Wat ik hier vertellen wil, is voorgevallen, kort na 1830, toen de vrijwilligers van generaal Niellon, in de dorpen der Antwerpische Kempen, bij de boeren gelogeerd waren, om daar op het hernemen van den oorlog te wachten.
Ik zie nog, in mijnen geest, de herberg van baas Kobus Noppe, waar het Bonte Kalf uithing.
Zij stond op drie of vier boogschoten van het dorp Lichtaert, bij de Molenstraat, in de richting naar Thielen.
Dit huis had eerder het voorkomen eener kleine hofstede dan eener herberg; want op den open voorhof, ter zijde van den gevel, lag een breede mesthoop, met kakelende hennen, en daarachter, binnen den stal, kon men in de halve duisternis twee koeien zien herkauwen. Slechts de voorkamer aan de straat was tot drinkplaats ingericht, ten dienste van voorbijgangers en voerlieden.
Wat de dorpelingen en de boeren der omstreken betrof, zelden kwam een hunner gedurende de week in het Bonte Kalf; maar den Zondag, na den noen tot het vallen van den avond, was de herberg van Kobes Noppe vol volk. De oude vaders speelden er met de kaart, de jonge lieden op de schuiftafel of de bollenbaan, en moeder Noppe en hare dochter Lisa hadden werk genoeg om, onder het wisselen van eenige vriendelijke woorden, de gasten te bedienen, terwijl de baas bijna gedurig in den kelder bleef om bier te tappen.
Op een vroegen lentemorgen van het jaar 1831,-het was eenen Dinsdag,-trad Kobus Noppe van de straat in zijne woning, stapte langzaam tot het diepe der kamer, trok eenen stoel nevens de kas van het uurwerk en liet zich als mismoedig er op nedervallen. Eene uitdrukking van slechte luim benevelde zijn gelaat, hij liet het hoofd op de borst zakken en zonk weg in gepeinzen.
Scheen baas Noppe ondanks zijn struischen lichaamsbouw, opmerkelijk loom en traag, zijne echtgenoote, die nu uit den stal in de gelagkamer trad, was integendeel klein en mager, maar hare levendige oogen en rappe beweging en een zuurzoeten blik, dien zij van terzijde op haren man richtte, konden doen denken, dat zij met meer wilskracht was begaafd dan hij, en waarschijnlijk niet gewoon was voor hem te zwichten.
Zij naderde hem en vroeg half schertsende:
"Nu, Kobus, jongen lief, op welken doorn hebt gij getrapt? Gij gaat even uit, om ons gebroken houweel naar den smid te brengen, en daar keert gij terug met een gezicht als de kwade moordenaar! Wat is er alweder?"
"Ik heb moeder Houtman ontmoet," zuchtte hij.
"Is het het anders niet? Wat wonders is daar aan?"
"Zij heeft mij opnieuw gesproken van haren zoon Frans en van onze doohter Lisa."
"Het is te begrijpen; maar moet gij daarom zuur zien als een stekelvarken?"
"Ik zie niet zuur, Christien; ik ben bedroefd.
"Zoo, en waarom?"
"Ach, Christien, er drukt mij iets op het hart, zoo zwaar als lood. Gij zoudt mij een groot plezier doen, wildet gij mij gedurende eenige oogenblikken laten spreken."
"Altijd hetzelfde liedje ongetwijfeld?"
"Het is gelijk, Christien.... Lisa is naar het veld, wij zijn alleen. Wees goed en zit eens neder."
"Nu, laat hooren, Kobus."
"Gij zijt, hoop ik, nog niet vergeten, vrouw, wat goede, getrouwe vriendschap wij en de Houtmans, van jongs af, elkander altijd toedroegen. Vroeger waren zij onze naaste buren, en hun zoon en onze dochter hebben te zamen gespeeld, van voordat ze nog alleen konden loopen."
"Maar waarom zegt gij dit alweder?" morde de vrouw. "Weet ik het niet zoo goed als gij zelf?"
"Ja, ja, des te beter; maar ik bid u, laat mij voortgaan. Wij hebben met de moeder van Frans en met zijn vader zaliger dikwijls, lachende doch ernstig evenwel, gezegd dat de kinderen later een schoon paar zouden zijn-en het is waarlijk zoo. Dit ten minste kunt gij niet betwisten, Christien, al trekt gij de schouders op. Hij is een welgemaakte, sterke jongen; onze Lisa heeft ook armen aan het lijf. Beiden zijn braaf en werkzaam. Zij beminnen elkander; en dewijl zij sedert lang weten, wat wij voor hen van hunne eerste jonkheid af hebben gedroomd...."
"En het is daarom, onnoozele Kobus, dat gij zuur ziet? Heeft moeder Houtman u misschien verwijten durven doen?"
"Zij heeft mij geene verwijten gedaan, maar mij onder de oogen gebracht, dat het tijd wordt om over het lot der kinderen een besluit te nemen."
"Kan zij dan niet meer wachten? Het brandt er zeker niet?"
"Zij heeft mij weder gesproken van het hofstedeken onder Thielen, dat met St.-Baafsmis ledig valt en dat de eigenaar, op haar verzoek, aan onze kinderen wil in pacht geven. Het zou eene dwaasheid zijn, denkt zij wel te recht, zulke goede gelegenheid te laten ontsnappen; en dewijl de kinderen...."
"Goed, goed, Kobus, de kinderen hebben daar niet over te beslissen; maar gij, wat hebt gij haar geantwoord?"
