Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > De kinderen van Kapitein Grant, eerste Deel (of 3)
De kinderen van Kapitein Grant, eerste Deel (of 3)

De kinderen van Kapitein Grant, eerste Deel (of 3)

Author: : Jules Verne
Genre: Literature
De kinderen van Kapitein Grant, eerste Deel (of 3) by Jules Verne

Chapter 1 No.1

De balansvisch.

Op den 26sten Julij 1864, bij een sterken noord-oostewind, manoeuvreerde een prachtig stoomjagt met volle kracht op de golven van het Noorder-kanaal. De engelsche vlag wapperde van de gaffel van den bezaansmast, op den top van den grooten mast vertoonde een blaauwe standaard de letters E.G. met goud geborduurd en gedekt door een hertogskroon. Dit jagt heette de Duncan en was het eigendom van lord Glenarvan, een der zestien schotsche pairs, die zitting hebben in het Hoogerhuis, en het aanzienlijkste lid der "Royal Thames-Yacht-club," die zoo beroemd is in het geheele vereenigde koningrijk.

Lord Edward Glenarvan was aan boord met zijn jonge echtgenoote, lady Helena, en een zijner neven, den majoor Mac Nabbs.

De Duncan, die pas van stapel geloopen was, deed een proeftogt eenige mijlen buiten de golf van de Clyde, en trachtte te Glasgow binnen te loopen; reeds vertoonde het eiland Arran zich aan den gezigteinder, toen de matroos, die op den uitkijk zat, berigtte, dat hij in het zog van het jagt een verbazend grooten visch bemerkte. De kapitein, John Mangles, liet terstond lord Edward van die ontmoeting kennis geven. Deze klom op de kampanje met den majoor Mac Nabbs, en vroeg den kapitein, wat hij van dat dier dacht.

"Ik geloof stellig, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "dat het een groote haai is."

"Een haai in deze wateren!" riep Glenarvan.

"Dat is zoo vreemd niet," hernam de kapitein; "die visch behoort tot een haaisoort, die men in alle zee?n en op alle breedten aantreft. Het is de "balansvisch,"[1] en ik zou mij zeer vergissen, als wij niet met een van die fielten te doen hadden! Als Uwe Edelheid het toestaat en lady Glenarvan er niets tegen heeft om een aardige vischvangst bij te wonen, zullen wij weldra te weten komen, wat er van de zaak is."

"Wat denkt gij er van, Mac Nabbs!" zeide Lord Glenarvan tot den majoor, "zijt gij er voor om de kans te wagen?"

"Zooals gij wilt," antwoordde de majoor heel bedaard.

"Bovendien," hernam John Mangles, "kan men die verschrikkelijke dieren niet genoeg vervolgen. Laten wij van de gelegenheid gebruik maken, en indien Uwe Edelheid het goedvindt, zal het tegelijk een treffend schouwspel en een goede daad zijn."

"Ga Uw gang maar, John!" zeide lord Glenarvan.

Vervolgens liet hij lady Helena er kennis van geven, die bij hem op de kampanje kwam, daar zij inderdaad zeer nieuwsgierig was naar die treffende vangst.

De zee was effen; men kon gemakkelijk op haar oppervlakte de snelle bewegingen van den haai volgen, die met verbazende kracht onderdook en weder boven kwam. John Mangles gaf zijne bevelen. De matrozen wierpen een sterk touw, voorzien van een haak met een dik stuk spek over de verschansing aan stuurboordszijde. Hoewel de haai nog op een afstand van vijftig engelsche ellen was, rook hij toch het hem aangeboden aas. Hij naderde snel het jagt. Men zag, hoe hij met zijn vinnen, die aan het uiteinde grijs, en van onderen zwart zijn, de golven geweldig beukte, terwijl het aanhangsel aan zijn staart hem in een zuivere regte lijn deed blijven. Naarmate bij digter bij kwam, schenen zijn groote, uitpuilende oogen door begeerlijkheid ontvlamd, en als hij zich omwendde, lieten zijn opengesperde kaken een vierdubbele rij tanden zien. Zijn kop was breed en geleek een dubbelen hamer aan een steel. John Mangles had zich niet vergist; het was wel degelijk de verslindendste soort van het haaijengeslacht, de balansvisch der Engelschen, de jodenvisch der Provencalen.

De passagiers en de matrozen der Duncan volgden met de grootste oplettendheid de bewegingen van den haai. Spoedig was de haak in het bereik van het dier; het ging op den rug liggen om hem beter te kunnen grijpen, en het verbazende lokaas verdween in zijn wijde keel. Terstond maakte het nu zich zelf vast door hevig aan het touw te trekken, en de matrozen heschen den monsterachtigen haai op door middel van een takel, die aan het uiteinde der groote ra was vastgemaakt.

De haai worstelde hevig, toen hij zich buiten zijn natuurlijk element zag rukken; maar men wist hem tot bedaren te brengen door een touw voorzien van een lus aan zijn staart vast te maken, hetgeen zijn bewegingen verlamde. Eenige oogenblikken later werd hij boven de verschansing gehaald en op het dek van het jagt gesmeten. Terstond naderde hem een der zeelieden met de noodige voorzigtigheid en hieuw met een geduchten bijlslag den verbazenden staart van het dier af.

De vangst was afgeloopen; er was niets meer van het monster te vreezen; de wraakzucht der zeelieden was bevredigd, maar hun nieuwsgierigheid niet. Het is namelijk een gebruik op de schepen om zorgvuldig de maag der haaijen te onderzoeken. De matrozen, die zijn alles behalve kieskeurige vraatzucht kennen, rekenen op de een of andere verrassing, en worden niet altijd in hun verwachting teleurgesteld.

