Het doel van dit geschrift is juist niet om eene volledige geschiedenis der Chineesche philosophie te geven of al de vraagstukken, welke deze heeft trachten op te lossen onder het oog te zien. Daartoe toch zouden zeer uitvoerige, boekdeelen vullende uiteenzettingen, noodig zijn, die van het geduld van den lezer te veel zouden vergen. De bedoeling is op beknopte en verstaanbare wijze te schilderen het eigenaardige der Chineesche philosophie en hoe zij op de ontwikkeling van het Chineesche volk heeft gewerkt.
In hoeverre in oude tijden Turanische of Arische invloeden zich in China hebben doen gelden, en vanwaar de sporen van de?sme komen, die men in den ouden staatsgodsdienst ontwijfelbaar vindt, is hierbij van minder belang. Gewichtiger en belangrijker is het feit, dat de beschaving van het Chineesche volk, zooals wij die voor het eerst in historische tijden ontmoeten, aanstonds iets van ouds gevestigds, iets afgewerkts, afgeronds heeft: waarvan wij den aanvang niet kunnen ontdekken, en die zich wel duizend jaar lang, tot aan den intocht van het Boeddhisme vrijwel onveranderd heeft gehandhaafd.
Wel vindt men ook in China sagen over oude dagen, waarin het volk 's winters in holen, 's zomers in een soort nesten in boomen leefde, waarin het gebruik van het vuur onbekend was en de bewoners nog niet geleerd hadden visschen en vogels te vangen: doch wat op dezen, ook naar Chineesche opvatting voorhistorischen tijd betrekking heeft, vinden wij in latere werken, niet als een herinnering aan een vaststaande traditie, maar aan legenden, van onheugelijke tijden bestaande.
Wat de standvastigheid der Chineesche zeden betreft, noemen wij het feit, dat de offergereedschappen uit den tijd der Hsia dynastie evenzoo gevormd zijn als die uit den laatsten tijd der Chau-dynastie, hoewel twintig eeuwen beide dynasti?n scheiden. Ook bleven de ceremoni?n, gebruiken en zeden in godsdienst, wijsbegeerte en zedeleer gedurende dien tijd onveranderd. Hieruit leide men echter niet af dat de geest van het Chineesche volk al dien tijd rustte, integendeel: zelden is er een tijd geweest, waarin het Chineesche volk meer geestelijk leven ontwikkelde dan van de 6e tot de 4e eeuw voor Christus. Doch: dit geestesleven openbaarde zich vooral in het bewaren, verklaren en uitwerken van wat eenmaal overgeleverd was. Het was meer om uitleggen te doen dan om iets nieuws in het leven te roepen.
De Chineesche philosophie heeft, gelijk wij dat ook bijna overal elders zien, van af de oudste tijden zich in twee richtingen ontwikkeld. De eene, waarvan Lao tsze als vertegenwoordiger mag gelden, bewoog zich in metaphysisch-theosophische richting, de andere, waarvan Confucius als hoofd wordt erkend, in ethisch-materialistische, of-juister uitgedrukt, ethisch-politische richting. In het stelsel van Lao tsze of Li R (het Tao?sme) treedt op den voorgrond ?het inwendig licht," dat 's menschen leven moet leiden, in dat van Confucius de verschillende verhoudingen: tot ouders, familie, staat enz. die 's menschen plichten bepalen.
Wij zouden echter verkeerd doen ons Lao tsze en Confucius voor te stellen als stichters eener nieuwe leer: beiden deden niets anders dan de leer van vroegere gezaghebbenden overleveren, wier uitspraken lang voor hun tijd de bron der Chineesche wijsheid vormden.
Uit den langen strijd tegen het Tao?sme, een strijd die sedert het begin onzer jaartelling ook tegen het van elders ingevoerd Boeddhisme was gekant, is ten slotte het Confucianisme als overwinnaar te voorschijn getreden. Nog heden is dit: evenals reeds voor tweeduizend jaren, de orthodoxe richting: haar aanhangers hebben in den loop der eeuwen de regeering des volks verkregen. Toch: ook deze richting van de Chineesche philosophie heeft zich niet vrij kunnen houden van allerlei, aan het gebied van den godsdienst ontleende, vreemde bijvoegselen. De oude rijksgodsdienst: een uit het Shamanisme ontstane vermenging van natuur-, geesten-, helden- en vooroudervereering: die bij de voornamen in een aantal ambtelijke ceremoni?n, bij het volk in grof bijgeloof verloopt, heeft vooral omtrent de vooroudervereering op deze philosophie invloed uitgeoefend, terwijl ten opzichte van kosmogonische1 en dergelijke vragen, Boeddhistische en Tao?stische invloeden zich hebben doen gelden: de laatste vooral sedert de 12e eeuw na Christus.
Men zal zich wellicht verwonderen dat Boeddhistische en Tao?stische invloeden hier werkzaam konden zijn: waar zij van de zijde van de gevestigde leer zooveel vervolging moesten ondergaan. Men bedenke echter dat het bij deze vervolgingen minder te doen was om de onderdrukking of uitroeiing van dogmatische ketterijen, dan wel om den staatkundigen invloed, welken de priesters van beide secten trachtten te verkrijgen, tegen te gaan en vooral om het grondbeginsel van het Confucianisme: de voortplanting der familie, die door het geweldig toenemen der kloosters bedreigd werd, staande te houden. Wat de kloosters betreft: er waren er b. v. in 845 n. C. 4600 met nog 40,000 kleinere stichtingen: terwijl toen het aantal monniken en nonnen 260,000 beliep.
Wat heeft aan het Confucianisme nu het overwicht gegeven? Zeker in de eerste plaats dat het-in plaats van den eisch om de wereld te verlaten en in mystieke bespiegeling op te gaan, een eisch, dien Tao?sme en Boeddhisme stelden-deelname aan de praktische eischen des levens aanbeval en daarvoor aanzien en eer als belooning stelde. Tegenover deze leeringen van Lao tsze en Boeddha stond dus de leer van Confucius als ?wereldwijsheid"-een levensrichting, die voor den praktischen Chinees groote aantrekkelijkheid moest bezitten.2
Lang voor Confucius en lang na hem waren er in China personen, die men met de Brahmaansche en Boeddhistische wijzen, met de Joodsche profeten en met de Grieksche wijsgeeren kan vergelijken. Half rhetoren, half politici, trokken zij in de kleine vorstendommen van hof tot hof, menigmaal met een tot duizenden aangroeiend gevolg van leerlingen. Terwijl zij, leerend en afkeurend, zich zeer op hun wijsheid lieten voorstaan, waren zij vaak voor de vorsten, dikwijls ook voor het volk, lastige menschen. Voor de praktische staatslieden waren zij een gruwel en een spot. Daar hun zelden belangrijke posten waren toevertrouwd ging hun gezag en invloed meestal spoedig door de kuiperijen der beambten en adellijke famili?n, die in ieder der leenstaatjes, waaruit het groote rijk bestond, om den voorrang kampten, te gronde. De dynastie van Shang, die van ongeveer 1766 v. C. in China had geheerscht, was in 1122 v. C. door die van Chau omvergeworpen. Wuwang, de eerste koning uit dit nieuwe geslacht, die ongeveer te gelijk met den Isra?lietischen koning Saul (1110 v. C.) den troon besteeg, was een geleerde, vrome en dappere vorst, maar hij beging de fout (misschien echter door den staatkundigen toestand gedwongen) het groote rijk, dat vroeger slechts één heer, den keizer, gekend had, in een aantal leenstaten van verschillende grootte en macht (er waren er tusschen de 40 en 125 in verschillende tijden) te verdeelen. Voor den keizer bleef slechts een onbeduidend gebied bewaard. De nadeelige gevolgen van dezen maatregel bleven niet uit: de leenheeren hadden voortdurend strijd met elkaar, de zwakke keizers konden er geen orde onder houden, het rijk gaf een beeld van de grootste verwarring te aanschouwen. Ieder landsheer, groot en klein, dacht er slechts aan zijn gebied en zijn macht te vergrooten ten koste van zijn buurman. En in den kring der staatjes zelve leefden de voorname beambten, de adellijke famili?n en de politieke partijen in voortdurende twisten. In 't kort: een beeld, zooals het Duitsche rijk niet zoo heel lang geleden nog te zien gaf.
Wij merkten in het vorige hoofdstuk op welk een grooten, hoewel ongunstigen invloed de maatregel van keizer Wuwang wel had, een invloed, die eeuwen voortwerkte, en die zich ook nog krachtig deed gelden in de dagen toen de bekende Chineesche wijze Confucius geboren werd. Deze zag het levenslicht in 550 v. C. Zijn vaderland was het hertogdom Lu, gelegen in het tegenwoordige Shantung, een der straks vermelde kleine vorstendommen. De Chineezen noemen hem Kung-Kiu.
Confucius is een Latijnsche bewerking van het Chineesche Kung-fu-tsze. Deze laatste naam is samengesteld uit den familie-naam ?Kung", de aanduiding van rang van hooge beambte ?(Ta) fu" en de toevoeging ?Tsze" = leermeester. ?Kiu" beteekent heuvel en heeft betrekking op een uitwas, dien Confucius op het hoofd had, of op den vorm van zijn hoofd.
Confucius' familie stamde uit het keizerlijk geslacht der Shang. Zijn voorvaderen waren vorsten van Sung geweest onder de dynastie van Chau, en wel in het oostelijk deel van het tegenwoordige Honan. De jongere tak dezer familie, waartoe Confucius behoorde, had den bijnaam Kung aangenomen en was tegen het einde van de 8e eeuw naar Lu getrokken. Daar was zijn grootvader commandant van een stad geweest en had zijn vader zich als soldaat door groote lichaamskracht en dapperheid onderscheiden. Confucius was geboren uit het tweede huwelijk zijns vaders, door dezen op hoogen leeftijd met de dochter van een buurman gesloten: volgens sommigen was hij slechts de zoon van eene bijzit.
De legende van later dagen heeft zijn geboorte met allerlei wonderbare voorspellingen en verschijningen, met het optreden van een draak, geni?n enz. opgesierd.
Over de jeugd van Confucius weten wij weinig: drie jaren na zijn geboorte stierf zijn vader, op zijn negentiende jaar trouwde hij. Zijn huwelijk was niet gelukkig: hij liet zich later van zijne vrouw scheiden: misschien had deze ook wel redenen van ontevredenheid. Hoe dit zij, een jaar na zijn huwelijk werd zijn zoon Li (karper) geboren, zoo genoemd, omdat de hertog van Lu bij deze gelegenheid aan den vader eenige karpers zond. In dienzelfden tijd werd Confucius tot opziener der korenmagazijnen benoemd, een jaar later met het beheer van staatslanderijen belast: naar het schijnt waren dit onbeteekenende betrekkingen.
Kort daarop begon Confucius zijn werkzaamheid als leeraar. Hij verzamelde een aantal leerlingen rondom zich, wier schoolgeld-geschenken, naar Chineesche opvatting-tot zijn levensonderhoud dienden.
