Tot juist begrip van de plannen van afsluiting en droogmaking ga hier een korte beschrijving vooraf van den zeeboezem, dien wij tegenwoordig de Zuiderzee noemen.
De Noordzee-eilanden bestaan voor een groot gedeelte, enkele zelfs geheel, uit de overblijfselen van een duinrij en de onmiddellijk daaraan grenzende geest- of zandgronden. Die duinrij strekte zich eenmaal verder zeewaarts uit en was minder sterk doorbroken dan nu. Tusschen de tegenwoordige eilanden Vlieland en Terschelling kwam een groote stroom in zee, het Vlie of de Flevus der Romeinen, die Zuid–Noord loopend de uitwatering vormde van een groot meer, het meer Flevo, dat een groot gedeelte van de tegenwoordige zuidelijke kom besloeg en waarin de IJsel, de Vecht en kleinere rivieren als de Eem, de Overijselsche Vecht, enz. uitkwamen.
Het Eierlandsche Gat tusschen Eierland (nu het noordelijk deel van het eiland Texel) en Vlieland is later, na het begin der 14de eeuw ontstaan. Het Marsdiep bestond reeds in de vroege middeleeuwen als een kuststroom ten N. van Huisduinen, een vlakke zandplaat met duin. Tusschen Schellinge en Ameland kwam de Boorn in zee.
De getijden die op onze kusten gaan veroorzaken een verschil tusschen dagelijksch of gewoon laag water (L.W.) en dagelijksch of gewoon hoog water (H.W.),-d. z. de gemiddelden van alle eb- en van alle vloedstanden gedurende het laatste tienjarig tijdvak (nu 1900–1910)-, dat aan de buitenzijde van Texel ongeveer 1,25 M. en aan de buitenzijde van Ameland ongeveer 1,90 M. bedraagt. Stormvloeden kunnen echter het water der Noordzee hier op de kust ver boven H.W. opzetten, tot ong. 3,50 + A.P., stormebben het laag onder L.W. doen dalen, tot ong. –2,50 A.P.
Achter de duinen in het noordelijk deel der tegenwoordige Zuiderzee lagen uitgestrekte gronden, bestaande evenals de tegenwoordige aangrenzende gewesten Noord-Holland en Friesland, uit klei rustend op zand en, vooral meer zuidwaarts, ook op veen, dat op zijn beurt op zand ligt. Bij elken vloed drong door de genoemde riviermonden het water der zee naar binnen en overstroomde reeds lang vóór den tijd der Romeinen-want deze kenden de ?Wadden" reeds-het land ter weerszijden, aanvankelijk niet ver, doch langzamerhand al verder en verder landwaarts in, naarmate de bodem in 't algemeen een weinig daalde en de zeegaten wijder werden: daardoor ontstond de kleilaag op het zand en het veen. Door de voortdurende werking der stormvloeden bleven de zeegaten aanhoudend in vermogen toenemen; de dagelijksche vloeden drongen daardoor al dieper en dieper landwaarts in en op dezelfde punten tot steeds grootere hoogte. De bewoners t. Z. van Wieringen en t. O. van het Vlie moesten hun woonplaatsen op kunstmatig opgeworpen hoogten, terpen of wierden terugtrekken en daarna ook hunne landen door dijken, zeker reeds in de 8ste en 9de eeuw, tegen de binnendringende wateren beschermen. Achter de duinen kwam toen zooveel beweging in het water buiten die dijken, dat de lichte kleideeltjes daar niet konden blijven liggen; deze werden weggeschuurd, alleen het onderliggende zand bleef over, terwijl daarin en daarlangs steeds dieper wordende geulen werden gevormd. Nu liggen die gronden, nagenoeg geheel uit zand en in de beschermde hoeken hier en daar uit een stukje veen bestaande, er nog; voor een groot gedeelte loopen zij nog bij elk laag water als de bekende wad- of waardgronden droog.
Het aldus gevormde noordelijk gedeelte der Zuiderzee is dus in 't algemeen nog zeer ondiep, maar doorsneden met eenige diepe geulen, zooals het kaartje hierachter aanwijst; de diepste is de Texelstroom, van uit het Marsdiep N.O. waarts gaande en waarin 15 tot 30 M. water staat; ook de geul van het oude Vlie is nog, voor een groot gedeelte onder den naam van Vliestroom, over.