"Ik heb haar gezegd dat zij gelijk heeft, dat ik niet beter wensch dan de jonge lieden maar seffens te laten trouwen; maar dat ik eerst mijne vrouw daarover moest spreken."
"En gij waart opvoorhand spijtig, omdat gij voorzaagt, dat ik daarop geen gunstig antwoord zou geven?"
"Om de waarheid niet te verbergen, ja, het is zoo."
"Welnu, gij hebt u niet bedrogen, man. Onze dochter is nog jong genoeg om te wachten; wij kunnen hare tegenwoordigheid nog niet missen. Om eene meid in onze herberg te nemen, daartoe heb ik in het geheel geenen lust."
"Christien, gij zijt niet oprecht," mompelde de baas. "Er speelt u wat anders in het hoofd."
"Het is wel mogelijk."
"Zou het zonder redenen zijn, dat gij den zoon van den secretaris zoo uiterst veel vriendschap betuigt, alsof de grond te hard was voor zijne voeten? Sedert dat die jongen uit de stad is gekomen en hier dagelijks een paar uren rondom onze Lisa draait, hebt gij slechte gedachten gekregen, vrouw."
"Slechte gedachten?" herhaalde zij met een zegevierenden glimlach. "Wil ik u eens iets zeggen, dat u verrassen zal, Kobus? De secretaris heeft mij Zondag, na de vroegmis bij den uitgang der kerk, aangesproken over zijnen zoon Theodoor, en mij gevraagd of wij niet zouden genegen zijn, hem met onze Lisa te laten trouwen."
"Hemel, heeft hij dit waarlijk gevraagd?" riep de baas verschrikt. "Maar gij, Christien, gij hebt hem doen gevoelen dat zulks onmogelijk is, niet waar? Dat wij andere inzichten hebben....?"
"In het geheel niet; ik heb hem gezegd dat ik wensch, dit huwelijk te zien sluiten, maar dat mijn man zoo gemakkelijk zijne toestemming niet zou geven."
"Gij hadt groot gelijk, Christien."
"Ja, maar ik heb er bijgevoegd, dat gij van zulke zaken geene kennis hebt, dat aan de moeder alleen het recht toebehoort om over het lot harer dochter te beschikken, en ik u wel zal overhalen om, met dank of tegen dank, de hand onzer Lisa aan Theodoor te schenken."
"Welnu, ditmaal toch hebt gij u bedrogen!" viel de baas in gramschap uit. "Ik wil van dien Theodoor niet meer hooren. Lisa zal met Frans Houtman trouwen of zij moet in St.-Anneschapraai, voor geheel haar leven! En, komt de zoon van den secretaris wat veel beslag in mijn huis maken, zoo waar ik leef, ik smijt den flierefluiter de deur uit!"
"Toe, toe, maak u nutteloos geen kwaad bloed, man," schertste de bazin. "Zie hem daar nu zitten met gesloten vuisten en een aangezicht zoo rood als van een kalkoenschen haan! Bijt mij maar niet, dolle kerel."
"Gij durft mij nog uitlachen, mij bespotten, onbeschaamde?"' gromde baas Noppe, woedend opstaande. "O, weerhield ik mij zelven niet!.... Omdat gij eene vrouw zijt en klein daarenboven, meent gij dat gij mij straffeloos moogt tergen; maar, maar, Christien, om Gods wil, spaar mij, ik zou een ongeluk kunnen doen!"
"Het is uwe schuld, Kobus. Waarom zijt gij zoo opvliegend?" antwoordde zij op zachteren toon. "Met dit haspelen en schreeuwen geraken wij tot geen besluit. Kom, bedaar, mijn vriend; zit neder en laat ons redelijk zijn."
"Ik vraag niet beter; gij weet het wel, Christien," zeide de baas met zichtbare tevredenheid.
"Lieve man, het is moeilijk met u te kouten," begon vrouw Noppe. "Ik heb met engelachtig geduld u aangehoord; wees gij nu even toegevend voor mij en luister op mijne redenen. Trouwt onze Lisa met Frans Houtman, dan zal zij eene boerin zijn en tot het einde harer dagen moeten arbeiden en zwoegen, in nat en droog, van den morgen tot den avond, slechte kost eten en gekleed gaan als eene arme sloof, met eenen groven rok en eene trekmuts. Trouwt zij met Theodoor Peeters, dan wordt zij eene juffrouw, moet niet meer werken, draagt kleederen van zijde en komt voor den burger als eene madam uit de stad...."
"Madam, madam?" viel Kobus Noppe met ongeduld in hare rede. "Onze eenvoudige Lisa eene madam? Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw? En daarenboven, gij weet niet wat ge zegt. De secretaris is een onbemiddeld man; wat hij zijnen zoon zou kunnen medegeven is bitter weinig, terwijl de weduwe Houtman integendeel een goeden spaarpot heeft."
"Hij zal zijnen zoon het ambt van secretaris afstaan."
"Zegt hij dat?"
"Ja."
"En waarvan zal hij dan zelf leven?"
"Wat raakt ons dat, Kobus? Hij is landmeter en zal zich dit ambacht met meer vlijt aantrekken."
De herbergier gevoelde met verdriet, dat men geweld zou doen om hem een gevaarlijk of noodlottig besluit af te dwingen.