Behalve met dit onderwijs en zijn ambt hield hij zich vooral bezig met de bestudeering der oude ceremoni?n en der oude muziek. In beide deze takken der philosophie (de Chinees brengt ze hieronder thuis) kreeg hij weldra zulk een groote roep van geleerdheid, dat vanaf het jaar 517 een aantal jongelieden uit de aanzienlijkste famili?n des lands onder zijne leiding deze wetenschappen kwamen bestudeeren. Dit verhoogde zijn aanzien en maakte het hem mogelijk een reeds lang gekoesterden wensch te vervullen door aan de keizerlijke hoofdstad Lo Yang in Honan een bezoek te brengen. Hij maakte zich daar het verblijf ten nutte door de groote rijkstempels des hemels en der aarde te bezoeken, en zich met de ceremoni?n van het keizerlijk hof op de hoogte te stellen. In dien tijd schijnt hij ook zijn bekende ontmoeting met zijn ouderen tijdgenoot Lao tsze gehad te hebben, die toen opziener der schatkamers in Lo yang was. Nog in hetzelfde jaar keerde Confucius naar Lu terug. Zijn beroemdheid nam, misschien ook door deze reis, van dag tot dag toe: zoo, dat hij zelfs tot 3000 leerlingen rondom zich verzamelde.
Evenwel, de staatkundige toestand in Lu maakte het hem weldra onmogelijk daar langer te vertoeven. In 516 v. C. kwam het tot openlijke vijandelijkheden tusschen het vorstenhuis en drie daaraan verwante families, die van Ki, Shuh en Mang. Van die eerste familie (Ki) schijnt Confucius (als cli?nt) afhankelijk te zijn geweest. Het eind van den strijd was de nederlaag van den hertog. Deze vluchtte naar het naburige vorstendom Tsé en werd door Confucius gevolgd.
Hoewel de hertog van Tsé hem zeer genegen was, bleek toch de tegenstand van de mannen, die in het hertogdom aan het roer stonden, krachtig genoeg om hem daar uit den staatsdienst te houden. Na een jaar keerde hij dan ook weer naar Lu terug, waar hij 15 jaar doorbracht zonder een ambt te kunnen verkrijgen. Zijn vaderland werd in dien tijd door den strijd der partijen verscheurd. Eerst door de verdrijving van een der voornaamste onruststokers kwam er althans een weinig rust. In 500 v. C. werd Confucius tot eerste beambte der stad Chungtu benoemd. De daarop door hem ingevoerde hervormingen trokken algemeen de aandacht en zoo werd hij vervolgens tot assistent van den hoofdopzichter van publieke gebouwen, en kort daarna tot minister van justitie benoemd. Ook in dit ambt bracht hij treffende dingen tot stand, zoodat naburige vorsten, wien de bloei van Lu jaloersch en tegelijk bezorgd maakte, er op uit waren hem zijn post te doen verliezen. Dit gelukte ook: zij zonden den hertog zestig schoone meisjes, danseressen en zangeressen ten geschenke, die den hertog geheel in hare lieflijke striknetten verwarden en zijn aandacht van de regeeringszaken wisten af te leiden. Bedroefd en ge?rgerd verliet hij zijn vaderland. Dertien jaar lang trok hij, onder allerlei ontberingen, van de eene plaats naar de andere zonder ergens een open oor voor zijn plannen te vinden.
Zoo verhaalt de oude overlevering. Denkelijk is zij niet geheel juist. Bij andere gelegenheden was Confucius niet zoo fijngevoelig als hij ons hier wordt voorgesteld. Het waarschijnlijkste is dat de familie Ki, die Confucius aan ambten en waardigheden geholpen had, op hem als een willig werktuig hunner partij had gerekend en zeer ontgoocheld was, toen Confucius het ondernam de macht der groote leenheeren in het vorstendom te knotten en hun versterkte steden te slechten: de plaatsen van waaruit zij den beheerscher des lands trotseerden. Waarschijnlijk moest Confucius meer wijken voor fijngesponnen intriges dan voor uitwendige macht. Zijn ballingschap zal wel geen geheel vrijwillige zijn geweest. De invloed der familie Ki heeft hem voorzeker langen tijd den terugkeer in het vaderland onmogelijk gemaakt en dien eerst toegelaten, toen men van den afgeleefden grijsaard niets meer te vreezen had.
In 483 keerde Confucius naar Lu terug. Daar werd zijn tijd door onderwijs geven en letterkundige bezigheden in beslag genomen, totdat hij in 478 v. C. op 73-jarigen leeftijd stierf, verbitterd door het vruchtelooze van al zijn bemoeiingen, het onvervuld blijven zijner verwachtingen. Zijn laatste woorden tot zijn leerling Tsze kung waren: ?Geen wijze heerscher verschijnt, niemand in het gansche rijk wil mij als raadsman hebben, mijn tijd om te sterven is gekomen." Zijn leerlingen begroeven hem in K'hufuhsien,3 in het tegenwoordige Shantung. Drie jaar lang treurden zij bij zijn graf, waar zij zich, naar Chineesche zeden, hutten oprichtten.
?Na den dood van Confucius," zoo heet het in de geschiedenis der Han-dynastie (210 v. C.–24 n. C.) ?was het met zijn leer gedaan en nadat zijn zeventig (voornaamste?) leerlingen waren heengegaan, werd zijn leer bedorven (verbasterd). Er waren een groot getal verschillende teksten van de jaarboeken, van het liederenboek en van het boek der veranderingen en gedurende de verwarde toestanden en twisten der verschillende staten (480–221 v. C.) raakten waarheid en leugen nog meer met elkaar in strijd en in de leer der verschillende geleerden heerschte groote verwarring. Toen kwam het ongeluk, door de Tsin-dynastie (220–205 v. C.) veroorzaakt: deze bewerkte namelijk dat de boeken der geleerden met vuur werden verbrand, opdat het volk onwetend zou worden gehouden. Langzamerhand echter kreeg de Han-dynastie de macht in het rijk. Deze spande zich in om de schade te herstellen, die de Tsin-dynastie had veroorzaakt. Tafels en plankjes (waarop men in oude dagen teekens insneed of inkerfde) zocht men bijeen en de (klassieke) boeken werden verzameld."
In denzelfden tijd werd Confucius door de rijksregeering: d. w. z. door den vertegenwoordiger daarvan, den keizer, officieel erkend (n.l. als vereerenswaardig).
Reeds vroeger-na zijn dood-was hem ter eere door den hertog van Lu een tempel gebouwd, waarin viermaal per jaar offers moesten worden gebracht. Doch hoewel in 194 v. C. de grondvester der Han-dynastie, toen hij door Lu reisde, dezen tempel bezocht en er een os liet offeren, duurde het toch tot het jaar 1 n. C., eer keizer Ping aan Confucius een onsterfelijken eeretitel verleende en tot 57 n. C. voor offers aan hem in alle keizerlijke en rijksscholen werden ingevoerd. Deze vereering deelde Confucius tot het jaar 609 n. C. met den hertog van Chau, Chau-Kung, den broeder van den eersten keizer van dienzelfden naam. Eerst na dien tijd werden voor Confucius afzonderlijke tempels opgericht en vanaf 628 werd hij alleen vereerd. De officieele eeretitel, dien hij nu bezit: ?Kung, de oude leeraar, de volkomen wijze" dateert eerst uit het jaar 1657 en is hem verleend door den eersten keizer der nu nog regeerende Mandschoe-dynastie. Deze heeft meer dan ééne der voorgaande dynasti?n voor het aandenken en de vereering des meesters gedaan: zeker wel in het juiste besef daardoor voor het Chineesche volk haar vreemde heerschappij wat minder drukkend te maken.
Zooals wij reeds opmerkten leerde Confucius niets nieuws: hij verklaarde slechts de leer, die van oudsher geldig was en beriep zich daarop bij alle gelegenheden. Ja, het is wellicht juist aan dit onpersoonlijk karakter zijner leer toe te schrijven, dat deze gedurende zooveel eeuwen zulk een invloed op het volk kon uitoefenen.
Confucius en zijne leerlingen, navolgers en commentatoren waren slechts de bewaarders eener traditie, die sedert langen tijd in het bewustzijn van het Chineesche volk als met ankers was vastgemaakt.
Wat Confucius leerde kan men het best samenvatten in deze stelling: wie anderen wil opvoeden moet allereerst zichzelf opvoeden, m. a. w. een opvoedkundige opvatting van het Grieksche: ?Ken u zelf," maar-tegelijk een onmiskenbare vooruitgang: want zelfkennis heeft dan alleen waarde, als zij het begin van beterschap is.
?Confucius sprak met voorliefde van het gewone, regelmatige en niet van het ongewone of buitengewone; hij sprak van wat men door vlijt en daarop berustende kracht verkrijgen kon; maar niet van wat men door overmacht kon bereiken. Hij sprak van toestanden van orde en niet van toestanden van regeeringloosheid met kuiperijen, die daarbij voorkomen, hij sprak van menschelijke en niet van bovenaardsche dingen. Hij leerde verstaan de grondstellingen, in de schriften der ouden vervat en hoe daar naar te handelen, de zedeleer van het hart en hoe aan de zedelijke beginselen getrouw te blijven."
Aldus omschrijft een uitlegger zijner werken een plaats uit zijne ?Gesprekken", die treffend de leerwijze van Confucius in het licht stelt.
Bizonder eigenaardig is in Confucius de afkeer om zich in te laten met wat betrekking heeft op de onbekende toekomst des menschen aan gene zijde des grafs.
?Gij kunt de levenden niet dienen, hoe zult gij de geesten dienen," antwoordt hij aan een zijner leerlingen en als deze nog verder op het onderwerp wil ingaan, zegt hij: ?Gij kent het leven nog niet, hoe kunt gij iets weten over den dood?" De oude uitleggers verklaren deze plaats zoo, dat Confucius den leerling geen ander antwoord gegeven heeft, ?wijl geesten en dood onbegrijpelijke dingen zijn en het de moeite niet loont daarover te spreken."
Het 10e boek der ?Gesprekken" behelst een vrij uitvoerige schilderij van de gewoonten en de houding des wijzen, doch: zooals Dr. Legge, de vertaler van de klassieke werken der Chineezen, zegt: ?Confucius is als wijsgeer voor mij gedaald, sedert ik hem in zijn huisjasje, zijn bed en zijn reiswagen gezien heb."4
Toch heeft die pijnlijke zorgvuldigheid, waarmede zijn leerlingen ook de kleinste nietigheden uit de gewoonten huns meesters opteekenden, een voordeel: zij bewijst ons, hoe behoudend de Chineezen zijn, zelfs in de onbeduidendste uiterlijkheden, daar veel van de toen beschreven gebruiken nog zoo bestaan.
Zoo wordt op een plaats verteld hoe Confucius deed, wanneer hij op bevel van den vorst een bezoeker moest ontvangen: ?Hij ijlde vooruit, de armen opgeheven als de vleugels van een vogel." Hetzelfde ceremonieel heerscht thans nog aan het Chineesche hof: de vreemde gezanten, die de keizer van China in 1874 en later ontving, zouden het kunnen getuigen.
?Bleef hij in de poort staan, zoo deed hij dit niet in het midden van het pad, en bij het in- en uitgaan trad hij niet op den drempel."
De weg onder iedere poort was in oude tijden door een paal in twee deelen gescheiden: voor het in- en voor het uitgaan. Het midden van ieder dezer twee wegen mocht slechts de vorst gebruiken. Tegenwoordig zijn er in de keizerlijke paleizen en vertrekken bijna overal verscheidene poorten en deuren: drie tot vijf, waarvan de middelste alleen voor den keizer dient en door niemand anders betreden mag worden. Waar slechts één poort of deur is, zooals bv. in de hal, die tegenwoordig voor de audienti?n der vreemde gezanten gebruikt wordt, wil de etiquette, dat het in- en uitgaan niet precies door het midden plaats heeft. In tuinen en op begraafplaatsen van keizers of prinsen is het middelste gedeelte van de middelste trap, die tot de hal of den tempel voert, dikwijls met groote platen marmer bedekt, waarop zich in reli?f bewerkte draken bevinden. Zoo is het betreden daarvan onmogelijk gemaakt: en terwijl de dragers rechts en links de trappen opgaan, zweeft slechts de draagstoel of de doodkist over het midden van de trap.