De zuidelijke kom der Zuiderzee werd echter op geheel andere wijze gevormd. Daar lag, zooals wij weten, eenmaal het groote meer Flevo te midden van het laagveen dat de verbinding vormde tusschen dat van Holland en Utrecht ter eene en van Friesland en Overijsel ter andere zijde.
Evenals bij andere groote plassen geschiedt, breidde het zich door de werking van den wind op de oppervlakte en afslag en verwijdering van het veen langs zijn oevers al meer en meer uit, tot aan de hooge zandgronden van het Gooi en de Veluwe, enz. en tot daar waar, zooals langs de Hollandsche en een deel der Friesche en Overijselsche kusten, aan verdere uitbreiding door den mensch, door middel van dijken en dammen, paal en perk gesteld werd.
De zuidelijke kom werd dus als het ware door de natuur uitgeveend tot op de onderliggende oude blauwe klei (katteklei), die ook in Holland en Utrecht onder het veen ligt en er den bekenden vruchtbaren bodem der droogmakerijen vormt.
Intusschen was het Vlie tusschen Enkhuizen en Stavoren, door de werking der getijden van uit het Noorden, al meer en meer verruimd, de wateren uit het noordelijk deel liepen samen met die van het zuidelijk en drongen bij elk gewoon tij hierin door tot iets t. Z. van Urk, bij hooge vloeden echter veel verder, en ruimden er mede de nog in het N.O. deel der zuidelijke kom overgebleven brokken veen op. T. W. van Urk vindt men den meest zuidelijken uitlooper der geulen van het noordelijk gedeelte, het zoogenaamde ?Val van Urk", waarin ruim 5 M. water staat. Op deze wijze werd het ?Almere" der Middeleeuwen gevormd.
In deze zuidelijke kom, waar in 't algemeen veel meer rust in het water heerscht dan in het noordelijk gedeelte, bezinken nu de kleideeltjes, die het water op onze kusten steeds bevat, althans t. Z. van het Enkhuizerzand en ook in den luwen N.O. hoek tegen Friesland en Overijsel. Die kom heeft een van de kusten naar het midden gelijkmatig dalenden bodem; uit de Z.- en O.kusten moet men ? tot 1? uur verwijderd zijn, alvorens de lijn van 2 M. diepte te bereiken; het diepste gedeelte is een strook tusschen Marken en Urk, die tot 4,5 M. diep is.
In de aldus gevormde Zuiderzee gaat dus ook eb en vloed. D. w. z. bij gewone getijen op de Noordzeekust (zonder harden wind) loopt door de zeegaten het vloedwater naar binnen tot ongeveer de lijn Enkhuizen–Ketelmond. Het water t. Z. daarvan wordt bij elken gewonen vloed als 't ware iets teruggeduwd en bij eb iets losgelaten; er is daar weinig verschil, 20 à 30 cM., tusschen L.W. en H.W. Men zou ook kunnen zeggen: de zuidelijke kom verkeert dus eigenlijk in den blijvenden toestand van hoogwater. Het verschil tusschen L.W. en H.W., dat bij den Helder nog 1,20 M. bedraagt, is te Medemblik nog slechts 0,65 M., aan de Oranjesluizen in het IJ 0,52 M., te Muiden 0,34 M. Te Harlingen is dat verschil 1,31 M., te Stavoren 0,47 M., te Elburg 0,38 M., het minst langs de zuidkust van Friesland: 0,24 M. te Lemmer.
Maar als het stormt, vooral als de storm, zooals veelal bij ons te lande uit het Z.W. begonnen, daarna W. geworden, waarbij veel water op onze kust gejaagd is, eindelijk N.W. is gedraaid, dan worden ontzettende massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee gejaagd, zoodat het water te Harlingen tot 3 M. boven A.P., te Elburg tot 3,25 M. boven dat vlak kan stijgen! Daar al het ingestroomde water door de betrekkelijke nauwe zeegaten slechts langzaam kan wegloopen, zijn de hooge standen dan veelal langdurig en hebben de dijken, vooral die waarop de wind staat, zeer veel te verduren.