"Christien, Christien," mompelde hij, "gij hebt u door de fleemerij van den zoon Peeters laten verleiden; maar, ik smeek u, bedenk u toch eens wel, eer gij verder gaat. Theodoor is de echte broeder niet, geloof mij. Hij studeerde vroeger te Turnhout, op kosten van een zijner oomen. Waarom heeft hij het collegie voor den tijd verlaten? Weet gij wat de lieden zeggen? Hij was te lui en wilde niets leeren."
"Kom, kom, flauwe praat van de Houtmans, die hem niet kunnen lijden.... natuurlijk!"
"Die zelfde oom,-een apotheker of drogist,-heeft hem naar Antwerpen doen komen, om hem zijn ambacht te leeren; maar nog geene zes maanden of hij moest hem wegzenden. De jongen gedroeg zich slecht en zijne onoplettendheid deed zijnen oom vreezen, dat hij bij misgreep de klanten zou vergiftigen...."
"Laster van nijdigaards," wedervoer de vrouw. "Theodoor heeft Antwerpen moeten verlaten, omdat hij er de lucht niet kon gewoon worden en gedurig de koorts had.... En indien hij op het collegie geene vorderingen had gedaan, hoe zou hij dan secretaris der gemeente kunnen worden? Hij is integendeel zeer geleerd en verstandig, en slim genoeg om twintig onnoozele boerenjongens als Frans Houtman in de doeken te leggen."
"Maar Lisa heeft geene genegenheid voor hem," morde de baas.
"Ik moet lachen om uwe eenvoudigheid, Kobus. Wat weet gij daarvan? Gij zit immers in haar hart niet?"
"Hoe, vrouw gij zoudt kunnen vooronderstellen....?"
"Is zij hem niet zoo minzaam, dat iedereen het opmerkt? Daarenboven, was het nog niet geheel zoo, wees gerust, het zal wel komen; de zaak is op goeden weg.... en indien Frans op de eeuwige liefde van onze Lisa rekent, dan beklaag ik den armen sukkelaar."
Baas Noppe slaakte eenen zucht en wreef zich met de hand over het voorhoofd. Wat hij hoorde, verblufte hem. Hoe? zijne dochter zou de zuivere, de innige genegenheid van geheel haar leven ontrouw worden? Den goeden Frans verraden, voor iemand dien zij, drie maanden te voren, nog niet kende?"
"Kobus, vriend, wil ik u eens eenen goeden raad geven om uw hoofd van al die muizenissen te verlossen?" vroeg de vrouw met fleemende zachtheid. "Worstel niet langer tegen een besluit, dat gij toch zult nemen. Geef uwe toestemming, dan hebt gij u niet verder daarmede te bemoeien; ik zal alles wel af haspelen zooals het behoort."
"Mijne toestemming geven tot een huwelijk onzer dochter met den zoon van den secretaris? Neen, vrouw, dit doe ik niet, zeg ik u, noch vandaag, noch morgen, noch ooit! Ha, gij meent dat gij, als naar gewoonte, mij zult kunnen dwingen? Ditmaal toch bedriegt gij u. Wij zullen eens zien, of gij eeuwig met mij zult handelen als met een onnoozelen dommerik!"
"Een dommerik? Gave God, dat gij geene andere ondeugden hadt, versteende koppigaard!" riep de bazin met de handen in de zijde. "Hoe? gij zijt vader; men laat uwe dochter de keus: boerin te blijven of, als eene madam, vereerd en zonder werken te leven.... en gij, ziellooze mensch, gij zoudt uw kind veroordeelen tot armoede en eeuwige slavernij? Gij moet geen brokje hart in het lijf hebben.... Maar wees zeker, gij zult toestemmen, willen of niet. Er is evenwel geene haast bij; bedenk u nog eenige dagen-Laat ons nu liever daarover zwijgen: ik hoor onze Lisa komen.
"Arm kind, zij zingt!" zuchtte de baas. "Wist zij wat er tegen haar geluk wordt gebrouwen!"
"Nu, zwijg maar, Kobus; geen woord meer over deze zaak, daar is ze...."
Eene jonge maagd van iets meer dan twintig jaar, gezond en bloemig als eene roos, trad in huis met eene sikkel in de hand en een zwaren bundel snijkoren op het hoofd.
Onder het murmelen van eenen stillen groet ging zij in den stal, wierp haren last af, en kwam dan in de kamer, waar zij als vermoeid zich op eenen stoel liet vallen, terwijl zij zeide:
"Prachtig lenteweder, moeder; alles groeit op het veld dat men het ziet; de vogelen zingen in de boomen, als was er een prijs te verdienen.... Vader, ik heb Frans ontmoet. Zijne blauwgeschelpte duiven hebben jongen; zij zijn voor u; hij zal ze Zondag medebrengen."
Baas Noppe knikte goedkeurend, doch sprak geen woord; even stom bleef zijne vrouw, ofschoon Lisa beiden verwonderd aankeek, als vroeg zij de reden van dit zonderling stilzwijgen.
Deze houding werd voor allen lastig.
"Daar hoor ik de hennen kakelen." zeide de bazin. "Zij doen mij gedenken, dat ik mijn werk verzuim. Lisa, gij weet dat gij met eenen korf eieren naar den winkel moet. Ik ga het nest ledigen, dan zullen er nog een dozijn meer zijn."
Met deze woorden verliet zij de Kamer.
"Maar, vader," vroeg het meisje, "wat is hier gebeurd, dat gij beiden er zoo treurig uitziet?"
"Niets, niets, mijn kind," antwoordde baas Noppe, "uwe moeder is wat vreemd gezind vandaag.... Maar, kom, het moet mij van het hart! Zeg mij eens oprecht, Lisa, wat denkt gij over Theodoor Peeters?"