Wat het betreden van den drempel aangaat, dit geldt, evenals in oude tijden, ook nu nog voor onbeleefd en de bewoners van het huis onheil aanbrengend. Bij audienti?n des keizers wordt dan ook aan de gezanten uitdrukkelijk verzocht, het betreden van den, bijna een voet hoogen, zeer smallen drempel te vermijden. In Japan werd het ook tot voor weinige jaren als een grof vergrijp beschouwd: als een beleediging, die onder mannen met twee zwaarden,5 slechts door bloed kon worden uitgewischt. Den voet op iemands drempel zetten, beteekende hetzelfde als hem den heer des huizes op het hoofd zetten.
Het beeld van Confucius, dat ons uit de over hem bewaarde berichten tegenkomt, is niet zeer aantrekkelijk. Wij zien voor ons een oudachtig humeurig heer, wien 't echter aan geestigheid niet ontbreekt: een man, pijnlijk afgemeten in kleeding, gedrag en gewoonten, die alles weet en alles kan en nooit eene gelegenheid laat voorbijgaan om zijn medemensch vol zalving te doen gevoelen, dat hij het beter weet dan deze.
We aanschouwen een professor, die met de dooden op een vrij goeden voet staat: hen immers kan hij kritiseeren en aanhalen, zonder dat zij hem tegenspreken: doch die het den levenden niet vergeeft, dat de geschiedenis zich niet afspeelt volgens het door hem gesponnen schema en dat hij niet geroepen wordt om de wereld weer in zijn kader terug te brengen. Daarom knaagt hij aan alles, wat anderen doen of nalaten: zou hij zich in alles willen mengen, als die anderen het maar toelieten en wordt hij door de gedwongen rust, door de tweespalt tusschen zijn willen en niet vermogen, tegen anderen en ten slotte tegen zichzelf verbitterd.
Zulk een oordeel schijnt hard, maar het werd reeds geveld door zijn tijdgenooten en door hen die kort na hem leefden. Echter bedenke men dat zijn tegenstanders het velden en dus wellicht wat overdreven.
In het boek Sze ma tsien wordt, van Tao?stische zijde, dus door de aanhangers van Lao tsze, gehandeld over een samenkomst tusschen Lao tsze en Confucius. Daarbij zegt de eerste-oudere tijdgenoot van Confucius-tot den laatste, die hem vermoedelijk verveeld had met citaten uit het leven der oude wijzen en met zijn betoog over het nut van uitwendige ceremoni?n voor de innerlijke ontwikkeling des menschen: ?De lieden, waarover gij zoo veel spreekt, zijn reeds lang dood en hun gebeente is vergaan, slechts hun woorden klinken na. Als de tijd van den wijze is gekomen, spreekt hij: is die er niet, dan weet hij te zwijgen. Ik heb gehoord dat een goed koopman, ook als hij zijn schuur met schatten gevuld heeft zich toch als arm voordoet en dat de wijze zijne wijsheid te verbergen weet. Leg af uwen hoogmoed en uwe begeerten, uw uitwendigen schijn en uw wilde plannen. Dat alles is voor u zonder nut. Dat is het eenige, wat ik u te zeggen heb."
Op een plaats in de ?Gesprekken" wordt verteld hoe Confucius, toen hij eens voor een rivier was gekomen, die hij moest overtrekken, een zijner leerlingen naar twee lieden zond, die daar in het veld werkten, om te vernemen waar men den stroom het best kon doorwaden.
De arbeiders waren asceten (Tao?sten) die zich van de wereld teruggetrokken hadden. Een van hen vroeg, wie de man in den wagen was, die ingelicht wilde worden. De leerling noemde den naam van Confucius. ?Kung-kiu uit Lu? die kent de voorde" (m. a. w. die weet immers alles, dus ook dit) sprak hij, keerde zich om en werkte voort. De andere arbeider was minder kort aangebonden, doch niet vriendelijker. ?Gij zijt een leerling van Confucius? Wanorde bedekt als een gezwollen rivier het gansche land en wie zal dat, u en hem ter wille, veranderen? Waarom wilt gij iemand volgen, die slechts hier en daar de wanorde uit den weg gaat (zinspeling op het rondtrekken van Confucius van het ééne land naar het andere) en niet een, die zich geheel en al van de wereld terugtrekt? Zoo sprak deze en ging weer aan zijn werk.
In de werken van Chwang-tsze komt Confucius er nog slechter af. Daar komt een stuk in voor, getiteld ?De roover Kih", waarin verteld wordt hoe Confucius zich in het leger van dezen rooverhoofdman begaf om hem van zijn booze wegen terug te brengen, doch door dezen zeer slecht werd ontvangen. De roover toch zeide:
?Gij geeft vele redeneeringen ten beste en praat maar door, u beroepend op de oude wijzen, zonder dat daarvoor reden is. Hoe meer gij spreekt, des te meer onzin komt er voor den dag. Gij voedt u, zonder te ploegen, gij kleedt u, zonder te weven, uw lippen staan niet stil en uw tong gaat als een trommelstok. Gij beslist maar wat recht en onrecht is en brengt daardoor alle vorsten des rijks op verkeerde wegen. Gij geeft aanleiding dat de geleerden zich niet bemoeien met wat hun eigenlijke taak is. Gij praat over kinderlijke liefde en broederlijken plicht en zijt toch steeds onafscheidelijk van de vorsten des rijks, de aanzienlijken en adellijken... Gij wilt de oude leeringen van W en Wang (die nergens goed voor waren) weer opflikken en gij beweert van alle mogelijke dingen, dat zij kunnen dienen voor de onderwijzing der komende geslachten. Met uw bizonder gewaad en uw nauwen gordel, met uw bedriegelijke redenen en huichelachtig gedrag verleidt gij de vorsten der staten en streeft gij naar rijkdom en eer. Een grooter roover dan gij is er niet: waarom noemt men u niet den roover Kiu, in plaats van mij den roover Kih?... Gij noemt u een man van talent: een wijze! Tweemaal heeft men u uit Lu weggejaagd, uit Wei moest gij vluchten, in T'si kreeg men u te pakken en in Ch'en en Ts'ai hielden de soldaten u omsingeld. Voor u is er in het rijk geen plaats meer, waar gij uw hoofd rustig kunt neerleggen. Uwe leeringen dragen er schuld aan, dat uw leerling Tsze lu is terechtgesteld en zijn gevierendeeld lichaam boven de poort van Wei is gehangen. Gij kunt noch uzelf noch anderen voor onheil bewaren, wat kan uwe leer dan voor waarde hebben?"
Ook andere leeraars, niet behoorende tot de Tao?stische richting, hebben Confucius scherp aangevallen, zooals bv. in de eerste eeuw n. C. de beroemde Wang-Chung, die voor de oorspronkelijkste en scherpzinnigste van alle Chineesche wijsgeeren doorgaat en wiens talent en beteekenis zelfs door de Chineesche orthodoxie wordt erkend, al halen zij ook afkeurend de schouders op over den buitengewonen ijver en de grenzenlooze vermetelheid waarmede deze denker blootlegt en veroordeelt wat hij noemt de overdrijvingen en verzinsels van Confucius en Mencius.
Tegenover al die afkeurende oordeelvellingen laten wij hier volgen een plaats uit het ?Onveranderlijk midden" die ons doet zien hoe de leerlingen over hem dachten. Deze lofzang, want een lofzang is het, die hier wordt aangeheven, geeft ons tegelijk te zien wat de Chinees onder een ?volmaakte wijze" verstaat en wat Confucius ook thans nog voor hem is.
?Confucius leverde de leeringen van de keizers Yao en Shun aan het nageslacht over, als waren deze (keizers) zijn voorvaderen geweest. Hij verklaarde de instellingen van Wen en Wu (de stichters der Chau-dynastie) die hij zichzelf tot voorbeeld had gesteld. Naar boven was hij in harmonische overeenstemming met de eeuwige bewegingen des hemels, beneden stond hij vast als de aarde.
?Wel mag men hem vergelijken met den hemel en de aarde, die alles dragen en behouden, alles beschaduwen en beveiligen. Hij is als de vier jaargetijden in hun wisselenden loop, als de zon en de maan met haar elkaar afwisselend licht.
?Alles (in het wereldgeheel) bestaat naast elkander, zonder dat het een het ander schade doet. De loop der jaargetijden, van de zon en de maan gaat voort, zonder dat zij elkaar hinderen. De kleinere krachten (der natuur) zijn als de stroomingen der rivieren, de grootere openbaren zich in groote veranderingen (omkeeringen). Dat is het wat hemel en aarde zoo groot maakt (de harmonie der sferen?)
?Hij slechts, die alle goede en wijze eigenschappen bezit, die onder den hemel kunnen bestaan, toont zich vlug in het begrijpen, helder in het onderscheiden, voorzichtig in het als waarheid aannemen, alomvattend in het weten, geschapen om te heerschen, edel van hart en grootmoedig, welwillend en mild, voorzichtig, opwekkend, krachtig, vast en volhardend, behoudend wat hij heeft verkregen, vast, de juiste grenzen bewarend, ernstig, nooit afwijkend van 't (rechte) pad, zonder gebrek (correct), eerbied afdwingend, volkomen, scherp van inzicht, scherpzinnig en doordringend, bekwaam om (goed en kwaad) te onderscheiden.
?Alomvattend is hij en ruim, diep en nooit rustend, als een bron (die altijd vloeit) ter rechter tijd zijn deugden openbarend.
?Alomvattend is hij en ruim, hij is als de hemel. Diep en nooit rustend als de bron, is hij (ondoorgrondelijk) als de afgrond. Hij verschijnt, en allen vereeren hem, hij spreekt, en allen gelooven hem, hij handelt en allen bewonderen hem! Daarom gaat zijn roem over het gansche rijk en dringt door tot de verste barbaren. Zoover schepen en menschen komen en des menschen kracht reikt, zoover de hemel zich welft en de aarde draagt, zoover zon en maan schijnen, rijp en dauw nedervallen: zoover heeft hem alles lief en eert hem, wat bloed en adem heeft. Daarom zegt men: Hij is als de hemel."
?Slechts hij, die de grootste reinheid bezit, welke onder den hemel mogelijk is, kan de onveranderlijke betrekkingen regelen tusschen de menschen onderling, de groote deugden, die den grondslag vormen, vaststellen en de krachten des hemels en der aarde die alles nieuw vormen en voeden erkennen; zou zulk een persoon steunen op een wezen of een ding, dat buiten hem ligt?"
?Noem hem den idealen man: want hoe streeft hij naar ernst. Noem hem afgrond, want hij is diep. Noem hem hemel, want hij is ruim."
?Wie anders kan hem begrijpen dan die vlug is in 't bevatten, klaar in 't onderscheiden, ruim van blik in 't erkennen, alomvattend in 't weten, die alle hemelsche deugden bezit (die n.l. aan hem gelijk is)."
