn onrust sarrend in werd beklaagd, wanneer hij voor de zooveelste maal hooren moest, hoe zij allen thuis al wisten wat ze wilden, hij die toch ook wel wilde veel, al wist ie niet wat. Hij was Itali? doorgegaan, ongelukkig in redeloos gepruttel, overal naar toe waar zijn principalen hem stuurden, doende naar hun gereglementeerde bepalingen. Hij had zich vaak een offici?elen schooier gevoeld, reizend met een zwarten rok in zijn koffer, maar die bekneld moet leven, vóór de hooge visite stil met kastanjes dineert, alles op een koopje doende, gedwongen elken stuiver om te keeren, driemaal, eer hij 'm uitgaf, om toe te komen in het dure reizen. En zwak en hulpbehoevend meer dan ooit, geslagen door de ontzaggelijke voorbeelden die hij bestudeeren moest en die hem nog meer in de war stuurden door hun vèr afstaan, door hun hooge rust van bewustzijn, zoo vloekend met zijn eigen eenzame en tastende onbewustheid. En hij had zijn weifelende en woedende en grimmige ziel vaak uitgezegd in menigen brief, hartstochtelijk en wild, over niets kon hij spreken dan over zich zelven; en van heel dat vriendental was er maar één geweest en altijd dezelfde, dien hij voelde dat hem zag daar in de verte, en die met groot en medelijdend zien, vermeed te gaan wroeten in de ellende van een vriendenziel. Hoe zou hij er hem altijd om lief hebben.
Het tweede jaar zou Spanje moeten worden bereisd. Maar in Genua was hij toen plotseling ziek geworden, en door de vriendelijke bemoeiing van den consul opgenomen in een hospitaal. Een gezegende rust van drie maanden was er het gevolg van geweest. O, dat weêr beter worden in het hoogliggend hospitaal van Genua. Hij moest dat dikwijls de mooiste herinnering vinden, die hij van Itali? had meêgedragen. Zijn ziekenkamer keek uit in den tuin; dat wakker-liggen daar, na lang slapen, bij volle kennis, de dagen door, lekker tusschen de heldere lakens. De kamer kraakzindelijk, 't medicijnfleschje met altijd iets visiteachtigs er naast, vlak bij 't bed op 't nachttafeltje, de wanden langs Engelsche bijbelteksten, opgehangen achter glas, grooten druk, hij kon ze vanuit zijn bed lezen. Maar dan het raam open, de jonge zon blond en licht en veel vallend op 't balkon. En in den tuin het voorjaar met al veel violetten, een geur van bosch en zee binnenluchtend door het raam. En in zijn liggende leden een aangloeiing, iets van gisting als in nieuwen wijn, een aanspoeien weêr van kracht en gezondheid; maar in zijn hoofd nog een teêr suizen, een week nagevoel alsof hij veel vlugzout geroken had, iets ijls of er veel damp in de hersens was. En een sterker proeven en een nieuwer zien en een fijner hooren. O, die lange dagen in Genua's hoog op de rotsen staand hospitaal. Dat dagen stil liggen kijken in de zon, met de stille zorgen der direktrice altijd om zich, die altijd verlangend dat hij slapen zou, op zachte voeten naar binnen kwam, en de deur weêr uit, zwart en goedmoederlijk met haar kuisch-gekapt haar. Maar ook dat toen verwenschte di?et, die strenge, Zwitsersche dokter, die zijn tong kwam zien en dan altijd zei: "Sie haben gestern zu viel gegessen." En later, toen hij de dagen al opzat, dat wakker worden soms midden in den nacht, van zelven, zonder pijn of behoefte, dadelijk helder in den nacht, de nacht hoog om het huis, zoo hoog in de lucht, en zoo heerlijk stil en toch zoo raadselachtig vol met geluid zonder naam, dat hem de gewaarwording gaf alsof hij 't blauw zag, 't onstoffelijke, kleurlooze blauw der door sterrelicht ondoode aardschaduw. Daar kan men stilliggend, lang over denken, en dan plots in zijn dichte oogen een roode drang, en 't mooi opvlottende beeld van een begeerde vrouw.
Heelemaal hersteld was hij de tweede reis begonnen, tuk op nieuwe indrukken, begeerig naar nieuwe beroering. De dokter had hem den raad gegeven zich beter in acht te nemen, zich niet meer zoo over stuur te werken, en dat zou hij in geen geval doen. Neen zeker niet. Bovendien was de beurs gevulder. Door de zorgen van een welmeenend beschermer had een rijk verzamelaar tot aanmoediging veel van zijn studies gekocht, al dat gewurm van verleden jaar was uit de voeten; hij zou 't nu bedaarder aanleggen en wat meer ook voor zijn plezier uit zijn. De behoefte naar land en vrienden bestond bijna niet meer, een enkele maal schreef hij aan zijn familie, om af en toe nog iets van huis te hooren.
Maar onverwacht, hij was toen nog maar een maand in Madrid, op een Aprilmorgen, daar was weêr een brief gekomen van zijn besten studie-kameraad, een brief als een akte geschreven met een zware hand. In ronde vriendenwoorden, kort en zakelijk, was die brief van meening, dat hij een onvrij man was, dat dit aan zijn tentoongesteld werk was te zien, dat het er veel van had, of hij zich verkocht voor een bezoldiging, dat hij laf een goed leven leed, waar al zijn vroegere kameraden krom lagen, ontbeerden voor hun ernstig zich-zelve-willen-wezen. 't Speet den schrijver zoo, 't had hem zeer gedaan, maar op de expositie had hij een kameraad hooren fluisteren tot een ander, en toen meer die zei?n, dat zij zich in Johan hadden vergist, dat hij met massa's werk den boel had willen overdonderen.... neen.... hij mocht niet van zich laten zeggen, dat hij geen artist was, dat was gezegd en er was reden voor geweest.
Dat was als een slag op zijn hoofd gevallen, 't was hem een oogenblik benauwd geweest in de keel en of zijn bloed niet voort wou. Toen was hij met een vloek opgesprongen, de deur uit en de straat op. Hij had dien dag door de straten van Madrid gehold, de natheid niet voelend, en den ijskouden regen niet, met niets in zich dan stomme kwaadheid en in zijn hoofd huilend verdriet. 't Is niet waar, 't is toch niet waar, griende het in hem dien dreinigen dag. Dagen achtereen had hij in 't Museum niet kunnen schilderen, vies van zijn besteld werk; daarna was hij er weêr naar toe gezakt, als een hond in 't gareel, 't moest toch gedaan worden. Maar lang daarna nog hadden die woorden hem bezeten, hij herkauwde die bitterheden den geheelen dag onder 't werken door: zou 't ook waar zijn, zou 't ook waar zijn?
En de eene dag verging na den anderen. Twintig brieven was hij wel begonnen op dien eenen brief; geslingerd als hij werd tusschen zelftwijfel en beleedigden trots, schreef hij telkens wat anders; nu een brief waarin hij kroop als een geslagen hond, excuses vindend, en dan weêr een anderen met een hoog opgezetten toon; onvoldaan had hij ze alle verscheurd, want langzamerhand vocht het zich van zelve uit, voor de eerste maal misschien werd hij zich iets bewust van zelfvoeling. En in dat gevoel slaagde het antwoord in eens, schreef hij even kort en zakelijk, maar als een snauw, als een dadelijken beet van zich af: "ik wil niet langer worden geplaagd, laat me met rust."
Maar een woord was gezaaid en het groeide tot een heel ding in zijn jong leven. Wat hij zich verleden jaar nooit precies had weten te zeggen, 't werd hem nu volmaakt helder, zijn mooi reisbestaan was voor de tweede maal bedorven.
Hij was dat tweede jaar weêr net even ongelukkig, wetend en zich bekennend: gij zijt laf, gij zijt laag, maar koppiger nog dan ooit, volgend de voorschriften van zijn principalen, punctueel in alles wat hem was voorgeschreven.... dat heele gedoe, hij was het te haten begonnen. Hij had dagen van rondgeboemel, laksch voor de dingen om hem heen, afkeerig als iemand die met bedorven maag walgt voor een lekker maal. Doch lang hield hij dat niet uit, werkman als hij altijd geweest was, begon hij op nieuw, maar met geweld zich verzettend tegen de stortbuien van emoties en van de zich telkens nieuwe en opdringende gezichten; om er een vast te houden maakte hij zich overal een thuis, klampte hij zich vast aan eenmaal begonnen werk. Langzaam begon hij zoo te zien wat zijn leven zou zetten; hier of ginder, dat zou overal op 't zelfde neêrkomen. Soms midden in ploeterend gewerk kreeg hij als in den weêrschijn van een opslaande vlam een bruut inzicht in zijn toekomstig leven. Zijn altijd alleen zijn, het zich altijd aanwrijven tegen dingen, die zoo hoog onverschillig naast hem waren, joeg hem meer en meer terug in zich zelf, hij begon zich te betrappen dat hij als met een vriend hardop met zich zelven sprak.
.... Wat had hij vaak zitten soezen zoo in een klein landstadje, een hoop verdwaalde huizen in een woestenij van zand, moê van den langen zomerdag, met gesloten oogen, als de avond komend was met loome schemering. Dan was de vlaktewind langs zijn hoofd en handen waaiend gegaan, de straat inwalmend, zwoel als heete lucht weggewolkt van veel vèr en groot vuur, zwaar van een opkomend onweêr maar niet te zien, broeiend en somber als vooruitgeadem van een naderende katastrofe; terwijl het treurde almaar binnen in hem, dat niemand, ook geen vriend, ooit 't leed van een ziel proeven zal als die ziel zelve; terwijl het duister snel viel, tot de slaap in den zwarten nacht zijn hoofd kwam omhuiven, en hij als een moegeweend kind, beweldadigd tegen den muur ingedruild was. Met een tik op den schouder was de waard hem komen wekken, die vroeg sloot om het angstige weêr, en kreunend was hij ontwaakt, nààr in den nacht en hij had wel gewenscht eeuwig zoo te kunnen blijven rusten, en niet meer zoo te worden voortgejaagd.
Maar de reis was verderop gegaan, zoo zijn route hem aanwees. Brieven kwamen er bijna niet meer, zijn vrienden lieten hem met vrede. Eerst maanden daarna ontving hij in Granada weêr een tijding van zijn oudsten en besten kameraad, een brief, waarin hij plots het worstelen van een hevig begeerend mensch zag, als hij zelve was. De brief klaagde ook over misverstand en och, dat sprak van zelf, over weinig vriendschap. Dat had een nieuwe correspondentie gegeven, en toen was het bij hem tot klaarheid gekomen, dat hij voor zijn eigen rust aan dien tweeslachtigen en schijnheiligen toestand een einde maken moest. Dàar, in een anderen brief aan zijn principalen, beredeneerde hij, dat hij voor 't verder genot der subsidie bedanken wilde. Wel bekroop hem de vrees, hoe dan zoo in eens te leven, maar kom, dat zou wel gaan; nu of over twee jaar, men bleef toch altijd staan voor het eenmaal moeten beginnen, en dan was het verstandiger nu dan over twee jaar. Hij had wat geld, en eens weêr in Holland zou hij er wat bij zien te doen.... lessen geven.... ook misschien wel eens wat verkoopen, eindelijk was die zaak dus uit de wereld. Dit alles had hij aan zijn vriend geschreven, ook dat hij toch zoo dichtbij, nog even naar Afrika's noordkust wenschte over te steken en het antwoord op dien brief was hem van morgen door Sarah de meid gebracht.
't Was de vierde dag dat Johan in Tanger was en hij geloofde wel nu den weg alleen te zullen kunnen vinden, zonder den gids Mohammed Ben Jachjemed. Prettig eindelijk alleen uit te gaan. Men zag met zoo'n jongen eigenlijk niets. De moskee nu ja, ook maar van buiten, en de gevangenis; een Arabisch café van binnen, een tentoonstellingsding klaargemaakt voor de toeristen, en een bazar voor de toeristen met goedkoope nagemaakte mooiigheden voor de toeristen, alles wat een reiziger zien moet of hij wil of niet. Nu zou hij alleen slenteren kunnen, stilstaan als hij er lust in had, zonder zoo'n uitlegger naast zich te hebben, zonder dat kitteloorigmakende klep-klep van diens muiltjes almaar naast zich te hooren, medegenomen te worden door dien slimmen Arabier, die altijd wou rooken en dronk voor drie. Hij wou nu maar op goed geluk gaan dwalen, in dat warnest van smerige buurtjes, door dat doolhof van steegjes, met trapjes stijgend naar steegjes en paadjes en slopjes zonder naam. 't Was gisteren een vuile boel geweest, het had den geheelen dag geregend; nu was 't droog en mooi weêr. Van morgen bij het opstaan had hij uit het raam van zijn slaapkamertje de buien nog gezien, vèr, wolken met vage koppen nog, boven het rose, licht-lila en 't blond schaduwblauw der heuvels om de baai, vèr weg uitgespreid, als een rook uitpluimend naar de Spaansche kusten henen, naar Gibraltar, en naar Tarifa, dat nog laag en onzichtbaar als in een mist gevangen lag. Maar naar boven was de hemel nu weêr klaar, blauw toch achter het wittige waas der hoogvlottende dampen; alom en overal vervloeide het bleekgouden ochtendlicht er onder en door het ruim vol vochten, als een noorsche voorjaarszon alles doordringend, zeeg 't breed neêr. En 't had de baai doen parelen, zilverig schuimspatte en spikkelde het licht op 't kalme golfgekabbel, op 't blauwe, ebbende water der Middellandsche Zee.
Alles beloofde een mooien dag.
Het steegje, toen hij 't h?tel uitging, lag voor hem als de moddergrond van een sloot. Hij moest, wilde hij niet door den grooten plas voor den ingang waden, langs de muurkanten strompelen, houvast zoeken aan den muur, of zijn voeten probeeren te zetten op de stukken puin, die in de sopperige brij als droge eilandjes waren. Zijn tasch hinderde hem geweldig. 't Ding was toch al vervelend genoeg.... zoo'n heelen dag dat gebengel tegen je beenen.... en dat omslachtige reisboek kon hij den dag door voelen. Kom, met den ballast weêr naar boven, al genoeg gewerkt.... maar je kon toch nooit weten.... Beter meê verlegen dan om verlegen.
Besluiteloos bleef Johan staan, een eindje ver al het straatje in, op een hoop droog, grauw puin, waar middenin een paar witgeworden steigerpalen als stammen uit opschoten.... Daar werd een huis gemaakt.... nette lui, die Mooren.... 't was goed om je beenen hier te breken.... Zal 'k 't doen, zal 'k 't niet doen.... dat de fataliteit beslisse.... we zijn nu toch eenmaal in Marokko.
Om zich zelven lachend in het stille straatje, haalde Johan een muntstukje uit zijn zak.... kruis niet, munt wel.... en kantelend vloog de cent langs de palen op, het streepje zonhemel boven de steeg te gemoet.... Kijk.... daar boven den muur daar staat je waarachtig de metselaar; de slimmerd buigt over de straatgeul, nu 't koper klankspringend valt op 't puin. Wat een mijnheer. Hij staat daar met zijn troffel in zijn hand, als iemand die op visite is, propertjes in zijn burnous, met een rood zijden tulband om zijn kalen knikker.... een mooi lapje.... wijnrood met gele strepen, oud goudgeel.... Eerst dien cent zoeken.... dáar.... hij ligt op zijn kant.... neen.... eerlijk zijn, munt ligt boven.... vooruit dus, 't noodlot heeft gesproken, er is maar éen god en Mohammed is zijn profeet....
Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens gedwongen schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, de hakken telkens geplant in de modder, schrap met den rug achteruit, want almaar daalde de straatgeul tusschen de smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile wanden, die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen gevangenisachtige, leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers in den steen gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje voorbij dat stomdicht was. Van uit de verte, als 't gegons in een zeehoorn, een gedruisch als van een brekenden zeevloed of uitgeluiding van menigteleven. Overigens was 't straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die zijn oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen van den vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar hoorde hij hoog achter zich, metaal-lachen uit de lucht vallend. Zooals de geul, die het regenwater in het zand sappelt, met kronkels en onverwachte ellebooghoeken daalt naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje naar het kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter in.... 't ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij een onverwachten ellebooghoek was de muur links in eens open, een groot portiek kwam en een inzicht in een ruim gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. Laag op steenen banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, roerloos als pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van roode leem, vaasjes, waar kostbre specerij in verbrand schijnt te worden, en keken heet-droomerig den voorbijganger na, tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan herinnerde zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd had, dat daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij goed verstaan had. Maar het straatje begon snel te dalen. Het marktrumoer steeg gelijk wasem in de tuit van een ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf aan van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met roode fez boorde de steeg in. Voorover, als een man, die tegen wind opgaat, klom hij met heftige buigingen in de knie?n. Hij kwam hooger, slijkspatten waren verdroogd tegen den beenigen kant van zijn schenen, zijn schilferige voeten trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel leêr; die hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week voor den ander uit als voor een onreine. Met een paar sprongen was Johan toen het steegje uit, neêrgevallen in de volle zon van het kleine Zocco.
En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang thuis zitten, plots komt te midden van een straat waar het karnaval is, zoo was het voor zijn grage oogen dadelijk feest van bewegend en van kleurig leven.
Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met schriel hier en daar een zwart gat, als een wantrouwend oog in de van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen vensterlooze witte muurvlakken-er was maar een enkele muur met vensters achter groene jalouzie?n dicht-onder een breed-wit opgestapel van bordessen, als hoopen doozen op elkaar gekanteld, als groote dompers over veel leven gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, een bont, veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. Tusschen opstellinkjes van hout en zeildoek, opgezet tegen beroeste en glibberig bemoste muurwanden; tusschen ambulante winkeltjes waarin getulbande kooplui schemerden achter hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen en toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat van drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde jongens. Als mieren, op den tast af, zochten ze hun weg door de volte. En ze schreeuwden en kreten luid uit, tegen elkaar op, alsof ze woedend waren; maar joegen de pakezels door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun keeltaal en met stokken dreigend onder het loopen door; maar voortslovend pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige beestjes.... hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, rusteloos.
De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den gids was overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog gezien. Nu kreeg hij stompen en duwen overal tegelijk; en toen hij, lacherig en uitermate in zijn schik om die onverwachte kleurdrukte in de mooie zon, stil was blijven staan in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't gescharrel samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er een ruzie was in den hoek van het lange straatplein, daar onder den hoefijzerboog van een poort, ingang naar een straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken uit, de minaret der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij pas beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij geplompt en stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde drukte zijn ooren in. Voor zich uit keek hij in den woedenden kop van een kerel, rugs-òm kijkend naar hem toe, op den loggen kop van een half-naakten neger, die voortsjokte achter een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend uit zijn lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde vuist schuddend voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar Johan lachte den glimmenden vent om zijn boosheid wat uit, en ging verder. Hij wilde naar de kroeg van Antonio Sivory, die verkocht toch van alles, die zou hem misschien ook wel aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend dat hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten had.... 't schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam papier, zoo erg jufferachtig.... dat kwam er van, van die beroerde vrees te veel geld te zullen moeten uitgeven.... briefpapier zou Antonio wel hebben.... het teekende heel mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien brief van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien loopen.... hoe grappig.
Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan of staan, levend met zijn oogen alleen, soms met kleine, wakkermakende bewustwordinkjes over den te nemen weg, soms een oogenblik verstrooid door invallende gedachtetjes, aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de drukte uit, den stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig kleed. Tusschen stilstaand volk ging hij troepjes van schunnige leêgloopers langs, die in de zon schurkten onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude olijven; langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en vlooirood in de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje waar hij in moest.... ja, 't was 't wel.... Een bejaarde Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande naar de stroomende drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend op zijn oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot boven de enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon dichtom knepen, was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig en rood als wijnmoer; om het middel gegordeld en voor het lijf was de jas dicht met een rij van veel kleine knoopjes. Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, 't grijs haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, waarin de lip zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden neus, twee diepe lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... den driehoek dien de smart donker snijdt in het gelaat der menschen.... En hij ging zijn voorovervallenden gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat zocht, een haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man na staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen de zon een paar vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, dat het niet goed was van een vreemdeling nieuwsgierigheid voor vrouwen te laten merken.... 't Was je toch een vertooning.... leken het niet net spoken die twee aanwandelende witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze gingen hem langs en hij kon het teêre bewegen van een hand raden onder de gelaat-slip van het weeke kleed. Zij sloten zich geheel, ook het streepje voor de oogen, om heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log van gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, sleepend door de modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel met een roode hak onder het neêrgeslofte hielstuk, terwijl het kleed stil en zwaar hun om de beenen hing. Het tweetal ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen hun stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van even onbegrijpelijk geheim.
Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit een hoek van het kleine Zocco; rechthoekig er meê was daar een ander straatje, opschuivend weêr naar de hooge stad.... Zoo kwam je op de fortificaties.... gisteren er geweest met den gids.... bij dat monsterkanon van Krupp; een geschenk van Koningin Victoria aan haren hoogen cousin den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die Ben Jachjemed gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor wist hoe het te hanteeren, veel minder nog het af te schieten. Hij zelve had 't vreemd aangezien, dien zwarten reus daar zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber Noordsch intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen met fezjes op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in oranje en groene en in bloemkleurige hemdjasjes speelden er onder den loop, die als een omgevallen fabriekspijp in de beestachtig zware tappen hing.... Maar in het eerste steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, daar was Antonio's kroeg.
Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten ingaan, bleef hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak daar zaten een rist in doeken en plooien verscholen vrouwen, hel met den witten wand in de vlakke zon. Donker streepte het open voor de oogen, donker lag een kort blauw schaduwtje achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt zaten zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der drukte. Die had hij daar gisteren ook even onbewegelijk zien zitten, die zaten daar misschien wel altijd, 't leken wel dooien in witte lijkwaden.
Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen tusschen de wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke kreten en schreeuwen vlogen er als pijlen doorheen.
Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in het licht neêr.... Sapperloot, die was niet mager, wat een breed bekken.... Over de brooden heên begon ze met een koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille gestalte over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar elkander.
En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de zon, kwam als aanrollen uit het klimmende straatje en bukte nog in de loopvaart der helling, nam een brood en ging er meê vort, terwijl hij achter zich het geld onverschillig op de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een lappenvrouw, de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd met drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes in een kerfstok. Johan zag de vingers, waaraan de nagels tabakssapkleurig geverfd, verdwijnen met het geld, muntjes geheimvol gestempeld, tusschen de wollen gaping van het kleed. En het praten ging voort, lispelend met neusachtig geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven....
Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, waarvan hij het oogengegluur achter zijn weggaan voelde, hij zelve kijkend naar links en naar rechts, als een speurhond met den neus in den wind.
Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het scheen hem dat er onder die sjouwende en ploeterende beweging maar weinig menschen waren uit het land zelve; veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van Hebre?rs, veel mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met de dracht van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, of jassen verflenst, verwelkt en verscheiden als oude vruchten, of den eenzelfden goor-witten mantel met kap, plattend op den rug tot een driehoek, bollend om den kop met de punt omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: het rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van een glas-juweel aan een rauwen knuist, armbanden, een raar snoer, een oud zij koord, gestreept, getrest van kleurtjes, bindend de vrije kleêren om de rappe leden, te pas gebracht overal.
Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen langs tot aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms onverwacht in het suffe kijken der leêgloopers. Hij zag ze plotseling aan 't zinnen gaan, en loeren met de hand vooruit om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit de smerige volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen aanschommelen: rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, waaronder het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld met een grooten tulband, wit en wijd om de slapen gewonden en om het roode middenstuk, een samengesteld ding moeielijk om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, haanachtig voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend aangezicht, bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen en schoon geschoren, ieder met een schralen knevel onder den neus, den baard kort langs de lekker uitziende wangen, de eene zwart, maar de andere al grijs, vrouwmannen. Ze gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf achter zich, die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen veel geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden pralend voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare wijsheid ging tusschen de scrofuleuze schooiers door, die uitweken om hun aalmoezen te rapen. Kleine kleuters schoten in eens tusschen uit de beenen der mannen, ze kwamen de mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze ontvingen zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes.
De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid scheen het werk wel te worden gedaan. En tusschen al dat drukbezige gingen stijf de donkere lichamen van Europe?rs, rechtop als opzichters tusschen slaven; een Engelsche zaken-man die als een ledepop zijn strakken eenzelfden gang liep, of een andere zinnende handelaar in zijn kokerachtig konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid van het kwistige en Orientalische gedoe. En 't was àl feest; waar Johan ook keek, 't was overal een uiterlijkheid, om er zich nooit met de oogen zat aan te kunnen drinken, onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het smerige verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, onder dien éenen breeden en grooten val van het koninklijke licht.
Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan als met een schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek waar Johan stond; een zware maar al korte vlaag schaduw lag neêrgesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, met een grooten scheven rechthoek steeg het donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen.
De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gewoel.
Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot boven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaar, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een koningsfiguur op een Aziatisch basrelief loom onder de oogleên uitstaart. Boven de rafels van zijn voddenmantel was een stuk van de platte borstplaat bloot, glanzend vleesch, zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn haar geleek een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd tot een dicht in elkaar gegroei van korte, sterke krulletjes; 't bracht Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't geheugen terug. Doch zijn neus was lang, met een teêren rug en zijn mond dun met stille lippen, verdonkerd onder een jongen knevel en om de jongensachtige wangen het gepluis van een beginnenden baard.
Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; wanneer zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als zijn eene voet moe of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; zijn gelaat bleef stil met zijn heiligen lach,-als in een Assyrischen muur de figuur van een koningszoon statig staat.
Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl hij te kijken stond naar dien mooien droomer daar vóór hem in het vochte goud der zon.... zou hij niet eens omzien.... zal 'k hem eens voorbij loopen....
Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt van den muur, en kwam.
Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou zetten, angstig als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte onder zijn lapmantel, dien hij nu met beide handen gesloten hield, één onder de borst en de andere onder den buik; gelijk een kranke in zijn deken gewikkeld daalde hij aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... zijn borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... de spieren lagen met gleuven naast elkaar.... daar zou hij wel een man meê kunnen neêrslaan.... Op den vlakken grond bleef hij een oogenblik dwalerig, toevend; toen ging hij Johan voorbij, steeds met zijn genotlach om de lippen, een wonderlijk inzichzelven gelach, met de wimpers nu op.
En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere oogen, klaar verwonderd kinderkijken, vaag van een diep naarbinnen leven, de blik van een bezetene maar zachtgezind, was onverschillig over het kijken van den ander heengegleden, onbewogen, niets hebbend gezien.
De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. Het Zoccorumoer verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in een grooten zeehoorn gelijk.
Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders liep hij in het donkere slop.... 't Leek wel of die voorlooper dansen zou gaan.... Maar 't was om te schrikken geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en ging op zijn hielen in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En uit een groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers uit, en stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn lach te breken, werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, uit den weg zittend, niemand moeiend.
Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. 't Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, Johan ging dus zijn gang. Hij zag nog juist den man een mageren hond met de hand van zijn schotel weren, die hard aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een paar kerels achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i hu-i," als op de pooten getrapte uitjankende honden.
.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het le? zich tot een binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg.
Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug turen in zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond hij in 't schemerdonker der kroeg, en dadelijk kwam hem het praten van een mannenstem tegen, een roepen bijna, een ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid spreken.-O, daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten à la Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel....
"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices."
"C'est ?a, monsieur Badaud."
* * *
De kolonel zat op zijn tabouretje voor het buffet, rechtop alsof hij op een paard zat, de knie?n wijduit. Hij was een stevige veertiger met naden al om zijn neus, maar die zich jonger voordeed door zijn blozenden kop en door zijn zwierige kleêren. In een havannahkleurig jacket en vest, een stof met groote ruiten, was hij jeugdig en achteloos gekleed; 't kostuum deed zijn manhafte militaire schouders goed uitkomen.
Om zijn rooden soldatenhals met rimpels als groote barsten in zijn vel sloot de slappe boord van het bonte flanellen hemd, en daaronder was een das, wel wat waaierig en ijdeltuitig gestrikt. Zijn geheele verschijning was net; zijn kleeding uitermate goed geborsteld. Zijn pantalon, donker met breed galon, ging strak om zijn ietwat kromme paardenmansbeenen; met een klein voorzichtig plooitje had hij de pijpen op de knie?n wat opgehaald. En zijn laarzen glommen op de spitse toonpunten, als was er geen modder op straat te zien geweest, en ook zijn haar glansde gelijk het met olie besmeerde hoofd van een Marseilliaan. Daardoor leek het zwarter en viel de komende grijzing niet zoo in 't oog; want al was zijn impériale ook lang niet zwart meer, maar van een uitgebeten kleur, een verteerd zwart, de snor met zijn gesteven drilpunten maakte weêr veel goed. Hij had een dikken gouden ring met een groot cachet, een groenen steen, aan zijn rechterhand glinsteren, ook een horlogeketting onder op zijn vest, en onder zijn das, zoowaar nog, glom een speld die een hoefijzer verbeeldde. Hij gaf nu een fermen duw aan zijn flambart en trok hem mannelijk en somber over zijn voorhoofd met ruige wenkbrauwen terecht.
Blijkbaar had hij juist zitten opsnijden toen Johan binnenkwam; voor Sivory, die dik lachmensch als hij was, zoo gemakkelijk mogelijk zat, half neêrgelegd op de bank daar, tegen den muur aan, den arm op zijn buffet.
Sivory's heele gezicht was naar het lachen gegroeid, de pret, die bij buien hem benauwde, als zijn kop openscheurde in de hevigheid der geweldige lachsmart, als zijn zwaar lichaam schokte en hem de tranen traag en pijnlijk uit de klein geknepen oogjes werden geperst. Hij was zeer gezien onder zijn klanten, hij was een goed waard, die met zijn gasten meedronk, borgde, maar schacheraar in zijn hart en van alle markten thuis. Dat alles wist Johan al heel gauw, want Sivory was dadelijk, bij de eerste kennismaking al, zeer vertrouwelijk alles gaan vertellen.
Antonio, zooals ieder hem noemde, was Italiaan van afkomst. Zijn vader, een vreemde snuiter, een aangetaste door de vrijheidskoorts, een woelig kind uit de onrustige revolutietijden, was al jong uit zijn land gejaagd, toen soldaat geworden in de Fransche legers onder Pichegru, vervolgens met Lafayette naar Amerika gegaan, later diens kok, eindelijk na veel, o veel wonderbaarlijke gebeurtenissen hier in Tanger terechtgekomen en daar wegwijzer geworden. In de oude reisboeken werd hij nog altijd aanbevolen om zijn groote geschiktheid. Hij had er een der eerste Fonda's opgericht en Antonio zette nu op vaders begonnen manier het zaakje voort. Daardoor, vertelde hij zelve, sprak hij 't Italiaansch even goed als zijn vader; en 't Arabisch als een geboren Tangeriaan; ook 't Spaansch als een Spanjaard van de overkust; bovendien was zijn vrouw een Spaansche; en 't Engelsch sprak hij als een inwoner van Gibraltar; en 't Fransch, bijna zijn dagelijksche taal, gelijk een stuurman van de Trans-Atlantic, die alle veertien dagen Tanger aandeed; en ook wel een paar woorden Duitsch kon hij begrijpen.... Toen Johan hem vertellen moest dat hij een Hollander was, had hij dadelijk "Gofferdom" gezegd, en stuipachtig het hoofd achteruit en de handen op zijn knie?n slaande almaar, zich aan zijn vroolijkheid overgegeven als een dolblij kind.