Maar ook als betrekkelijk weinig of geen Noordzeewater naar binnen is gekomen, kunnen sommige kusten het erg te kwaad krijgen. De Zuiderzee is nl. ondiep, zooals wij zagen, en in ondiepe groote waterplassen kan, door de werking van den wind, het water sterk naar de een of andere zijde worden gestuwd. Dit verschijnsel van op- en afwaaiing had o. a. plaats bij den bekenden Z.W. Pinksterstorm van Mei 1860, toen het water uit het Z.W. der Zuiderzee zoo laag afwoei, dat de bodem van het IJ vóór Amsterdam droog lag, en tegelijk aan de N.O.kusten zoo hoog opwoei, dat t. Z. van den IJselmond een stand van +2,17 A.P. bereikt werd, zoodat de oppervlakte der Zuiderzee van het Z.W. naar het N.O. ruim 4 M. helde. Toch was toen betrekkelijk weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee (gem. stand +0,47 A.P.). Bij den Z.W. storm van 24 Jan, 1884, toen de gemiddelde stand der Zuiderzee slechts +0,70 A.P. was, was er een grootste hoogteverschil v.m. 5 uur tusschen de Oranjesluizen en Blankenham van 4,60 M.
Bij oostelijke winden, die vooral in het voorjaar voorkomen, komen langs de oostelijke kusten zeer lage ebbestanden voor; in 't algemeen bevat bij zulken wind de Zuiderzee het minste water.
Werk van v. Diggelen.
In 1849 verscheen van de hand den Ingenieur van 's Rijks Waterstaat B. P. G. van Diggelen te Zwolle zijn bekend werk over de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee1). De schrijver wilde de geheele Zuiderzee met de Wadden en de Lauwerszee afsluiten en droogleggen, doch zóó, dat een breede open verbinding overbleef tusschen het Marsdiep en het Vlie. Het water van den IJsel zou door breede stroombanen langs de kusten van de Zuiderzee naar de Noordzee worden geleid. Het werk bevat betrekkelijk weinig omtrent techniek en uitvoering, maar zet vooral uiteen de groote economische en andere voordeelen voor ons land, die naar schrijver's meening van de uitvoering het gevolg zouden zijn.
De groote aandacht die dit werk trok noopte de Regeering den Inspecteurs van 's Rijks Waterstaat Ferrand en Van der Kun op te dragen daarover een rapport uit te brengen. Dit is 3 Nov. 1849 uitgebracht, maar eerst in 1867 bekend geworden. Het adviseerde om eene Staatscommissie te benoemen, die zou bepalen of het plan wenschelijk was,-daarna aan den Ingenieur Van Diggelen het maken van een ontwerp op te dragen.
Op initiatief van het 1e en 2e Dijksdistrict van Overijsel werd in 1864 een request van waterschapsbesturen aan de Regeering gericht om de afsluiting en droogmaking ter hand te nemen.
Plan Beijerinck.
In 1865 vestigde de Minister Rochussen de aandacht van de Maatschappij van Grondcrediet op de Zuiderzeezaak. Deze deed daarop maken een ontwerp tot droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee door den Inspecteur van 's Rijks Waterstaat J. A. Beijerinck, dat spoedig gereed was2). Dit stelde voor een afsluiting door een dijk van Enkhuizen over Urk naar een punt t. Z. van den Ketelmond (IJsel) en droogmaking van de geheele oppervlakte daarbinnen.
Daarop werd 28 Aug. 1866 een Raad v. Waterstaat ingesteld, die had te onderzoeken of 1o de uitvoering naar de hoofdtrekken van dat plan mogelijk was; 2o of de uitvoering aan particulieren kon worden overgelaten, dan wel of uitvoering van Staatswege aan te raden was. De Raad, hoewel hij veel technische bezwaren had, nam de mogelijkheid der droogmaking aan; zeide dat geen geldelijk voordeel daarmee te behalen was, geloofde dat de noodzakelijkheid voor de uitvoering niet bestond en raadde daarom aan den Staat de onderneming af.
Gewijzigd plan Beijerinck.
De Maatschappij van Grondcrediet, die zich met deze uitspraak niet vereenigen kon, werd vervangen door een Comité Rochussen-Bosch-van Randwijck. Dit deed een gewijzigd plan Beijerinck opmaken in overleg met zijn technischen adviseur, den ingenieur T. J. Stieltjes.
Er volgde toen 4 Mei 1870 de benoeming van een Staatscommissie ter beoordeeling van het ontwerp voor het indijken, enz. van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Deze vond de zaak als onderneming niet winstgevend en medewerking van den Staat noodzakelijk3).