Het zou zeer verkeerd zijn Confucius te meten met een hedendaagschen of een christelijken maatstaf. Hij was een zoon van zijn tijd: saamgegroeid met de inzichten en opvattingen, daaraan eigen, staande op den bodem der toenmalige moraal. Ook was hij persoonlijk niet vrij van zwakheden en gebreken, die hem bij herhaling vermaningen en waarschuwingen bezorgden, althans van één zijner leerlingen, Tsze lu. Deze trad bij meer dan eene gelegenheid als de ware ridder op. Confucius had steeds geijverd tegen oproerige onderdanen en beambten: toch was tweemaal de waarschuwende stem van Tsze lu noodig om den in al zijn droomen en verwachtingen van staatkundig en sociaal hervormer teleurgestelden man, te verhinderen om ontrouw te worden aan zijn eigen leer.
?Ja," roept hij eens uit, als Tsze lu hem de tegenspraak doet gevoelen, die er tusschen zijn woorden en zijn daden zou liggen, ?ja, ik heb gezegd dat een edel man zich niet inlaat met hen die kwaad doen; maar zegt men niet: wat werkelijk hard is kan geslepen worden zonder dunner te worden en wat werkelijk wit is kan in een donkere vloeistof gedompeld worden zonder dat het zwart wordt? Ben ik dan een bittere komkommer? Hoe kan ik er voor bewaard blijven gegeten te worden?" Bij een andere gelegenheid, als een oproermaker hem tot zich roept, zegt hij: ?Het moet toch een reden hebben, dat hij mij bij zich verzoekt! Als iemand mij maar gebruiken kon, hoe zou ik een ander westelijk Chau tot stand brengen!" (Chau was het vaderland der regeerende dynastie en in oude tijden het voorbeeld van een goed bestuurden, gelukkigen staat).
De zucht om een politieke rol te spelen, schijnt van alle zwakheden van Confucius, die de overlevering ons meedeelt, de grondslag te zijn geweest. Zoo b.v. toen hij er toe kwam om in het gevolg van den vorst van Wei en diens slecht te boek staande vrouw door de straten der hoofdstad te rijden en het volk hem nariep: ?Ondeugd voorop en deugd achteraan", of-toen diezelfde dame hem in audi?ntie ontving en hij zich tegenover Tsze lu met de woorden ?Waarin ik tekort geschoten ben moge de hemel mij straffen," rechtvaardigde. Toen hij den eed brak, dien hij aan den commandant van Pu had gedaan, om niet naar Wei te gaan, zeide hij tot zijn verontschuldiging: ?Het was een gedwongen eed, zulk een hooren de geesten niet."
In den tijd van Confucius en nog lang daarna heerschte in China de bloedwraak.
?Met den moordenaar zijns vaders mag de zoon niet onder denzelfden hemel leven, tegen den moordenaar zijns broeders moet een man nooit naar huis terug behoeven te gaan om een wapen te halen, met den moordenaar van een vriend mag een man niet in denzelfden staat wonen," heet het in het boek der gebruiken, en deze voorschriften heeft Confucius uitdrukkelijk bekrachtigd.
Bij den regel, dat de zoon op een mat van gras moest slapen, met zijn schild als hoofdkussen, totdat hij den moordenaar zijns vaders had gedood; dat hij op de marktplaats en aan het hof het wapen steeds bij de hand moest hebben om hem te treffen, heeft de zin, dat men anderen niet doen moet, wat men niet wil dat zij u aandoen een buitengewoon praktische beteekenis. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat, als een zijner leerlingen vraagt, of er geen woord is, dat als regel voor de verhoudingen van het gansche leven kan dienen, hij dezen antwoordt: ?Is niet wederkeerigheid zulk een woord? Dat het verder strekkend beginsel: kwaad met goed vergelden, ontbreekt, is wel natuurlijk: een ander leerling kreeg dan ook op een vraag, hierop betrekkelijk, ten antwoord: ?En waarmee zal men dan goed vergelden? Vergeldt het booze met rechtvaardigheid en goed met goed." Het komt geheel en al overeen met de strenge opvatting van den wijze, dat op een andere plaats hem, die anders handelt (kwaad met goed dus vergeldt) vrees als beweegreden wordt toegeschreven.
In de positieve zedeleer van Confucius kon deze mildere opvatting geen plaats vinden: wel in de theosophie van Lao tsze, gelijk dan ook het beginsel ?Vergeldt kwaad met goed," in den Tao-teh-king voorkomt.
De leer welke Confucius verkondigde en verklaarde laat zich in 't wezenlijke hierin samenvatten (zooals wij reeds opmerkten) dat ieder zichzelf moet opvoeden om anderen, die hem door leeftijd en positie ondergeschikt zijn, te kunnen opvoeden. Terwijl dus voor den een het opvoeden en het bevelen tot plicht wordt gemaakt, wordt den ander gehoorzaamheid ingescherpt: doch geen absolute, die in ieder geval moet worden betracht: de zoon toch zoowel als de ambtenaar moeten hun vader of vorst als hij afdwaalt, terugvoeren op het pad der deugd.
?Hoe zal men een vorst dienen," vraagt Tsze lu en Confucius antwoordt: ?Bedrieg hem niet en wederspreek hem in 't aangezicht." Op de vraag, of een zoon in elk geval het bevel zijns vaders moet gehoorzamen antwoordt Confucius: ?Wat zijn dat voor redenen! Als in oude tijden een keizer al geen goede grondbeginselen had, doch zeven ministers, die hem waarschuwden, dan verloor hij het rijk niet. Als een leenvorst vijf zulke ministers had ging zijn huis niet onder. Als een geleerde een vriend had, die hem waarschuwde, zoo behield hij zijn goeden naam en als een vader een zoon had, die hem de dingen die verkeerd waren bevolen, onder het oog bracht, zoo deed hij niets dat onrechtvaardig was. Daarom, indien er gevaar is dat er onrecht zal worden gepleegd, mag een zoon niet aarzelen dit zijn vader, noch een minister dit zijn vorst onder het oog te brengen. Wanneer het aldus plicht is reeds tegen onrecht, dat nog staat te geschieden, op te treden, zou het dan kinderlijk zijn om een bevel zijns vaders, dat onrecht in zich sluit, te gehoorzamen?"
Het ?Boek der kinderlijke liefde,"6 ?De groote leer,"7 en ?Het onveranderlijke midden,"8 behelzen de grondstellingen der leer van Confucius in meer geordenden en samenhangenden vorm, dan dit in de ?Gesprekken en uitingen" het geval is. Eenige aanhalingen uit deze drie werken zullen zeker bijdragen tot recht verstand der leer van Confucius.
?De kinderlijke liefde is de wortel van iedere deugd, waaruit de volkomendheid voortkomt.
?Het lichaam (tot op de huid en de haren toe), dat men van zijn ouders ontvangen heeft niet te beschadigen, is de aanvang der kinderlijke liefde,9 zich (geestelijk) te volmaken en overeenkomstig (die volmaking) te handelen en zijn naam aan toekomstige geslachten over te leveren, opdat de ouders ge?erd worden: dat is de voleindiging der kinderlijke liefde.
?Want kinderlijke liefde begint met de ouders te dienen, de dienst van den vorst is het midden, voor nakomelingschap zorg te dragen is het einde.
Wat ?De groote leer" onderwijst is: de deugd te beoefenen, het volk op te voeden, in de volkomenheid te volharden.
?Ieder ding heeft zijn wortelen en zijn takken, ieder streven zijn begin en zijn doel: te weten wat begin en doel zijn, dat is de beteekenis der ?Groote leer" te verstaan.
?In oude dagen schiepen zij, die wenschten dat de deugd beoefend werd in het gansche land, eerst orde, ieder in zijn eigen gebied (leenvorstendom). Om dit te bereiken schiepen zij orde in hunne famili?n en om die te verkrijgen streefden zij er naar zichzelf te volmaken. Om zich te volmaken reinigden zij hunne harten en om die loutering te verkrijgen streefden zij naar kennis van hun eigen geest. Om zelfkennis te verkrijgen, trachtten zij hun wetenschap te vermeerderen en die vermeerdering werd door het onderzoeken van alle dingen aangebracht.
?Van den keizer af tot de groote volksmassa toe: ieder moet de reiniging van het eigen ik als de wortel van al het andere beschouwen. Wordt de wortel verwaarloosd, zoo kan niets, wat uit haar voorkomt, goed zijn: het is nog nooit voorgekomen, dat iemand voor geringe zaken groote opmerkzaamheid en tegelijk voor gewichtige zaken geringe opmerkzaamheid had (m. a. w. die in het kleine getrouw is, zal ook in het groote getrouw zijn). ?Wat bedoeld wordt met: ?Het geluk en de vrede des rijks hangen van de regeering der staten af" is dit: ?Als de vorst zeer oude lieden behandelt, zooals dat behoort, zal er in het volk kinderlijke liefde heerschen, als hij de ouden zoo behandelt, zal men broederlijk zich voegen naar elkaar, als hij de jongeren en zwakken liefdevol behandelt zal het volk datzelfde doen. Zoo heeft de heerscher een maatstaf, waarmede hij als met een winkelhaak zijn gedrag kan afmeten.
?Wat een man bij die over hem gesteld zijn niet bevalt, moet hij ook tegenover zijn ondergeschikten niet doen; wat hem bij zijn ondergeschikten niet bevalt, zal hij niet doen tegenover zijne meerderen; wat hij niet van den rechterkant ontvangen wil zal hij aan den linker niet geven, wat hij van den linker niet ontvangen wil aan den rechterkant niet.
?Daar is ook een middel om den welstand des lands te bevorderen: veel voortbrengers, weinig verteerders. Laat er heerschen werkzaamheid in het voortbrengen, en spaarzaamheid in het gebruik, dan zal de voorraad altijd voldoende zijn.
?Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is de (goede ware) natuur; wie in overeenstemming met deze natuur handelt, wandelt op het pad van den plicht; dit pad te betreden leert de mensch door onderwijzing.
?Het pad mag ook niet voor een oogenblik verlaten worden, kon het (nl. zonder schade) verlaten worden, dan was het niet het (rechte) pad. Daarom wacht de hoogere mensch niet om voorzichtig te zijn tot hij (iets) ziet, en om bezorgd te zijn tot hij (iets) hoort.
?Niets is meer zichtbaar dan wat verborgen is, niets in het oog vallender, dan wat onbeduidend is, daarom waakt de hoogere mensch over zichzelf, als hij alleen is.
?Als noch vergenoegdheid, noch ergernis, noch kommer, noch vreugde zich laten gelden, dan kan men wel zeggen, dat de geest zich in een toestand van evenwicht bevindt. Zijn deze gevoelens echter opgewekt en werken zij in juiste maat en verhouding, zoo ontstaat daaruit, wat men harmonie kan noemen. Dit evenwicht is de wortel, waaruit alle menschelijke handelingen in de wereld voortkomen, deze harmonie is de weg, dien allen moeten inslaan. Waar evenwicht en harmonie in volkomenheid heerschen is er orde in hemel en op aarde en alles zal gevoed worden en gedijen.
?Vier plichten heeft de wijze te betrachten, die ik nog niet geleerd heb te vervullen (zoo voegt de schrijver er bij): mijn vader te dienen, zooals ik wenschen zou dat mijn zoon mij diende, mijn vorst te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn beambten mij dienden, mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn jongere broeder mij diende; jegens mijn vriend te handelen, zooals ik wenschen zou dat hij jegens mij handelde, (de vijfde betrekking, die tusschen echtgenooten, is hier weggelaten, wellicht omdat noch Confucius, noch zijn kleinzoon, aan wien het ?Onveranderlijke midden" wordt toegeschreven, in hun huwelijken gelukkig waren: beiden toch hebben zich van hunne vrouwen gescheiden).