.... Ah oui.... er was hier nog een compatriote van monsieur, die dat altijd in zijn baard knorde.... ah oui.... de admiraal van de Marokkaansche vloot.... ha, ha, ha! opperbevelhebber van één schip.... een oude Spaansche kast.... dadelijk na de afdanking aan 't verrotten gevallen en voor afbraak verkocht.... dat maar éens gediend had om den Sultan te brengen naar een kustplaats waar een oproer dreigde.... een lek ding met negen vreemde matrozen bemand; nu, met hun admiraal al een jaar lang.... ha, ha, ha! op non-aktiviteit.... die alle morgen vast om zijn paspoort ging vragen en aldoor maar weêr werd afgescheept en zijn hooge gage ontvangen bleef, omdat die Moorsche beambten het zoo lastig vonden dat ding klaar te maken.... ha, ha, hi, ha!.... Hij wordt altijd woedend als ik zeg, dat zijn taal een bedenkseltje is van hemzelf.... als ik hem vraag of er dan nooit eens iemand komen zal hier, om wat Hollandsch te praten.... ha, ha.... Ge zult u wel amuseeren.... nous avons encore ici d'autres....
Johan had een der tabouretjes genomen en zich zettend, Sivory toen gevraagd wat hij wenschte. Neen; groot papier, ongelini?erd, had deze niet; maar hij zou 't wel weten te krijgen. En terstond had hij door het buffet geroepen, neusachtige woorden gelijk een Arabier spreekt; en een Jodendeerne met zwarte vlosharen bossend om haar hongerigen kop, een prachtige meid, een vervuilde aankomende schoonheid, kwam binnenslobberen achter het buffet om. Zij sloeg, de boodschap aanhoorend, een koffiezakkig vaal omslagdoekje over haar violette oude jurk, met vetkleuren om de randen der mouwen en onder de armen, en keek wild-schrikkerig in het opschijnende licht van de buitenstraat. Toen slemierde zij de deur uit.
-"'t Is nog wel wat vroeg voor een glaasje, is het niet?" vroeg Sivory, en 't was Johan weêr zeer vreemd, die hooge, jongensachtige stem uit dat groote lichaam te hooren komen.... "maar wat dunkt u van een glas spuitwater.... bon?".... "monsieur le docteur," babbelde hij voort, opgestaan naast 't buffet, de hand aan de kruk van een siphon, terwijl zijne oogen den straal, die met hevig schuimgeruisch in het glas spoot, bewaakten; "dokter, daar is misschien iemand voor u om meê te praten!"
-"Gut," bromde het onverschillig van uit den hoek.
-"Gut," lachte Sivory terug met een knakkenden knik van zijn hoofd, tegelijk het accent nabauwend boven 't gesuis van het uitparelende water.
Johan had bij 't binnenkomen den man wel gezien, daar achterin; de enkele keeren dat hij de kroeg had bezocht, had hij er hem altijd zien zitten, in elkaar gedoken, lurkend aan een houten tyrolerpijp of met zijn neus boven een dampenden rumgrog. Nu, zich omdraaiend op zijn stoeltje, groetboog hij beleefd naar den als dokter aangesprokene, die ook een beetje opgekomen, de hand onder den elleboog van den arm met de pijp, moeielijk alsof hij zoo zijn bovenlijf van de tafel moest aftillen, hem op zijn beurt in de oogen keek. Maar hij groette flauwtjes terug, hij scheen schuw voor 't lichtschijnsel in de kroeg, keek vóor zich neêr, deed een greep naar zijn glas, dronk 't voor de helft uit, en zakte weêr terug in zijn suffende hoekhouding.
Vervloekt, wat had die dokter een bekende oogen, waar had hij zulke oogen meer gezien.... zulk ver blauw.... dat grotje in de pupil zoo angstig zwart.... nevel-oogen.... oogen nat van een weenend licht....
Johan, voelend dat de man geen praatje begeerde, draaide weêr om en keek de deur voor zich uit. Naast hem begon de kolonel op nieuw moppen te tappen voor Antonio, die met zijn mond al klaar tot lachen zat.
De kroeg, waar Johan zoo op zijn papier zat te wachten, had iets van een hol of van een pakhuis; waarschijnlijk was het vroeger, vóór dat de oude Antonio er zijn fonda[1] begon, een Arabische woning geweest. De twee deuren wagenwijd open tegen den muur van het voorplaatsje aangeduwd, anders was er geen licht. Ieder die er in kwam, liep dat plaatsje over, dat óok wel een kamer scheen geweest te zijn vroeger, tusschen een paar muurtjes door, een plaatsje, waar 't vies nat was en de goot plasvol, alsof de kuip, die daar in den hoek stond almaardoor lekte, of er zoo pas iemand hoopen flesschen had zitten spoelen. Zoo liep die inkwam recht op het buffet aan. Dat was een raar ding.... een insteek in den muur, nauw, 't leek wel een uitgebroken bedstede, nu tot een bergkast omgewerkt.... met drie rijen van planken, waar vanalles opstond: veel schitterende flesschen ge?tiquetteerd, karaffen met gekleurde vochten, doosjes en pakken met droge waar, trossen touw en kloentjes gekleurd garen. Vóor de kast, de toonbank, een losstaande bak, een breede, roodgeverfde, op zijn kop gezette kist, met een plint stevig aan den grond.... wat zag het ding er gehavend uit.... van onderen bij den vloer was het bekrast, bekrabd, verveloos, als door ratten beknaagd; alsof al de menschen die binnen waren gekomen, tegen de plint waren aangebotst, hun vaart daar tegenaan hadden stil gestooten. Bovenop, een zinken bak, een gladde veel gepoetste metalen bak, rondom met koperen spijkertjes vast op het hout.... in 't lage straatlicht een rondedans van rinkelende goudlichtjes om 't effen metaalgrijs. Een paar flesschen, onder den greep van Antonio staande, blonken er in den hoek; een natte vaatdoek, met den druk van zijn herbergiershand er nog in, lag er tegen aan, een hoopje sopperig grijs, katoen-dof op 't metaal en tegen het harde glas der schenkflesschen.
Maar wat vooral van dat onbeholpen buffet een stil glimmend wondertje van schittering maakte, dat waren de zware spelonkkleuren overal in de kroeg er om heen; de wanden vetbruin en smookgrijs; het donkere gangetje, waar de meid purper uit was komen aanslungelen, en er vlak naast, maar in den hoekschen linkerwand, een groot poortinzicht met het lichtlooze er achter van een tweede pakhuisruimte. Een groezelig groenzwarte inkijk was daar, waarin hij veel gewemel raden kon van spinrag en opgegaarde stof, en waar een opgestapel uit schemerde van ronde tonbuiken, logge dingen, onverzetbaar, met ijzeren hoepels om de duigen, verroest rood. En van af den zolder en om het vierkant der kastholte, bezemden de bossen kiff.... het kruid, dat de Arabieren, kortgehakt en onder tabak gemengd, rooken.... dat met een geurtje van wierook verbrandt.... Ze hingen neêr, heiplanten, dorre franjes van een bleek kamillegroen en deden de kroeg gelijken aan een drogerij of aan een alchimistenwerkplaats. Eenige pistolen van oud kaliber met den haan aan spijkers opgehangen en solide zeslooprevolvers hingen er te koop, kreeftachtige dingen, of 't schaaldieren waren in hun donker pantser.
Rechts van het buffet, er tegenaan beginnend, verliep een lange bank den muur langs; Sivory op de eene punt, de dokter op de andere, daar behoorend in den toon.... menschen, geborgen in den schemer van hun woning.... Een soort scheepsbank was het, met een opengewerkte matten zitting, afkomstig, leek wel, uit de derde-klaskajuit van een Transatlantic. Een wit-houten tafel er voor, bekringd met drank-rondtetjes. Naar achteren in de diepte van den rechterhoek een paar kleinere tafels, oude tuintafels met marmer blad; en er om heen slordige tabouretjes. Die stonden als gestrooid over den vloer, bewarend iets nog, in hun onverschillig op vier pooten staan, van de haast, waarmede de laatste bezitter ze onder zijn loopen-gaan-willend lijf had weggestooten.
Bij den ingang, half achter het deurlicht, helde als een losgeloopen wagenrad, geleund tegen den muur, een groote doos, en daarin een kolossale Zwitsersche kaas, die Antonio vier dagen geleden ontvangen had. Een driehoek als een hap was er al uitgesneden, de blanke, vette kaas uitstallend; 't ding had de geheele ruimte met zijn stank verzadigd; en onder om den hoek van de pakhuispoort, laag op den vloer, een blakertje met een eindje vetkaars, vuil en beloopen, geel vet, smelterig om de zwarte, uitgebluschte pit.... een nachtelijk dingetje.
Johan's kijken, niet te verzadigen door de wonderlijke nieuwheid van alles om hem heen, dwaalde van uit de kroegscha?w de deur uit. De straat over, kon hij door de wagenpoort heen, recht in de werkplaats zien.... van een kleêrmaker, bepaald.... Dat was zeker de baas.... Een man zat op zijn vloermat laag, en zijn arm ging gestadig rukkerig op en neêr. De kop was niet te zien, onder de fez, voorover.
Naast hem, voor den drempel, zat een knechtje in een wit mouwhempje peuterig te pieken, ijverig in de weêr aan een stuk lap, zijn geschoren hoofdje bewegend naar links en rechts, zijn geknutsel in zelfbewondering telkens betrachtend; een slim, tanig en aapachtig kereltje, met de ooren rood en wijd van het hoofd afstaande. En het vermaakte Johan het ingespannen getreuzel van het ventje te gaan bekijken.
-"Antonio, wil je me nog een rhum geven?" hoorde hij achter zich den dokter roepen, onderworpen, alsof deze een lesje opzei.
De zon, blank in de straat, snelde gelijk een baan licht de wagenpoort voorbij, schrampte op tegen den muur, berafelde de oude steenkalk en het versplinterde hout van den uitgesleten drempel; wanneer de jongen met zijn hoofd keerde, glansde zijn rein schedeltje van een blauwend fosfoorlicht. En een voorbijganger kwam stil in de lijst van het deurraam en liep er weêr uit.... en wat later kwam er een ander, een vettige vent in een donkere burnous. Hij schouderde zich in zijn houding van grooten nietsdoener, steunzoekend tegen den deurpost der werkplaats en begon een praatje, als een gedrocht staande met zijn monsterachtig bekapt hoofd. Achter zich hoorde Johan, Antonio weêr neêrvallen op zijn bank, en het gulzig inhalen, het slobberen van den grog. In het werkplaatsje keek de baas op, van achter zijn door een grooten zwarten bril beringde oogen, een bril, als de kwakzalvers en woekeraars dragen op oude Vlaamsche schilderijen. De kleêrmaker bleef babbelen met zijn handen in den schoot.
Maar achter Johan schaterde Antonio het uit, klakkend zijn handen met een doffen vleeschslag op zijn dijen telkens. De kolonel vertelde een geschiedenis uit zijn soldatenleven. Hij trok, toen hij zag dat de andere kwam meêluisteren, triomfantelijk zijn hoed recht, en begon ook dadelijk beleefd zijn vertelling voor zijn twee hoorders te verdeelen: "voyez-vous, monsieur le peintre.... imaginez-vous, Antonio." Zijn vertel met veel delicate handaanduidingen begeleidend, speelde hij het geval. En met zijn klankende, voor in den mond gesproken stem, half zingend de phrases onder zijn nobele snorren vandaan, was hij een smakelijk verteller zoo; als een man die zich altijd op zijn voordeeligst wil laten zien, zat hij zwierig op zijn tabouretje, rechtop, met de beenen aldoor wijduit, als op een paard, de dijen strak, heelemaal niet burgerlijk, maar verradend in het zorgvuldig telkens opgehaalde knieplooitje van zijn pantalon, veel uurtjes van intieme beslommering.
-"Bonjour, mijne heeren," en een ferm stappende man ging achter den kolonel om. In den hoek naast het buffet zette hij zich als op zijn vaste plaats.
-"Bonjour, monsieur Crépieux. Hoe gaat het?"
-"Merci," zei kortaf de binnengekomene, een jonge man, korrekt gekleed, hooge witte boord, het haar bij den wortel afgesneden, als geschoren was zijn hoofd onder den fantasiehoed. Hij trok zijn manchetten recht, kijkend met een stuursch gezicht, heerscherig met den kop van een willer, maar stompig en hondachtig door zijn opgewipten neus met wijd snuivende gaten en hooge wangbeenderen. Zijn knevel was stoppelig, wreede haren gelijk geknipt om de lip, een kuilgleuf was in zijn kin.
-"Antonio," begon hij met zijn dwingerige stem, "hoeveel glazen rum heeft de dokter gehad?"
-"Twee, monsieur Crépieux, twee maar," de herbergier had er de vingers bij opgestoken en schudde ze naast zijn lachkop, als zwoer hij een grappigen eed.
-"Twee.... hè.... niet meer geven van morgen, verstaat ge.... Twee," herhaalde hij, als schreef hij ze op in zijn hoofd. "Dokter...." riep hij vervolgens over het buffet heen, "ik ben van morgen aan het atelier geweest, en gij waart er niet."
-"Bien possible," zei deze, glansvlekkend den schemer daar met zijn opkijkende oogen.
-"En waarom? zou ik u willen vragen, ge wist toch zeer goed dat Mustapha van morgen met vogels komen zou. Heb ik het u gisteren niet laten weten, daar ik zelve geen tijd had om u te komen spreken hier?"
-"Ik weet het heel wel," antwoordde de gebogen man met een vreemd accent, als een Zwitser het Fransch uitsprekend, "ik weet het heel wel, maar 't wachten verveelde me.... toen ben ik hem maar gaan zoeken op 't Zocco.... daar ie toch te slenteren liep.... We hebben vier vogels gekregen.... pas grand' chose.... twee arendjes en dan"....
-"Dat maakt met de andere zes.... En hebt ge gisteren een goede vangst gehad, hebt ge wat kunnen verzamelen bij Kaap Espartel?"
-"Gisteren?" een spoogje kwade lustigheid glimmerde in de waterige oogen van den dokter, in zijn voorhoofd trokken spotzieke rimpels op, als in 't voorhoofd van een komiek grijnzenden aap.... "Gisteren.... o, een goede vangst, ik heb vier schorpioenen gevangen, mooie volwassen exemplaren, en drie calioptères, met nog ander klein goed.... 't heeft moeite gekost.... ik heb er rotsblokken voor moeten omkantelen, monsieur Crépieux, vous n'avez pas une idée comment ces bêtes se cachent."
-"Dat geloof ik graag," blufte de kolonel er tusschen. "Dat lijkt me niet pleizierig, eerst een douche van collodion.... puf.... en dan op een speld opgeprikt zich zelven te moeten zien sterven."
-"Hi, hi," lachte Antonio met een luchthappenden mond....
-"Weet wel, monsieur Badaud, dat schorpioenen door mij niet worden opgeprikt, maar bewaard op sterk water." De dokter sprak haastiger nu, met een sneller slag, "weet dat wel.... en geloof ook maar niet, dat uw agonie, par exemple, zooveel zachter zal zijn dan van die beestjes.... en in geen geval korter, monsieur Badaud.... Voor Antonio is dat wat anders, die zal er gauw uit zijn, die zal nog eens doodblijven in een apoplexie.... mijn God, wat lacht die man!"
-"Ah, docteur, wat zijt ge weêr sinister." Als een lijkengrimas was de lach om Antonio's lippen verstard. En de kolonel zat een weinig verlegen met zijn geknakten bluf.
-"Kom, kom, Antonio, maak je nu maar niet ongerust, beste vriend.... af en toe een beetje huilen.... kom, kom, dan zult ge wel oud worden.... Gisteren hadt ge meê moeten gaan, dat was goed geweest, zooals laatst.... hebben we toen geen plezier gehad samen.... já schudt uw hoofd en 't liegt niet.... maar gisteren was 't glibberig op de rotsen, en regen.... regen.... ik heb wel driemaal mijn nek kunnen breken.... en dat zou toch jammer geweest zijn, niet waar, monsieur Crépieux?"