"Wat zou ik over hem denken, vader? Hij is een goede, vroolijke jongen en heeft veel verstand."
Deze woorden schenen baas Kobus te bedroeven.
"Ja, ik heb sedert eenigen tijd opgemerkt, dat gij hem zeer vriendelijk zijt," morde hij, het hoofd schuddende. "Ach, wie kan op het veranderlijk gemoed eener vrouw betrouwen!"
"Maar wat wilt gij toch zeggen, vader? Ik ben Theodoor Peeters beleefd en vriendelijk evenals ik het jegens al onze klanten ben; maar het is mijne schuld niet, dat de andere jongens zoo weinig weten te vertellen, terwijl Theodoor altijd iets geestigs in den mond heeft."
"Gevoelt gij inderdaad genegenheid voor hem?"
"Ik kan hem goed lijden, vader."
"Eilaas, uwe moeder had dus gelijk!.... Ik moet daar klaar inzien; de twijfel pijnigt mij.... Lisa, indien men u voorstelde met Theodoor te trouwen, wat zoudt gij doen?"
"Met Theodoor trouwen, ik?" mompelde de maagd half glimlachend en half verschrikt. "Wat zijn dit nu voor gedachten, vader? Ben ik niet, sedert jaren, beloofd aan Frans? Ik de bruid van Theodoor? Neen, neen, trouw ik ooit, dan zal het met Frans Houtman zijn en niemand anders...."
Baas Noppe sprong met een blijden kreet van zijnen stoel op, vatte de beide handen zijner dochter en zeide:
"Wel gesproken, mijn kind; gij zijt braaf en hebt een eerlijk hart. Luister, voor deze zaak ten minste, niet naar uwe moeder. Wij zullen samensspannen en elkander helpen, om haar te wederstaan,"
"Hemel, heeft moeder zich in het hoofd gestoken, mij met...."
Maar daar hoorden zij op den voorhof een vreemd geschreeuw, als van iemand die om hulp roept. Zij hadden reeds een paar stappen gedaan, om te gaan zien wat er gebeurde, toen de achterdeur werd geopend en bazin Noppe binnentrad, zoo bleek en met zulke verwilderde oogen, dat hare verschijning den baas en zijne dochter met eenen angstkreet dood terugdeinzen.
"Wat is er voorgevallen, vrouw? Eene koe dood?" vroeg Kobus Noppe.
"Mirakel, een mirakel!" stamelde de vrouw, zonder iets meer te kunnen zeggen.
"Een mirakel? Wat beteekent dit? Spreek, ik smeek u!" riep haar man.
"Ach, ik ben meer dood dan levend!" zuchtte de bazin, terwijl zij een ei toonde, dat zij in de hand hield. "Menschen lief, wat zal ons nog overkomen! Ik ga in het wagenkot, om het hennennest te ledigen; ik haal er vijf eieren uit en leg ze in mijnen korf; ik grijp er een zesde, en voel daar iets vreemds aan, dat mij verwondert; ik loop onder de lucht om te zien wat het is. Wie zou niet beven? Het was een ei met letteren er op!"
"O, Christien, onvoorzichtige vrouw, waarom ons zoo ijselijk doen verschieten?" gromde de baas. "Begrijpt gij het niet? Een onzer klanten, die zich ten onzen koste wil vermaken, heeft de letteren op het ei geschreven."
"Kom, moeder, is het anders niet dat u zoo verschrikt?" lachte het meisje.
"Maar zwijgt toch en laat mij spreken. De letters op het ei zijn niet door eene menschenhand geschreven. Zij zijn in de schaal gegroeid en van dezelfde stof. Wel zeker heeft een hen het ei gelegd zooals het is."
"En wat staat er op, Christien? Eene klucht zeker?"
"Ja, kon ik maar lezen. Daar, Kobus, zie gij zelf."
Zij reikte haren man het ei, en deze, na het met eene klimmende verwondering te hebben rondgedraaid en bekeken, hield het stil onder zijne oogen, als poogde hij den zin der letteren te ontcijferen.
Eensklaps werd hij bleeker dan een lijk, slaakte eenen wanhoopskreet en viel sidderend op eenen stoel, terwijl zijn strakke blik op het wonderei bleef gevestigd.
"Eilaas, eilaas, die arme Frans!" zuchtte hij. "Hoe ongelukkig voor hem! Maar wat kan de mensch tegen den wil van God?"
Bazin Noppe stond bevend voor haren man en staarde hem met wijd geopende oogen aan; zij scheen den moed niet meer te hebben om hem eene uitlegging te vragen, welke zij zich voorstelde als moetende verschrikkelijk zijn.
"Maar, vader," stamelde Lisa, even ontsteld, "wat staat er op dit ei? Frans ongelukkig? Laat mij het zien, dat ik het leze."
Zonder spreken legde baas Noppe het ei haar in de hand. Even had zij het oog er op gericht, of een gil van smart en schrik ontsnapte haar, en zij week waggelende terug naar haren stoel, als ging zij bezwijmen. Zij bezigde de laatste kracht, die haar overbleef, om haastig het ei op de tafel te leggen; anders ware het zeker op den grond aan stukken gevallen.
De bazin sprong toe met groot misbaar en nam hare dochter in de armen. Eene korte wijl vergoot het meisje overvloedige tranen tegen hare borst en snikte hevig. Dan werden hare klachten duidelijk.