?De wijze doet, wat aan de plaats, die hij inneemt, past: hij wenscht zich daarboven niet te verheffen. Rijk en ge?erd doet hij, wat een rijk en ge?erd man betaamt, arm en eenvoudig doet hij, wat den arme en eenvoudige betaamt. Is hij door barbaren omgeven: hij doet wat aan den toestand past, is hij door kommer en zorgen geplaagd, hij handelt overeenkomstig zijn toestand: altijd blijft hij zichzelf.
?Is hij in een hoogen rang, hij behandelt zijn ondergeschikten niet met verachting, is hij een ondergeschikte, zoo zoekt hij geenszins de gunst zijner meerderen te bejagen: hij regelt zich zelf en verwacht niets van anderen, zoo vermijdt hij teleurstellingen: hij maakt den hemel geen verwijten, noch wordt op de menschen verbitterd.
?Zoo verwacht de wijze, rustig en vroolijk, wat de hemel besluiten wil, de gewone mensch echter wandelt op een gevaarlijken weg en ziet naar gunstige gelegenheden uit.
?De meester (Confucius) zegt: Bij het boogschieten hebben wij, wat aan de houding des wijzen beantwoordt. Als de schutter het doel heeft gemist, draait hij zich om en zoekt de oorzaak van het mislukken bij zichzelf.
?Met de rechte mannen (aan het hoofd) gedijt de regeering; evenals de plantengroei uit de aarde voortkomt en de bijen de jonge larven verplegen en tot bijen opvoeden: zoo voeden de regeerders het volk op.
?Het geheim eener goede regeering is: de rechte mannen te vinden: ze te vinden hangt van het karakter des heerschers af; het karakter wordt door plichtsvervulling gevormd en deze plichtsvervulling wordt verlicht en gesterkt door liefde tot welwillendheid.
?De wederkeerige plichten, die alle menschen tegenover elkaar hebben, zijn vijf in getal, de eigenschappen waardoor zij uitgeoefend worden zijn er drie.
?Deze plichten zijn: die tusschen vorst en minister, tusschen vader en zoon, tusschen man en vrouw, tusschen ouderen en jongeren broeder en tusschen vrienden.
?Dit zijn de plichten der wederkeerige betrekking, die ieder heeft te vervullen. De drie eigenschappen echter zijn; weten, willen en kunnen, welke ieder moet bezitten. Dat, waardoor deze eigenschappen de vervulling der plichten mogelijk maken is: ernstig streven.
?Eenigen worden met de kennis dezer plichten geboren, anderen verwerven deze kennis door navorschen, nog anderen nadat zij hun onwetendheid op smartelijke wijze hebben ondervonden. Doch wanneer de kennis eenmaal verworven is, is het onverschillig, op welken weg zij verkregen werd. Eenigen oefenen de plichten uit, zonder moeite, als iets dat vanzelf spreekt, anderen om daaruit voordeel te trekken; voor wederom anderen is aan de uitoefening groote moeite verbonden. Doch wanneer zij slechts uitgeoefend worden, komt dit op hetzelfde neer.
?De meester sprak: Leeren willen komt het weten zeer nabij; zich ernstig bemoeien het willen; zich (over iets dat verkeerd ging) schamen het kunnen.
?Hij, die deze drie dingen kan, is in staat zichzelf te volmaken: wie zich zelf volmaken kan, kan anderen beheerschen, wie anderen beheerschen kan, kan het rijk regeeren met al zijne staten en famili?n.
?De beheerschers des rijks hebben negen regels te volgen: zichzelf te volmaken, deugdzame en talentvolle mannen te eeren, hun bloedverwanten lief te hebben, hun ministers te achten, alle beambten vriend'lijk te behandelen, het volk als hunne kinderen te beschouwen, handwerkslieden aan te moedigen, vreemden met zorg en de vorsten der leenstaten met welwillendheid te behandelen. Zichzelf te beproeven en te reinigen, acht te geven op zijne kleeding en op zijne bewegingen, dat zij beantwoorden aan de voorschriften der betamelijkheid: dat is de wijze waarop de heerscher zich moet volmaken. Overtreders moet hij afwijzen en zichzelf voor de verzoekingen der schoonheid bewaren. Rijkdom te verachten en deugd te eeren, dat is de wijze, waarop men mannen van waarde en van talenten aanmoedigt: hun eereplaatsen en inkomsten te geven, met hen te deelen in wat hun behaagt en hun mishaagt, dat zijn de middelen om aan zijne bloedverwanten te leeren u lief te hebben. Den ministers talrijke ambtenaren ter beschikking te geven en hun veel opdrachten toe te vertrouwen, dat is de weg om de ministers aan te sporen. De weg om de groote menigte ambtenaren aan te moedigen is: hun vertrouwen schenken en goed bezoldigen. Die om het volk moed in te storten is: hunnen dienst slechts te vorderen ter rechter tijd en de eischen licht te maken. De weg om de handwerkslieden aan te sporen is: hen dagelijks op de proef te stellen, hen maandelijks prijsvragen te laten oplossen en hen daarbij te laten uitvoeren, wat aan hun neiging beantwoordt.
?Menschen uit vreemde landen met tact te behandelen, dat is: hen bij het afscheid te begeleiden en bij aankomst hen tegemoet te gaan, de goeden onder hen te prijzen en de zwakken te verschoonen.
?Famili?n, wier nakomelingschap in de rechte lijn is te gronde gegaan weer herstellen en leenstaten, die onder zijn gegaan, opnieuw grondvesten, rust herstellen in staten, waarin onrust heerscht, die te ondersteunen, waarin gevaar dreigt, bepaalde tijden hebben voor de ontvangst van vorsten en hun afgezanten bij het hof, hen na rijkelijk onthaal weer laten gaan, hen welkom heeten, ook als zij met geringe gaven komen: dat is de vorsten der staten liefhebben.
?Allen, wien de regeering des rijks ten deel valt, hebben deze negen regelen te betrachten en het middel, waardoor zij ten uitvoer kunnen worden gebracht, is ernstig streven."
Zooals men ziet, het zijn regelen van wereldwijsheid, die Confucius en zijne leerlingen na hem onderwezen; de kunst een goed huisvader, beambte, minister, vorst en keizer te worden, den plicht van zijn eigen betrekking te vervullen en toe te zien, dat anderen dit eveneens doen. Het is een soort huisbakken wijsbegeerte, die begint met de liefde van het kind tot den vader en eindigt met de liefde des keizers tot zijn volk. Soms is zij niet al te klaar in haar grondslag en ontwikkeling (de vertalers en uitleggers van den grondtekst kunnen daar echter ook wel schuld aan hebben) maar verstaanbaar genoeg toch om ons te toonen hoe de Chineezen dachten en nog denken. De straks aangehaalde uitspraken toch komen telkens weer terug: niet alleen in philosophische verhandelingen, maar ook in staatsstukken, ambtelijke en particuliere brieven. Daarom juist is eenige, zij het ook oppervlakkige kennis der Chineesche philosophie voor ieder noodig, die inzicht wil verkrijgen in den tegenwoordigen toestand van China.
Even zoo min als Confucius de schepper was van de door hem voorgedragen leer is de beknopte, spreukmatige, soms eenigszins mystieke vorm, waarin deze leer ons bewaard gebleven is, eene uitvinding van hem en van zijne leerlingen. Deze bestond reeds van ouds en schijnt de vorm geweest te zijn, waarin men in China steeds de leeringen der wereldwijsheid placht te kleeden.
Toen Confucius in 517 v. C. Lo yang bezocht, zag hij daar, in de voorvaderengalerij van het keizerlijk paleis, de gouden beeldzuil van een man, wiens lippen met drie naalden waren saamgehecht en op wiens rug het volgende opschrift stond:
?In oude tijden spraken de menschen weinig. Het zou goed zijn hen na te volgen; want zij, die veel spreken, zijn er zeker van veel te zeggen, dat beter onuitgesproken ware gebleven.
?Ieder zal arbeiden in verband met wat hij noodig heeft. Als hij boven zijn kracht werkt, zal hij slechts zijn zorgen en zijn teleurstellingen vermeerderen. Zelfs in datgene wat de mensch (denkend) nastreeft, moet hij maat houden.
?Denk niet te veel om verstrooiing of rust: wie dat doet zal geen van beide verkrijgen.
?Doe niet wat u wellicht vroeger of later berouwen kan gedaan te hebben.
?Laat niet na een gebrek te verhelpen, omdat het klein is. Het moge in den aanvang klein zijn, straks gaat het misschien aan het groeien, totdat het u er onder brengt.
?Als iemand nalaat tegen kleine ongerechtigheden op te treden, zal hij weldra in het geval verkeeren van tegen groot onrecht te moeten strijden.
?Wees behoedzaam met uw woorden zoowel als met uw handelingen. Geloof niet dat niemand u ziet en hoort, omdat gij alleen zijt maar denk er aan dat de geesten overal zijn.
?Een huis kan verwoest worden door een smeulend vuur, terwijl een groote vlam licht wordt bemerkt en uitgebluscht. Een stroom wordt gevormd door het water van vele beken, een strik, die zoo sterk is, dat hij niet licht wordt gebroken, bestaat uit vele draden.
?Een spruit, wier wortels nog niet diep zijn doorgedrongen, kan licht worden uitgetrokken: is het haar toegestaan een boom te worden, dan moet men naar de bijl grijpen.
?Uit den mond van een mensch kunnen scherpe pijlen komen die verwonden en gloeiende kolen, die verbranden: hoedt u dus, dat zulken uit uwen mond niet uitgaan om anderen te schaden.
?Geloof niet dat, wijl gij in het volle bezit uwer kracht zijt, gij zonder gevaar waagstukken kunt ondernemen; er is niemand, hoe sterk hij ook moge zijn, die niet iemand vinden kan, sterker dan hij, die hem op den grond werpt.
?Een oproermaker, die geen rechtvaardigen grond (voor zijn verzet) heeft, zinkt tot op het laagste peil der maatschappij neer, doch een onrechtvaardig heerscher wekt ontevredenheid op, terwijl de voorzichtige willig gehoorzaamd wordt.
?De massa der menschen, het volk, gelijk men het gewoonlijk aantreft, heeft weinig doorzicht, noch weet met het onbekende te rekenen. Alzoo kunnen zij slechts de leiding van anderen volgen. Daarom, wanneer zij dikwijls met diegenen in aanraking komen, die voorzichtig, deugdzaam en verstandig zijn, die goede zeden volgen, dan zullen zij onmerkbaar er toe komen dezulken na te volgen en zoo ook wederkeerig anderen tot een voorbeeld worden.
?Mijn mond is gesloten, ik kan niet spreken. Het is vergeefs mij te vragen, ik kan uwen twijfel niet wegnemen en zelf heb ik niets te vragen. Wanneer ook datgene wat ik leer een raadsel schijnt, is het daarom toch niet minder waar. Ik sta boven u en toch kan niemand iets tegen mij hebben, welk sterveling kan dit van zichzelf zeggen?
?Vergeet niet dat de hemel geen gunstelingen kent, doch tegenover allen even rechtvaardig is.
?Hoe vol ook de zee moge zijn, de stroomen gaan voort daarin zich uit te storten, zonder dat zij haar grenzen uitbreidt.
?Overlegt zorgvuldig alles, wat ik u gezegd heb, en ik zal niet vergeefs hebben gesproken."