-"Taisez-vous, docteur, ge zijt weêr dronken."
-"Ah, moi? par exemple.... 't is waar, ik hou van een glaasje.... en waarom zou ik niet? houdt gij niet weêr van andere dingen, monsieur Crépieux? heeft iedereen niet wàt waar hij van houden moet?.... Et boire, n'est-ce-pas quelque chose? Maar hoor toch eens aan hoeveel ik altijd om u denk, en wat een moeite ik gehad heb om ónze schorpioenen goed, vooral droog thuis te brengen.... waren ze niet goed droog, Antonio? en ik heb soms tot aan mijn.... nun, nun.... zal ik zeggen tot aan mijn lippen door het water moeten waden, in het donker, door een kreek, die ik niet wist dat er was.... non, non.... ik verzeker u, dat ze er 's morgens nog niet was...."
Tusschenbeide hadden zijn lippen even geklakt, zooals een voerman doet, die zijn paard kalm sust, waneer het door vliegen geplaagd wordt.
-"Ah bah!" was hem de kolonel in de rede gevallen, "met den regen, moi, je connais ?a."
-"We weten wel dat ge veel ondervonden hebt, monsieur Badaud, vooraleer gij hier van uw renten kwaamt leven." De dokter, toen hij dat gezegd had, stopte met een krommen vinger de tabak wat vaster in zijn door het vuur zwart uitgevreten pijpekop, zoog, half uit als de pijp onder 't praten gegaan was, er den brand weêr in met een paar stevige zuighalen en zakte toen achter een damp van blauwen rook, in zijn suffende hoekhouding opnieuw weg.
-"Cochon," hoorde Johan den kolonel onder zijn favorites schelden.
Met doffen beestenstap was een Moor komen binnensloffen en hij stond nu voor de toonbank stil. Monsieur Badaud schoof een weinig op zijde, alsof hij vies was; terwijl Antonio, dadelijk in functie, zijn lichaam opheesch en in een dikkemanswaggeling achter de mannen en voor 't buffet omliep, grappig in zijn grijs linnen herbergiersbuisje, te kort van mouwen, dat hem jongensachtig stond; 't hing met een diepe plooi opgeschort boven de kussens van zijn geduchte billen. Hij donkerde weg in de gangpoort, maar kwam dadelijk terug voor den dag, doorbukkend onder de planken.... was daar een deurtje?.... en te staan weêr in 't buffet, gedienstig, op en top verkooper, het grijze lijf met den lachenden kop boven de toonbank op. Hij herhaalde wat de man gevraagd had.... schorrig knorde de landstaal, zooals een verkouden mensch spreekt.... bewoog zich tusschen zijn flesschen, spoelend een glaasje, schenkend toen den klaren brandewijn voor den begeerig wachtenden Arabier, die, schuw tusschen de donkere moderne mannen, in zijn witte burnous verhuld, naar niets keek dan naar den venijnglans van het witte water. Het glaasje bevend vol, goot hij toen dadelijk leêg in zijn gretig open lippen; als in een ontvangenden nap vooruitstekend uit zijn achterover gegooiden kop, wierp hij 't in zijn strot, in éen driftig verlangen van 't gauw en ongezien binnen te hebben.... 'n clandestine dronk.... Antonio maakte nog een bos kiff los, en de Arabier tastte achter in den hangenden zak van zijn mantel, snuffelde geld er uit op, en sjokte toen weêr weg, de wagenpoort uit en de zon in.
Monsieur Crépieux redeneerde met monsieur Badaud. Ze praatten gelijk welopgevoede lieden doen, als flaneurs die elkaar ontmoet hebben voor een café op een Parijsche boulevard, heeren.
-.... "ils m'ont abruti, monsieur, abruti, bien s?r, die drie dienstjaren".... Johan zag over de toonbank heen, het gebobbelde voorhoofd van monsieur Crépieux, koppig en laag, boven koud metaalgrijze oogen met snel knippende wimpers; het wreede geborstel van zijn stugharigen rondkop en een dikke huidplooi in den nek als bij een dog. Hij bestelde Antonio, die naar zijn plaats wou gaan, sigaretten; de beide heeren rookten en redeneerden over het voor en tegen van de conscriptie; Badaud met de handen op den knop van zijn rotting.
Johan ongeduldig om 't lange wachten, keek eens om naar Antonio, weêr op zijn plaats. De waard haalde zijn schouders op.... hij kon 't toch niet helpen, wanneer die meid wat lang wegbleef, 't was zoo'n rakker, die meid, een straat-slentster.... een wilde.... die zijn vrouw verschrikkelijk veel last gaf.... gisteren had ze den kleinen jongen op de steenen laten vallen.... ah oui, monsieur, een wilde, en die had hij nog wel uit puur meêlij in zijn huis genomen....
En in een opvlieging van zijn gragen lachlust, als had hij plotseling iets bijzonder koddigs gezien, ging hij aan het slaan op zijn knie?n, wippend met zijn lichaam, wiegelend zoo zijn pret, zijn binnenst plezier.
-.... "oh.... een historie.... imaginez-vous, monsieur le peintre.... een paar maanden geleden.... ze was toen nog niet hier in huis, was die meid boven van een bordes gesprongen, in de straat neêr.... hi, hi, hi.... met éen razenden sprong had ze zich gered voor een ouden Arabier.... een ouden Arabier.... een grand seigneur de la ville.... die haar in huis gelokt en schande had willen aandoen.... ah! bougre.... quelle courageuse!.... een sprong van meer dan vijf meter.... hi.... hi.... hi.... ge ziet het, niet waar?.... le vieux.... zóo.... de sidderende handen in de leêge lucht.... rien!.... Rebecca beneden, ongedeerd, als een kat op haar pooten terecht gekomen.... hi.... hi.... en dadelijk aan 't hollen gegaan, schreeuwend haar angst uit, de straat langs.... 't geval had opgang gemaakt.... rijke geloofsgenooten en ook Christenen, zelfs de Fransche en Oostenrijksche gezanten hadden geld voor haar bijeengebracht, dat nu op renten gezet, bestemd bleef voor een bruidsschat.... Dat is de bedoeling, begrijpt u.... want natuurlijk is ze dan eenmaal een partij.... zal er wel een man om haar komen die haar eerlijk trouwen wil."
Monsieur Badaud, om Antonio's lachen bijgedraaid, minachtte: "des contes à dormir debout" en redeneerde voort met monsieur Crépieux, als twee dorpsheertjes, die de oude nieuwtjes van hun plaatsje wel kennen.
-.... "en of er dan geen politie was of recht?" had Johan gevraagd.
-"Securo," schudde Antonio, "hebben we onze justitie.... daar.... kijk daar.... notre police de nuit.... regardez!"....
Hij wees de wagenpoort uit, waar de leêglooper onveranderd geschouderd stond tegen het werkplaatsje aan, verschemerend achter den sluier der zon, die in de straat begon te hangen.
-"Ah oui.... zijn wapens.... wacht.... ik zal hem roepen.... iedereen die hier komt, moet dat zien.... Holé Saleh!" riep hij van zijn plaats vandaan, al molenwiekend met zijn arm.
-"Ik zal hem uit uw naam een glaasje offreeren, let eens op."
Van den lichten muur was de donkere schooier losgeraakt, er afgevallen als een rijpe vrucht valt van zijn tak, weggekropen in zijn nachtachtige jas, slofte hij aan en stond onnoozel.
Dan dadelijk los van handen, begon hij, makend een breeden zoom, zijn kap terug te vouwen naar achteren, lospellend den kalen kop zoo, en hij kromde zich voorover naar het glaasje, dat tot overloopens bol, bibberde weêr in zijn wee?ge glimmeringen van kleurloos vergif. Hij lebberde er het zoompje af, den overvloed weg en goot het toen, als die andere, in zijn verlangenden snoet.
-"Kijk goed," lachte de herbergier.
De nachtwacht, die zich de lippen langzaam likte, haalde onder zijn jas een zwarte knots vandaan, een glinsterend ding, glimmend van ijzerbeslag; met een luie handtoesteking, alsof hij 't voor de zooveelste maal al deed, hield hij den knuppel vooruit. En gelijk 't lichten van een plots opgestoken vlammetje, lichtte in Johan's hoofd toen het preciese begrip, dat er een klein comedietje daar voor hem werd gespeeld. Neen, maar.... die was goed.... die schoelje van een nachtwacht had hem nageloopen, overal op 't Zocco stil gestaan waar hij stil stond, lekker op zijn verhemelte het vuurwater al proevend.... sapristi.... hij wist wel dat de waard hem roepen zou, om zijn knots te laten zien.
-"Maar kijk dan toch," riep nu ook monsieur Badaud, van-op zijn tabouret, achter den Arabier omkijkend.
De kerel, in zijn jas zoo duister als van oud hout een gesneden pop, stond met zijn glimmend wapen in zijn vuist, onder zijn kap aan 't lachen, welwillend; 't smoel gekerfd door een dwarse grijns.
-"Oui, daar slaat hij meê," ginnegapte Antonio, terwijl de nachtwacht bevestigend met zijn hoofd aan 't knikken viel.
-"Un baiser de cet ange ne me para?t nullement doux," meende de kolonel.
-"Ah, oui, il frappe," herhaalde Antonio, die scheen te gelooven dat de schilder het voor een grapje hield.
Lacherig keek Johan 't ding aan, een ebbenhoutachtigen knoet, die van boven wel de dikte had van een jongenspols; een leêren lis was door 't dunne einde geregen en daarmeê hing het om den pols van den politieman. En met allerlei vondsten had de nachtwacht zijn wapen harder gemaakt; hij had er alles maar ingeslagen wat hij meester had kunnen worden, scheen wel; schoenspijkers veel, een zaaisel van ijzeren koppen blank geschuurd door 't gebruik, als de beslagen schoenzolen van Duitsche straatmuzikanten; of had hij het gedaan voor 't kinderlijk plezier om de glinstering, of omdat hij er zijn borrels meê verdienen moest?.... en platte plaatjes ijzer, als stukjes glas, 't hout ingedreven, vreemde figuurtjes geworden, door het toeval ontstaan in een wildemanssmaak voor versiering.
-"Ge moogt het wel dichtbij bezien," vertaalde de waard, "en 't in uw hand nemen, zegt hij."
-"Geef den man nog maar een borrel, Antonio," lachte Johan, die den nachtwacht als een opgewonden mechaniek met zijn hoofd snel van ja zag staan knikken.
-"Is hij niet aardig, ce bonhomme, notre garde de nuit?.... als u van avond naar huis gaat, zult u wel over hem heen moeten stappen, hij slaapt den godganschen nacht als een hond op straat.... regent het.... dan kruipt hij in een ton.... maar wees op uw hoede, maak hem niet wakker, want dan slaat ie er op."
-"En ondanks dat, of liever nog, juist daarom," begon monsieur Crépieux te leeraren, "is men hier zekerder dan in de straten van Parijs."
De nachtwacht, weêr in zijn huid heelemaal gedoken, duisterde als een schaduw weg, de zonstraat in.
Monsieur Crépieux ging voort Johan te onderwijzen over 't zonderlinge recht in Marokko, en de betrekkelijke afwezigheid van misdaden; moord was nog de meest voorkomende crime; meestal een wraakgeschiedenis; maar diefstal bijna nooit, en dat liet zich begrijpen, facilement.... "U hebt natuurlijk de prison gezien.... en door het kijkgat al die miserable gevangenen daar.... voor 't meerendeel opstandelingen, politieke misdadigers, een enkele ook voor bloedschande. Eenmaal in 't hok, komen ze er nooit meer uit, ze vervunzen in 't vuil, sterven spoedig, en de medegevangenen schuiven het cadaver door 't zelfde gat terug, waardoor het is binnengekomen; ze sterven allen klachtloos, de een na den ander, berustende in hun stupide geloof: que tout est écrit."
-"En voor diefstal hebben ze nog een veel grooter absolutisme. De eerste maal dat een man steelt, 't zij een ezel van een buurman, of een kip, of iets van die noodzakelijkheden, wat die arme lui malkander maar te benijden hebben, krijgt hij een geeseling.... vlàn!.... op zijn naakten rug; maar wordt hij voor de tweede maal betrapt, comprenez-vous, dan hakt de beul hem op het hooge huis, tout court, de rechterhand af. En zoo het ten derdemale gebeurt, begrijpt u, of ook wanneer de diefstal groot is, dan oefent de bestolene op 't Kasbah geroepen, zelve recht en brandt met een gloeiend gepunt ijzer.... s.s.t..... den toch onverbeterlijken dief de oogen blind; u zult ze wel hebben gezien, er zijn er hier eenigen, ze zitten bij de poorten, of aan de markt, op de hurken te schommelen, te bedelen met de linkerhand en roepen het medelijden van de voorbijgangers in, op het deuntje van hun miserabel geloofsartikel: 'God is groot.' Gij zult ze gemakkelijk herkennen, ze zitten altijd met den neus in de lucht, zoekend het licht op hun verschroeide oogen, die er precies uitzien als de oogen van zangvogels door den vogelaar blind gebrand.... straffen.... 't lijf pijnigen.... eh bien.... daar hebben ze hier verstand van.... middeleeuwen noch inquisitie vonden verfijnder tortures dan deze kaalkoppen van schurken.... ik noem bijvoorbeeld: 'les mains au sel'.... excuseer mij zoo ik u niet verklaar wat dat zeggen wil.... trop horrible.... trop.... maar gij begrijpt.... zulk een recht jaagt er de vrees in."
Kordaat in al zijn doen had hij een nieuwe sigaret van het buffet genomen en ontstoken, zeggend, "hij rookte te veel", haalde de teugen in, blazend den stralenden rook zijn sper-neus uit, en zat dan met het witte dingie tusschen zijn nog onderrichtende vingers. Hij besloot:
-"Je vous dis.... la peur, c'est une bonne chose."
-"Assurément, la peur, c'est une bonne chose," beaamde monsieur Badaud, "ik herinner mij, hoe 'k eens in Algiers"....
Maar de dokter viel in de rede:
-"Zou mijnheer daar, niet gelooven gaan dat wij heiligen zijn, monsieur Badaud.... oh, als u een Arabier was...."
-"Taisez-vous, docteur."
-"Ah bah, monsieur Crépieux, vous avez raison.... la peur, c'est une bonne chose.... je me tais."
En teruggezakt in zijn onbewegelijk-zijn, verborg hij zich achter rook-mondevollen, terwijl de beide heeren kameraadschappelijk elkaars gezelschap dadelijk weêr zochten, Badaud rooder geworden bovenop zijn koonen.
-"Bepaald," zei hij half-hard-op, "de dokter is dronken."
-"Sans doute," bevestigde monsieur Crépieux.
-"Is het geen zonde van een man met zoo'n intelligentie?"
Johan, die wel voelde hoe dit eigenlijk tot hem gezegd werd, was niets op zijn gemak.... wat drommel, konden die menschen hun vuil linnen niet en famille wasschen.... kwam die vervelende meid maar terug.... Antonio was ook al gevlogen.... als ze nu kwam, ging hij dadelijk weg.
Gepulver van goudstof, zakte de zon in de straatgeul neêr.... 't liep naar twaalf uur.... achter den zonnedamp was de steeg als breeder, de witte muur van het werkplaatsje stond achteruit, van warme weêrschijnen bebeefd. En weêr een loopende man deisde voorbij, badend nu in den lichtdamp, hard en dichtbij klepte de slag van zijn sloffen. Boven den drempel uit zat het knechtje steeds ijverig te pieken, vol aandacht turend op zijn prettig getreuzel, maar schimmig verschijnend in zijn blank hemdjasje, zijn lichaampje verteerd in de kracht van het krioelende licht.