Lady Glenarvan wilde dat bloedig onderzoek niet bijwonen en ging weder in de bovenhut. De haai ademde nog; hij was tien voet lang en woog meer dan zes honderd pond; die grootte en die zwaarte zijn volstrekt niet buitengewoon; maar wordt de balansvisch al niet onder de reuzen zijner soort gerekend, hij wordt toch onder de vreeselijkste geteld.

Weldra was de buik van den verbazenden visch zonder verdere omstandigheden met bijlslagen geopend. De haak was tot in de maag doorgedrongen, die men geheel ledig vond; het was duidelijk, dat het dier reeds lang gevast had, en de teleurgestelde zeelieden wilden de brokken reeds in zee werpen, toen de oplettendheid van den schipper door een lomp voorwerp getrokken werd, dat stevig in de ingewanden vastzat.

"Hé! wat is dat?" riep hij.

"Dat," antwoordde een der matrozen, "dat is een rotsbrok, dat het dier ingeslikt zal hebben om zich den buik te vullen."

"Neen," hernam een ander, "het is niets anders dan een stangkogel, dien die haai in den buik heeft gekregen, maar nog niet heeft kunnen verteren."

"Houdt den mond, domkoppen!" antwoordde Tom Austin, de eerste stuurman van het jagt, "ziet ge dan niet, dat dit dier een groote zuiplap was, en dat het om toch niets verloren te laten gaan niet alleen den wijn, maar ook de flesch heeft gedronken?"

"Hoe!" riep lord Glenarvan, "heeft die haai een flesch in de maag?"

"Een echte flesch," antwoordde de schipper. "Maar men kan wel zien, dat zij niet pas uit een kelder komt!"

"Haal ze er dan voorzigtig uit, Tom!" hernam lord Edward; "de flesschen, die men in zee vindt, bevatten dikwijls belangrijke bescheiden."

"Denkt gij dat?" zeide de majoor Mac Nabbs.

"Ik geloof ten minste dat het soms gebeurt."

"O, ik spreek u volstrekt niet tegen," antwoordde de majoor, "misschien bevat zij een geheim."

"Dat zullen wij spoedig te weten komen," zeide Glenarvan. "Hoe is het er meê, Tom?"

"Daar is het," antwoordde de eerste stuurman, terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien, dat hij, niet zonder moeite, uit de maag van den haai gehaald had.

... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien....

"Goed," zeide Glenarvan. "Laat dat morsige ding wasschen en daarna in de bovenhut brengen."

Tom gehoorzaamde, en die flesch, welke onder zulke zonderlinge omstandigheden gevonden was, werd in de algemeene kamer op de tafel gezet, rondom welke lord Glenarvan, de majoor Mac Nabbs, de kapitein John Mangles en lady Helena plaats namen; want een vrouw is, zooals men zegt, altijd een beetje nieuwsgierig.

Op zee is ieder voorval een gewigtige gebeurtenis; er heerschte een oogenblik stilte; iedereen beschouwde het brooze voorwerp. Bevatte het het geheim van de een of andere ramp, of alleen een onbeduidend berigt door een werkeloozen zeeman aan de genade der golven toevertrouwd?

Men moest echter weten, waaraan men zich te houden had, en dus ging Glenarvan zonder verder dralen tot het onderzoek der flesch over; hij nam daarbij al de voorzorgen, die in zulke omstandigheden gebruikelijk zijn; men zou gezegd hebben, dat hij een regtercommissaris was, die de geringste bijzonderheden eener ernstige zaak nagaat; en Glenarvan had gelijk, want het schijnbaar onbeduidendste kenteeken kan ons vaak op den weg eener gewigtige ontdekking brengen.

Alvorens haar inwendig te onderzoeken, werd de flesch van buiten bezigtigd. Zij had een naauwen hals, waaraan nog een stuk ijzerdraad zat, dat reeds door de roest aangetast was; haar zeer dikke wanden, die een drukking van verscheidene dampkringen konden uitstaan, verrieden duidelijk, dat zij uit Champagne afkomstig was. Met die flesschen slaan de wijngaardeniers uit A? of Epernay de pooten van een stoel stuk, zonder dat er een barstje aan te zien is. Ongehinderd had deze daarom de gevaren eener lange omzwerving kunnen doorstaan.

"Een flesch van het huis Cliquot," zeide de majoor zeer bedaard.

En, daar hij een kenner was, berustte men zonder tegenspraak in zijn verklaring.

"Waarde majoor!" antwoordde lady Helena, "wat die flesch is, komt er weinig op aan, als wij niet weten, vanwaar zij komt."

"Dat zal wel blijken, lieve Helena!" zeide lord Edward, "en voorloopig kunnen wij reeds verzekeren, dat zij van verre komt. Zie maar eens naar die versteende stoffen, die haar bedekken, naar die zelfstandigheden, die onder de werking van het zeewater om zoo te zeggen in delfstoffen veranderd zijn! Deze flesch had reeds lang in den oceaan rondgedreven, voor zij in den buik van den haai teregt kwam."

"Ik zou onmogelijk een andere meening kunnen koesteren," antwoordde de majoor, "en deeze brooze vaas, door haar steenen omkleedsel beschermd, heeft stellig een lange reis afgelegd."

"Maar vanwaar komt zij?" vroeg lady Glenarvan.

"Een oogenblikje, lieve Helena! een oogenblikje; met flesschen moet men geduldig zijn. Ik zou mij zeer bedriegen, als deze niet zelve al onze vragen beantwoordde."

En dit zeggende begon Glenarvan de harde stoffen te verwijderen, die den hals beschermden; weldra kwam de kurk voor den dag, maar zeer beschadigd door het zeewater.

"Dat is een leelijk geval," zeide lord Edward; "want, als er soms een papier in is, zal het in een zeer slechten staat zijn."