Toen Confucius dit inschrift las, wendde hij zich tot zijn begeleiders en zeide, dat dit in weinige woorden alles behelsde, wat voor de menschen het nuttigste was te weten, en dat, wie dit ter harte nam en navolgde, niet ver van de volkomenheid zou zijn, waarnaar iedereen streven moest. Dat het van invloed geweest is op zijne opvatting der philosophische vraagstukken is ontwijfelbaar.
?Na den dood van Confucius was het met zijne leer gedaan en nadat zijne leerlingen gestorven waren, werd deze verbasterd", zoo bericht men ons. De onrustige tijden hebben daartoe zeker het hunne bijgedragen: de Chau dynastie gaat onder zwakke en bedorven heerschers haar einde tegemoet, vele der kleine vorstendommen verdwijnen in den voortdurenden strijd tusschen de leenvorsten onderling, of worden, hoewel zij hun naam behouden, toch feitelijk door machtige naburen opgeslokt; de groote staten kampen onder elkaar om de opperheerschappij; het besef, dat, wie het ten slotte wint, de keizerskroon zal verwerven, komt hoe langer hoe sterker op; het geloof aan de oude waarheden en beginselen is geschokt, dwaalleeringen (althans in het oog der orthodoxie) duiken overal op: zoowel ten opzichte van de regeering als van de wijsbegeerte: het gezag van Confucius wordt op zij gezet.
Daar komt eensklaps een kampvechter in het krijt, een leerling, die den meester bijna evenaart en met geweldige kracht de banier der orthodoxe philosophie weer opheft. Over hem willen we thans spreken.
Meng (Mang) kó of Meng tsze=de wijsgeer Meng, verlatijnscht tot Mencius, werd in het jaar 371 v. C. als afstammeling van de drie groote famili?n van Lu geboren: een geslacht dat in de dagen van Confucius om de heerschappij in den staat had gestreden, maar sedert verarmd en gedaald was. Zijn vader schijnt vroeg gestorven te zijn: in ieder geval heeft hij geen invloed op de opvoeding en de ontwikkeling van zijn zoon uitgeoefend: des te meer echter de moeder, wier aandenken nog heden onder het volk voortleeft, als die van een voorbeeld voor alle moeders.
Zij zorgde, dat haar zoon in een goede omgeving verkeerde en goed werd onderricht, spoorde hem door raad en voorbeeld tot vlijt aan en bleef ook in zijn latere levensjaren (zij stierf, toen Mencius reeds de 50 overschreden had) zijn trouwe raadgeefster en steun. Toen haar zoon, dien zij op zijne rondzwervingen vergezeld had, zijn ambt in het vorstendom Tsi wilde opgeven, doch om harentwille aarzelde, moedigde zij hem zelf aan zijn eigen beter inzicht te volgen en bracht zoo het oude voorschrift in toepassing, dat de moeder haar zoon gehoorzaam moet zijn.
Over de leerjaren van Mencius is niet veel bekend: hij schijnt een leerling van Confucius' kleinzoon te zijn geweest. In zijn vaderland (de leenstaat, waar hij thuis behoorde) verzamelde hij een groot aantal leerlingen rondom zich, in wier midden hij leefde en werkte en die, zooals de gewoonte het toen medebracht, te zamen naar hun krachten en middelen voor zijn levensonderhoud zorgden. Die rustige leeraarsloopbaan schijnt hem echter niet bevredigd te hebben en in 331, toen hij 40 jaar was geworden, trok hij met eenigen zijner leerlingen er op uit om aan de hoven der kleine vorstendommen allereerst, zijn loopbaan als politiek hervormer te beginnen. De tijd scheen voor een dergelijke onderneming, door een zelfbewust man op touw gezet, gunstig te wezen en het ontbrak Mencius noch aan zelfbewustzijn, noch aan den moed om vrijuit te spreken. De voortdurende twisten, waarin de kleine vorstendommen nu eens onderling, dan eens met het machtige, opbloeiende Tsin verkeerden (want het centraal gezag, het keizerschap, was feitelijk nog slechts een naam) had aan een menigte politieke avonturiers de deur geopend tot de hoogste waardigheden en de invloedrijkste ambten. Nog maar weinige jaren geleden, in 333, was het een hunner, Suts'in gelukt, de meest beteekenende politieke daad van dien tijd: den bond der zes staten Yen, Chao, Han, Wei, Tsi en Tsu, tegenover Tsin tot stand te brengen. Welnu, wat Suts'in en anderen mogelijk was geweest, kon den met volle verachting voor de politieke avonturiers bezielden Mencius niet onbereikbaar voorkomen. Waarom zou hij, die met een gansche schat van geleerdheid was toegerust en die geen eigenbelang, maar edele doeleinden nastreefde, niet kunnen verkrijgen, wat aan die lieden welke van hof tot hof trokken en zich aan den meestbiedende aanboden, mogelijk toescheen? Zoo trok hij in 331 naar den naburigen staat Tsé, en nadat hij daar tot 323 zonder veel succes een staatsambt had bekleed, naar Sung, Su, Tao, Tang, Leang en van 318 tot 311 ten tweeden male naar Tsé. Eindelijk keerde hij, ontmoedigd en ontgoocheld, na vele mislukte pogingen, in 309 naar Lu terug. Daar leefde hij nog 20 jaren als ambteloos burger voort, slechts in beslag genomen door zijn onderricht geven en de voltooiing zijner werken. Hij stierf in 289 v. C., vergeten en zonder dat zijn heengaan ontroering wekte, tenzij bij zijn naaste leerlingen. Wel werd zijn waarde reeds door de schrijvers der 2e eeuw v. C. erkend, welke alleen Confucius boven hem stelden, doch nog 1300 jaren gingen voorbij, eer hij de keizerlijke canonisatie verkreeg en in Confucius' tempels een plaats vond.
Mencius was een veel strenger man dan Confucius: de humor van dezen wijsgeer, die zich er over vermaken kon, dat een boer van hem, die juist op de vlucht was, zeide, dat hij er uitzag als een verloopen hond, was Mencius vreemd. Heerschzuchtig en strijdvaardig, laat Mencius de grootste aanspraken gelden tegenover vorsten en staatslieden, die hem hoffelijk tegemoet komen. Dikwijls zondigt hij, terwijl hij toch plan heeft zichzelf niet te vergeten, niet slechts tegen de regelen der etiquette, maar ook tegen die der hoffelijkheid. Toch verhindert hem dit niet rijke geschenken van vorsten aan te nemen en met een groot gevolg van menschen en rijtuigen op hunne kosten in het land om te trekken. Hij is een strijder, die met grooten ijver tegen alle leeringen in het krijt treedt, welke hem niet orthodox toeschijnen, een sociaal politicus, die den regel ?Alles voor het volk" met een energie en een openhartigheid voorstaat, die aan den zachteren, meer bedachtzamen Confucius vreemd was.
Ook zuiver philosophische vragen, zooals die van de natuur der menschen, lichtte hij met veel meer beslistheid en uitvoerigheid toe dan Confucius, die zich meestal met een eenvoudige bevestiging vergenoegde. Ook tegenover een soort Cynische richting,10 die zich naast of nevens het Tao?sme steeds meer deed gelden en tegen de meer humane richting der Mihisten trad hij met groote beslistheid op.
De veranderde tijdsomstandigheden brachten voorzeker mede, dat de persoonlijke houding en de leerwijze van Mencius een andere was dan die van zijn voorganger. Ook is het een feit, dat de dwalingen, die Mencius meende te moeten bestrijden, zich eerst na den dood van Confucius hadden ontwikkeld. De werken van Mencius leveren het bewijs, dat vele der vragen en problemen, die ons thans zoo telkens weer bezighouden, reeds toen aan de orde waren. Ook was het gevolg van den strijd dikwijls als nu: dat ieder op zijn eigen standpunt bleef staan.
?Het volk" zegt Mencius, ?is het belangrijkste element in een land, dan volgen de godheden van akker en koren: de vorst is het minst gewichtig." Bij een andere gelegenheid zegt Mencius tegen den vorst ?Wanneer een heerscher zijn ministers als zijn handen en voeten beschouwt, zoo zien zij hem voor hun hart en hun maag aan. Als hij hen beschouwt als zijn paarden en honden, dan zien zij hem voor een gewoon mensch aan (iemand, die geen eerbied verdient). Ziet hij hen aan als aarde en gras (waarop men treedt en dat men afmaait) dan zien zij hem voor een roover en vijand aan."
Deze opvatting van de plaats en de plichten der hoogste staatsbeambten staat niet in tegenspraak met het goddelijk recht der vorsten, zooals de oude schriften dit erkennen.
?De hemel" zoo zegt het boek der geschiedkundige aanteekeningen, ?schiep, nadat hij het gewone volk had geschapen, heerschers en onderwijzers voor hen, opdat dezen God ter zijde zouden staan, en gaf hun macht en eer in het land."
Doch op een andere plaats in hetzelfde werk staat: ?De hemel ziet, zooals mijn volk ziet, de hemel hoort, zooals mijn volk hoort." Mencius verklaart dit door te zeggen: ?De hemel spreekt niet." Als hij, wien de heerschappij ten deel viel, deze op goede wijze voert, is dat een bewijs, dat de hemel hem deze heeft toevertrouwd. Voert hij die slecht, zoo zal er iemand opstaan, (door den hemel daartoe geroepen), die ze hem ontneemt. Zoo wierp de grondvester der Chau-dynastie den laatsten, onwaardigen heerscher van het huis Shan van den troon en toonde zich daardoor een werktuig des hemels en Mencius aarzelt niet, koning Süen op te dragen diens voorbeeld te volgen en de Chau-dynastie omver te werpen, die zich den troon onwaardig toonde.
Dat een man, die zulke grondstellingen zonder terughouding uitsprak, door de vorsten van zijn tijd en van later dagen niet bizonder geliefd werd, kan men begrijpen. Toch: de door hem verkondigde beginselen hebben niet weinig er toe bijgedragen om de vorsten, die over China regeerden, een teugel aan te leggen en hen tot een rekenen met de belangen des volks te nopen, waarvan anders zeker geen sprake ware geweest.
Een andere uiting van Mencius ligt hun, die tegenwoordig China regeeren, nog altijd na aan 't hart en vormt een van de gewichtigste argumenten, die het aannemen van vreemde opvattingen in den weg staan.
Hij zeide namelijk: ?Ik heb wel gehoord van lieden, die de gebruiken van ons groote land aanwendden om barbaren te verbeteren, doch nog nooit, dat iemand door barbaren verbeterd werd." En-in de oogen der orthodoxe Chineezen zijn ook nog heden alle vreemdelingen barbaren.
Van de theorie van het vorst zijn ?door Gods genade" is die der ?voorbeschikking" in het algemeen onafscheidelijk. Ook Mencius erkent die laatste, doch met deze reserve, dat niets, wat uit slechtheid of uit onvoorzichtigheid voortkomt, als door den hemel voorbeschikt moet worden erkend. Zoo staat hij een soort getemperd fatalisme voor: getemperd namelijk door deze overtuiging, dat de hemel niets verkeerds kan verordenen. Hij zegt: ?Alles is een beschikking (des hemels) en de mensch moet deemoedig ontvangen, wat daaraan kan worden toegeschreven. Daarom zal hij, die weet wat de voorbeschikking des hemels beduidt, zich niet begeven bij een muur, die op omvallen staat.-De dood, dien men vindt bij de vervulling van zijn plicht, kan men gevoegelijk toeschrijven aan de beschikking des hemels, de dood in handboeien en ketenen (die van een misdadiger) kan niet als een vooruitbeschikte worden beschouwd."