Diep en donker brokstemde van achter uit de kroeg het gepraat der beide heeren; zonder het te willen was Johan er bij, moest hij luisteren naar wat ze vertelden. Crépieux klaagde over de moeielijkheid fatsoenlijke Arabische vrouwen te naderen, maar monsieur Badaud beweerde dat ging wel en vertelde toen een geval. Uit den hoek reutelde een slurpje.... blijkbaar rekte de dokter zijn grog.... wat een zonderlinge man, roofvogelneus onder weeke open-luchts-oogen.... waar had hij dat kijken meer gezien.... was 't niet....
-.... "En ik hield een vijf-pesetastuk in de hoogte, zóo!" verhaalde monsieur Badaud, "de vrouw keek om, in haar kleed onzichtbaar.... ik lokte, zóo; ze kwam dichterbij, kijkend bangig over de heggen van alo?'s; ik weet het nog heel precies, in de verte tegen de berghelling op was een Moor met een span roode ossen aan 't ploegen. Ze kwam, aarzelend wel, maar ze kwam; ik bleef den vijf-frank toonen, zóo. En telkens omkijkend, ik was nog meer den hoek omgegaan, of ook iemand haar zien kon, kwam ze tot bij mij en maakte toen haar gelaat open.... En of ze mooi was.... dat zou 'k meenen.... ik heb haar gekust op mond, oogen, partout.... natuurlijk voor de vijf franken."
-"Gelogen," drifte dokters stem den hoek uit.
-"Maak u niet boos, monsieur Badaud."
-"Ik zeg u dat het niet waar is, dat het een onmogelijkheid is voor een Europe?r een Arabische vrouw te kussen.... moi aussi, je connais un peu mon Afrique, monsieur Badaud, une putain, oui, se découvre, nooit een fatsoenlijke vrouw, c'est de la blague...."
-"En als ik u toch zeg...."
-"Zeg wat u bevalt te zeggen, ik zal u zeggen, dat het niet waar is."
-"Ivrogne," schold de kolonel onder zijn favorites.
Bah, wat stonk die kroeg naar kaas, 't was er benauwd, onaangenaam.... eindelijk....
Stuivend om den muurhoek, slobberde in haar violette jurk de Jodenmeid naar binnen; het koelwitte papierrolletje, als iets dat ze gevonden had, hield ze in de hand vooruit. En achter haar rug om, in den stofregen van bleekgoud vroeg-middaglicht, zag Johan, met éen blik, den mooien jongen schooier, dien hij daar straks op het Zocco gezien had, in het vierkant der wagenpoort treden, op zijn bloote voeten ging hij, voorzichtig met teêren tred. Aan den overkant keerde hij zijn rug tegen den muur, trok zijn been dadelijk op, zich schikkende zoo goed en kwaad dat ging, in zijn voddenmantel.
-"Ik vraag u duizendmaal verschooning, monsieur le peintre," kwam Antonio de gangpoort uit spreken, "maar die meid vertelt een heele geschiedenis, ze is overal geweest, 't is overal druk in de bovenbuurten, vanmiddag gaat de processie weg."
-"Wie is die man daar, Antonio?" vroeg Johan, schichtig.
-"Soleimon? o, een arme gek: hij wacht daar bij mijn buurman op zijn eten."
-"Spreekt ge Duitsch, Herr Maler?".... 's dokters stem was al haar kantigheid kwijt, "ja, ein wenig?.... mag ik u raden voorzichtig te zijn, als ge dien man soms teekenen gaat, een gek, dat is een heilige hier, verstaat ge?.... de Arabieren zouden het u kwalijk nemen, ze zijn wat fanatiek, als ge 't nog niet weet."
-"Men zal mij geen kwaad doen."
-"Zoo, gelooft ge?"
-"Voilà, dokter, eindelijk iemand waar ge meê praten kunt."
-"Merci, Antonio, maar ge vergeet den redacteur van de Réveil, l'Alsacien.... en onzen minister dan met den blauwen bandelier...."
-"Ha, ha!" schaterde de herbergier. Toen, Johan opgestaan ziende: "om twee uur, vergeet het niet, gaat de processie weg, ils partent du Grand Zocco."
-"Verzuim het niet, het is zeer interessant. Ce sont des religieux, des fous, des mangeurs de moutons. Men moet dat zien, 't is zeer belangrijk uit een ethnografisch oogpunt."
-"Merci, monsieur Crépieux."
-"Mag ik meêgaan?" verzocht de dokter, haastig zijn hoek uitgeschoven.
-"Adieu, mijne heeren."
-"Om vier uur kom ik aan 't atelier, dokter," riep monsieur Crépieux, bazig.
-"Bonjour, Antonio."
-"Au revoir, docteur, mijn groeten aan uw minister, ha, ha, ha...."
De beide mannen waren de kroeg uit en onder de zonne-neêrzinking. Achter zich hoorde Johan, Antonio's lachen nog rollen, toen zij 't gekje al voorbij waren. Rustig stond de jongen tegen den muur te droomen, vertoonend zijn sterk en bloeiend spiernaakt, stil lachend zijn gelukkigen glimlach, bestrooid nu en belooverd met zon.
Ze gingen naast elkaar.
-"Ich m?chte wohl mit Shylock sagen," begon de dokter, als iemand die hardop denkt, "Antonio ist ein guter Mann," toen plots zichzelven voorstellend, en met de oogen vragend den ander, zei hij: "Mein Name ist Vogel."
* * *
-.... "wat ge me daar vertelde is zeer karakteristiek.... also Sie sind Holl?nder!"
Zij daalden door de breede hoofdstraat, recht onder de zon, midden loopend in den uitgezakten weg over de hobbelige keien naar de haven omdalend.
-"Dr?le de pays votre Hollande."
Ze gingen langs den bazar, een tentoonstellingshuis, opzichtig beschilderd, met achter de vensters, uitstalling van filigrane-mooie dingen, en van veel aardewerk, dat naar buiten glom uit de schaduw van 't mineraalkleurig verglaassel. Ze liepen de moskee langs, waarvan de kerkpoort wijd open, maar 't inzicht naar het heilige als achter een voorhang versloten was door een hoogopstaande mat. Zweeterig-gele sloffen, bij paren schots en scheef op den grond, want daar binnen was 't altijd gebed. De straat droogde tot wit, er liep geen mensch in de straat.
-"Oui, ik ben er tweemaal geweest."
Op de moskeetrappen en onder den rullen straatmuur lagen duistere kerels languit te vadsen, als gestrafte dieven plat op den buik, en er zaten er gerugd tegen den wand, vodderig, met den kop weggeschrompeld in de schaduw van de kap; hun monden waren opengevallen in de lamheid van den slaap.
-"Ja, tweemaal.... wie die Zeit schnell geht.... voyons.... ik was in Amsterdam voor een internationaal hygi?nisch Congres.... gemoedelijke lui die Hollanders.... en de tweede maal, om relaties te zoeken voor een andere groote reis door Afrika's binnenland, die ik toen prepareerde.... ik was niet altijd wat ik nu ben.... wissen Sie.... verstandige lui die Holl?nder.... natuurlijk is u ook een zeer intelligente man."
-"Hoe zoo?"
Ze gingen drinkbakken voorbij, waar paarden aan slobberden, roodbruine, als nieuwe kastanjes glimmend onder de zon; een melkwitte hinnekte, den toom op den nek tusschen het gespleten maanhaar; ze stonden met uitgerekte halzen, water morsend langs de soepele lippen en langs de gele graastanden, de bitten rinkelden tegen de bakken, ijzergeluid klinkklonk in de zonnige straat.
Bijna zonder eigen schaduw op den grond stapten ze; Johan zag naast zich den dokter loopen, grooter dan hij zelve, al liep deze ook met een ronden rug, als in de schouders geknakt. Vogel ging voort in zijn schunnig-blauwe jas, glimmend tot langs de beenpanden, de hand aan zijn pijp, rookblazend veel boven zijn stijven romp, voorover geheld ook in de daling. Hij ging zoetjes aan, als iemand die over den schouder wat voorttrekt, als een myop mensch met halfdicht turende oogen. Nu van ter zijde bekeken, was zijn snavelneus het voornaamste van zijn gezicht, schedel en kaakstuk leken onbelangrijk bijna; aan zijn voorhoofd, dat druk van rimpels, bultte onder een ouden flaphoed, groezelden uitgebleekte, als weggeschroeide wenkbrauwen. Weifelend kromp de kin achteruit, stekelig van roode en grijze stoppels, ook waren zijn wangen slordig onder een baard van acht dagen; maar klein en verstandig schulpte het oor met een dikken luisterrand. En zijn mond verdween geheel onder een bos half-cirkelende snorharen, in 't midden als pegeltjes, altijd nat, onder de dubbele beademing van mond en neus.
Ze liepen de straat af, de weg elleboogde, en een poorttunnel door. In den dunnen schemer zat er een schildwacht op een bank, als een vrouw in witte kleêren, alleen zijn oogen leefden. En zij daalden tusschen stomme muren, wallen; hoog was het zonblauw.
-"Verstandige lui, uw landgenooten," vervolgde Vogel in een droge, opsommerige gewoonte van maar-door-praten, "en extra-ordinaire gemüthlich." Hij gebruikte een onverschillige manier van redeneeren, bandeloos sprong hij over van 't Fransch- naar 't Duitsch-spreken.
-"Die brave monsieur Crépieux met zijn schorpioenen.... dat wil entomoloog spelen.... aartsdomme kerel.... ik had ze wel in een half uurtje kunnen gevangen hebben.... maar een anderen dag.... wissen Sie.... als ik een dag wat veel gevangen heb, deponeer ik er wat van in den toren.... niet zeggen, hoor.... Antonio versteht mich.... moest Crépieux niet begrijpen kunnen, dat met nat weêr niet te vangen is.... wijntje gedronken.... wissen Sie, met den wachter van den vuurtoren op kaap Espartel, een landgenoot van me.... nu ja, Oostenrijker.... ik ben Hongaar.... zijt ge al geweest op kaap Espartel?.... Neen.... mooie wandeling...."
Als iemand die de behoefte heeft zich uit te praten na lange stomheid, raffelde zijn stem; lijmerig leuk, of spotziek, met een ietwat dikke tong en dan in eens heel rad of het van binnen bij hem stookte.
Een Arabier draafde achter een ezel tegen de straat op: brandrood gloeide zijn fez. De vent begon zijn beest te slaan en aan te schelden, omdat 't niet voort wou, maar met luie gretigheid lipte langs de rottige muurkanten naar de dorre distels.
-"Weet ge wat die meerschuimen pijpekop daar langs ons uitschreeuwt? 'Vooruit, hond van een Christen,' roept hij naar zijn bourriek.... We staan niet erg hoog aangeschreven, vindt ge wel.... de kerel verlangt naar zijn slaapje.... ja, slapen, slapen te kunnen!"
't Pad geelde, want het strandzand begon den weg te bevloeren, 't loopen werd al moeielijk.... zoo dadelijk zou de zee wel verschijnen. Maar de dokter sprak voort en Johan's oogen begonnen van zelve het kijken te laten, hij begon meê te loopen in de dommeling van den praatroes. Telkens voelde hij wel het klotsgeschok van zijn teekentasch tegen zijn beenen, maar overigens.... Wie zou hij zijn, wat was dat voor een man?....
-"Badaud is een jakhals.... wissen Sie, en Crépieux.... ah bah!".... Vogel maakte met zijn pijp een zwaai door de lucht of hij lastige vliegen wegjoeg; het klakte sussend in zijn mond.... hij herhaalde: "ah bah.... wat kan dat u schelen!"....
-"Kaap Espartel?.... vier uren hier van daan," gaf hij antwoord op Johan's vraag.... "altijd als ge den ouden weg neemt, de nieuwe gaat in drie uren direct naar den toren.... menig keertje er geweest.... de rotsen waar de toren op staat, zijn rijk voor een snuffelaar als ik ben.... die vuurtoren.... als ze maar durfden, braken de Mooren vandaag nog dat ding af.... dom volk, zou amice Badaud zeggen.... maar ik vraag, wat kan hun die straat van Gibraltar schelen?"
-"Die toren? wel,.... die is daar gebouwd door een Fransch ingenieur, voor rekening van een internationale compagnie."
-"Ja!.... een compagnie.... une compagnie.... wie heeft ooit kunnen uitmaken wat een compagnie is, vraag zulke dingen aan Antonio.... al de mogendheden hebben er natuurlijk belang bij dat de vaart door de straat goed is.... die toren is een internationale behoefte.... voilà ce phare. Braun, mein guter Wiener, is daar wachter.... Immer ganz allein da oben."
-"Holland".... bromde hij weêr met zijn ontevreden binnensmondsche stem, als hij antwoord geven moest.... "Holland?.... weet niet, denk van niet.... Holland, zeg.... hoeveel malen zijt ge Holland buiten Holland al tegen gekomen.... Voor eenige jaren was hier nog een Hollandsch consulaat.... de Belgische is nog een groote heer hier.... maar 't was te duur, een eigen consulaat te hebben, en nu neemt een ander 't baantje waar.... dass versteht sich.... de Engelsche of de Zweedsche of de Belgische, of een die het op een koopje voor drie, vier landjes gelijk waarneemt.... hm, 't is een lastig ding.... vraag het maar aan Antonio, die krijgt al zijn brandewijn uit Holland.... sind ja doch wirklich ganz gemüthliche leute, die Holl?nder.... Dr?le de pays.... Rooken dat is goed tegen de vliegen, wissen Sie!...."
Hij snapte, mopperde, dikwijls moeielijk voor den ander te verstaan; in zijn damp loopend, blies hij den rook machinaal voor zich uit.
-"Il y a là-bas du bon tabac, 't is waarlijk een culte bij u, al die mooie winkels waar tabak verkocht wordt, on dirait des temples!" sprak zijn stem hoog, met wat kinderlijks in het geluid.
-"Niet waar? beste tabak."
-"Ah oui, c'est quelque chose."
-"Een pijp goede Porto-Rico, hé?"
-"Daar herken ik u weêr.... Dr?le.... Antonio heeft Hollandsche sigaren.... kosten bijna niets."
Al het toeschietelijke en kameraadachtige in zijn manier van praten was als in eens gevlogen. Hij zei niets, stapte voort, of de ander niet naast hem ging.
De weg verliep tusschen verweerd rotswerk. Links, waar Vogel sjokte, steeg de wand rechtop, berghoog. Het H?tel Central stond daar, een groote til gelijkend, in de lucht.... "sapristi, wat hoog."
't Pad was enkel zand geworden. Tusschen de wallen door kwam het blauwe water van de baai op-en-op verschijnen, 't geleek een scheur tusschen heuvels en aarde; een witte schuimstreep, feestelijk als een lange veêr, wuifde en speelde er door heen. En vèr-in, met de illusie van stilstaande poppetjes, prijkten een paar boompjes, smal en rood onder de roze heuvels, nog in najaarsgebladert.
Hoog de zon.
Toen was de weg zoo een duin snel afdaalt. Zij waren de muren uit.
't Strand lag verlaten. Daar aan de borstwering, een eindje nog langs de zee, leunde een man met lange, bloote beenen, de schouders op.... 't leek wel een hoofdloos mensch.... stond hij te slapen?
De dokter vertelde onverschillig, voor den wind weg.