Het Comité vroeg toen aan de Regeering een subsidie van ?250.- per H.A., doch ontving eerst in 1873 antwoord met de mededeeling, dat het werk beter door den Staat zelven kon worden uitgevoerd.
Regeeringsontwerp 1877.
In de Troonrede van 1874 werd een plan tot droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee in het vooruitzicht gesteld. Bij de Wet van 5 Juni 1875 werden ?8000 voor eenige onderzoekingen, boringen, enz. op de Staatsbegrooting uitgetrokken en 18 April 1877 werd door het Ministerie Heemskerk het eerste wetsontwerp aangeboden ?betreffende de bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van een waterweg van Amsterdam naar de rivier de Waal".
De afsluitdijk was nog meer zuidelijk ontworpen dan in het ontwerp Beijerinck, nl. van Blokkershoek t. Z. van het Enkhuizerzand om, naar hetzelfde punt t. Z. van den Ketelmond.
De oppervlakte der droog te maken gronden was 157000 HA., waarvan 144000 HA. klei. Raming van kosten 116 millioen gulden zonder de intresten.
Het zuidelijker plaatsen van den afsluitdijk geschiedde om een groote oppervlakte zand, die men als bouwgrond van weinig of geen waarde beschouwde, buiten te sluiten,-en ter andere om den dijk op klei te kunnen leggen en niet op zand, daar in dit laatste geval volgens Prof. Harting zooveel kwelwater onder den dijk door naar binnen zou dringen, dat een voldoende afsluiting niet mogelijk zou zijn, iets wat door Stieltjes bestreden werd. Over deze kwestie volgt hieronder nog een enkel woord.
Toen in November van hetzelfde jaar het Ministerie Heemskerk was afgetreden en vervangen door een Ministerie Kappeijne, was een der eerste daden van het nieuwe Ministerie een intrekking van dit Regeeringsontwerp.
Geruimen tijd werd toen niets meer van de Zuiderzeezaak vernomen, behalve uit geschriften die, evenals vóór dien tijd, nu en dan daarover verschenen. Als merkwaardig is daarvan te noemen dat van Jhr. P. Opperdoes Alewijn4), omdat het voor 't eerst voorstelde een noordelijker afsluiting met behoud van een groot wateroppervlak daarbinnen,-welke eenvoudige oplossing tot voorloopige berging van groote massa's IJselwater bij hooge rivierstanden, zooals wij zien zullen, gevolgd is in het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie, dat als het meest gewenschte is te beschouwen.
* * *
In het jaar 1884 diende de afgevaardigde ter Tweede Kamer A. Buma een wetsontwerp in, luidende: ?Er zal een onderzoek worden ingesteld naar
a. het dichten der zeegaten en het vormen van een zoetwatermeer,
b. het droogleggen of kanaliseeren daarvan van Staatswege of door particulieren."
Dit wetsontwerp werd echter weldra door den voorsteller ingetrokken, toen hij zag dat het geen kans had om te worden aangenomen, evenals een daarna door hem ingediende motie van gelijke strekking.
Spoedig daarna echter brak het tijdperk aan in de geschiedenis der Zuiderzeezaak, waarin deze met ruimer blik werd bezien en de uitvoering van het groote werk, dat reeds zoo lang velen had beziggehouden, op degelijke wijze werd voorbereid. Toen is het standpunt ingenomen, waarop zij zich nu reeds geruimen tijd bevindt en van waar men meent nu tot de uitvoering- te kunnen overgaan.
Circulaire Buma en Van Diggelen.
In 1885 stelden nl. de Heeren A. Buma en Mr. P. J. G. van Diggelen, Lid der Prov. Staten van Overijsel, na bespreking met eenige leden der Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en der Provinciale Staten, hunne bekende circulaire op en zonden die in Augustus van dat jaar aan besturen van Provinci?n, gemeenten, waterschappen, handelslichamen en landbouwmaatschappijen, die bij het tot stand komen van een afsluiting en droogmaking het meest belang hadden.
Onder hen door wier samenspreking dit stuk was samengesteld waren geen technici en daardoor waarschijnlijk ging zij van de grondgedachte uit, dat de zeegaten moesten worden afgesloten (waaronder het Zeegat van Texel, waarin 30 à 40 M. water staat), ?ter opheffing van het Zuiderzeegevaar dat meer en meer zorgwekkend voor Nederland wordt" en dan zoo na mogelijk de geheele Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee te bedijken en droog te maken, enz.