De vraag, of de mensch van natuur goed of slecht is, heeft de Chineezen veel bezig gehouden. Confucius en Mencius, de laatste echter veel uitvoeriger en meer opzettelijk, oordeelen beiden dat de mensch oorspronkelijk goed is. Sün kw'ang, die in de 3e eeuw v. C. leefde, meent dat de oorspronkelijke natuur van den mensch slecht is en slechts door opvoeding goed wordt. Han-Yü (768–824 n. C.) oordeelt dat de natuur des menschen drie?rlei kan zijn: een goede, tusschenbeide of slechte. De middelste, die de kiemen voor het goede bevat, kan naar beide zijden ontwikkeld worden. Deze opvatting bleef de toongevende, totdat Chuhi (1130–1200) weer terugkwam op de oude grondstelling dat de natuur des menschen goed was. Deze opvatting, ofschoon dikwijls betwist, is sedert dien tijd de officieel geijkte gebleven.
In de behandeling van de quaestie der kinderlijke liefde staat Mencius geheel op het standpunt van Confucius.
?Vijf dingen," zegt Mencius ?worden naar de algemeene opvatting als onkinderlijk beschouwd: traagheid in het gebruik zijner leden, hasard en schaakspelen en drinken, streven naar geld en goed en zelfzuchtige neiging tot vrouw en kinderen, zoodat men niet voor het onderhoud zijner ouders zorgt, de lust zijner oogen en ooren volgen, zoodat men zijn ouders in schande brengt en twistziek en strijdzuchtig zijn, zoodat men hen aan gevaren blootstelt."
Op een andere plaats zegt hij: ?Drie dingen zijn onkinderlijk, geen nakomelingschap te hebben is het ergste van alle." Meer belangrijk zijn voor ons echter zijn sociaal-politieke inzichten en zijn polemisch optreden: de omverwerping van valsche leeringen, zooals de Chinees dat noemt.
Reeds in de dagen van Mencius waren er lieden, die de maatschappij voor verdorven hielden en in den terugkeer tot den alouden eenvoud van zeden den eenigen weg ter ontkoming zagen. Zoo was er een secte, die zich voor haar leer beriep op Shin nung, den ?wonderbaren landman" den tweeden der voorhistorische, mythische keizers, die in het ?Boek der veranderingen" als de vader van den landbouw wordt ge?erd. Deze eischte, dat de mensch in het algemeen en de vorst in het bizonder zich zelf het voedsel moest verschaffen: d. w. z. zelf zaaien, oogsten en koken moest. Aanhangers dezer secte waren naar Tang gekomen, waar Mencius zich juist ophield en de vorst van Tang de proef nam, om aan ieder der onderdanen, onverschillig van welken rang of stand, een veld van gelijke grootte ter beschikking te stellen, dat onveranderlijk en ondeelbaar op den oudsten zoon zou overgaan, terwijl aan de jongere zonen, zoodra zij 16 jaar oud werden, eveneens groote velden ten deel zouden vallen. De aanhangers van Shin nung, die naar Tang gekomen waren, lieten zich hunne velden toedeelen, doch maakten onder elkaar hun opmerkingen.
?Wijze en bekwame vorsten," zoo zeiden zij, ?moesten evengoed als hun volk en tegelijk met dat volk den grond bebouwen en de vrucht (van hun arbeid) eten. Hun morgen- en avondmaaltijd moesten zij (zelf) bereiden en tegelijk de regeeringszaken behartigen. De vorst van Tang echter, die overigens vele goede eigenschappen bezat, had korenschuren, schatkamers en arsenalen. Dat was immers het volk een last opleggen? Hoe kon men hem een waardig en deugdzaam vorst noemen?"
Mencius nam een der ontevredenen onderhanden.
?Heer Hiu (zoo heette het hoofd van het gezelschap) zaait zijn koren immers zelf en eet wat hij oogst?" ?Ja," was het antwoord. ?En hij weeft linnen en draagt wat hij gemaakt heeft?"
?Neen, zijn kleeren waren van vilt." ?Draagt hij een muts?" ?Ja." ?Een zelf geweven?" ?Neen, die ruilt hij voor koren." ?Waarom weeft hij die niet zelf?" ?Dat zou hem te veel tijd kosten bij zijn werk om den grond te bebouwen." ?Kookt hij zijn eten in (metalen) potten en steenen pannen en ploegt hij met een ijzeren ploegschaar?" ?Ja." ?Maakt hij dat alles zelf?"
?Neen, hij ruilt het tegen koren in."
Toen sprak Mencius: ?Zulke dingen tegen koren inruilen, is niet den pottenbakker en metaalbewerker verdrukken, noch ook verdrukken de pottenbakkers en metaalbewerkers den landman, als zij de door hen vervaardigde artikelen tegen metalen omruilen. Voorts, waarom speelt Hiu niet voor pottenbakker en metaalbewerker en maakt hij zelf alles wat hij noodig heeft? Waarom gaat hij rond en handelt en ruilt met de handwerkslieden, waarom rekent hij niet de moeite, die hem dat kost?" De ander sprak: ?Handwerk en landbouw kan men niet tegelijk uitoefenen."
Mencius ging voort: ?Dan is het zeker alleen de regeering des rijks, die tegelijk met den akkerbouw kan worden waargenomen? Aanzienlijke mannen hebben hunne bezigheden en kleine luiden evenzeer. Ieder kan, wat hij noodig heeft, bij de handwerkslieden gereedgemaakt vinden. Moest hij daarentegen alles, wat hij noodig heeft, zelf maken, zoo moesten allen in het geheele rijk dagelijks op de straat rondloopen. Daarom wordt er gezegd: Sommigen arbeiden met het hoofd en anderen met de handen.
?Die, welke met hun hoofd arbeiden, regeeren de anderen, en die, welke met hun handen arbeiden, worden door de anderen geregeerd. Die, welke geregeerd worden, onderhouden hen die regeeren en zij die regeeren, worden door de anderen onderhouden. Dat is de rechte verhouding, zooals zij overal wordt erkend."
Bij een andere gelegenheid, toen een zijner leerlingen hem vroeg, of het recht was dat een geleerde, die geen ambt bekleedde, toch van den beheerscher des lands zijn onderhoud ontving, ontwikkelde Mencius de volgende inzichten:
?Als er geen ruil plaats vindt tusschen de producten van den arbeid en geen ruil tusschen datgene wat de menschen tot stand brengen, zoodat de een, met wat hij te veel heeft aanvullen kan, wat den ander ontbreekt, dan zal de boer teveel koren en de huisvrouw te veel linnen hebben. Als zulk een ruil plaats vindt, dan zullen schrijnwerker, timmerman, wagenmaker en radmaker allen hun bestaan vinden. Nu is hier een man, die thuis een goed zoon is en buiten het huis diegenen, die ouder zijn dan hij met achting behandelt, die er voor waakt dat de grondstellingen der oude wijzen voor het gebruik van latere geslachten bewaard blijven-zou hij niets voor zijn onderhoud mogen hebben? Hoe komt het, dat gij den schrijnwerker en de anderen in eere wilt houden en niet hem, die welwillendheid en rechtvaardigheid bewaart?"
De leerling antwoordde: ?Het doel des schrijnwerkers en der anderen, die de meester vermeld heeft, is: om met hun handwerk hun levensonderhoud te verdienen. Is het ook het doel van den edelen man, daardoor zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij de grondstellingen, die de meester vermeldt, beoefent?" ?Wat gaat u zijn doel aan," was het antwoord. ?Hij bewijst de diensten. Hij verdient onderhouden te worden en gij onderhoudt hem: En-laat mij u vragen-betaalt gij een man voor zijn bedoeling of voor zijn diensten? Voor zijn bedoeling misschien? Een man slaat uw dakpannen stuk en maakt de muren van uw huis vuil om zijn levensonderhoud te verdienen: zult gij hem inderdaad daarvoor betalen?" ?Neen," was het antwoord. ?Ziet gij," sprak Mencius, ?niet voor zijn bedoeling betaalt gij een man, maar voor het werk, dat hij gedaan heeft."
De algemeene grondstellingen voor het bestuur des lands, zooals Mencius die opstelt, zijn niet minder interessant.
?Als een vorst personen van talent en deugd eert, bekwame lieden aanstelt, zóó, dat alle ambten door de waardigsten worden vervuld, dan zullen alle geleerden aan zijn hof komen.
?Als hij op de marktplaatsen slechts laat betalen voor de plaats, die de kramen innemen, maar geen belasting op de waren legt, of wanneer hij slechts de marktbepalingen handhaaft zonder kramengeld te vragen, dan zullen zich op zijne marktplaatsen de handelaars verdringen.
?Wanneer aan de grenspoorten van een land slechts een persoonlijke inspectie van de reizenden plaatsvindt, doch geen douanerechten worden geheven, zoo zullen alle reizigers vol verlangen zijn om in dat land te reizen.
?Als de boer slechts voor den arbeid op de staatsvelden wordt opgeroepen en van zijn eigen velden geen belasting heeft op te brengen, dan zullen alle boeren in het land met lust (op hun eigen velden) arbeiden. (Het heele land was, althans in theorie, afgedeeld in stukken van dezelfde grootte, welke stukken ieder weer in negen deelen waren verdeeld. Het middelste dezer velden was staatseigendom: het moest door de bezitters der andere acht velden bebouwd worden, terwijl de opbrengst daarvan voor het onderhoud van den vorst en de kosten van bestuur bestemd was).
?Als hij van de huisvaders (die de bestaande voorschriften vervullen) de bijdragen niet int (welke slechts van hen worden geheven, die de voorschriften niet vervullen) zoo zullen alle lieden in zijn staat willen wonen.
?Als een vorst deze vijf voorschriften opvolgt, zullen de bewoners aller naburige staten tot hem als tot een vader opzien. Zulk een vorst zal geen vijand hebben en in waarheid een minister des hemels zijn: hem moet (als den waardigste) de regeering des rijks ten deel vallen."
Op een andere plaats treedt Mencius op tegen het systeem van belasting heffen op het bouwland, dat in zijne dagen, toen de vorsten en de regeeringen steeds meer noodig hadden, reeds in alle staten was ingevoerd.-?Zulke belastingen" zegt hij, ?worden naar het gemiddelde van vele jaren berekend en opgesteld. In goede jaren, wanneer de oogst rijk is geweest, kan veel genomen worden zonder dat het drukkend schijnt, doch in slechte jaren, wanneer de opbrengst den arbeid niet vergoedt, moet de belasting toch betaald worden. Als hij, die de vader des volks wil zijn (de vorst) de schuld er van draagt, dat zorgen geschreven staan op het aangezicht des volks en dat dit, als het een jaar heeft gearbeid, niet weet waarmee het zijn ouders zal onderhouden en moet zien, hoe aan de middelen te komen om de belasting te betalen, totdat ouden en kinderen omkomen in de slooten langs den weg, waar blijven dan de vaderlijke betrekkingen tot het volk?" ?Zij, die van hun levensonderhoud verzekerd zijn, staan vast in de deugd: die dit niet zijn, geven zich aan de ondeugd over, en-er is geen verkeerdheid, verderf en teugelloosheid, waaraan zij zich niet schuldig maken. Als zij dan wegens hun overtredingen vervolgd en gestraft worden: is dat niet hun valstrikken zetten: hoe kan zoo iets geschieden onder de heerschappij van een welwillend vorst?"