-.... "Ik herinner me vooral van Amsterdam een ouden mijnheer.... in mijn gedachten, rare gedachten.... noem ik hem altijd: le vieux. Tijdens het congres was ik meermalen zijn gast.... dat was een rooker.... hij had heel wit haar, overvloedig, als zij zoo zacht, en witte handen, verbazend blank met rose nagels.... ik zie hem nog.... het lachje waarmeê hij na 't diner een sigaar presenteerde.... ik hoor nog zijn zachte stem, als hij, na 't dessert, de mooie handen op zijn buik, rookende voluptueus en zichzelven bestreelende wanneer hij over zijn goed land sprak, zacht lachte.... o, suave, wanneer hij Fransch praatte.... en dan die handen met het rimpelige vel als hij goed gegeten had.... 't was zoo lekker dommelig.... dikwijls is 't mij later in Afrika's woestenijen gelukt, wanneer ik na een wilden dag, van overspanning onder mijn tent niet slapen kon, in te slapen door te denken aan 't geluid van die stem, zoodat ik 't hoorde.... te denken aan die witte, zegenende handen, zoodat 'k ze zag.... Le vieux bonhomme.... om u de waarheid te zeggen.... hij verveelde me soms geweldig, votre compatriote, wissen Sie.... c'etait trop doux.... Herr Gott, ja.... Eens herinner ik me, 't was bij een diner met de congressisten.... Gott, Gott.... wat is dat lang geleden.... mijn gastheer opgestaan, een toost van hem bij 't dessert.... ik niet alleen had een glaasje gedronken, wissen Sie.... 't was niet om te verdragen.... ik zat een eindje van hem af.... zijn mond ging open en dicht, gapen, geeuwen, 't was of hij sneeuw at, zijn woorden smolten in zijn mond. Toen heb ik mijn handen aan den rand van de tafel moeten vastklemmen, wissen Sie.... want ik wou opspringen en hem naar de keel vliegen.... het uitschreeuwen.... mais criez donc, nom de Dieu.... die goeie oude heer, hij had 't moeten weten.... We zullen maar wat blijven loopen hier aan de zee, vindt ge het goed?.... we hebben nog wel den tijd, 't is nog niet éen uur op de zon, dat klokje staat maar nooit stil.... 't is hier frisch, 't stonk daar ginds.... poeh.... petit homme, also Sie sind Holl?nder! Gij zoudt met mij niet in Amsterdam langs de straten willen loopen, hè.... wat zeg ik."
Onverwacht sprak hij op den man af, en evenals wanneer hij zijn wissen-Sie's uitsiste, loenschte hij om naar Johan, die zijn mond vol tanden voelend voor dien onstuimigen woordenstroom, de kwelling onderging van niets terug te kunnen zeggen.
-"Nun, nun," zei Vogel.... en hij suste weêr klakkend met zijn tong, "laten we hem met vrede; 't is waar, moi, je suis un homme fini.... waarvoor en waarom leef ik nog.... is het niet omdat ik te lui en te bang om te sterven ben?"
Hij was blijven staan, turend of hij wat zag boven zee, de oogleên in peinskringen om de oogen gekrompen, met een schuine vouw hing 't vel uit de kas, drukkend het bovenlid neêr; wat waren zijn pupillen zwart, verdonkerd nog in de staring, als een inkijk in zijn duister binnenste; het blauw er om heen brak onder de dichtrimpeling vanonder de oogharen.... zouen die oogen niet zoo zijn als hij gestorven was?.... Neen, dat was geen man die om meêlij bedelde.
Ze stonden beiden gezicht in gezicht. Stilte van een warmen slaap was om hen.... hoog de zon. Een blauwe rookgulp wolkte achter de snor van Vogel vandaan, vrij van achter de gulden tralies der knevelharen: lichtend wittig dan het licht in, stuivende pluisjes zondamp dan de ruimte door.
-"Wat is rook toch een mooi ding, hè!" zei Vogel.... "ach, Herr Gott, da fang ich wieder an sentimentalisch zu werden."
Ze stapten weêr verder.
Naast hen lag de baai blauw-uit, vlak gestrekt in zonnige rust. 't Water ebde. Loom deinden de lange waterbanen, rimpels en niets meer, onverwacht als denkplooien komen in een effen voorhoofd, kwamen ze op uit 't kalm soezende nat, met lange schuimuitkruivingen, bewegingen van zachte zwemmers, meeuwveêrwit aanscheren. Maar op het zand plaste het water uit tot een plots-kokende waterborreling, even kwaad, dan zoog en trok de baai zijn banen achteruit, pareling nalatend op 't strand, als bronwater op de tong, in een gisting van geruisch.
Aan den overkant lag blank, met een kerkspitsje laag, vaag een wit menschendorpje, aandommelend met zachte spiegeling onder den wal.... het vaste land weêr.... Europa.... maar verdroomd achter 't licht. Rechts, een bastion in zee, Gibraltar's dreigende torenschim, en met een sprong der oogen het waterblauw, de straat, over, de toegankelijke straat naar de onbekende groote en diep-in geweldig-lichtende Middellandsche zee; en dan de rood omsnellende heuvelreeksen.... Afrika al.... woningloos.... vèr aan den duizelenden horizon het gesilhouet van den Atlas, berg-ijs-blauw.... en vlak hierbij.... duinen.... wit zand met twee schrale boompjes als witte berkjes.... begoocheling van eigen stranden.... woestijnbegin en thuis, en dan een dadelijk verschrikkelijk gevoelsvisioen van dorheid en dorstlijen.
-"Ongeluk, 't is een ongeluk," zei Vogel, en 't klonk als een jammering in den wind, "een groot, goed mensch geboren te zijn."
Hij lachte luid na, even schril:
-"Vraiment, c'est du Sophocle.... waarom niet?"
Zij liepen over het natte en donkerder zand door de waterkeering verlaten. Het strand deinde onder de stappende voeten.
-"Des bêtises, wissen Sie, maar dat is toch erg, gehoond te worden tot het laatste, te moeten verdwijnen, zonder dat vuile, krieuwelige tuig, mijn innige verachting in 't gezicht te kunnen spuwen. O, ce Crépieux!" en zijn knorrige stem was met vocht beloopen, "hij is me de baas."
Ze liepen. 't Zand lag in lange ribbelingen; op de aarde, als op een reuzenschaal had de zee den geleidelijken achteruitgang gemerkt van het almaar ebbende water.
-"Vergeef me," begon hij wat weeker, "wat kan het u schelen als ik naar den grond ga.... ?a arrive.... n'est-il pas que tout existe pour faire penser?.... maar och, ik zou willen nu, dat ge me gekend hadt, vroeger.... en waarom?.... dat ge wist hoe mooi ik begonnen ben.... Bah, wat brandt dat water daar fel in mijn oogen".... Hij spoog op 't zand, den mond vol speeksel, gaf een veeg langs zijn snor met den rug van zijn hand.
-"Attendez!" zei ie, "mijn pijp is vuil."
Hij stond weêr stil. Johan met hem. Vogel bukte naar den grond, zoekend een stokje of een strootje of een verloren veêr.
Het strand blonk nog altijd verlaten. Heel in de verte leek het wel of er menschjes liepen, donkertjes onder de ietwat al dalende zon. Walmpjes wind doesden breed aan, op de tong verziltte het speeksel, en een benauwde nicotinegeur ging om de pijp van Vogel.
-"Daar," wees Johan naar den grond den dokter aan, die laag, bijziende als hij was, met de handen scharrelde.
-"Daar, neen, die is te kort."
-"Is die goed?"
-"Merci."
Ze kwamen beiden op, Vogel even kreunend.
-"Badaud?" vroeg hij, met zijn pijp onder zijn oogen peuterend, "hoe vindt ge Badaud.... kolonel.... geloof er maar niets van.... de la blague.... ach, Badauds kunnen alleen zwakkelingen als ik ben kwaad doen, wissen Sie.... maar Crépieux.... pas op de Crépieux."
-"Zoo," zei Johan, zacht meêgaande en proevend uit den klank de bedoeling.
Stom was hij naast den dokter blijven loopen. De kleine vertrouwelijkheden van dien man, van wien hij voelde hoe hij onder de zon al in den dood leefde, bleven in hem vallen en brachten meê hun eigen zwarte beklemdheid. Hij liep naast Vogel, soms met het onpasselijke gevoel dat angst voor iets onbekends geven kan, iets dat men uit zou willen spuwen, zoo kropt het in de keel, en dat men maar niet van zich af te zetten vermag. Hij bracht zijn handen aan zijn zij, instinctmatig, als om zich zoo bij elkander te houden.
-"Laten we teruggaan," sprak weêr in rookdamp, Vogel.... "'t is half twee.... hoor, de muziek is boven."
Schaduw sloeg al voor hun voeten uit op 't korrelglanzende zand, schaduw als van dwergmannetjes. Het zachte branden van de middagzon prikte Johan in den hals nu.
Ze gingen. Vóor hen om de kromming der baai praalde de stad in 't op- en uitgestapel van haar bordessen, met het optronende hooge huis, zonblokkend op de schroeierig roode rotsen. Gelijk een star maanvisioen verscheen Tanger boven de blauwe pracht van het soezende water, onder de luchtblauwe overspanning van den wijden hemel.
Beneden donkerde het havenwerk, rommelig, maar verlaten van drukte; een keikleurige pier stak het water in, en de Moorsche lichtervaartuigen met de dwarslijnen van hun ra's met gereefde zwarte zeiltjes, guirlandeerden er tegen de vuil-blanke onderste huizen van de oude stad. Maar zie, lager naar het strand, daar was al beweeg van omloopende figuurtjes, wittigheidjes van burnous en kleurtjes van kaftans. Ze gingen schichtig de walstraat in.
Buiten de baai, in de wijdweg blauwende waterruimte, van plezierscheepjes scheen wel, witte zeiltjes.... twee, drie, vier, als driehoekige vogelvlerken.
Maar uit het stil stralende stadje zoemde, en al dichter en duidelijker, het openluchts-joedelen van een herdersfluit, woestijnmuziek, en toen aangedragen op den wind, het ondergrondsche gebom van een geslagen trom; 't woei weêr weg, maar jagen kwam een wilde snerp, dol geworden, zich opslingeren in de lucht.
-"Ik vraag mijzelven af," ging Vogel voort, "waarom toch vertel ik u dat alles, aan u, dien ik voor een uur nog niet kende.... steun zoeken.... zwakheid van me.... 't is waar, ge hebt geen kwaad gezicht.... laat kijken.... dat bedriegt wel.... dan.... gij zijt een Hollander en ik ken uw land tamelijk wel, votre dr?le de pays," begon hij weêr te schimpen.
-"Ge schijnt erg in uw schik die uitdrukking gevonden te hebben," liet Johan merken dat hij geraakt was.... "of, en dat is niet aardig, ge wilt twist met me zoeken."
-"Waarom?"
-"Omdat ge nu al zoo dikwijls hetzelfde zegt."
-"Ah bah! zet er u toch geen gal van, jongmensch.... 't is om te lachen.... lachen, lachen.... meer waard dan de vrees, die de patroon.... pardon.... monsieur Crépieux, ons zooeven aanprees.... leer lachen.... Bah, daarvan komt al mijn kwaad.... ik deed het nooit genoeg.... Zeg zelf, wat baat het mij nu, lachen te kunnen.... en wat scheelt het een ander als ik vroolijk ben.... u, par exemple.... over uw Holland, en pour cause...."
-"Dat doet me zeer."
-"Allons donc, 't is de moeite niet waard."
Met de zon in zijn nek, begon er kwaadheid in Johan te schroeien en hij flapte uit:
-"Ik wou dat ge uw mond hieldt."
-"Dat zegt monsieur Crépieux ook, ha!"
-"Ge kent mijn land niet, al denkt ge 't, gij hebt niet het recht met mij te spotten."
-"Allons donc, votre Hollande est tout bonnement un pays fini."
Vlàn! als een klap in 't gezicht, ontving Johan Vogel's onverschillig in den wind gegooid oordeel. Hij had een twist, een kibbeling verwacht en gewenscht, maar nu dàt, als 't eindbesluit na een lange redeneering sloeg zijn kwaadheid stuk. En het was of er een ander naast hem sprak, toen hij zijn eigen wrevelige stem hoorde zeggen:
-"Ge liegt."
-"En waarom?"
-"'t Is niet waar."
-"Ah, jongmensch, ik weet het heel wel.... ge zijt artist, et tous les artistes rêvent aussi un peu la gloire de leur pays.... maar zeg, waarom zou ik liegen, waarom u plagen, wat kan het u schelen, herhaal ik, wat ik meen, ik.... ik die de gewoonte heb gekregen alles luid uit te zeggen wat ik denk.... waarom?...."
-"Waarom? waarom? weet ik het?".... zonder het te willen deed Johan Vogels stem en manieren na.... "gij die...."
-"Ge durft niet.... omdat ik een verloopen kerel ben, wilt ge zeggen, is het niet zoo? wat is de waarheid eenvoudig, niet waar?.... ik wou dat dat water niet zoo helsch glom.... maar, petit homme, dat maakt het mij juist zoo gemakkelijk te zeggen wat ik denk.... où est donc votre fameuse intelligence?.... menschen als ik.... zijn als groote gekken, wissen Sie, ze hebben niets te verliezen, ze hebben niets te bewaren."
-"Verdomme," vloekte Johan.... en hij zei maar wat.
-"Wat, wat zegt ge.... goeie individuen.... maar zijn die niet overal.... onder de.... Dinka's, onder de Hongaren, n'importe.... waarom dan niet in uw Holland.... sans doute, 't is là-bas als in mijn uitgeblonken leven.... vonken nog.... ah oui.... opflikkerende vonken.... des morceaux de pensées.... maar het lichaam.... wissen Sie, la masse reste inerte, frappée d'apoplexie."
Wederom moest Johan maar wat zeggen, verslagen. Wat te antwoorden aan de driestheid van zoo'n naren kameraad, die in de vernietiging van zichzelven, den ander te treffen wist in zijn ongelukkige origine.
-.... "Waarlijk.... ge hebt gelijk, waarlijk, das bewegt sich, ?a existe, 't maakt leven.... jawel.... als deze zee, wissen Sie, die maakt ook leven.... hoor.... maar in waarheid beweegt het water niet, water is traag, voortgaan doet het niet.... 't schommelt, 't schommelt.... uit.... thuis.... un songe.... begoocheling van beweging...."
-"O, we hebben nog kracht, we zullen nog veel.... we zijn nog rijk."
-"Steinreich, niet waar?.... Zijt ge 't bij geval zelve?.... Herr Gott, noch einmal.... daar weet ik van.... rijk.... waar is dan toch uw rijkdom.... une tradition.... als uw heele bestaan là-bas.... Rijk.... des vaches.... voilà une trouvaille."
-"We hebben nog, we hebben...."
-"Wat?"
-"We hebben nog groote artisten, par exemple, tout le monde le dit...."
-"Jessus...." hoonlachte Vogel met zijn hand aan zijn oor.... "daar heb je den ouden heer weêr.... hm.... hm.... een volk dat groote artisten heeft is zelve groot.... want de artisten komen toch uit het volk.... qui le dira, je demande.... Hij heeft ze mij genoeg aangeprezen, uw artisten.... le plus fameux.... une femme, n'est-ce-pas? et.... mais ce sont des vrais Mormones là-bas.... Dr?le de pays.... dat is er van gaan houden zoetjes gekitteld te worden...."
-"Ik waarschuw u, mijnheer!"
-"Dreigen geeft niets.... dadelijk doen.... nu is 't al te laat.... nu zijt ge alweêr wat kalmer...."
-"Petit homme, petit homme...." vervolgde hij, gemoedelijk lurkend, "zet u er toch geen gal van.... à quoi bon?.... voorheen heb ik ook wel eens gedacht, sprekend met een goed mensch là-bas, dat uw vroeger zoo sterk, zoo springlevend volk zichzelve suicideerde, bewust, omdat 't niet anders kan.... maar 't is niet waar.... wissen Sie.... comme moi, tra?nard.... oh! ik weet wel.... ah, bah.... gaan we maar weêr naar boven.... even aanloopen bij Antonio en daar, wed ik, offreert ge mij een glaasje.... drinken, een sigaar in de zon rooken.... voilà, mon cher, voor 't oogenblik, absolument quelque chose."
Hij had Johan onder den arm genomen, maar die, wrokkend, zei:
-"Neen, daar houd ik niet van, ik loop liever los."
