-Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou.
Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem vinden zou.
Met een sprongetje was Mathilde weer bij haar vader, die, meer achter in den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeen de menschen, die dien avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de punten harer schoenen. Zij zei niet veel.
-Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen zouden gaan.
-Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen neer, schalksch:
-Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weer trouwen wou?
-Nee, daar heb ik niet op gelet ...
-Van Wilden was weer op zijn beau dire van-avond.
-Ja.
Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, met gedachteloze blikken over zijn rug.
Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, doorsiepeld van glacehandschoenen-en punchgeurtjes. Door het eene groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over den vloer, wild weggeschoven.
Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen muziek in het kastje daarnaast.
-Ja, zei haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig beter als laatst.
-Och, zei ze, en blies meteen de kaarsen uit.
Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid binnen.
-Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken.
En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dat weer in orde.
Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen pijpje bij haar vader en zei hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels goeye-nacht.
-Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven? vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren.
-Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik wou morgen vroeg opstaan om wat te teekenen.
-Nou, slaap wel dan.
-Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga jij dan ook maar naar bed, hoor!
-Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw.
Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was.
Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets, en, van het eerste portaal, riep zij luid:
-Vader!
-Wat is 't? riep hij door de zaaldeur.
-Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek!
-Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste!
-De jufvrouw is zeker weer een beetje bang, zeide Jans.
-Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje.
Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een licht mee te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit mee klaar. Toen het gas op was, ging zij tegenover de tafel zitten, in-eens, met een schok van haar lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neer. Daar omtrilde haar de koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet neergelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neer. Toen begon zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over den rug heen en weer zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig. Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met een ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zou nooit slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen, begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weer te-rug. Haar schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had. zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos, die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg zoo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen samen boven het hoofd en strekte ze dan weer horizontaal uit. Zij nam haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje wapperen, draaide op een voet rond als een tol en was op het punt naar haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen, toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-eens dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leeg gevoel, lei haar handen naast elkaar even over de borst en zakte hijgend op den stoel van zoo-even neer. Zij voelde zich weer een jong kind zijn in haar dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren tusschen haar tanden, en onttrok ze weer met geweld aan haar eigen beten. En hijgend neuriede zij melodien uit de Juive, die zij den vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen aan elkaar. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet wetend wat te doen van blijdschap.
-Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ...
Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de gasvlam voor haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden niets en de stoelen waren leeg. Er daalde een benauwde warmte van het plafon neer. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe.
Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug. In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ...
O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weer van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog. Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te voorschijn kreeg. Zij lei dien op de tafel en bleef daarvoor staan in haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weerszijde, verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om langzaam weer op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen, over het huisraad te dwalen en zich daarmee te vermengen of op eens in zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zou opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaar allerlei dingen zeiden. Keek zij voor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek, waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weer iets voor haar heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wel was en deed haar hand tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist zag omwasemd. En weer dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag. Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor haar. En wech was weer de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan, zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke, aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weer bewoog er iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een nevel weer door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde zich aan al de omgeving mede, een enkel gevoel van opperste bevreemding, een voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag zij weer in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling, wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaar. Nu gooide zij nog eens gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zoo jong, toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar werktafeltje af, voor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij liet het teekenen weer in den steek en nam een duitsch boek van het boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zou naar bed gaan, beproeven in slaap te komen. Ze zou de vensters, of ten minste een, openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open door de kruk in 't midden eens rond te schuiven; zonder leven gingen de twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaar, den arm geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten in de lauwe zomerlucht.
Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind door de trillende blaaren der boomen, vlak bij Mathilde aan den wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas. Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der ver-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes, als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs heen, smetteloos samenoogend, blaarenschaduwen plasvlekten in doezelige warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste ramen en de daken aan d'overkant. Aan een venster was nog licht, een onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken, boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht.
Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar neergevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij lei haar handen in den schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar vielen aan weerszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar borst. Haar oogen waren neer, om zich te herinneren wat er gebeurd was. Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers, verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij iets sterk verlangde. Zoo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd; zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen, haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij begreep, dat nu de beurt aan haar zou komen. Wezenlijk had haar vader haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde, laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef gaf taal noch teeken. Zou hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg bedaard en erg moedig geandwoord: de Sonate pathetique, als u 't permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen, zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was, heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Ineens hoorde zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden. Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neer op een zwarten toets en flauwtjes weerklonk een angstig hooge toon. Maar zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder een fout, had zij het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen ze de slotakkoorden had neergestoten in volle vuur, en ze, met een zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zoo vlak achter haar vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield.