Daarom betoogden de schrijvers dat het niet in de allereerste plaats op de drooglegging maar op de afsluiting aankwam en dat de uitvoering van het Regeeringsontwerp van 1877, dat zich bepaalde tot het afsluiten van het zuidelijk deel alleen, een groote misgreep zou geweest zijn. Maar zij meenden ook-en dit is het begin geweest van een beter oordeel over alles wat met de Zuiderzeezaak in verband staat en van een beteren grondslag waarop een plan van afsluiting en droogmaking kon worden gebouwd-, dat er nog zeer veel gegevens ontbraken en dat o. a. nog beantwoord moest worden welke gevolgen een afsluiting en droogmaking zou hebben voor de waterkeeringen, voor de afwatering der aangrenzende gewesten, voor handel-, scheepvaart- en nijverheidsbelangen. En, hoewel niet in 't bijzonder genoemd, men zou dan ook moeten kennen den bodem, niet alleen in het zuidelijk deel, maar ook in andere deelen der Zuiderzee, men zou moeten weten op welke wijze bij een afsluiting t. N. van de monden van den IJsel, het water van deze rivier zou moeten worden afgevoerd, enz. enz.
Betuiging van instemming en medewerking werd verzocht van genoemde besturen om te komen tot een grondig onderzoek.
Oprichting Zuiderzee-Vereeniging.
Als gevolg hiervan werd het volgend jaar op een bijeenkomst van afgevaardigden uit die besturen en van enkele particulieren de Zuiderzee-Vereeniging opgericht, van welker statuten Art. 2 luidde:
?Het doel der Vereeniging is het doen instellen van een volledig en grondig (technisch en financieel) onderzoek of, en zoo ja, naar de wijze waarop en de middelen waardoor eene afsluiting (mede ter voorbereiding eener later geleidelijke drooglegging) van de geheele Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee wenschelijk en uitvoerbaar is."
Dit zeker niet fraai gesteld artikel werd aldus toegelicht: ?Hoofddoel is alzoo: het onderzoek naar een betere beveiliging van Nederland tegen het zeegevaar door opheffing der vrije gemeenschap tusschen de Noord- en de Zuiderzee".
Men hield dus vast aan het denkbeeld, dat een gestadige verruiming der zeegaten een steeds grooter wordend gevaar voor de kusten der Zuiderzee meebracht. Maar van zulk een verruiming in de laatste eeuwen was geen sprake5). En reeds het begin van het onderzoek toonde aan, dat een dichting der zeegaten, vooral van het Marsdiep en het Vlie een sprong in het duister zou zijn die men niet wagen mocht.
Maar de noodzakelijkheid van een onderzoek van al de hierboven genoemde punten en nog veel meer bleef toch bestaan.
De Zuiderzee-Vereeniging, 28 Apr. 1886 geconstitueerd, verkreeg 16 Aug. d. a. v. de Kon. goedkeuring. Het Dagelijksch Bestuur werd samengesteld uit de Heeren Buma, voorzitter, van Diggelen, onder-voorzitter, Wertheim, penningmeester en van der Houven van Oordt, secretaris. De Vereeniging stelde in haar dienst de ingenieurs van der Toorn en Lely. Eerstgenoemde verzocht en verkreeg spoedig daarna ontslag en het technisch onderzoek werd sedert geheel geleid door den ingenieur C. Lely, den tegenwoordigen Minister van Waterstaat.
Nota's der Zuiderzee-Vereeniging.
Als uitkomsten van het onderzoek zijn 1887–Maart 1892 achtereenvolgens verschenen 8 technische nota's, met tal van berekeningen, graphische voorstellingen, platen en kaarten6).
In de 7e Nota gaf de Zuiderzee-Vereeniging zelve een bepaald plan van afsluiting en droogmaking. Dit plan is opgemaakt in verband met de uitkomsten van het bodemonderzoek.
Tegelijk met de laatste nota 4 Maart 1892 verscheen ook: ?Oeconomische en finantieele beschouwingen van het Dagelijksch Bestuur naar aanleiding der resultaten van het technisch onderzoek, vervat in de 8 nota's." Later, Apr. 1898, verscheen het uitgebreider werk van H. C. van der Houven van Oordt en Mr. G. Vissering, ?De Oeconomische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee", waarvan in Juni 1901 een tweede druk bezorgd werd.