"Dat is te vreezen," antwoordde de majoor.

"Ik voeg er nog bij," hernam Glenarvan, "dat deze slecht geslotene flesch weldra moest zinken, en dat het gelukkig is, dat de haai ze ingeslikt heeft om ze ons aan boord van de Duncan te brengen."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles; "en echter zou het beter geweest zijn haar in volle zee op een bepaalde lengte en breedte op te visschen. Dan kan men, door de stroomingen der lucht en der zee na te gaan, den afgelegden weg berekenen; maar met een brievenbesteller zooals deze, met die haaijen, die tegen wind en stroom ingaan, weet men niet meer waaraan men zich houden moet."

"Wij zullen wel zien," antwoordde lord Edward.

Op dit oogenblik haalde hij er zeer behoedzaam de kurk af en verspreidde zich een sterke zoutlucht door de hut.

"Welnu?" vroeg lady Helena met echt vrouwelijk ongeduld.

"Ja!" zeide Glenarvan, "ik heb mij niet bedrogen! er zijn papieren in!"

"Documenten! documenten!" riep lady Helena.

"Maar zij schijnen door het vocht verteerd te zijn," antwoordde Glenarvan, "en het is onmogelijk om ze er uit te halen; want zij kleven aan de wanden van de flesch."

"Sla haar stuk," zeide Mac Nabbs.

"Ik zou haar liever heel houden," antwoordde Glenarvan.

"Ik ook," antwoordde de majoor.

"Zonder twijfel," zeide lady Helena; "maar de inhoud ia kostbaarder dan het omhulsel, en dus moeten wij dit aan genen opofferen."

"Als Uwe Edelheid den hals er maar afslaat," zeide John Mangles, "kan het geschrift er uitgehaald worden zonder het te beschadigen."

"Beproef het! beproef het! lieve Edward!" riep lady Helena.

Er zat niets anders op, en hoe ongaarne ook besloot lord Glenarvan om den hals der kostbare flesch te breken. De hamer kwam er bij te pas, want het steenachtig bekleedsel was zoo hard geworden als graniet. Weldra vielen de brokken op de tafel, en nu zag men verscheidene stukjes papier, die aan elkander geplakt zaten. Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit, scheidde ze vaneen, en leide ze voor zich neder, terwijl lady Helena, de majoor en de kapitein zich om hem verdrongen.

Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit ...

* * *

[1] De balansvisch wordt door de engelsche zeelieden aldus genoemd, omdat zijn kop de gedaante van een balans, of liever van een dubbelen hamer heeft. Om die reden is dit dier in Frankrijk bekend onder den naam van hamervisch.

* * *

Chapter 2 No.2

De drie documenten.

Op die door het zeewater half vernielde stukjes papier waren nog maar eenige woorden zigtbaar; de onleesbare overblijfselen van bijna geheel uitgewischte regels. Lord Glenarvan beschouwde ze eenige minuten lang zeer oplettend; hij draaide ze telkens om; hij hield ze tegen het licht; hij onderzocht de geringste sporen van schrift, die de zee ge?erbiedigd had; vervolgens zag hij zijn vrienden aan, die hem met angstige blikken aanstaarden.

"Het zijn," zeide hij "drie onderscheidene documenten, en waarschijnlijk drie afschriften van hetzelfde document, in drie talen, het engelsch, het fransch en het duitsch, overgezet. De weinige woorden, die overgebleven zijn, laten mij dienaangaande geen twijfel over."

"Maar die woorden leveren toch zeker een verstaanbaren zin op?" vroeg lady Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen, lieve Helena! de woorden op deze documenten zijn zeer onvolledig."

"Misschien vullen zij elkander aan," zeide de majoor.

"Dat moet zoo zijn," antwoordde John Mangles; "het is onmogelijk, dat het zeewater die regels juist op dezelfde plaatsen zou vernield hebben, en door die brokstukken bijeen te voegen, zullen wij eindelijk een verstaanbaren zin krijgen."

"Dat zullen wij doen," zeide Lord Glenarvan; "maar wij moeten met overleg te werk gaan. Eerst zullen wij het engelsche document nemen."

De volgorde der regels op dit document was deze.

"Dat geeft niet veel," zeide de majoor op een spijtigen toon.

"Dat kan wel zijn," antwoordde de kapitein; "maar het is toch goed engelsch."

"Daar valt niet aan te twijfelen," zeide lord Glenarvan, "de woorden sink, aland, that, and, lost zijn onbeschadigd; skipp vormt zeker het woord skipper, en er is sprake van een mijnheer Gr..., waarschijnlijk de kapitein van een vergaan schip.[1]

"Daarbij komen nog," zeide John Mangles, "de woorden monit en ssistance, wier beteekenis duidelijk is."

"Wel, dat is toch iets interessants," antwoordde lady Helena.

"Ongelukkig missen wij geheele regels," antwoordde de majoor. "Hoe zullen wij nu den naam van het vergane schip, de plaats der schipbreuk terugvinden...?"

"Wij zullen ze terugvinden," zeide lord Edward.

"Daar is geen twijfelen aan," antwoordde de majoor, die altijd een ieder gelijk gaf; "maar hoe?"

"Door het eene document met het andere aan te vullen."

"Doet het dan," riep lady Helena.

Het tweede stukje papier, nog meer beschadigd dan het eerste, bevatte slechts op zich zelven staande woorden, die op deze wijze geschikt waren:

"Dat is in het duitsch geschreven," zeide John Mangles, zoodra hij een blik op dit papier had geslagen.

"En kent gij die taal, John?" vroeg Glenarvan.

"In den grond, Uwe Edelheid!"

"Welnu, zeg ons dan, wat die weinige woorden beteekenen."