En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij die klanken meegedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was er iemant die telkens zei: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na mekaar afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zei, had ze hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ...
Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wel had zij lang gewacht, wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hou-je niet van mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan niets merken? Wel had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kon, aldoor maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wel was ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wel lang had zij gewacht ...
En, terwijl de stad voor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die stille liefde over haar gebracht.
Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren de sterren gestadig.
Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem opgezien. Hij sprak altijd mee met de groote menschen, en eens, toen zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had willen brengen, was haar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling, was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaar afgezoend en was er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de manier zoo als hij zei dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meebracht, met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs een echt gouden halskettinkje, zoo, met denzelfden goedigen glimlach, met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met groote menschen meespeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij, toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om hem te bedanken,-het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf, haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zou hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar. Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en altijd graag deed wat zij ook graag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaar kenden, waren zij ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaar. Vader las koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zei hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden.
Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de knieen gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was geweest, geen van tweeen een beweging om elkaar een zoen te geven bij het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader haar aan, dat hij haar op een kostschool in Belgie zou doen. Zij ging, en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten. Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was 't haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering. In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; eens maar was zij in Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij Jozef weer dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weer hoe langer hoe meer bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaar twee, toen drie, toen viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weer een vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar werden, als hij van vermoeyenis sprak.
Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en hij luisterde er graag naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden. Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje, dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmee zij omging naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij "mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaar zoo dikwijls zagen.
Onmerkbaar had Mathilde zich weer tot den innemenden, beminnelijk zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem, als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden, wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden. Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weerspannige haartjes van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in Belgie goed geleerd en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij.
Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken of hij ook misschien van een andere vrouw zou houden. Zij was ongerust en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was.
Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was Mathilde opeens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk terug zou zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens uit het buitenland terug zou komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel onverschillig wezen, hield hij wel van haar zoo als zij het zoo zeker hoopte, dan zou die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zou blijven, en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zou gaan houden en hij haar ontrouw zou worden, maakte haar doodelijk ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zou kunnen uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weer twee dagen na de afzending van het antwoord, in levenden lijve voor haar, met zijn fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien.
Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren, herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was 't nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en tranen, gingen nu op in een juichende vreugde vol glorie en licht. Weer droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd. Weer en nog eens weer liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zoo veel van haar hield, weer voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam leefden en die begrepen, wat geluk was.
Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend, keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of op was. Zij bukte zich gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes. Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de vlammetjes komen en weer anderen, en weer anderen in de verte, zij zag er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag door tot aan den horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een, en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar hoofd, waren een kleur en een geflonker met haar ziel. In blinkende kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in elkaar. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee. Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud, die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte voor haar, haar geheim, en, de handen naar voren om te danken, zei zij hardop: O God, o God, wat ben ik gelukkig!
Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig.
Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde
zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van
Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op.
En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder wind.
Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder versleet, als ze stil alleen thuis was.
Haar zwarte haar, met een scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd, boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan weerszijde sluikten voor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden, die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen tegen elkaar en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere.
Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom zou dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich ook over zijn wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van zelf goed zou gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken. Allerlei ideeen had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het niet aan haar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in eens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt, en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben.
Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al meer dan eens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd; zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten. Het vraagstuk van het geld werd ook weer van minder belang door een ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet wachten, daarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dat had zij wel gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn, dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker aan den boezem, weer anderen van een ongekende zwier en statie, met roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en wilden hem met zich meenemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien. Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam. Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en zij wilde dat Jozef naar haar kijken zou en zij probeerde te glimlachen met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam.
En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weer vlak voor haar, en zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook had hij weer ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten herstellen voor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat zij dan liever zou wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo mee gehandeld zou hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en kleeren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij, zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had, om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te gaan. Zou hij wachten tot zijn haar weer wat langer was, wetende, dat dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weer zoo lang worden, als toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zou moeten herstellen, aan te bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden en dat hij van die donkergroene stof zou laten maken, die Mathilde vond dat hem zoo goed stond.
Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zei, dat 't vandaag mooi weer was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weer had vergeten, zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen.
U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen. Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding, weer te binnen. En zij dacht in eens, dat Jozef wel een heel onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets, zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't toch met hem was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar zoo goed zou vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't zoo plezierig voor hen allebei was nog een heden tijd met mekaar te kunnen leven, want, zei hij, als hij over een jaar of tien stierf, was zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu wou zij zoo ontzettend graag zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij verlangde zoo naar hem.
Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens, wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw mee uitgescheiden, want dit zou al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zou. Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neer, en lei de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te vragen wat hij zeggen zou en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling weer zitten, zich dwingende om kalm te werken.
Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde. Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind voor zijn gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken. Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed dien voorbij, zoo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap, die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem misschien voor altijd van haar zou kunnen vervreemden, door Jans "niet thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij "binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weer dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was ook bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een woord te zeggen. Zij had haar oogen neergedaan. Maar langzaam, met een instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting, waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel, die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen, en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun hoofden vlak bij elkaar waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen in elkaar. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaar lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn borstzak en droogde er zoowat haar tranen mee wech. Maar zij keerde zich af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weer opgestaan, bleek, maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag:
-Wee-je ook iets drinken, Jozef?
Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde:
-Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg.
Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde haar weer als een klein meisje. Vroeger, voor zij naar het kostsschool was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin.
-Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden.
-Wat bedoel je? fluisterde zij.
Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weer voor zich en zei: Nee, ik ben niet boos.
Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los.
-Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij weer.
-Vader mag er niets van weten.
-Waarom niet?
-Zij waren naast elkaar op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag. Mathilde lei aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader zou durven zeggen, want dat 't hem treffen zou als een onverwachte slag. Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed, dat hij niets graag van haar scheiden zou. Jozef moest dat ook inzien. Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf een gelegenheid zou voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij alleen: Thilde, wij zijn voor mekaar gemaakt. Als om met haar volle verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde bedaard: Ik hou zooveel van je, zooveel, dat ik zonder jou nooit zou kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen.
-Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zei hij, zijn arm om haar hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neer, met een vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding. Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig.
-Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zoolang voor mekaar bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen.
-Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn, en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zei ze zachtjes. Zij maakte meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok daarbij van wat ze deed.
-Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zou nog veel gelukkiger worden dan ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte haar ook erg verlegen:
Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant, had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten.
-Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zei ze, als in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat.
-Ja, andwoordde hij, zonder haar weer te durven aanraken, ze hadden daar nooit mee moeten beginnen.
Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen, die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling geengageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde, het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te houden. Vroeger zou zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten van zijn knevel aan weerszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het fatterig, maar zij zou 't hem ook wel afleeren als zij maar eens getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en weer wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield, niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op die jas lei. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op hem geweest als nu.
Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een beetje plomp uitzag.
-Ik geloof, dat ik er iets op weet, zei hij; een heel eenvoudig middel.
-Waarop? vroeg ze.
-Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen.
-Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte haar nog balooriger.
Hij lei haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in hun gezelschap zou zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen, integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag zou hebben.
Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zei ze, ik dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd.
Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel gedacht, dat 't haar heel aangenaam zou zijn zoo gauw mogelijk met alles klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken.
-Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik wou je daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ... of nee, dan zou toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers vanzelf ... en hoeveel te eerder nu, wij kennen mekaar al zoo lang, we zijn als 't ware voor mekaar geschapen en wat nu gebeurt is een natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken.
Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te spreken, zij had ook verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal gevestigd zouden zijn, zou vader nooit bij hun in komen wonen; schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zou zijn kleine gewoontes geeerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze niet stroken zou. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met hun tweeen, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-eens midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag. Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zou 't voor vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid, ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar vader bezig te houden. Dit zou dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader bij hen in zou komen wonen.
Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel knippende luisterende oogen weer uit het raam gaan kijken. Heel ernstig vroeg hij:
-Hou-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid heb?
Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel.
-Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaar houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles, wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met zijn zwak in-eengedoken gangetje, op straat aan zien komen en wou dus een einde aan de diskussie maken.
-Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zei hij. De zoen werd gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar zakdoek 't stilletjes wech.
't Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende. De twee heeren gaven mekaar een hand. He, he, 't is heerlijk weer, zei de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven was ... Zeker weer op reis geweest ... He, he, ik ben lang wechgebleven ... Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge, dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat. Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij kwam nog even te-rug.
-Mag ik voor jou ook dekken, Jozef?
-Nee, dank-je, ik zou 't heel graag doen, maar ik heb afgesproken om in de club te komen.
Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig. Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de gaspijpen voor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid. Nee, blijft u binnen, zei hij, toen de heer de Stuwen hem wilde uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zoo; ben je d'er nog boos om?
-Dat weet-je wel beter, zei hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld.
Maar hij moest het nog eens zeggen:
-Wat zeg-je?
-Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zou kunnen zijn.
-Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weer alleen, voor de koffie.
-Goed, zei hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit.
-Pas op voor Jans, zei ze, die mag ook nog niets zien.
Toen Mathilde weer binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak, zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij het venster stond.
-Als 't zulk mooi weer is, zei hij, hebben die ruiten een glans, precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van Wilden hier was ... Was hij er al lang? ...
-Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk doen kwam, weet ik niet.
-Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken voor ie naar de club ging.
Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart doorschemerend. Aan den eenen uithoek was ook weer het kruim zichtbaar, de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische vrouw. Aan weerszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneetjes, want vader was er dol op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun, bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch.
De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine burgerlijke spijzen. Hij zei: Kom-an, laten we nu maar aan den gang gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel zitten, voor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, dat nu voor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond 't lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed hem aan vier gelijke reepjes, die hij, een voor een, met een tevredenheid over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap tot aan den bodem leeg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht beter liet zien.
-Kind, wat zie-je bleek.
-Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje hoofdpijn heb gehad.
Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, dat maakte haar erg blij. Zij wist weer niet wat zij doen zou van plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te trakteeren van haar eigen geld. Zij zei het hem; zij sprak van een blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij maar wou. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weer of wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, dan zouden zij samen weer eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.
-Ik ga van middag naar Artis, Thilde, zorg dat je over een kwartiertje klaar bent;
-Ik wou liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, dat hem zou iets overkwam. He! ging ze niet mee! Maar waarom dan niet, wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wat? Den heele bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar Artis te laten gaan, waar hij zich zeker vervelen zou. Maar er was niets aan te doen. Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren moesten. Vader ging alleen naar Artis.
Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat al zoo lang in de stof stond, te bergen, voor zij ging zitten teekenen en denken op haar kamer. Terwijl ze een voor een de stapels lakens, sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig aanvoelden en zwaar op elkaar lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger appart lei en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zou wezen. Ze wou dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen huishouding. Zij deed 't nu ook wel bijna, maar 't was toch dat niet; ten eerste moest alles gebeuren precies zou als vader het wou, en al dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zou zijn, dat Thilde, die ze zou dikwijls schoone luyers had aangedaan, en die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zou nemen, zou laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zou, maar het zou er toch eens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat alles nu al zou levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n voet zouden kunnen leven. Op deze manier zou zij zelve ook meer tijd krijgen voor piano-en teekenstudien, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem het leven aangenaam te maken. Zij vond het zoo verschrikkelijk heerlijk te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij gekleed zou gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen en zuchtende borst, en lei voorzichtig de overhemden van haar vader in de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg geworden zou zijn, aan Jozef te dragen zou geven, toen zij over de mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zou laten maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zou bereiken en ook de zon hen niet zou kunnen verlichten, heelemaal alleen samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart overgolven. Zij wilde nu denken aan en door de kracht van haar gedachte het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht aan al wat ze hem zeggen zou, als ze eens heel en al, zonder te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem bloot zou kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk stellen. Zij zinde er op, wat ze zou doen, hoe ze zich zou kunnen gedragen, hoe zij haar eigen wezen zou kunnen veranderen, zich vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam zou kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die openbaring hem onweerstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zou willen schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang geweten voor hij het zelf zei; maar zij was er niet zeker van of hij wel zeker was van haar liefde voor hem. Zou haar stuurschheid van van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was gaan twijfelen? En toch, al was dat niet zoo, zou ze het hem duidelijk genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zou kunnen doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich uitte en zeide: ik hou van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zou vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel niet zoo maar.