Wat den regel: goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, aangaat: Confucius en Mencius trekken in dezen één lijn: alleen was sedert de dagen van den eerste het getal van hen, die aan de mogelijkheid van kwaad met goed te vergelden geloofden, niet onbelangrijk toegenomen.
In den philosoof Mih tih namelijk, over wiens leven weinig bekend is (vermoedelijk leefde hij ongeveer 50 jaar na Confucius) had de leer der ?algemeene liefde" een begaafden en krachtigen verdediger gevonden.
?Het is de taak der wijzen," zoo heet het in een door zijn leerlingen uitgegeven werk, ?daarvoor te zorgen dat het rijk goed wordt geregeerd. Daarom moeten zij weten, waaruit wanorde en verwarring ontstaan, want, zonder deze kennis kunnen zij hun taak niet vervullen. Wij kunnen hen dus vergelijken met een arts, die beproeft de ziekte van eenig persoon te genezen. Daartoe moet deze eerst de oorzaak der krankheid doorgronden; dan kan hij met de genezing beginnen, terwijl zonder deze kennis zijn pogen tevergeefs zal zijn."
?Het is de taak der wijzen zorg te dragen voor de goede regeering des rijks. Zij moeten dus nagaan de oorzaak der verwarring, en wanneer zij dat doen zullen zij bemerken, dat deze ligt in het gebrek aan wederkeerige liefde.-"
Wanneer een minister en een zoon onkinderlijk (zonder pi?teit) zich gedragen tegenover zijn heerscher en zijn vader: zoo is dat wanorde. Een zoon heeft dan zichzelf lief en heeft zijn vader niet lief, aldus doet hij zijn vader onrecht en trekt hij zichzelf voor. Een jongere broeder, die den oudere niet liefheeft, een minister die zichzelf liefheeft en niet zijnen vorst; zij allen doen den ander onrecht en stellen zichzelf op den voorgrond: dit zijn allen gevallen van wanorde. Evenzoo als de vader den zoon, de oudere broeder den jongere, de vorst den minister minder bevoordeelt dan zichzelven. Hoe kunnen zulke dingen voorkomen? Uit gebrek aan wederkeerige liefde. Neem het geval van een dief of een roover, het is daarmede juist eveneens gesteld. De dief heeft zijn eigen huis lief en niet dat van zijn buurman: daarom besteelt hij het huis van zijn buurman ten bate van het zijne. Zoo is het ook met den roover. Zoo ook met de hooge ambtenaren, die met elkaars famili?n in strijd leven, zoo met de vorsten, die de staten hunner buren aanvallen. Alle verkeerde verhoudingen in het rijk hebben denzelfden oorsprong: gebrek aan wederkeerige liefde.
?Wanneer nu algemeen wederkeerige liefde in het rijk heerschte, wanneer de menschen anderen liefhadden zooals zichzelf, zouden dan zulke dingen kunnen voorkomen? Zouden er dan dieven en roovers zijn? Wanneer ieder het huis van zijn naaste op dezelfde wijze beschouwde als zijn eigen huis, zouden dan diefstallen mogelijk zijn? Zouden dan ministers en vorsten elkaar wederkeerig bestrijden en beoorlogen?"
Hoe echter dit doel te bereiken? De leerlingen twijfelen aan de mogelijkheid, doch Mih tih zegt: ?Door algemeene wederkeerige liefde en door de ruiling van wederkeerige voordeelen. Ieder moet een anderen staat, een andere familie, een ander persoon beschouwen als zijn eigen (staat, familie, persoon). Zijn er in de geschiedenis geen voorbeelden, dat waar vorsten eenvoudige kleeding, sobere voeding of dappere daden beminden, hun ambtenaren hen daarin navolgden? Als dus thans de grondregel der algemeene liefde niet heerscht, zoo komt dat slechts hierdoor, dat de vraag in de hoogste kringen niet met die belangstelling wordt behandeld, welke zij verdient: de vorsten toch staan er onverschillig tegenover, inplaats van door lof en belooningen de menschen tot uitoefening der algemeene wederkeerige liefde te brengen en den tegenstand daartegen door geld- en andere straffen te breken. Indien dit geschiedde zou de uitoefening dezer algemeene liefde en de ruil van wederkeerige voordeelen alle hindernissen overwinnen, evenals het vuur noodzakelijk omhoog gaat en het water naar beneden vliet."
Het getuigt voor de vastheid, welke de orthodoxe opvatting van kinderlijke liefde in het Chineesche volk zich verworven had, dat de verklaring van Mencius, dat allen gelijkelijk lief te hebben de bizondere genegenheid tusschen vader en kind niet genoegzaam tot haar recht deed komen, voldoende was om het systeem van Mih tih, dat in den tijd van Mencius veel ingang reeds had gevonden, geheel omver te werpen.
De andere tegenstander, met wien Mencius in het krijt trad, staat van ons denken en gevoelen verder af dan Mih tih. Dit was de Tao?stische Cynicus Yang Chu, een man, over wiens leven weinig bekend is, zoo weinig dat wij zelfs niet weten of hij een tijdgenoot van Confucius of van Mencius was. Plaatsen uit Tao?stische geschriften doen ons denken aan den tijd van Confucius, doch de heftigheid, waarmede Mencius hem bestrijdt pleit voor de meening, dat hij diens tijdgenoot was.
Mencius schrijft aan Yang Chu de grondstelling toe: ?Ieder voor zich," en zegt dat een opvolging dezer grondstelling den mensch tot een dier maken zou. Doch, in de uitspraken, aan Yang Chu toegeschreven, vinden wij dit nergens uitdrukkelijk geleerd. Veeleer schijnt Yang Chu een soort van Chineesche Diogenes11 te zijn geweest, die het leven als een onvermijdelijk kwaad beschouwde en diegenen, die zich daarvoor veel zorg en moeite gaven, bespotte.
Zuiver philosophisch zijn Mencius' uiteenzettingen over de ?hartstochtelijke natuur." ?Meester," zegt een zijner leerlingen, ?wanneer gij een hoogen adellijken titel verkreegt en eerste minister werd van het vorstendom en het dan zoover bracht, dat uw vorst de eerste onder alle vorsten des rijks werd, ja zelfs de keizerlijke waardigheid verkreeg, het zou niet te verwonderen zijn: doch, wanneer gij in zulk een positie kwaamt, zou uw geest niet onrustig worden?"
Mencius antwoordde: ?Neen. Toen ik 40 jaar was (aldus vóór hij zijn hervormersloopbaan begon) had ik het evenwicht des geestes gevonden."
?En is er een middel om dat te bereiken?" ?Ja." ?De een vreest niets: noch wonden noch gevaar: al was degene, die hem bedreigde ook in het bezit van 10.000 strijdwagens. De ander beproeft zichzelf: vindt hij dat hij ongelijk heeft, zoo vreest hij ook den kleinsten man: vindt hij het recht aan zijne zijde, zoo zal hij strijden tegen duizenden en tienduizenden. De laatste is zeker boven den eerste verheven. De philosoof Kau zegt: ?wat gij niet in woorden kunt uitdrukken, zoek dat niet in uw verstand, wat gij niet vindt in uw verstand, zoek daarnaar niet met hartstochtelijke inspanning." Met dit laatste stem ik in, doch geenszins, dat men niet in zijn verstand moet zoeken, naar wat men met woorden niet uitdrukken kan. Want-de wil is de leidsman der hartstochtelijke natuur en deze doordringt en bezielt het lichaam. De wil is de heer en de hartstochtelijke natuur is hem onderworpen. Daarom zeg ik: ?Wees vast van wil, en dwing de hartstochtelijke natuur niet tot iets, wat buiten haar aard ligt. Als alleen de wil werkzaam is, beheerscht deze de hartstochtelijke natuur, is die laatste daarentegen alleen werkzaam, zoo beheerscht zij den wil. De hartstochtelijke natuur is grof en sterk. Als zij ongedwongen kan opgroeien en niet beleedigd wordt, vervult zij alles tusschen hemel en aarde. Zij is de gezellin van rechtschapenheid en verstand: zonder haar is de natuur des menschen de verkwijning nabij. Zij komt voort uit de bijeenvoeging van vele rechtmatige handelingen en niet uit enkele daarvan. Als het verstand niet met haar in overeenstemming is, zoo verdwijnt de natuur. Blijkbaar verstaat Mencius onder ?hartstochtelijke natuur" (letterlijk beteekent het Chineesche woord ?wolkachtige damp") den nooit rustenden drang tot werkzaamheid, die men juist bij de meest op den voorgrond tredende personen vindt. Een drang, die met verstand moet samengaan (energie) en die aan den wil onderworpen moet zijn, doch waaraan men geen dwang tot iets buiten haar aard mag opleggen.
Het is niet zonder belang om bij wat Mencius hier zegt te vergelijken wat de beroemde Fransche psycholoog T. A. Ribot 2300 jaar na hem schreef over de ?hartstocht" in den boven anderen uitblinkenden mensch. Deze dan zegt in zijn werk ?Les maladies de la Volonté" (de ziekten van den wil) het volgende:
?De meest volkomen samenwerking (van willen en kunnen) is eigen aan de krachtigen, de zeer werkzamen: wat ook het terrein hunner werkzaamheid zij: men denke aan Cesar, Michel Angelo of Vincentius da Paula. Zij wordt in één enkel woord saamgevat als: eenheid, standvastigheid, macht. De uitwendige eenheid van hun leven ligt in de eenheid van hun doel: altijd nagestreefd, naar gelang van de omstandigheden nieuwe medewerking en aanpassing zoekend. Doch deze uitwendige eenheid is slechts de uitdrukking der inwendige: die van het karakter. Juist omdat zij dezelfde blijven, blijft ook hun doel hetzelfde. Hun inwendige drijfkracht is een machtige, onuitroeibare hartstocht, die de idee?n in haar dienst neemt. Deze hartstocht: dat is hun wezen, dat is de psychische uitdrukking van hun gestel, zooals de natuur dat heeft gewrocht. Wat blijft ook alles, dat uit dezen samenhang zich verwijdert, als in de schaduw, zonder kracht, onvruchtbaar, vergeten als een plant, die slechts op een andere leeft! Zij geven te zien het voorbeeld van een leven, dat steeds met zichzelf in overeenstemming is, omdat bij hen alles samenwerkt, tot elkaar komt en overeenstemt.
?Zelfs in het gewone leven ontmoet men deze karakters. Doch deze doen niet van zich spreken: omdat de verhevenheid van het doel, de omstandigheden en vooral de macht van de hartstocht hun ontbrak, hebben zij slechts de standvastigheid overgehouden. Onder een anderen vorm hebben de groote, in de geschiedenis bekende Sto?ci (Epictetus, Thraseas; hun grooten wijze laat ik weg, als zijnde slechts een ?abstract ideaal") dit hooge type van wilskracht bereikt, en wel in zijn negatieven vorm-het zelfbedwang-overeenkomstig het beginsel der school: Verdraag en onthoud u." Tot zoover Ribot.
Veertig jaren na den dood van Mencius, die in 289 v. C. overleed, stortte de Chau-dynastie ineen en in 221 verklaarde de vorst van Tsin, die al zijn mededingers had overwonnen, zich tot eersten goddelijken keizer van China. Zoo stichtte hij een nieuw rijk op de puinhoopen van het oude.
Wat de oude Confuciaansche richting der wijsbegeerte onder hem te lijden had en hoe zij onder de Han-dynastie daarentegen weer tot eer, aanzien en invloed geraakten, hebben wij reeds vermeld.