"O, die arme Frans!" zuchtte zij, "hij zal er van sterven! En ik, die hem zoo beminde, ik moet hem nu aan zijn bitter lot overlaten, zonder troost en zonder hoop, eilaas, eilaas!"
"Kind, kind, er is niets aan te doen," zeide baas Noppe, nu een weinig tot zich zelven gekomen. "Wat helpt ons weenen of klagen? Wij moeten deemoedig bukken onder Gods bevel."
"Maar zeg mij toch, wat staat er dan zoo schrikwekkend op het ei?" vroeg de bazin.
"Geef het mij, ik zal het u zeggen, Christien."
En toen zij hem het ei ter hand had gesteld, las hij met diepe stem en woord na woord:
"Lisa.... moet trouwen.... met Theodoor: het is Gods wil."
Nieuw misbaar en nieuwe klachten ontsnapten het meisje, terwijl integendeel op het gelaat der vrouw een glimlach van blijde verwondering straalde.
Het ei werd nog eens door allen met angstige aandacht, en daarenboven door Lisa met eenig mistrouwen, bekeken en onderzocht. De letteren waren er inderdaad niet opgeschreven. Zij bestonden uit dezelfde kalkstof en waren even wit als de geheele schaal; men zou ze nauwelijks bemerkt hebben, indien ze niet een weinig boven den grond der schaal waren verheven geweest.
Allen bekwamen de volledige overtuiging, dat het ei wel werkelijk, zooals het was, door eene hen in het nest was gelegd geworden, en niemand twijfelde, of God zelf-om redenen, welke zij niet durfden doorgronden-openbaarde hun op zulke geheimzinnige wijze zijnen wil ten gunste van Theodoor Peeters.
Bazin Noppe was daarover niet bedroefd; integendeel, zij juichte innerlijk en zegevierde over haren man, die nu zelf getuigde dat het zondig, ja, misdadig zou zijn, zich niet met deemoed en zonder morren aan Gods beslissing te onderwerpen.
Dit was eveneens de overtuiging van Lisa; alhoewel zij diep bedrukt was, kon onmogelijk in haren geest de gedachte opkomen, aan het uitdrukkelijk bevel des hemels weerstand te bieden; en zoo was dan de arme Frans Houtman wel beslissend veroordeeld zonder dat de baas noch zijne dochter zich vermetel genoeg gevoelden, om hem nog langer te beklagen.
Er hield op dit oogenblik een voerman voor de deur stil, en hem werd natuurlijk het wonderei getoond. Deze, even verschrikt, maakte een kruis en opperde insgelijks de meening, dat zij niets anders konden doen dan zonder uitstel den wil des Heeren, hun door dit ei zoo duidelijk veropenbaard, te vervullen.
Even was de voerman echter van zijne verbaasdheid wat bekomen, of hij dronk zijn glas bier uit, verliet de herberg en dreef zijne paarden met haast naar Lichtaert, wel besloten dit ontzettend nieuws in het geheele dorp te gaan rondbrieven.
Het spreekt van zelven, dat talrijke lieden naar het Bonte Kalf kwamen geloopen, om het wonderei te zien.
Des namiddags en tot laat in den avond, krielde de herberg van dorpelingen en boeren, die, met verschriktheid op het gelaat en met zichtbaren eerbied, het ei in de hand namen, en over het onbegrijpelijk voorval redekavelden.
Intusschen wekten de angstige overwegingen hunnen dorst op, en kon de baas geen oogenblik uit den kelder komen, aangezien hij werk genoeg had om zonder ophouden bier te tappen.
Vrouw Noppe stond alleen de gasten ter spraak, en zij had reeds meer dan honderdmaal verteld, hoe zij naar het wagenkot was gegaan om het hennennest te ledigen, hoe zij het ei had gevonden en wat onbeschrijfelijke schrik hen allen had aangegrepen, toen haar man de openbaring van Gods wil er op had gelezen.
Lisa zeide niet veel. Hoe gaarne hadde zij geweend! maar, hoe diep treurig ook, gevoelde zij wel, dat het haar een onverbiddelijke plicht was, zich zonder morren aan de uitspraak des hemels te onderwerpen.
Niemand der talrijke bezoekers kwam op de gedachte, de echtheid der openbaring in twijfel te trekken. Wel hadden eenige stoutmoedige jongelieden reeds van op de straat met de zaak gespot en waren lachend in de herberg getreden, maar toen zij het ei onder de oogen hadden en moesten bekennen, dat geene menschenhand die letters kon gevormd hebben, bleven zij allen stom van verrassing en eerbied.
Frans Houtman kwam in den vooravond: hij had het nieuws niet eerder vernomen. De arme jongen was zeer eenvoudig en godvreezend; ook toen hij het ei had gezien en zelf zijn vonnis er op had gelezen, waren de tranen hem uit de oogen gesprongen en hij was met gebroken hart heengegaan, evenals Lisa ten volle overtuigd, dat hun niets overbleef dan zich aan hun bitter noodlot te onderwerpen.
Slechts de nacht bracht een einde aan den toeloop der lieden.
De bazin telde met dubbele vreugd de geldstukken, welke in de tooglade opgestapeld lagen.... Zij hadden dien dag meer dan anders op zes weken ontvangen, en zij mochten denken dat het morgen en overmorgen op dezelfde wijs zou toegaan.
"O, dit gezegend ei!" riep moeder Noppe. "Laat ons het met dankbaarheid en zorg bewaren; want, viel het op den grond en brak het aan stukken, alle hoop op verdere winst ware verloren."