Mathilde was op haar kamer gaan zitten, voor de tafel, de handen aan haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk aan hem was. Een voor een ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd, naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies zoo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was het haar aan weerszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai oude-vrijers-kapsel. De haargroei, voor het oor, op die plek, waar de blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zoo vlossig, dat het, als hij op straat liep bij winderig weer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm, zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neer ziet gaan in den wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke, van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde mee kon aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was van voren even merkbaar in tweeen gesplitst, hij had groote neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij zich ten minste wel herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen. Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg, schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan weerszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den vorm van een breed naar weerszijde uitgedrukt hart en was meestal een beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg, altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen, half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder een kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs, nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur Ster ze bijv. wel eens aan had. De manchetten hingen tot laag over zijn polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend, haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo graag gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit. Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was een van zijn vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs pike, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaar waren, had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij. Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij, stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader, edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht, dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teergevoel, en ook een levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed, al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen, wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een kennis en een gave om die duidelijk in haar verstand over te planten. Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprak niet alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begreep ook de muziek, hij wist haar mee te deelen, wat, van romans, de moeite waard was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van zijn schrift zou hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had haar vader Jozef zoo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de maatschappij, die carriere zou maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand, hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan?
Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij hem weer zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem voor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen, waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf aan met water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen, om de gedweee haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker geen vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graag had, ook dan, wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk. Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld.
In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te voorschijn.
-Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zei ze, ik dacht, dat u 't zeker te druk had boven.
-O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen.
Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen.
-Wil u van-middag ook maar weer hier eten, vader? vroeg Mathilde, het is hier veel lichter als achter.
-Heel goed, kind, zoo als je wilt.
En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in Artis gezien had; Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaar, Mathilde en ik!
Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide, als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het societeitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield.
Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren mee in kennis had gebracht, blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graag haar vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een "vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden. Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die stierf een week voor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden, was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeen tot kwart voor drieen zijn tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie, naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten. Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar een, heel kalm, heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst eens, toen tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen- zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen, waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd, maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling, die hij door-elkaar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graag eens rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was, bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls uitsluitend haar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij. Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding, hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen, die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaar toevertrouwden; zij nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde, de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer. Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om, dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte van gemeenzaam verkeer weer ingang gevonden en de overhand gekregen Zij waren gauw weer de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaar in 't begin halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij de Stuwen aan huis weer de oude muzikale avondjes plaats, die bij het overlijden van mevrouw de Stuwen op hadden gehouden. Mathilde behaalde bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon ontwikkeld pianotalent.
Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar volstrekt wou gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje gaven. Zij moest ook graag uitgaan en graag veel van het leven genieten, zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat lectuur, enz., haar niet ontbreken.
-Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zou hebben.
Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij zooveel mee omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was, dat het hem nog nooit in was gevallen aan haar te denken.
Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan Mathilde toch zijn vrouw zou kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze gelukkige ontdekking. 't Was ook in de club geweest, hij zat ook juist, zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leege groote benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu.
Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al voor dien dag bestaan had in zijn hart en van-ja dacht om dat hij zich herinnerde, hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had gevoeld, trof het hem op-eens als iets heel zonderlings, dat hij nooit in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug, zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaar aan de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken, altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook wel komen zou. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als hij nu bij haar was, probeerde hij door haar net zulke indrukken bij hem te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken; hij oefende er zich in haar kin en haar keel zoo te bekijken, dat hij den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij lei er zich op toe om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zou te vinden zijn, hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed, tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zou gaan, dat, als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zou gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met zijn gewone wellusten. Hij begon een onweerstaanbaar verlangen te voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust, dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zou binnendringen. Dit deed hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij zichzelf de zaken voor.
Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven te weeg zou brengen.
Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo. Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam nu uit, anders had ze hem niet zoo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige menigte door de Kalverstraat op en neer loopen. De zaal om hem heen was, achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden, levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was.
Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat, als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meesprekend bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn schenkend.
Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alleen houden. Wat een ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was. Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaar aankeken in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet, zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze toestand een einde zou nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf dwingen in-eens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen, hoe de toekomst wezen zou. Of vader met hun samen zou komen wonen, dan wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet, welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar plotseling bedacht zij zich weer. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij moest vooreerst wachten. Het samenwonen mocht zij zich nu al als zeer goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf al zoo dikwijls herhaald had, en toch weer telkens wech wilde cijferen. En dat vader alleen zou wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan. denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zou niet zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zei om haar te overtuigen. Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht. Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar verstand en telkens werden zij onopgelost weer wechgezucht. Het maakte haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor haar geluk. Was Jozef een enkele maal met haar alleen in aanraking, liet zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaar onder aan de trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd; zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was, hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat zij nadenken, dat zij zien zou, dan drukte hij haar hand, lei zich zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neer, maar zag haar aan met een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weer te leur te stellen zou hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw, groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en opperst genot zou gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden, klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat, wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen heldendaden bekend stond, geen epopeeen had gedicht, door geen uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker hield, geen sterveling hem een heilige zou noemen, en dat zij toch zoo oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het haar toch scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had haar liefgekregen, zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Haar had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, haar had hij veroverd, dat was zijn heldenstuk, toen hij zei: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht.
Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel. Soms, wanneer zij in haar droom in een teere en zwaar-drukkende omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het wezenloze dek. In andere uren weer vulde hij haar denken als iets ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam.
Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst. Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm, altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang, bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zei. Zij zag om, en hij was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weer eens koortsig en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar, en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon. Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te geven. Een andere keer lag hij weer op zijn knieen voor haar, en keek haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen kon. Wanneer zij hem dan weer in levende lijve ontmoette, den dag dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare droomen. Dan nam zij weer het besluit voorloopig haar lieven bejaarden vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van tallooze aartjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen meestal over mekaar, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen. Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich gehad, hij was nooit graag alleen, hij had een alles beheerschende behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter, met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of als de herfst al gevorderd was, zoo maar, in zijn gewoon huispakje. Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man. Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leege uren Duitsche klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op een matig-liberale koerant en op verscheiden geillustreerde tijdschriften. Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zou worden. Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek. De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den dag lei, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven, voor zij van mekaar zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche ideeen, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen.
Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt. Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan. Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht, was hij alleen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in een huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij was zoo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's avonds als zij naar bed ging, zij zou voor geen geld van de wereld hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om op te passen en zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't zeerst lief waren. Neen, zij zou geen afscheid van haar vader kunnen nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam.
Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar pianostudies waren nog maar werktuigelijk.
Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was.
Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeen om Mathilde en haar vader pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren. Het zou gauw slecht weer worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde 's middags om een uur of een, half-twee, met een flinken landauer voorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit zou den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde het ook: het voorstel werd aangenomen.
Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte glace-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt, die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen. Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieen in de hoogte hield.
-'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef.
-O, nee, 't is heerlijk weer.
Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weer:
-Wil u er dan maar niet vast ingaan?
-Ja, dat is goed.
Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen, terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de achterbank neerzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen. Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te veel thuis. Dit tochtje zou haar verfrisschen. Met een rukje van haar duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen dicht, lei daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij ook de roomkleurige parasol mee droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom hij langzaam in het rijtuig, en schoof neer op het vaal-gele kussen tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieen door zijn beenen omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zei: alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht, dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen, ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zou worden door haar. Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neer en werd het donkerder in het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen riepen ze mekaar iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreestraat onoogelijke waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op allerlei nootjes of zij wist niet wat kauwden, en de meisjes toch wel bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt, reden ze nu door de kalme Muyderstraat.
De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en schuchter, met zijn handen op zijn knieen over zijn jas gegleden. Hij zei niets. In de Plantage werd alles weer breeder, vroolijker en een wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken. Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaaren afstrooiden, wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam. Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaar eventjes tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weer opgestoken en haar door de warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten voor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neer, als sprekende. Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden, waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten.
Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd, waardoor hij weer een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op, waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neer langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van tusschen de wriemelende boomenblaaren schoten zonnestralen over het rijtuig, die dan weer wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neerstrijken; zijn gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en een te worden met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teere tinten op hun gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieen ook altijd dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieen heen en weer bewogen, hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking. Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde, staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieen van Jozef en Mathilde sloten zich dichter aan-een en drukten zich vaster samen, terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes verdoofde in de sterke lucht.
Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond, zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst, haar parasol in de hoogte. Er lei zooveel gloed over haar gezicht, Jozef zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen, haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met elkaar zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun plannen, maar de blikken, waarmee zij elkaar nu konden aankijken en die zij alleen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht.
Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten, reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs weer tot Amsterdam te gaan.
Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al over half-zes geworden; Jans zou wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weer helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't westen daalde.
De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen, in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot stralen er tusschen door. Een purperrood licht weerkaatste in de bovenste huizenruiten en een rose teerheid betintelde ruimte. In het rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken. Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zou, was in haar. Overgegeven aan de veeren van den landauer om haar te wiegen, bij kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar. Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zoo lang was zij aan 't wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte, tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag, zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond, waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen, van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden hebben. En zij dacht dat 't anders nooit gebeuren zou, dat er na dezen geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd een zachte rozengloed en een zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef, wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk, de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs zwarten hoed.
Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar vreemd scheen, zij lachend luide:
-Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak; hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet, wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug, die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude heer hoestte erg.
-O God, vader, u heeft stellig vreeselijk kou gevat. Wij hadden het ook nooit moeten doen, nee nooit!, zei Mathilde, die uit haar humeur was. Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand, die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nog niet iets? Was hij niet stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed. Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken, die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen.
-Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zei ze tot
Jozef, nu weer wat kalmer.
-Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zoo koud was 't niet. En Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat goede kind!
Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader. Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was, en kwam nog eens kijken of hij zich wel wel voelde, een half uur na dat hij naar boven was gegaan.
Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij.
Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van teederheid:
-Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft, zou ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna, toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden had voldaan, sliep zij in.
Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen, hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd, hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn heele linkerzij. Om een uur kwam de dokter weer en verklaarde, dat Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar misschien zou beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje voor voetje, liep zij de trappen op en neer van den morgen tot den avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende, geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen. Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het wit over de randen scheen te zullen loopen.
Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje voor haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles, met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen bloot en wrikte haar schouders op en neer, om te toonen hoe krachtig en lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid, de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weer heelemaal een ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard van de melodien met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op nommero een: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er mee uitschee en 't haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan een stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder te slapen. Toen zij eindelijk weer in de achterkamer kwam, om bouillon te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele kleine sleuteltje, waarmee de pianoklep afgesloten worden, in het laadje van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de gracht in de wal.
De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens weer te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de altijd weer verschijnende telegraafpalen, die men te niet zou willen kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weer aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan voelde zij in den doezeltoestand, waarmee haar slaap begon, in die oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als hij zich weer heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en niets dan ijdelheid.
Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kon doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zou zij-zelf ziek worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen goed meer doen. Zij had zich-zelf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich af te sloven, dat te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur achter mekaar. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weer de trap af; zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van een katoenen deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide als een hond.
Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weer aansterkte, zat in de voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij de trap op om naar haar vader te kijken.
Jozef kwam elken dag aan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij weer met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk blijven zou, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zou zich niet van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neerlei bij het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun drieen verder samen een leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen worden. Weer dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien geschikt zou kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren het huis stil te houden.
Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar borst er zeer van deed.
Toen hij kwam, maakte zij open:
-Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.
Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde met den dag, hoe opgewekt hij er weer begon uit te zien en met hoeveel pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weer brood at, stonden zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.
-Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zei Mathilde. Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, om je te laten zien. Wil-je niet even meegaan?
Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zou denken, viel niet in haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij hem voor, en ze werd in-eens heel rood, toen zij zijn stap achter haar hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij mekaar niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op haar kamer. Op-eens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen zorgvuldig over mekaar en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening meer zichtbaar bleef.
-Ga nou maar even voor de tafel zitten, zei ze, dan kom ik naast je zitten.
En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij vermeed zijn blikken en lei hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar boven in zijn armen.
-O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kan nu niet langer wachten ... Laten wij toch trouwen.
En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel haast om met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn borst. Zij dook in-een in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.
-Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zou gauw mogelijk?
En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hem was. Jozef andwoordde zonder te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen hem neer. En ze zeiden allebei niets, hun hoofden waren heet in de vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weer naar beneden.