De kapitein onderzocht het document zeer oplettend, en sprak:

"Vooreerst weten wij nu den dag, waarop het voorval plaats had, 7 Junij, en door dit cijfer in verband te brengen met de cijfers 62 op het engelsche document, krijgen wij deze volledige dagteekening, 7 Junij 1862."

"Zeer goed," riep lady Helena, "ga voort, John!"

"Op denzelfden regel," hernam de jonge kapitein, "vind ik het woord Glas dat, verbonden met het woord gow op het eerste document, Glasgow geeft. Er is dus duidelijk sprake van een schip uit de haven van Glasgow."

"Dat denk ik ook," antwoordde de majoor.

"De tweede regel van het document is geheel weg," hernam John Mangles. "Maar op den derden tref ik twee belangrijke woorden aan: zwei, dat twee wil zeggen, en atrosen of liever matrosen, dat matrozen beteekent.

"Derhalve zou er sprake zijn van een kapitein en twee matrozen," zeide lady Helena.

"Zeer waarschijnlijk," antwoordde lord Glenarvan.

"Ik moet Uwe Edelheid bekennen," hernam de kapitein, "dat het volgende woord graus mij verlegen maakt. Ik weet niet, hoe ik het moet vertalen. Misschien zal het derde document het ophelderen. De twee laatste woorden echter leveren geen bezwaar op. Bringt ihnen beteekent brengt hun, en als men ze verbindt met het engelsche woord, dat even als deze op den zevenden regel van het eerste document staat, ik bedoel het woord assistance, dan krijgen wij den geheelen zin: brengt hun hulp."

"Ja! brengt hun hulp!" zeide lord Edward, "maar waar zijn die ongelukkigen? Tot nog toe bezitten wij geene enkele aanwijzing van plaats, en het tooneel van de ramp is geheel onbekend."

"Welligt zal het fransche document duidelijker zijn," zeide lady Helena.

"Laten wij nu dat stuk eens bezien," antwoordde Glenarvan, "en daar wij allen die taal kennen, zullen onze nasporingen gemakkelijker zijn."

Het volgende is een naauwkeurige afdruk van het derde document

"Daar zijn cijfers in," riep lady Helena. "Ziet toch eens, heeren! ziet toch eens!..."

"Laten wij ordelijk te werk gaan," zeide lord Glenarvan, "en met het begin beginnen. Veroorlooft mij, dat ik die verspreide en onvolledige woorden één voor één naga. Ik zie vooreerst reeds aan de eerste letters, dat er een driemaster bedoeld wordt, waarvan de naam ons door de engelsche en fransche documenten geheel bekend is: de Britannia. Van de beide volgende woorden gonie en austral, heeft alleen het laatste een beteekenis, die gij allen begrijpt."

"Dat is reeds een gewigtige omstandigheid," zeide John Mangles, "de schipbreuk heeft plaats gehad op het zuidelijk halfrond."

"Dat is zeer onbepaald," zeide de majoor.

"Ik ga verder," hernam lord Edward. "Ha! het woord abor, de stam van het werkwoord aborder (aanlanden). Die ongelukkigen zijn ergens aangeland. Maar waar? Contin! Zou het op een vastland zijn? cruel...."

"Cruel!" riep John Mangles; "maar dat is de verklaring van het duitsche woord graus ... grausam... cruel! ... (wreed)."

"Verder! verder!" zeide Glenarvan, wiens belangstelling in opgewondenheid overging, naarmate de zin dier onvolledige woorden duidelijk begon te worden. "Indi..., zouden die matrozen naar Indi? geslagen zijn? Wat beteekent dat woord ongit? Ha! longitude? (lengte). En dit is de breedte: 37°11'. Eindelijk krijgen wij dus een juiste aanwijzing."

"Maar de lengte ontbreekt nog," zeide Mac Nabbs,

"Men kan niet alles hebben, waarde majoor!" antwoordde lord Edward, "en een nauwkeurige breedte-graad is reeds iets. Dit fransche document is stellig het volledigste van de drie. Het is duidelijk, dat elk op zich zelf een letterlijke vertaling der andere was, want zij bevatten allen het zelfde aantal regels. Nu moeten wij ze dus vereenigen, is ééne taal overbrengen, en den waarschijnlijksten, den meest logischen en den duidelijksten zin opsporen."

"Zult gij het in het fransch, het engelsch of het duitsch vertalen?" vroeg de majoor.

"In het fransch," antwoordde Glenarvan, "omdat de meeste belangrijke woorden ons in die taal bewaard zijn gebleven."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide John Mangles; "bovendien zijn wij allen met die taal bekend."

"Dat is dus afgesproken. Ik zal dit document opschrijven door die overblijfsels van woorden en de afgebrokene zinnen te vereenigen, met behoud van de ruimten, die ze scheiden, en met aanvulling van die, welker beteekenis niet twijfelachtig kan zijn; daarna zullen wij vergelijken en oordeelen."

Terstond nam Glenarvan de pen op, en na weinige oogenblikken liet hij aan zijn vrienden een papier zien, waarop de volgende regels stonden:

7 junij 1862 driemaster Britannia

Glasgow gonie zuidelijk

gezonken. Aan land twee matrozen

kapitein Gr vastl te bereik

wreede Ind gev genomen

dit document graden

ngt en 87°11' breed geworpen. Brengt hun

hulp, verloren.

Op dit oogenblik kwam een matroos den kapitein berichten, dat de Duncan den ingang der golf van de Clyde invoer, en diens bevelen vragen.

"Wat is het plan van Uwe Edelheid?" zeide John Mangles zich tot lord Glenarvan rigtende.

"Zoo spoedig mogelijk Dumbarton te bereiken, John! Terwijl lady Helena naar Malcolm-Castle terugkeert, zal ik naar Londen gaan en dit document aan de Admiraliteit indienen."