En de zee verdween. Daar op de borstwering leunde nog altijd de man, of hij te slapen stond.
Van-om de haven daalden nu veel menschen: vrouwen bij twee?n tredend, spookrecht in hun omsluiering; sommigen hadden een ronden bobbel uitpuilen van achteren, door het onder de doeken op den rug gedragen kind; en heeren, kalm loopend, ook in omsluiering tegen de zonnebranding. Veel mannen, werklichamen, kwamen op hooge naakte beenen aan, die ze uitwierpen, neêrspalkend de voeten in de smakkende muilen; scheenspieren spanden taaie vezels onder kuiten als van hard hout. Forsch met de armen zwaaiend, weken zij den hoek om en de walstraat in, dadelijk kleurend in samenlooping, of gingen den buitenweg op die achter de muren cirkelt rond de stad.
Johan en de dokter liepen meê in de walstraat, maar Vogel, thuis, sneed al gauw een zijsteeg in, en ging toen links en rechts, wankelend over 't lastige pad als een dronken man, in zijn pijprook schier dravend. Ternauwernood hield Johan hem bij. Langs versch gekalkte, met oker besmeerde muren gingen ze, lage slopjes door, nauw en gedrongen in gelen schemer, soms pakkend op een hoek een worp zonlicht gelijk een neêrgeschoten pijl. De straatjes volgden elkaar, vaal als harpuis of wittig van wanden, bespat, bedrekt, waar een oud geluikt raam en op de ribbels met zand bestoven, soms met kruishouten dicht was; over een weg vol gaten struikelde Johan met telkens zwikkende voeten den dokter achterna, hoog en laag door de drogende modder, over struiken en groen, bossend en bezemend overal, vegeteerend in den vruchtbaren zonne-schemer.
-"Loop toch wat aan," riep Vogel.
Dan gingen ze voorbij een kleine deur en met een snellen inkijk zag Johan als in een droom, er een vrouw staan in een hemelsblauwe pantalon die uitpofte, opgeblazen scheen om de dijen, maar om de enkels straks was. Zij hing kleêren over touwen te drogen, hief de armen boven het hoofd op, het zwarte vestje plooide langs haar borst, soepel in 't witte onderhemd. Kin en bovenhoofd had ze, als bij een gekwetste, in doeken gewonden, aan haar voeten graaide een kind over den vloer van gebakken steenen en spartelde met de naakt-blozende beentjes in de lucht. Verderop verliet een Moor zijn huis, overstappend het drempeltje, neêrbukkend uit het lage kozijn, met een verstoord kijken ging hij norsch voort. En een schrale Hebre?r, schriel-spichtig van kop, met een pluizigen en wormstekerigen baard, die een oude vijgenmand aan een touwhengsel in den knik van zijn arm had hangen, die een tooneelachtigen wandelstaf telkens tikte op den grond, liet hen voorbijgaan, groetend beleefd met de hand op zijn hart, door de looze oogen nieuwsgierig vragend: "wie zouen dat zijn?"
De muziek wandelde, scheen wel, oproepend door de stad. Onverwacht, gelijk aanwaaiing van tocht, zoemde bij wijlen het schreien van de verre rietfluit, en dompte het geboem van de gong; het was met den vinger aan te wijzen waar de muzikanten liepen.
Vloekende, van binnen nog kwaad, strompelde Johan achter den dokter aan, die zwaaiend met één arm, met langere beenen harder loopen kon.
.... Duivelsche vent, dat noemt zich òp en wat kan hij nog hard loopen.... Kijk, zijn eene schouder is hooger dan zijn andere.... en een neiging kropte in Johan's keel om Vogel uit te gaan jouwen, onder het loopen hem na te schreeuwen.... Zeg, struikel niet over je scheeve hakken! zeg, trap niet op de randen van je pantalon! Sapristi.... daar kon je op loopen, dat klonk als een deuntje.... trap niet op de randen van je pan-ta-lon.
Nog een hoek om en weêr een bocht. Vogel gaf een ezel die in 't straatje graasde, een stoffig-klinkenden klap op het kruis, 't beest sjokte uit den weg.... toen, een eindje snel dalend en ze waren als neêrgevallen midden in de straat, in eens herkend, die van 't Kleine naar 't Groote Zocco gaat, en waar onder de zon de drukte in de breedte drong.
-"Te laat voor Antonio," zei de dokter, even keerend, "de muziek is achter ons, boven, hoor maar!"
Dof, in een breede uitrolling van een geluid dat veel lucht verzet, dichtbij gehoord als na-dondertjes over wolken vertuimelend, bonsden nu de slagen van de donkere trommel: boem, boem, boem, gronderig onder het neusachtige getoeter van de klagelijke klarinet.... hoor!.... dat klonk als een melodietje, almaar dezelfde vijf, zes nootjes, je zou ze kunnen teekenen, het overspringen van de krijtende klankjes, een lijntje als een snel bliksemstraaltje, zigzaggend, en dan den gillenden snerp, recht.
Een keiige vloer, baande de straat op; drukte joeg onder de huizen, storend telkens de eenzelfde beweging van kalm opgaande menschen. Aan weêrszijden der straat winkeltjes; tusschen de lieden door zag Johan weleens een koopman gehurkt zitten op zijn mat, in de schaduw en aan 't rooken alsof er in de wereld niets anders was te doen, keek hij uit stil-bruin, doffige oogen den voorbijgaanden menschendrom aan. Op de platformen boven de winkels stapelde veel opgeborgen pakhuistuig; manden en tonnen, vervreten door regen en veel zon; hooger stegen dan weêr muren naar het blauw.... Daar gaapte een zwarte hoefijzerpoort over de hoofden.... van een hal, leek wel.... en kijk, daar puntte de hellebaard op van den marabout.... van dien aansteller in zijn splinternieuw oranje theaterpak.... den heilige met zijn gemeene, branderige oogen.... Zie, hoe dat ding gepoetst was en blikkerde in de zon.... Die vent liet zich teekenen.... dat had de gids verteld.... Een Belg had eens een schilderij naar hem gemaakt.... een heel duur.... dat weêr had Antonio verteld.... Hè.... wat rook die Arabieren-rug daar vóór hem.... muskus.... en uitwaseming van sterk vleesch.... 't stonk wild....
Zij liepen al onder den walmuur, nu aan het Zuidwesten van de stad. Ze gingen de straatpoort door. Daar zat zoo'n gestrafte dief, de oogen verschroeid als bij een blind gebranden vink, in den zonnigen post, onder de deur weggedraaid op sterke scharnieren, zijn godsdienstig deuntje te zingen. En Johan moest neêrzien op zijn dood gezicht, achterover met den jammerenden mond.
Tusschen de fladderende, kleurende en lawaaiende drukte gingen de beide Noordmannen, bijna schouder aan schouder, meê op den rhythmus van de veelvoetige beweging.
Tusschen de hooge walmuren onder het Kasbah liepen ze als door een droge vestinggracht. Hoog brokkelden de zon-oude steenen der kanteelen als een hoekig plooirijgsel onder de glinsterende lucht. Bossen wintergroen onkruid pruikten uit de voegen, slierden er langs neêr aan de roestrood harige wortels.
Nu, als tot een bastion, dijde de gracht uit. Smeden hadden er hun werkplaatsjes gemaakt in de uitpuiling van de muren. Een, gebukt boven den op zijn knie geknikten paardepoot, de fez achterover tegen het afvallen, hamerde het glimmende hoefijzer vast.
Toen, zooals water persend gaat door een duiker, drong de drukte samen en het enge Zoccopoortje door. Zij waren buiten.
En in Johan's oogen klaterde hel het zonneruim van het groote Zocco.
Het marktveld, beginnende met zware aarde, uitschuivend zijn drekkige heuvelgronden, rommelde van volte, krioelde van zich weghaastende kooplui. Links daalde de volte in de stadsmuur-schaduw, of was daar de markt nog in vollen gang; maar rechts rezen de terreinen in amphitheaters stijgend, en stonden daar beplant met stralende gestalten, met rijen van sluier-vrouwen.
In het dal-midden, waar onder het aantreden naar de rijen, de vloer telkens bloot schoof, in sombere lijnen als versch opgehaalde ploegvoren onder het neêrschuinen van den lichtvloed, golfden en sleepten de loopende witte plooien door 't bonte lawaai; maar hooger schaarden zij zich saam, blinkende stil, tot een volk wel, in de zon-atmosfeer.
Tot waar de helling het hoogste tegen de rimpellooze lucht aanging, stonden zij, beeldjes achter eveneensche beeldjes; tot onder de heggen van het kerkhof: alo?'s, die ratelden van groen licht op hun vervaarlijke stekels, die slurpten in hun schaduwen het hemelblauw en waar bovenuit, zooals een toren steekt uit een stad, een gladde obelisk steeg gelijk een naald stijf verstorven licht achter den rouwwaaier òp van een eenzamen ceder, stonden de stille vrouwen in het al-parelend warm blank van hun bezonde gewaden.
-"Waar blijft ge toch?" riep de dokter, vooruitgeloopen, naar Johan.
-"Maar kijk dan toch!"
Gelijk een schreeuw die plat slaat tegen de ruimte, hoorde hij fel zijn eigen bewonderend roepen en om zijn slapen ging een blaaskou van sidder-wind.
-"Wat?.... daar?.... vrouwen, die als wij op 't weggaan der gekken wachten, die, dàar en daar met die groote hoeden, dat zijn vrouwen van Tetuan."
Vogel had zijn pijp in de hand genomen en wees er mêe naar de stroohoeden, gelende dingen tusschen de lichte gewaden.
Zij begonnen den weg te loopen die als een waterbaan tusschen landen de terreinen inging. Johan rechts boven zijn oogen almaar ziende in de zonnehal het statuen-staan van de witte vrouwengelederen. Hard voelde hij den straatweg aan, maar langs de kanten was het slijk hobbelig, als water in kabbeling bevroren, bekuild, betrapt met de duizenden gaten van de voetstappen. In de vlucht van zijn oogen bleven de heuvels opglooien uit den weg: aarde-voortschuiving onder de menschjes, modder verkorst en molmend in de zon, maar omgewoeld weêr, zwellend van sop en onderaardsche kleuren; vertrapt gras en verrotte rommel, saamgekloend voederhooi en geknakte stroohalmen die als gouderts-aderen flikkerden onder de zon in de rosbruine gronden; disteltjes en eendaagsch onkruid, schijngroen, onder het geschuif en gewrijf der almaar haastende voeten van de mannen die gingen met veel lawaai.
Doch zoo een vlieg dwaalt naar de kaars, keerden Johan's oogen van zelve naar de vrouwen, staande in éenzelfde berustende wachting, breed-blank, staand-blank; elke gestalte besterd voor 't hoofd, fataal, met een blauw-zwarte plek: de donkere plooischaduw voor hun oogen.
-"'t Is mooi, zeg!"
Maar de dokter ging het pad op, zei niets, smal, als verkrompen plotseling in zichzelven, en Johan, met de armen uitbundig geworden, had het genot in zijn oogen vochtig, wiegde zichzelven mêe op den schommelenden hooggang van zijn klimmend lichaam.
Overal haastte zich de marktdrukte henen, langs de straat, overstekend de straat en weêr kuilend de modder, voorbij hem, achterom hem, in plasserig beenenbewegen, links in een almaar gebuk naar den grond, bezig met de overgebleven koopwaar. Het was daar een geploeter van veel handen uit wijde mouwen gestoken, zonbruine handen sjouwende goorgele korven, soepel vlechtwerk aan groote biesooren op en dan ze tillend met een hijsch op de ruggen van de suffende ezels, of ze bij twee?n langs de basten in evenwicht ophangend, en klaar er meê vort, hooger op, lager in, altijd aan den gang. En onderwijl schreeuwden ze onophoudelijk, zetten de lucht om hen aan den gang meê; kruisschreeuwen, dwarsschreeuwen, keelstooten vol haast en zangerige uithalen van hun winden woestijnstemmen galmden over de glinsterende hoofdbollen, grommelden over den rommeligen grond onder het gebuk van de gekaftande mannen door de zon op de ruggen geslagen, krijschten met het gedraaf van de geburnousde mannen met kanten zon om kopkappen en mouwplooien;-een volksrommel, uitlichtend zóo tegen de groote stille schaduw van den stadsmuur, die plotseling als met een snede, achter de veranderzieke lijn van het licht, de kleur en de beweging in zich dronk.
Zij gingen.
Links nog, maar meer van hen òp en verder, was het veld begrensd onder de tintellichte lucht. De zonnebol, door Johan schuin boven zich gevoeld als een brandend groot vuuroog dat het gezicht wel verschroeien kon, vernietigde het blauw der eindeloosheid rondom zich wijd, wijd-weg.
Dáar uit de laagte optrekkend, zette de muur zich voort tot een buitenwijkje in huizingen zonder vensters, hoogblokkend, laagblokkend, verkalkt, verweerd, vervuild, éen geworden met den grond. En overal er tegenaan was hokwerk, schuurtjes, stallinkjes van rotdonker plankenhout, en vlechtwerk als hutten voor de zon, schaduw-inkijkjes gevend, en overal beplekt met kalm zittende witte menschjes aan den rand van de markt. Ginds een stuk steenvierkant, afgeknot gelijk een vervallen toren, met schietgaten; er naast en er tusschen verliepen hegjes van gevlochten riet, de pluimen nog in de lucht. Maar in 't midden van den huizentroep en het hoogste, was een oud, opgeknapt huis, wittig, met een pannendak en een jalouzie?nraam, en op den muur een schreeuwende moderne reclame, zwarte letters: "The Britannia."
Zij drentelden langs een lang huis onder een regenoverhuiving, aan den straatweg gezet gelijk een loods, met halfronde, open poorten, als een karavanserai omstapeld met rommel en markttuig. Een knutselige betimmering van paalwerk en met veel zorg gevlochten takken zag hij als een loofhut tegen den muur gehecht, aan alle kanten open.... Zou dat de Beurs kunnen zijn?.... koopmannen zaten er te rooken of kopjes thee te drinken.... handelend misschien wel.... ze konden van-op hun matten de geheele markt overzien. Een Arabier als een vredebode met een palmtak in de hand, blikte uit den inkijk.
-"Daar ga ik morgen zitten werken," zei Johan.
-"Ge zult het wel laten."
Vooruit ging de straatweg het terrein uit-enden, bolde om tusschen de glooiingen en de diepte in, niet meer met de oogen te volgen. Rood loof van den achterweg kroonde er boven.
En ze liepen naar het einde.
Rechts streken de heuvels naar het kerkhof op, achter zich een dal latend, waar de hemel als in neêrviel. En daar tegen de helling rezen stijf en onthuis, in een begonnen begrenzing, gelijk de eerste huizen van een nieuw ontworpen wijk, het H?tel de France en de Spaansche Fonda:.... dingen van speculatie, overbodig en karakterloos uitziende dingen, die ge wel zoudt willen omschieten, zoo onnoozel stonden ze daar het uitzicht te bederven.... Het eerste was een villa?chtig heerenhuis, damesgezichten plekten er uitkijkend voor de ramen, een kellner.... hoe kwam de snoeshaan hier.... met een wit voorschoot als een rok om zijn beenen, stond er strak in de deur.... de Spaansche, meer armelijk, als stal en koetshuis van het Fransche.
-"Dàar!" wees Vogel tegelijk omkeerend op het pad, "logeerde ik vroeger.... nu ben ik in pension.... ginder, buiten den muur.... ook bij een Spanjaard.... daar slaap ik met nog een ander, een photograaf, een luien Zwitser, nog luier dan ik, in een klein kamertje.... 't is er wel wat benauwd, maar 't kost niet veel.... ah bah.... 't slaapt wel.... als ik maar slapen kon."
Ze gingen terug, den weg weêr af.