Benoeming Staatscommissie 1892.
Spoedig nadat de laatste der nota's het licht had gezien, nl. 8 Sept. 1892, werd een Staatscommissie benoemd van 30 leden, deskundigen op de verschillende gebieden waarover de afsluiting en droogmaking zich uitstrekken, waaraan de beantwoording werd opgedragen van de vragen:
of eene afsluiting en eene droogmaking der Zuiderzee op een wijze als door de Zuiderzee-Vereeniging is voorgesteld, in 's Lands belang behoort te worden ondernomen, en zoo ja,
op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.
Verslag Staatscommissie 1894.
Reeds 14 Apr. 1894 werd door de Commissie haar rapport uitgebracht. De 1e vraag werd bevestigend beantwoord door 21 van de 27 leden;-de 6 leden die in ontkennenden zin antwoordden, grondden in hoofdzaak hun bezwaren op de groote finantieele verplichtingen, die het uitvoeren der geheele onderneming zal met zich brengen en op de onzekerheid van hare oeconomische uitkomsten.
De tweede vraag werd door alle leden beantwoord: door den Staat, op den voet in dit verslag vermeld.
De Staatscommissie kon zich in 't algemeen wel met het plan der Zuiderzee-Vereeniging vereenigen. Omtrent enkele punten verschilde zij met deze van inzicht of stelde zij wijzigingen voor in de uitvoering,-dit laatste vooral ten aanzien van de grootte en den vorm der droogmakerijen. De belangrijkste afwijkingen zullen hierna bij de beschrijving der onderdeelen worden meegedeeld.
* * *
Regeeringsontwerp 1901.
7 Mei 1901. Tweede Regeeringsontwerp (Min. C. Lely),-tot afsluiting der Zuiderzee en droogmaking van de Wieringermeer en den Z.W. Polder. (Naar het plan der Staatscommissie).-Na aftreden van dit Ministerie ingetrokken.
Regeeringsontwerp 1907.
4 Nov. 1907. Derde Regeeringsontwerp (Min. J. Kraus), voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer. (Naar het plan der Staatscommissie, maar verkleind met het Z.O. diepste gedeelte; verkoopbare klei- en zavelgronden 16 500 HA.). Ingetrokken door een in 1913 opgetreden Ministerie bij Brief van 11 Sept. 1913.
Regeeringsontwerp 1916.
6 Sept. 1916. Vierde Regeeringsontwerp (Min. C. Lely), tot afsluiting en droogmaking der Zuiderzee, waarbij bepaald wordt dat de afsluitdijk en de beide westelijke gedeelten eerst zullen worden uitgevoerd en de beide oostelijke zullen worden voorbereid in een geraamden tijd van 15 jaar, terwijl met deze laatstgenoemde gedeelten aangevangen zal worden op een nader bij de wet te bepalen tijdstip.
1) De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee, hare bedijking en droogmaking, besch. door B. P. G. van Diggelen.-Zwolle 1849.
2) Droogmaking van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Verzameling v. officieele bescheiden, uitg. d. d. Mij. van Grondcrediet. 's-Grav. 1868.
3) Verslag der Staatscommissie ter beoordeeling, enz. Leiden 1873.
4) Eenige bemerkingen betreffende de zoo gewichtige aangelegenheid der indijking en inpoldering van een gedeelte der Zuiderzee in verb. m. d. richting v. d. N.-Holl.–Frieschen spoorweg tusschen Amsterdam en Leeuwarden.-Amst. 1873.
5) Zie de Notulen v. d. vergadering van 9 Juni 1887 v. h. Kon. Instituut v. Ingenieurs. Voordracht van het lid Van Kerckhoff.
6) Deze nota's, als alle werken van de Zuiderzee-Vereeniging verschenen en verkrijgbaar bij de Firma voorh. E. J. Brill te Leiden, dragen alle den titel: ?Onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee" en-behalve de 6e en 8e Nota-?De afsluiting Noord-Holland–Wieringen–Friesland en de droogmaking van het gedeelte der Zuiderzee binnen die afsluiting". Zij zijn:
1e Nota. Beschouwingen over verschillende wijzen van afsluiting van de geheele Zuiderzee en over de insluiting van den IJsel.
2e Nota. De invloed der afsluiting op de waterkeering der provinci?n langs de Zuiderzee.