Zij nam het ei uit het koffiekopje waarin het lag, en bracht het met eerbied aan hare lippen. Hierbij bemerkte zij, dat de boeren, met het honderden malen in de hand te nemen, het vuil hadden gemaakt; ten minste de letters schenen als zoovele zwarte strepen op de grijsachtige schaal uit te lossen. Zij waschte het met zeep en jenever, droogde het af met een zuiveren doek en legde het terug in het kopje, op wat katoen, om het zachtjes te laten rusten.
De persoon, die het meeste belang in deze zaak had, was dien dag in het Bonte Kalf niet verschenen; maar het verwonderde niemand, daar men wist dat Theodoor Peeters, op last zijns vaders, naar Antwerpen bij zijnen oom was gegaan.
Des anderen daags, terwijl het Bonte Kalf alweder vol bezoekers was, kwam Theodoor in de herberg, vragende spottend en met ongeloovig gelaat, of het geene lachmerkt was, wat men hem had verteld.
Maar nadat hij insgelijks het wonderei had beschouwd en met aandacht onderzocht, werd hij niet min dan al de anderen met verbaasdheid getroffen, en bleef eene lange wijl in stomme overweging verslonden.
Alhoewel dit onuitlegbaar voorval de zoetste wenschen zijns harten vervulde, scheen hij verschrikt en mompelde woorden, die getuigden dat het hem moeilijk was, zijne eigene oogen te gelooven. Te betwisten dat het ei wel wezenlijk eene openbaring van Gods wil was, dit durfde hij zoo min als de anderen.
Jegens Lisa gedroeg hij zich ditmaal op de meest bescheidene wijze. Hij zag hoe de tranen haar in de oogen glinsterden, en begreep waarschijnlijk al de diepte van haar zielsverdriet. Hoe het zij, als hield een gevoel van edelmoedigheid hem terug, hij toonde geene groote blijdschap, eerbiedigde de treurigheid van het meisje en verliet de herberg na een half uur, voorgevende dat zijn vader hem op het gemeentehuis verwachtte, om daar een haastig schrijfwerk af te doen.
De toeloop der lieden duurde eenige dagen voort, maar dan begon het getal der nieuwsgierigen te verminderen, op zulke wijze dat men, na een paar weken, het ei schier had vergeten, en het Bonte Kalf slechts nog door zijne gewone klanten werd bezocht.
Onderwijl hield moeder Noppe zich vlijtig bezig met het huwelijk harer dochter te bespoedigen, en reeds had men de bruidskleederen van Lisa besteld.
Het meisje was altijd even treurig; ook baas Kobus verkeerde voortdurend in slechte luim; maar geen van beiden durfde echter denken, dat er nog de minste hoop bestond om de voltrekking van het gevreesde huwelijk te ontsnappen.
Men had dien morgen te Lichtaert de trommels hooren slaan, en de boeren van het gehucht de Molenstraat verwachtten met zekere blijdschap de mannen, welke zij ongetwijfeld zouden te logeeren krijgen.
De vrijwilligers van generaal Niellon, die alsdan de Kempische dorpen doorkruisten, waren geene eigenlijke soldaten, zooals men dit in gewone tijden verstaat. Allen hadden, bij het losbreken der omwenteling, hunnen stand of hunne bezigheid verlaten, om de wapens op te vatten tot vrijmaking van het vaderland. Onder hen telde men zonen van goeden huize, studenten, werklieden, boeren, en ook wel ongetwijfeld eenige slechte kerels, uitschot der steden; maar het grootste getal behoorde evenwel tot de middelbare burgerij, en hunne handelwijze, taal en zeden verschilden niet merkelijk van die der vreedzame bewoners van het Kempenland.
Deze goede lieden aanschouwden diensvolgens de vrijwilligers als zijnde, in de meeste gevallen, van hoogeren maatschappelijken stand dan zij zelven. Overweegt men nu daarbij, dat de geestelijkheid op de dorpen algemeen de omwenteling aankleefde en de Vrijwilligers loofde, als de verdedigers van Vaderland en Geloof, dan zal men licht begrijpen, waarom de bewoners der Kempen zich bereid toonden, de patriotten of liever de Belgen, zoo zij hen noemden, niet alleen met vriendschap maar tevens met zekeren eerbied te onthalen.
Weinig tijds nadat de trom in Lichtaert had opgehouden te slaan, verlieten twee dezer Vrijwilligers het dorp en gingen den aardeweg naar Thielen op. Zeer zonderling waren zij toegetakeld, want alhoewel met geweer op den schouder, sabel aan de zijde en ransel op den rug, hadden zij geene eigenlijke soldaten-kleeding aan. Op hun hoofd droegen zij eene haren muts van bruin geverfd konijnenvel en gesierd met eene groote driekleurige kokarde; om het lijf eenen blauwen kiel en eenen zwart lederen gordel. De oudste had hooge laarzen en eene broek van geribd fluweel; de jongere droeg fijne schoenen en eene broek van lichte zomerstof.
Dat deze mannen iets meer waren dan enkele soldaten, kon men wel merken aan de gouden strepen, die op hunnen blauwen kiel glinsterden: de eene had er twee aan de benedeneinden zijner mouwen; de andere slechts eene boven elken elleboog. Wie met de zaak bekend was, kon bij den eersten blik onderscheiden, dat de voorbijgangers onder-officiers waren, namelijk een sergeant-majoor en een fourier.