Nu vóor hen, zooals een tunnelopening in een bergwand een spoorweg eindigt, boorde het Zoccopoortje waar ze waren uitgekomen, den muur in. Rechts kleurden kramerijen, zadels, kameeltuig. Maar uit het gat der poort drong in durende botsing het helle in- en uitgaan van de bezige mannen, en van de vrouwen, die gesloten aanwandelend opklommen naar de wachtende witte gelederen, blinkend nu links boven in Johan's oogen onder de glorie der zon.
-"Hoort ge nog muziek?" zei Vogel. "Kijk.... dàar, dat zijn de fameuze tuinen van den Zweedschen consul.... en daar, waar die man op zijn wit paard rijdt, de kolonel.... ziet ge hem?.... achter die vier vrouwen.... ziet ge het?.... een goed paard, hé.... daar gaat de weg naar Kaap Espartel.... Lieber Herr Gott, als ik nog denk aan Crépieux zijn schorpioenen.... aartsdomme kerel...."
Hij wees, maar dadelijk weêr halend aan zijn versch gestopte pijp, naar 't gekruin van donkere boomen, groen als sombere cypressen met hun rossig stammenhout. Ze schaduwden stevig onder den schroeierigen opstand der rotsen bestapeld met de oude stad.
De volte werd al dunner, de drukte draafde. Kale plekken begonnen te liggen tusschen de nog groepende menschen, stukken grond bespikkeld met den afval van den handel. En vrouwen die er pas nog zaten met de zoor-zanderige voeten bloot, hurkten, rapend de gele waterflesch, den bast van een uitgedroogden pompoen, naast zich op; dan schikten zij zich de plooien voor het gezicht recht en stegen ook naar de stilstaande rijen. Enkelen droegen nog hun onverkochte koopwaar, boenders, karbiezen, of goudgele kippen aan de pooten saamgesnoerd, de vleugels lam hangend, de lellen rood; zij klauterden met de bulten op den rug van hun meêgedragen kinderen, met hun van pijn luid kakelende marktwaar.
Hoog en ongezien de zon, zacht dalend.
-"Voilà!" riep de dokter.
En als de snerp van een aangeschoten wilden vogel sneed er een blaasgil recht uit een houten fluit over het Zoccoruim. En een teruggalm, dadelijk, weêrgeluidde nu van de hooge heuvels: een breede gil groette wijd, het blanke vrouwenvolk hoogkeelde in éen zonnekreet:
-"Dzji.... dzji.... dzji-e."
Door de poort was een legertje uitgedrongen, twee vaandels bukten onder den boog nu door, blauwbloederig-violet was het eene en het andere van een gelig schel voorjaarsgroen. Ze verschenen met plotsflappende schitterlichten op het verguld van de halve-manen.
't Legertje bleef met de voorvoeters stil op den straatweg staan. Een klein troepje in witte boetelingenhemden, acht misschien wel, en nog een twintigtal waren er donker in dagelijksche kleeding.... Maar de drukte kwam aandraven al met flakkerend wisselspel van kleur, en het schaartje ineens omstuwd, verdween voor de naar beneden kijkende oogen van Johan, die den dokter toen vergetend, aan 't hard meêloopen begon, het pad af, recht-aan op de zij?ge banen der twee vlaggen, trofee?nd boven de krioeling langs de hoog gehouden stokken met hun gouden sikkels.
Het hart van den loop nog bonzend, was hij toen middenin den troep terecht gekomen en had vóor zich een grooten, stroeven man, die half in de krooken van de violette vlag, den stok tegen zijn buik geklemd hield en in een gelaten houding stond. Maar overal glurende, glimmerende oogen in een omstanders-kring, zonkoppen onder doeken gezien, met de tanden ontbloot door het optrekken der lippen in het zonnekijken en allen bedonkerd onder de baarden en in de jukken van de wangen. In het midden blonken de stille witte ruggen van de heiligen.... dat was een vrouw.... en naast haar nog een, eveneens in het witte boethemd.... de grootste heur haar hing los, glanzende losgemaakte strengels glijdend langs den rug.
De drukte duwde, en Johan kwam te staan naast den trommelslager, bij een ouden neger, grijzig en krullig van baardjes, wenkbrauwloos, maar met een vlok als een kuif wol midden op zijn stoffig-zwarten kop.... een duister oud lichaam in de aschkleurige lappen van een niet thuis te brengen hemd. Zijn taaie nek werd gestriemd door een vet koord.... kijk, in zijn borstgleuf hing een amulet, geschaafd was de huid van den ouden man, die slaande de doffe slagen, boem, boem op een trommel gedragen als een overlangsche ton, zijn gebarsten lippen breed en paarsch openspleet in een geheimen lach, zijn oogen in de haarlooze leden rondglibberen liet, en 't wit er van was roodig.
Naast hem de pijper onder een witten tulband priesterlijk aan 't staan. Een mantel van blauwgaren stof droeg hij over den rechter schouder geslagen, bloot latend zoo den linker met de witte mouw. Statig gebogen hielden zijn armen de blaaspijp tusschen mond en kin, die half verdwenen achter een houten schijf als een grooten ducaton er tegenaan geschoven. En hij blies, hij blies, de lippen gekneld om het enge mondstuk, de wangen vol wind als twee elastiek appelronde blaasbollen, onophoudelijk, terwijl hem de oogen benauwd puilden als van een gemarteld man.
En krijtende om de houten randen van de windpijp, scheurde de snerp langs Johan's ooren heen, ongebroken, dan dadelijk geknakt in zijn stijgvlucht door de moduleerende vingers van den muzikant, wanneer hij de windgaatjes kneep. Krimpend en kreunend, neusklankig, in zijn houttrillingen oproepend het menschelijke van eene stem, joedelden de vijf, zes klagelijke nootjes, het melodietje, als een donkere zig-zag en klangden naar de lichte lucht.
Vóor den blazer, achterin, voorbij de hooge stijging van de groene vlag, bewoog een verdolde, schichtige kop vol genezen nerven, een bovenhoofd gekliefd door de litteekenen van de hakken der zelfkastijding; en een nek van de kleur als dood loof kwam schudden, door ijzeren kettingschakels omsnoerd; en hoogeròp zwaaide een hakmes, de blinkende hellebaardvorm van een moorenbijl.
Naast achter den pijper zaagde een hand heen en weêr over een snaartuig, over een rommelpotachtig ding.
Maar Johan voelde een stomp en toen een ruk aan zijn tasch, hij raakte naar achteren; een snauw ging recht uit den donkeren baardsmoel van een wilden kerel zijn gezicht in; twee haatoogen, dat was het laatste wat hij zag. Hij was 't gedrang uit met plotseling veel luchtkou om zich.
-"Hoort ge niet, "hond van een Christen," dat ge uit den weg moet gaan."
Vogel stond achter hem.
-"Dwaas, wat komt ge die menschen irriteeren, ga meê, ze komen den weg langs dansen, daar kunt ge zien zooveel ge maar wilt, kom!"
En ze liepen haastig, allebe? den weg weêr op.... tot onder de loofhut waar de kooplui kopjes thee hadden zitten drinken. Nu stonden dezen, rustige rijken, in het inzicht van het hutje, onder de wijde kappen uit te kijken. Nieuwsgierigen waren op de tonnen geklommen en op de stapels koopwaar onder de karavanserai gestapeld, er waren er die om voorbij de anderen te kunnen zien, den voet vooruit hadden geplant op de ruggen van de suffende ezels.
-"Voilà!" herhaalde Vogel.
Van beneden kwam de stoet al opdansen; en langs de hoogten rommedomme schalde ten tweedemaal het schelhelle vrouwengehuil, hooguit als hondenjanken:
-"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Over de straat, uit de bont-klimmende omstuwing, onder de wilde vlaggen-kleuren met het geschitter van de twee gouden sikkelen, sloegen op en neêr, lichtend en duisterend van uit de verte, haarhoofden en boven-aangezichten: de knikkende hoofdbollen van de dansende heiligen; terwijl in 't rechts-alomme het ophitsende gillen van de vrouwen begon te duren tot een oorlogsgeroep van slagorden, een wolk lichtende klankpijlen stijgend en vallend onder de zon.
Laag over het pad snerpte de herdersfluit bezetener, en het triolend melodietje overschreide er het bange dompen van trommel en gong.
-"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Langzaam op, langzaam aan, het stoetje klom, sprong voor sprong, den grond onder de voeten winnend, in een rechtoppe cadans van het springende lichaam. Aaneengesloten was het hoopje witte gekken tusschen het meêgaand gedrang.
Achter den troep spande de walmuur zijn bezonde baan, lang, strak uit, ging dan wimpelen naar boven over de rotsen op.... En de witte stad hoog in de oogen als een pagode gezien onder 't azuur der lucht.
-"Dzji.... dzji-e.... dzji-e!"
De gekken naderden aan in eenzelfde dansen; 't hoofd óp, licht; schouders óp, licht; het hoofd neêr, donker; 't lijf ongezien op de beenen óp en dan het hoofd weêr óp, en de muziek blazend in de slingerende halzen óp. Maar de vlaggen stil aanschuivend. Zoo kwamen ze aan met hun martelgang.
-"On dirait des kangourous, n'est ce pas!"
-"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... ijlden de blanke kreten.
Ze waren tot voor Johan.... bijkans.... nu....
En tusschen de voorbijschuiving van het donkere joelende volk zag hij de hoofden der twee springende vrouwen; toen kreeg hij gezicht op hun witte lijven met de devoot hangende armen.
De vèr-affe was teêr en wasbleek onder de serpentbundels van haar zwart-zwiependen haren. Ze hield de oogen dicht, neêr de rouwfranjes der wimpers; en haar mond met de bloedlooze lippen hield ze geknepen tot een smartglimp omgekrompen in de pijnigende inspanning van de jammerlijke beweging. Maar zij danste met een rein, recht opgooien van haar afgetobd hoofd in het licht; recht òp den schouderromp met de fijne borstpunten in het licht; rein òp het witte boetelingenlichaam, en ze viel weêr op de voeten, den linkschen voet vooruit, klaar al voor den volgenden sprong. Dan plooide het lijf voorover in doorval met de hangende armen, en het hoofd dan laag met den daarna zwaar zwart ploffenden haarbos.
-"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Naast haar de dichtbij?: een bruin-roode en glimmende vrouw, forsch uit haar hemd komend, sterk en kort en een beetje zwaarborstig, met een volkskop onder krioelende haren. En ze ging den zelfden gang maar gespierder, de ellebogen knotsend, de vingers stompig krom en leêg hangend, den romp zich overgevend met de schouders. Zoo sprong ze in een schuin opschokken, persend den buik naar voren, en haar gezonde nek rimpelde in den opgooi van het hoofd. Zij hield ook de oogen gesloten.
Daar kwamen de mannen, de witte, achter de vrouwen aan; allen aan 't springen op denzelfden bezeten lichaams-rhythmus, maar met meer geweld van leden, spillend kracht met de behaarde en mager-donkere ascetenarmen. Daar éen met een witten band om zijn stompen schedel achter de ooren gestrikt, die de glimmende kogels van zijn oogen rollen liet in den opzwaai van zijn verstarde facie, uitstallend zijn geweldig gek-zijn voor de joelende meêlooperij.
-"Dzji.... dzji.... dzji!...." gingen de ziedende kreten.
Van de beide Noordmannen ging het witte stoetje al af, en nù voorbij de kleurende en naspringende en meêdansende bende. Het volk begon uit elkaar te vluchten, dravende over het zonveld, brokkelig hier, kloenend daar weêr samen op goede standplaatsen, van waar men de gekken nog éens zou kunnen naoogen.
Voorbij ging de trommelman, de grijze neger, die aandriftend, zijn oude beenen in de hoogte meê opsmeet soms, maar slaan bleef almaar zijn doffe slagen en lachte almaar zijn breeden, wellustigen geloofslach.
En de pijper in zijn blauwgaren mantel voorbij als een leviet; uit zijn wangen vol wind blazende de opwinding den heiligen in de nekken, de onophoudelijke razendmakende eentonigheid van zijn krijtende woestijnmuziek.
Kop voor kop, lichaam na lichaam ging voorbij, òp-neêr, òp-neêr; de dragers toen voorbij van de schrille banieren, met de handen om de stokken stil, hoog heffend hun vlaggen met de branderige schaduwen in de hangende plooien, met de halve manen in vuur.
De drukte draafde voor het stoetje meê op; het gedrang er achter spleet al grooter en grooter, de springers waren vaak voor Johan als een schooltje te zien in hun gezamenlijken opgang, zoo zij zich opgaven van den grond in d'eenzelfden schok; òp-neêr, òp-neêr. En onder de duistere voeten dansten dan donkere slagschaduwen over het hobbelige pad onder den schuinser vallenden licht-overvloed.
-"Dzji.... dzji.... dzji....!"
Maar zooals een hond holt om de beenen van zijn meester, kwam nu in cirkelenden omgang de Arabier met de kerven in zijn voorhoofd en met de oogen rood beloopen, het legertje omdraven, gaande in wijdgenomen kringen achter Johan en den dokter om, de heeren voorbij; de vlam-lichtende moorenbijl hoog.
-"Dzji.... dzji.... dzji....!"
Hij torste op zijn rug een lang blok zwart hout als een groote flesch, als een spitsig aambeeldje van zwaar ijzerbeslag glimmend, en om zijn doffen nek, draderig van de touw-achtige spieren en aderen, snoeren van zware ketens, die neêrschakelden tot over zijn buik. Hij hield hangsloten door zijn vleesch geregen, door 't dikste van het armvleesch, en hij kreet uit een open martelmond met uitgeslagen tanden, schorre, zinlooze geluiden.
Alzoo toegetakeld en rammelend sprong hij, niet voelend scheen wel, zijn godgewijden last en stampte dan als zich bezuipend aan pijn, diktranende en donkerroode bloedstralen zijn vaste kuiten uit, die hij doorstoken had met ijzeren naalden, zooals pennen gaan door een stuk opgemaakt tafel-vleesch. Weg!.... achter het legertje om.... daar ging hij met zijn dreigende bijl, licht-flappend in de zon....
Hooger danste de troep. Knikkend sloegen de hoofden voort onder den zweepslag der bezetenheid, weg weêr, donker, licht; òp, neêr, òp, neêr, gelijk de koppen van riethalmen buigen en zich terugzetten onder het slaan van den wind; de kronkels vrouwenhaar slierden, de vlaggen brandden, en krijtend snerpte de houtfluit.
-"Blijf hier staan," zei Vogel, Johan met de hand inhoudend, "ze zijn toch dadelijk weg.... zoo gaan ze naar Mekkaenes, van heiligen-graf naar heiligen-graf, groeiend onderweg in getal, biddend en vastend.... en op den dag van de geboorte van hun profeet komen ze dan terug, wissen Sie, na een paar weken, uitgevast, dol gesprongen, complétement fous."
-"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... groeide het over de heuvels.
-"Ah bah!" vervolgde Vogel. "?a me para?t bien un fort bon grog, la religion.... voilà donc encore quelque chose.... ah bah!"
Hij spoog op het pad. Johan hoorde zijn speeksel kletsen tegen de straat en de rookwolk uit zijn mond gegaan, zag hij wegwitten in de ruimte.
Wijl òver de heuvels doomde het licht. In het holle wegje bobbelde het troepje gekken; weg sloegen de hoofden, langzaam zakten de vlaggen al met hun bloederig paarsch en schel voorjaarsgroen.
En van de hoogten rommedomme ging nu als windgehuil, als klaaggeschrei van hongerende beesten, het roepen van de vrouwen, die lichtelijk gekeerd, stonden in het parelend warmblank van hun zonnige gewaden.
-"Dzji, dzji, dzji, dzji-e!...."
En de stoet ging weg onder een hallelujah van het hooge geluid, duikend naar-onder het roode loof met een laatsten blinker op het goud van de halve manen, weg onder het hallelujah van het hooge middaglicht.
* * *
TWEEDE GEDEELTE
* * *