3e Nota. De invloed der afsluiting op de waterloozing der provinci?n langs de Zuiderzee.
4e Nota. De invloed der afsluiting op de waterverversching der provinci?n langs de Zuiderzee.
De invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee.
5e Nota. De constructie en de kosten van den afsluitdijk, de sluizen en de bijkomende werken.
M. e. Bijlage v. Dr. P. P. C. Hoek. De invloed der afsluiting en droogmaking op de visscherij in de Zuiderzee.
6e Nota. Resultaten der terreinwerkzaamheden verricht in 1889 en 1890.-1. Grondboringen, 2. Stroommetingen, 3. Diverse metingen.
7e Nota. Geologische toestand en algemeen plan van indijking.
Schetsontwerp ter indijking en droogmaking (na de afsluiting) van het Wieringermeer.
Id. van het zuidoostelijk gedeelte der Zuiderzee.
Id. van het zuidwestelijk gedeelte der Zuiderzee.
Id. van het noordoostelijk gedeelte der Zuiderzee.
Tijd van uitvoering en kosten van het geheele ontwerp tot afsluiting der Zuiderzee over Wieringen met de indijkingen binnen de afsluiting.
8e Nota. Vergelijking van verschillende ontwerpen ter afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met o. a. een Bijlage: Schetsontwerp ter partieele indijking en droogmaking der Zuiderzee zonder afsluiting.
Beschrijving.
Dit plan is in groote trekken het volgende.
Er wordt een afsluitdijk gemaakt van Van Ewijksluis (Anna-Paulownapolder) aan de Noord-Hollandsche kust tot Wieringen en van de N.O. punt van dit eiland N.O. waarts tot bij het dorpje Piaam aan de Friesche kust.
Deze plaats werd als de meest geschikte gekozen met het oog op lengte, diepte van de te snijden geulen en grootte van de oppervlakte daarbinnen.
De voorgestelde dijk snijdt tusschen het vasteland en Wieringen de geul van het Amsteldiep, die hier een grootste diepte van 11 M. beneden L.W. heeft. Tusschen Wieringen en Friesland is de gemiddelde diepte 3,60 M.; de diepste geul die hier gesneden wordt is die van de Vlieter, die ruim 6.5 M. beneden L.W. diep is.
De lengte van de beide deelen samen bedraagt 29300 M. De hoogte van de kruin zal van +5,20 A.P. bij Wieringen oploopen tot +5,60 A.P. bij de aansluiting aan den Frieschen zeedijk.
De voet van den afsluitdijk (zie het dwarsprofiel) steunt aan de buitenzijde tegen een rijzen dam, opgewerkt tot laag water, met steen bestort. Die dam wordt gelegd op een rijzen grondstuk van voldoende breedte om bij overstorting van water tegen ontgronding te beschermen. Binnen tegen den dam wordt het lichaam van den dijk opgewerkt van grond, afkomstig uit het hierna te noemen kanaal door Wieringen of-wat wel eenvoudiger en goedkooper zal zijn-van grond daar ter plaatse uit den Zuiderzeebodem genomen. Aan de binnenzijde wordt daartegenaan gebracht een breede berm, dragende een rijweg en een spoorweg voor dubbel spoor. De geheele aanleg wordt daar ongeveer 90 M. op de diepte van –4,40 A.P.
ALGEMEEN DWARSPROFIEL VAN DEN AFSLUITDIJK (Schaal 1:500.)
In verband met de aangenomen hoogte van den afsluitdijk zullen de aansluitende dijken op Wieringen, de Balgdijk langs den Anna-Paulownapolder en de Friesche zeedijk tot Zurig worden verhoogd.