John Mangles gaf de noodige bedelen, en de matroos bragt ze den eersten stuurman over.

"Nu zullen wij onze nasporingen voortzetten, mijne vrienden!" sprak Edward. "Wij zijn een groote ramp op het spoor. Eenige menschenlevens hangen van onze schranderheid af. Laten wij dus al onze vermogens inspannen om den sleutel van dit ongelukkige raadsel te vinden."

"Wij zijn gereed, lieve Edward!" antwoordde lady Helena.

"Vooreerst," hernam Glenarvan, "moeten wij in dit document drie zeer verschillende dingen in het oog houden: 1° de dingen, die wij weten, 2° die men kan gissen, 3° die wij niet weten. Wat weten wij? Wij weten, dat den 7den Junij 1862 een driemaster, de Britannia van Glasgow, gezonken is, dat twee matrozen en de kapitein dit geschrift op een breedte van 37°11' in zee hebben geworpen, en dat zij om hulp vragen."

"Juist zoo," antwoordde de majoor.

"Wat kunnen wij gissen?" hernam Glenarvan. "Vooreerst, dat de schipbreuk in de zuidelijke zee?n plaats heeft gehad, en nu wil ik terstond uwe aandacht vestigen op het woord gonie. Wijst dit niet reeds den naam van het land aan?"

"Patagoni?!" riep lady Helena.

"Zonder twijfel."

"Maar wordt Patagoni? door de 37ste parallel gesneden?" vroeg de majoor.

"Dat is gemakkelijk uit te maken," antwoordde John Mangles een kaart van Zuid-Amerika voor den dag halende. "Het komt uit. Patagoni? wordt door die 37ste parallel aangeraakt. Zij doorsnijdt Araucani?, gaat over de pampa's[2] in het noorden van Patagoni? en loopt in den Atlantischen Oceaan uit."

"Goed. Laten wij onze gissingen voortzetten. De twee matrozen en de kapitein land ... landen aan, waar? vastl ... op het vastland, gij hoort het, het is een vastland en geen eiland. Wat is er van hen geworden? In die drie letters gev ... merken wij de hand der Voorzienigheid op; want zij geven ons kennis van hun lot. Die ongelukkigen toch zijn gevangenen. Van wie? van wreede Indianen. Zijt gij overtuigd? Komen nu de woorden niet van zelve als het ware op de ledigstaande plaatsen? Wordt het document nu niet gaandeweg duidelijk? Gaat er nu geen licht voor u op?"

Glenarvan was overtuigd van hetgene hij zeide; in zijn oogen blonk een volkomen vertrouwen. Het vuur, dat hem bezielde, deelde zich aan zijn hoorders mede. Allen riepen evenals hij: "Het is duidelijk!"

Na een oogenblik sprak lord Edward aldus:

"Al die vooronderstellingen, mijne vrienden! schijnen mij zeer gegrond toe; ik houd mij overtuigd, dat de ramp op de kusten van Patagoni? heeft plaats gehad. Ten overvloede zal ik te Glasgow nog onderzoek doen naar de bestemming der Britannia, en dan kunnen wij zien, of zij die wateren kan bezocht hebben."

"Wij behoeven zoover niet te gaan zoeken," antwoordde John Mangles. "Ik heb hier een verzameling van de Mercantile and Shipping Gazette, die ons wel juiste inlichtingen verschaffen zal."

"Laat zien! gaauw! gaauw!" zeide lady Glenarvan.

John Mangles nam een pak couranten van 1862 en begon het schielijk te doorbladeren. Hij behoefde niet lang te zoeken, en las spoedig op een toon van tevredenheid:

"30 Mei 1862. Peru. Van Callao in lading naar Glasgow, Britannia, kapitein Grant."

"Grant!" riep lord Glenarvan, "die stoute Schot, die in de Stille Zuidzee een Nieuw Schotland heeft willen stichten!"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "dezelfde, die zich in 1861 te Glasgow op de Britannia heeft ingescheept, en van wien men nooit iets vernomen heeft."

"Wij kunnen er niet meer aan twijfelen!" zeide Glenarvan. "Het is stellig dezelfde. De Britannia heeft den 30sten Mei Callao verlaten en den 7den Junij, acht dagen na haar vertrek, is zij op de kusten van Patagoni? gebleven. Haar geheele verdere geschiedenis ligt in die verminkte woorden, die onverklaarbaar schenen. Gij ziet, vrienden! dat de woorden, die wij moesten raden, niet de minst belangrijke zijn. Wat diegene betreft, die wij niet weten, het is er maar één, want alleen de lengte ontbreekt nog."

"Die is onnoodig," antwoordde John Mangles, "daar het land bekend is, en met de breedte alleen durf ik wel op mij nemen om regelregt naar het tooneel van de schipbreuk te gaan."

"Dus weten wij alles?" vroeg lady Helena,

"Alles, lieve Helena en die tusschenruimten, welke de zee tusschen de woorden van het document heeft gemaakt, zal ik zonder moeite aanvullen, alsof kapitein Grant zelf mij opgaf, wat ik schrijven moet."

Terstond vatte lord Glenarvan de pen weder op en schreef zonder aarzelen het volgende briefje:

Op den 7den Junij 1862, is de driemaster Britannia van Glasgow op de kusten van Patagoni? op het zuidelijk halfrond gezonken. Aan land gaande, zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten het vastland te bereiken, waar zij door wreede Indianen gevangen genomen zullen worden. Zij hebben dit document op ... graden lengte en 37° 11' breedte in zee geworpen. Brengt hun hulp, of zij zijn verloren.