De bovenlip van den fourier was nauwelijks met een zacht dons beschaduwd; levensvreugde straalde hem uit de oogen en dikwijls poogde hij de aandacht van zijnen kameraad,-die zwarte knevels droeg en vijf of zes jaar ouder was dan hij,-op de schoonheid van het landschap te vestigen. Hij roemde daarbij het zoete lenteweder, de frissche lucht der Kempen en de balsemgeuren, die van uit de verre mastbosschen hen tegenwalmden.
Maar de sergeant-majoor had voor zulke dingen geene ooren. Van tijd tot tijd morde hij met eenen spotlach:
"Altemaal kinderpraat! Vul daar eens uwen buik mede. Ik heb verduiveld grooten honger. De secretaris heeft gezegd, dat wij bij brave lieden gelogeerd zijn, en die de middelen hebben om goed op te scheppen. Wij zullen het zien. Is de kost zooals het behoort, dan zijn wij vrienden: anders sla ik ginder den geheelen boel het onderste boven!"
"Gij zegt het om te lachen, majoor," wedersprak zijn jonge gezel. "Wie zou hier de lieden kunnen mishandelen? Zij zijn zacht en goed als hun kramikkenbrood."
"Een dikke eierkoek met spek is toch beter.... en dit zullen ze ons geven, onmiddellijk na onze aankomst, zoo waar ik leef, of hun rug zal kennis maken met mijnen sabel!"
"Bah, gij zijt niet bekwaam om eenen hond kwaad te doen."
"Maar hoe kunt gij het weten? Slechts sedert drie weken kwam ik over in uwe compagnie?"
"Gij wilt schijnen wat gij niet zijt, majoor. Gij stelt u soms aan als gansch gevoelloos; gij spot gedurig en poogt mij te doen gelooven, dat gij onverschillig blijft voor alles wat niet stoffelijk is. Welnu, mij kunt gij niet bedriegen; uw hart is edelmoedig en grondig goed, en tenzij een verborgen verdriet...."
"Een verborgen verdriet!" herhaalde de sergeant-majoor, zijnen gezel strak in de oogen ziende; maar evenras begon hij te lachen.
"Kom, kom, fourier," gromde hij, "geene dwaasheden: ik ben razend van honger en heb lust om te bijten."
"Nog eenige minuten; het is wel de moeite waard.... Zie, daar is eene herberg; de baas staat voor zijne deur; wij zullen hem vragen waar wij moeten zijn."
Zij hielden stil voor het Bonte Kalf en toonden baas Noppe hun logementbiljet.
"De weduwe Houtman, vrienden?" zeide hij. "Gaat maar recht door, tot bij het huisje dat gij ginder ziet; slaat dan den aardeweg ter linkerzijde in, omtrent drie boogschoten verre. Daar is het, daar woont de weduwe Houtman.... Ik zou u wel verzoeken, haar van mijnentwege eenen goeden dag te wenschen, maar ik heb ongelukkiglijk redenen om het niet te doen."
"Men heeft ons nogtans gezegd, dat het brave lieden zijn," bemerkte de fourier.
"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."
De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen glimlach hunne komst scheen af te wachten.
"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.
"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"
"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier zijn onze Belgen!"
Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te ontlasten.
De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!
"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten.... seffens en iets anders dan brood!"
"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten. Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"
"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."
"Doe maar," lachte de oude vrouw.
En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,-niet om te lachen: ernstig en met ware ontroering.
Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan, en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.
Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.
Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te zijn geherbergd.
Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en een bruingebakken kramik,-dit is te zeggen wit brood van fijne roggebloem,-hen aanlachten.
Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.
Dan vroeg de sergeant-majoor:
"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"
"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals, met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug zijn."
Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden tijds genoeg.
De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou verkorten.
"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"
"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de onder-officiers....
Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans, den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.
Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het paard.
Zoo gingen er eenige dagen voorbij.
De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden, terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden, op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde, denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug sprak, niet altijd wel verstaan.
Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad, gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.
Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.
De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd, dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de oorzaak waren.
Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.
Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid; doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig, en zeide met zekeren ernst in de stem:
"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en, was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet: mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk, wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."
De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer, dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.
Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman, den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op eenen gevelden boom zitten.
Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.
"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u zoo moedeloos maakt?"
Hij bekwam geen antwoord.
"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden in; ik zou u willen troosten."
"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"
De fourier zette zich nevens hem op den boom.
"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het hart zijn. Bedrieg ik mij?"
"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.
"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan wordt de hemel weer helder voor u."
"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.
"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"
"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."
"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de ouders weigeren?"
"Neen, de ouders niet."
"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."
"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos.... Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt, wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"
"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur gesproken."
"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk, goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden. Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps een jongen uit de stad,-Theodoor, de zoon van onzen gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen, dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten uitstellen."
"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier. "Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."
"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even ongelukkig als ik."
"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris doen trouwen?"
"Eilaas, neen, de moeder niet."
"Maar wie dan?"
"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."
"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de kleeren laten steken, jongen."
"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld.... en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het hoofd bukken onder den wil van God."
"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe? Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"
"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."
En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op stonden te lezen.
Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.
"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u heeft gefopt? Een kluchtspeler,-Theodoor waarschijnlijk,-heeft die vreeselijke woorden op het ei geschreven."
"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet geschreven."
"Geschilderd misschien?"
"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."
"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"
"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."
Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:
"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een kerel? Nu spreek, ik bid u."
"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik van hem niet veel te zeggen."
"Is hij geleerd?"
"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den Apothekers-stiel te...."