"Goed zoo, goed zoo! lieve Edward," riep lady Helena; "indien deze ongelukkigen ooit hun vaderland terugzien zullen zij dat geluk aan u te danken hebben."

"En zij zullen het terugzien," antwoordde Glenarvan. "Dit document is te uitvoerig, te duidelijk, te zeker, dan dat Engeland zou kunnen aarzelen om drie zijner kinderen te hulp te komen, die op een woeste kust verlaten zijn. Wat het voor Franklin en zooveel anderen heeft gedaan, zal het nu doen voor de schipbreukelingen der Britannia!"

"Maar die ongelukkigen hebben zonder twijfel een gezin, dat hun dood beweent," hernam lady Helena. "Welligt heeft die arme kapitein Grant vrouw en kinderen...."

"Gij hebt gelijk, lieve lady! en ik neem op mij om hen te verwittigen, dat alle hoop nog niet verloren is. Laten wij nu, mijne vrienden! naar de kampanje terug keeren, want wij zullen weldra de haven naderen."

De Duncan stoomde inderdaad met volle kracht; zij gleed op dit oogenblik langs de kust van het eiland Bute, en had de vallei Rothesay aan stuurboord, met zijn lief stadje, dat in het vruchtbare dal wegschuilt; daarop stoomde zij het naauwe vaarwater der golf in, manoeuvreerde voor Greenock, en ankerde des avonds ten zes ure aan den voet der basaltrots Dumbarton, op welker top zich het beroemde kasteel van Wallace, den schotschen held verheft.

Daar stond een postrijtuig gereed om lady Helena met den majoor Mac Nabbs naar Malcolm-Castle terug te brengen. Maar lord Glenarvan stapte, na afscheid van zijn jonge gade genomen te hebben, te Glasgow in den sneltrein.

Vóór zijn vertrek had hij aan een nog sneller bode een belangrijk berigt toevertrouwd, en eenige minuten later bragt de electrische telegraaf aan de Times en de Morning Chronicle de volgende advertentie:

"Om inlichtingen over het lot van den driemaster Britannia van Glasgow, kapitein Grant, vervoege men zich bij lord Glenarvan, Malcolm-Castle, Luss, graafschap Dumbarton, Schotland."

[1] de woorden sink, aland, that, and, lost betekenen: zinken, aan land, dit, en, verloren. Skipper is de naam die men in Engeland aan de kapitein der koopvaardijschepen geeft. Monition wil zeggen document, en assistance betekent hulp.

[2] Groote vlakten is Zuid-Amerika, waaronder vele met zout en salpeter.

* * *

Chapter 3 No.3

Malcolm-Castle.

Het kasteel Malcolm, een der dichterlijkste van de schotsche Hooglanden, ligt nabij het dorp Luss, welks schoone vallei het beheerscht. De heldere wateren van het meer Lomond bespoelen zijn granieten muren. Sedert onheugelijke tijden behoorde het aan de familie Glenarvan, die in het vaderland van Rob Roy en van Fergus Mac Gregor de gastvrije gebruiken der oude helden van Walter Scott bleef beoefenen. In den tijd, toen de groote maatschappelijke omwenteling in Schotland tot stand kwam, werden eene menigte vassalen weggejaagd, die geen hooge pacht aan de oude opperhoofden der clans konden betalen; sommigen stierven van honger; eenigen werden visschers; anderen verlieten het land. Er heerschte een algemeene wanhoop. Alleen de Glenarvans meenden, dat zoowel de grooten als de geringen tot getrouwheid verpligt waren, en bleven dus getrouw aan hun pachters. Niet één verliet het dak, waaronder hij geboren was; niet één verliet het land, waarin zijn voorouders rustten; allen bleven in de clan hunner heeren. Ook nu nog, in deze eeuw van haat en tweedragt, telde de familie Glenarvan slechts Schotten op het kasteel Malcolm zoowel als aan boord der Duncan; allen stamden af van de vassalen van Mac Gregor, van Mac Farlane, van Mac Nabbs, van Mac Naugthons, dat wil zeggen, dat zij afkomstig waren uit de graafschappen Stirling en Dumbarton; dappere mannen, die met lijf en ziel aan hun heer verknocht waren, en waarvan sommigen nog het gaelisch van het oude Caledoni? spraken.

Lord Glenarvan bezat verbazende rijkdommen en gebruikte ze om veel goed te doen; zijn goedheid was nog grooter dan zijn mildheid; want had deze natuurlijk hare grenzen, gene was onbeperkt. De heer van Luss, de "laird" (heer) van Malcolm, vertegenwoordigde zijn graafschap in het huis der lords, maar met zijn jacobitiesche denkbeelden. Hij bekommerde zich weinig om de gunst van het huis van Hanover, en was daarom vrij slecht gezien bij de engelsche staatslieden, vooral ook, omdat hij bleef vasthouden aan de overleveringen zijner voorouders, en krachtig zich verzette tegen de magtsaanmatigingen van "de mannen uit het Zuiden".

Lord Edward Glenarvan was daarom toch niet bij zijn tijd ten achteren, hij had evenmin een bekrompen geest als een onontwikkeld verstand; maar terwijl hij zijn graafschap wijd openzette voor den vooruitgang, bleef bij door en door een Schot, en om den roem van Schotland ging hij met zijn snelvarende jagten mededingen in de "matches" (wedstrijden) van de Royal-Thames-Yacht-Club.

Edward Glenarvan was twee en dertig jaar; hij had een hooge gestalte, min of meer strenge gelaatstrekken, een zeer zachten blik, kortom, over zijn geheelen persoon lag het dichterlijk waas der Hooglanders. Men wist, dat hij tot vermetelheid toe dapper, ondernemend, ridderlijk, een Fergus der 19de eeuw, maar bovenal goed was, nog beter zelfs dan de heilige Martijn; want hij zou zijn geheelen mantel aan de arme Hooglanders gegeven hebben.