"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa. Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen, dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne dochter te laten trouwen?"
Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog voor de minste hoop gesloten.
"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij zekeren onderwijzer,-hij heette Mr. Shaw.-Deze vermaakte ons na de schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,-dit wil zeggen de natuurkunde,-en een dezer kunstjes bestond in het maken van zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu, Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."
"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.
"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het dorp?"
"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk, verkoopt ook medicamenten."
"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan drinken, en pogen het ei te zien."
"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin zou het u nooit vergeven."
"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze, zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand: ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God.... Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot wederziens, bedorvendans van het lot!"
Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den aardenweg in naar het dorp.
Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het 2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een paar uren afstand van Gheel.
Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe hadden bijgedragen.
Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.
Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te wachten hadden.
Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.
Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen slijten.
De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de velden of op de heide.
Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien en gesproken.
Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan terug zijn voor het einde van den dag.
Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich naar Gheel te begeven.
Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie groene kwispel.
Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, dat iedereen hen bewondert.
Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men maar over zich zelven tevreden is?
Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was gevallen.
Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.
Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand die het te heet heeft en uitrust.
Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.
"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt zeker met uw half bataljon te Gheel?"
"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog verre?"
"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn gezelschap u niet hindert...."
"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."
Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden burgerstand behoorde.
"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige honderden zotten [1]."
"Wel duizend, fourier, wel duizend!"
"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de straten wandelen?"
"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."
De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met verrassing:
"Ja, die is ongetwijfeld zot."
"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in zijn leven niet."
Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren naakt tot aan de knie?n.
Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen eenen boom en presenteerde het geweer, met evenveel ernst als een ware soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.
"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is misschien soldaat geweest?"
"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij vroeger heeft verzuimd."
"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en winter, in nat en droog?"
"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze streek."
"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.
"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, den gulden weerhaan niet glinsteren?"
"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de aangewezene richting blikkende.
"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."
"Uw kasteel?"
"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."
De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, smeekte zij:
"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."
De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den fourier:
"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."
De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen schaterlach:
"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... Zot, leelijke zot!"
Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige stappen te hebben gedaan:
"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt gij daarover, fourier?"
De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste scheldwoorden uitvarende.
Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "gare, gare au cheval!" hem ter zijde deed springen.
Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.
"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt gij het durven, fourier?"
"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"
De baron wees vooruit en zeide:
"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."
En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat snuif te koopen!"
"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, van verbaasdheid bijna stom.
"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"
De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in de baan wegvlood.
Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar Moll terug te keeren.
Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.
Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van St.-Dymphna en trad het stadje in.
Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat hij eenige aandacht op hen sloeg.
Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een kangaroe te springen.
De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te worden verpletterd.
Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.
Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.
Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.
"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo goed aan gewend dat ik,-gij zult het niet gelooven,-dat ik dagelijks op het dambord speel met een hunner."
"Met eenen zot?"
"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."
"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, van ons verstand maakt!"
"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"
"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."
"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot straks."
De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten; burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.
Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.
Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.
Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en welbehouden levenskracht.
Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon zien komen.
Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,-om toch iets te zeggen,-aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte gemeente was.
"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp, afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."
"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?" bemerkte de fourier.
"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."
"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze menschen?"
"Uit onze provinci?n, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten te Gheel besteden."
"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"
"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."
Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.
Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid.... toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de herberg van zijnen vriend.
Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger, tot zich te roepen.
Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:
"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."
Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:
"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een verstandig man, niet waar?"
"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."
"Onnoozele, het is een zot!"
"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."
"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."
"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.
"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor, dit is voldoende."
Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan, terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als onverschillig hem zeide:
"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon met zijn groot leger in Rusland...."
Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met oogen die van trotschheid fonkelden:
"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen, op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis, daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"
En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas open, dat twee of drie knoopen lossprongen.
Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles, ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener pint.
Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde, met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der Goede Hoop!
Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien, kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.
De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het gezicht neergeslagen zitten.
Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.
Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd en zonder spreken de herberg verlaten.
Natuurlijk was,-toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden plaats genomen,-het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke zinnelooze, die daar juist was weggegaan.
De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.
Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge tooneelen zij dagelijks bijwoonden.
De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al, de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna gedurig voor haar op de knie?n zaten te bidden.... Er was ook een man,-een heer van Brussel,-die den ganschen dag niets deed dan in het veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen. Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis gemakkelijk te maken.
In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden.... Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets deed dan zegeningen uitdeelen.
De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel in persoon.
Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier, wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van meer andere gevallen.
Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:
"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt; daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd, en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben God-de-zoon!'-Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"
Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten wenschen.
Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.
Onderweg zeide de sergeant glimlachende:
"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"
"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn gemak."
"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en kunnen ze niet veranderen."
"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."
"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."
"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin, liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."
"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden? Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."
Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander afscheid namen.
De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en mismoedig, ging de baan naar Moll op.
[1] In de Kempen en overal in Brabant, worden de woorden krankzinnig of zinneloos wel in de schrifttaal gebezigd; maar in de volkstaal kent men slechts het woord zot; en wij zijn, om de waarheid nabij te blijven, verplicht dit woord insgelijks in den mond onzer sprekende personen te leggen.
* * *
Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "Gheel, de Kolonie der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen." Deze schrijver zegt onder ander:
"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd, niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste plaatsen van gansch het land nemen.
"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.
"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar gij u bevondt.
"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds verscheidene jaren uitgeroeid is."
Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.
In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.
Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje Das paradies der Wahnsinnigen noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal Het Paradijs der krankzinnigen hebben betiteld.