Lord Glenarvan was naauwelijks drie maanden gehuwd met miss Helena Tuffnel, de dochter van den grooten reiziger William Tuffnel, een der talrijke slagtoffers van de aardrijkskundige wetenschap en van den ijver voor ontdekkingen.

Miss Helena was niet van adel, maar zij was eene schotsche vrouw, hetgeen in de oogen van lord Glenarvan van meer waard was dan een edele geboorte; de heer van Luss had dit bekoorlijke, moedige, liefhebbende meisje tot levensgezellin gekozen. Hij ontmoette haar eens verlaten, een wees, bijna zonder middelen, in het huis haars vaders te Kilpatrick. Hij begreep, dat het arme meisje een wakkere vrouw zou zijn; hij huwde haar. Miss Helena was twee en twintig jaar; zij was een blonde en hare oogen waren zoo blaauw als het water der schotsche meren op een schoonen lentemorgen. Haar liefde voor haar echtgenoot was nog sterker dan haar dankbaarheid. Zij beminde hem, alsof zij de rijke erfgename en hij de verlaten wees geweest was. Haar pachters en bedienden waren allen bereid om hun leven op te offeren voor haar, die zij "Onze goede Vrouwe van Luss" noemden.

Lord Glenarvan en lady Helena leefden gelukkig op Malcolm-Castle, te midden der verhevene en woeste natuur der Hooglanden, wandelende in de duistere lanen van kastanje- en moerbezieboomen, aan de oevers van het meer, waar nog de "pibroche" (krijgsliederen) van den ouden tijd weergalmden, in die onbebouwde bergengten, waarin de geschiedenis van Schotland in eeuwenheugende puinhoopen geschreven is. Nu eens verdwaalden zij in de berken- of lorkenbosschen, of op de uitgestrekte, dorre heidevelden; dan weder beklommen zij de steile toppen van den Ben Lomond, of reden door de verlatene omstreken, terwijl zij dat dichterlijk gewest, thans nog "het vaderland van Rob Roy" genoemd, en al die vermaarde plekjes, die Walter Scott zoo heerlijk bezongen heeft, bestudeerden, begrepen en bewonderden. Wanneer des avonds of tegen den nacht "de lantaarn van Mac Farlane" aan den gezigteinder ontstoken werd, zwierven zij over den burgtrans, een oude cirkelvormige galerij, die een snoer van schietgaten om het kasteel Malcolm slingerde; peinzend, vergeten en als het ware alleen in de wereld, zittende op een losgeraakten steen, te midden van het zwijgen der natuur, onder de bleeke stralen der maan, bleven zij, terwijl de top der verduisterde bergen langzamerhand in de schaduwen van den nacht gehuld werd, verzonken in die reine geestverrukking en die hartelijke opgetogenheid, waarvan het geheim op deze aarde alleen bekend is aan minnende harten.

Zoo bragten zij de eerste maanden van hun huwelijk door. Maar lord Glenarvan vergat niet, dat zijn gade de dochter van een groot reiziger was; hij zeide bij zich zelven, dat lady Helena dezelfde wenschen als haar vader moest koesteren, en hij bedroog zich niet. De Duncan werd gebouwd; zij was bestemd om lord en lady Glenarvan naar de schoonste landen der aarde over te brengen, over de golven van de Middellandsche zee en naar de eilanden van den Archipel. Men kan wel begrijpen hoe blijde lady Helena was, toen haar echtgenoot de Duncan ter harer beschikking stelde. Bestaat er wel een grooter geluk, dan zijn liefde over te brengen naar de heerlijke streken van Griekenland, en de wittebroodsweken te slijten op de tooverachtige kusten van het Oosten?

Lord Glenarvan was intusschen naar Londen vertrokken. Maar de redding van ongelukkige schipbreukelingen was zijn doel; ook leide lady Helena meer ongeduld dan droefheid over dit kortstondig afzijn aan den dag; den volgenden morgen gaf een berigt van haar man hoop op een spoedige terugkomst; des avonds vroeg hij in een brief om uitstel; de voorstellen van lord Glenarvan stuitten op eenige moeijelijkheden; een dag later kwam er een nieuwe brief, waarin lord Glenarvan niet ontveinsde, dat hij ontevreden was over de Admiraliteit.

Nu begon lady Helena ongerust te worden. Des avonds was zij alleen in haar kamer, toen de hofmeester van het kasteel, Master Halbert, haar kwam berigten, dat een meisje en een knaap, die lord Glenarvan wilden spreken, verzochten om toegelaten te worden.

"Zijn zij uit den omtrek?" vroeg lady Helena.

"Neen, mevrouw!" antwoordde de hofmeester, "want ik ken ze niet. Zij zijn met den trein te Balloch gekomen, en vandaar tot Luss hebben zij geloopen."

"Laat hen boven komen, Halbert!" zeide lady Glenarvan.

De hofmeester ging weg. Eenige oogenblikken later werden het meisje en de knaap in de kamer van lady Helena gebragt. Zij waren broeder en zuster,-en geleken elkander sprekend. De zuster was zestien jaar. Haar lief maar eenigzins vermoeid voorkomen, haar oogen, die verrieden, dat zij menigmaal had geweend, haar onderworpen maar moedige houding, haar armoedige en toch zindelijke kleeding, maakten een gunstigen indruk. Zij hield een twaalfjarigen knaap met een manhaftig voorkomen bij de hand, die zijn zuster onder zijn bescherming scheen te nemen. En waarlijk! wie het meisje mogt beleedigen zou met den knaap te doen hebben gekregen.

De zuster stond een weinig verlegen, toen zij in de tegenwoordigheid van lady Glenarvan kwam. Deze haastte zich het woord op te vatten.

"Gij wenscht mij te spreken?" zeide zij, tevens het meisje met haar blikken aanmoedigende.

"Neen!" antwoordde de knaap op een vasten toon, "u niet, maar lord Glenarvan in persoon."

"Vergeef het hem, mevrouw!" zeide de zuster met een blik op haar broeder.

"Lord Glenarvan is niet op het kasteel," hernam lady Helena; "maar ik ben zijn vrouw, en als ik u helpen kan...."

"Zijt gij lady Glenarvan?" vroeg het meisje.

"Ja, miss!"

"De vrouw van lord Glenarvan van Malcolm-Castle, die in de Times een berigt aangaande de schipbreuk der Britannia heeft geplaatst?"

"Ja, ja!" antwoordde lady Helena driftig, "en gij?..."

"Ik ben miss Grant, mevrouw! en dat is mijn broeder."

"Miss Grant, miss Grant!" riep lady Helena, terwijl zij het meisje naar zich toe trok, hare handen vatte, en de gezonde wangen van den knaap kuste.

"Ik ben Miss Grant, mevrouw!"

"Wat weet gij van de schipbreuk mijns vaders, mevrouw?" hernam het meisje. "Leeft hij nog? Zullen wij hem ooit terugzien? Spreek, ik smeek het u!"

"Lief kind!" zeide lady Helena, "de Hemel beware mij, dat ik u in zulk een omstandigheid een onberaden antwoord zou geven; ik wil u met geen bedriegelijke hoop vleijen...."

"Spreek, mevrouw! spreek! ik ben sterk genoeg en kan alles hooren."

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "de hoop is zeer gering; maar met de hulp van den almagtigen God is het mogelijk, dat gij uw vader eens terug zult zien."

"Mijn God! mijn God!" riep miss Grant, die hare tranen niet kon bedwingen, terwijl Robert de handen van lady Glenarvan met kussen bedekte.

Toen de eerste vlaag dier droevige vreugde een weinig bedaard was, stapelde het meisje tallooze vragen opeen; lady Helena vertelde haar de geschiedenis van het document, hoe de Britannia op de kusten van Patagoni? vergaan was, hoe na de schipbreuk de kapitein en twee matrozen, de eenigen die de ramp overleefd hadden, het vaste land bereikt hadden; eindelijk hoe zij de hulp hunner medemenschen inriepen in dat document, dat in drie talen geschreven en aan de genade der golven overgegeven was.

Gedurende dit verhaal wendde Robert Grant het oog niet van lady Helena af; zijn leven hing aan hare lippen; zijn kinderlijke verbeelding schetste hem de verschrikkelijke tooneelen, waarvan zijn vader welligt het offer geweest was; hij zag hem op het dek der Britannia staan; hij volgde hem in den schoot der golven; hij klemde zich met hem aan de rotsen op de kust; hijgende kroop hij over het zand buiten het bereik der baren. Bij herhaling uitte hij eenige woorden gedurende het verhaal.

"O, vader! arme vader!" riep hij, terwijl hij zich digt aan zijn zuster drong.

Miss Grant daarentegen luisterde met gevouwen handen toe, en sprak geen woord, vóór het verhaal uit was. Toen zeide zij: "O, mevrouw! het document, het document!"

"Ik heb het niet meer, lief kind!" antwoordde lady Helena.

"Hebt gij het niet meer?"

"Neen! Lord Glenarvan heeft het naar Londen mede moeten nemen om uws vaders belang te bevorderen; maar ik heb u dezelfde inhoud woord voor woord medegedeeld, en ook hoe het ons gelukt is den zin geheel terug te vinden; onder die brokstukken van zinnen, welke de golven bijna uitgewischt hadden, zijn eenige cijfers gespaard gebleven; ongelukkig de lengte...."

"Dat is niets!" riep de knaap.

"O neen! jongeheer Robert!" antwoordde Helena, die om zijn vastberadenheid moest glimlagchen. "Zooals gij ziet, miss Grant! zijn de geringste bijzonderheden van dat document u nu even goed bekend als mij."

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje; "maar ik zou gaarne het schrift mijns vaders gezien hebben."

"Welnu! lord Glenarvan komt welligt morgen terug. Van dit onwraakbaar bewijs voorzien, heeft mijn man het aan de commissarissen der Admiraliteit willen vertoonen, ten einde te bewerken, dat er onmiddellijk een schip worde uitgezonden om kapitein Grant op te sporen."

"Is het mogelijk, mevrouw! hebt gij dat voor ons gedaan?" riep het meisje.

"Ja, lieve miss! en ik verwacht lord Glenarvan ieder oogenblik."

"Mevrouw!" sprak het meisje op een toon van ongeveinsde dankbaarheid en godsvrucht, "de Hemel zegene lord Glenarvan en u!"

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "wij verdienen geen dankbetuigingen; ieder ander zou in onze plaats hetzelfde gedaan hebben. Mogt de hoop, die ik bij u opgewekt heb, verwezenlijkt worden! Tot de terugkomst van lord Glenarvan blijft gij op het kasteel...."

"Mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik zou vreezen misbruik te maken van de toegenegenheid, die gij aan vreemden betoont...."

"Vreemden, lief kind! gij noch uw broeder zijt in dit huis vreemdelingen, en ik verlang, dat lord Glenarvan bij zijn tehuiskomst aan de kinderen van kapitein Grant zal mededeelen, wat men beproeven wil om hun vader te redden."

Een zoo hartelijk aanbod mogt niet afgeslagen worden. Men kwam dus overeen, dat miss Grant en haar broeder de terugkomst van lord Glenarvan ten zijnent zouden afwachten.

* * *

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022