Wat de wijze van uitvoering van dezen dijk betreft, men stelt zich voor eerst op het midden van het Breezand tusschen Wieringen en Piaam een eiland te maken van rijswerk en steen en dan van hieruit en van de kusten van Wieringen en Friesland uit den dijk op te werken. Daar de getijen het water hier in en uit het af te sluiten gedeelte der Zuiderzee doen stroomen, zouden in de aldus steeds nauwer wordende openingen tusschen de afgewerkte dijksgedeelten grooter en grooter wordende snelheden ontstaan, die den bodem dermate zouden aantasten dat die openingen niet te dichten zouden zijn. Daarom laat men ter weerszijden van het eiland twee ?sluitgaten", elk lang 8250 M. overblijven, die op den bodem van een rijzen grondstuk worden voorzien tegen ontgronding. In de 5e Nota der Zuiderzee-Vereeniging wordt voorgesteld in die sluitgaten dan eerst met horizontale lagen een rijzen dam tot de hoogte van L.W. aan te brengen; de snelheden waarmee het water, dat bij stormvloeden over dien dam stort, den bodem bereikt, zijn niet zoo groot, dat daardoor belangrijke verdieping te vreezen is, als die bodem met grondstukken is bekleed. Daarop en daartegen wordt dan het lichaam van den dijk opgetrokken, ook met horizontale lagen, doorgaande over de geheele lengte.
Deze bijzonderheden der uitvoering worden hier alleen meegedeeld om te doen zien, dat aan het werk van den afsluitdijk risico's verbonden zijn, wat tijd van uitvoering en kosten betreft,-veel zal van de weersgesteldheid afhangen.
Maar, zooals wij zien zullen, kunnen die risico's met het oog op de indirecte voordeelen die de afsluitdijk meebrengt, zeer goed worden geleden.
Binnen den afsluitdijk zullen vier oppervlakten worden drooggemaakt, in het Verslag der Staatscommissie minder juist ?polders" genaamd.
De Noordwestelijke Droogmakerij (Wieringermeer), gr. 21.700 HA., na aftrek van dijken, wegen, water, enz. 21.200 HA., waarvan klei- en zavelgronden 18.700 HA.
De Zuidwestelijke Droogmakerij (Hoornsche Hop), gr. 31.520 HA., na aftrek van dijken, enz. 30.800 HA., waarvan klei- en zavelgronden 27.820 HA.
De Zuidoostelijke Droogmakerij, gr. 107.760 HA., na aftrek van dijken, enz. 105.500 HA., waarvan klei- en zavelgronden 98.990 HA.
De Noordoostelijke Droogmakerij, gr. 50.850 HA., na aftrek van dijken, enz. 49.700 HA., waarvan klei- en zavelgronden 48.900 HA.
De geheele drooggemaakte oppervlakte is groot 211830 HA., na aftrek van dijken, wegen, water, enz. 207200 HA., waarvan klei- en zavelgronden 194.410 HA.
De veranderingen in vorm en grootte aan de door de Zuiderzee-Vereeniging voorgestelde droogmakerijen aangebracht betroffen in de eerste plaats de verbreeding van den waterweg tusschen de Z.W. en de Z.O. droogmakerijen van 1500 tot 5000 M. met het oog op de militaire verdediging; voorts verkleining van de Z.W. Droogmakerij aan de N. zijde en van Z.O. Droogmakerij aan den Z.W. hoek bij Muiderberg met stukken waar zand aan de oppervlakte ligt; en eindelijk vergrooting van de N.O. Droogmakerij aan de N. zijde met den langen nauw toeloopenden inham naar de Lemmer, waarin men voor de scheepvaart te sterke opwaaiing vreesde, en vermindering met een gedeelte aan de Z.O. zijde met het oog op uitwateringsbelangen en de vaart op het Zwolsche Diep.
De meerdijken, waarmee de vier droogmakerijen worden afgesloten zijn van verschillende hoogte, +2,5 tot +3,50 A.P., al naar zij blootgesteld zijn aan de meest voorkomende stormvloeden.
De bodem der droogmakerijen is ongelijk van diepte en daalt in 't algemeen geleidelijk van de kust naar buiten (Zie het Kaartje). De droogmakerijen moesten daarom in polders (door de Staatscommissie ?polderafdeelingen" genoemd) met verschillende peilen, nl. van het polderwater in de kanalen, tochten en slooten, worden verdeeld. Daarbij is aangenomen, dat de klink (ineenzakken) van deze gronden, die, als bestaande uit 1 à 2 M. klei op vasten, lang onder druk geweest zijnden zandbodem, waarschijnlijk slechts 0,5 tot 0,65 zal bedragen,-voorzichtigheidshalve op 1 M. moet worden gesteld en dat de polderpeilen 1 M. beneden de laagste terreinen zullen genomen worden. Deze peilen zijn op het Kaartje aangeduid.
Elk der polders zal een eigen bemaling krijgen.
Rekenende op de normale sterkte van 12 P.K. p. 1000 HA. per 1 M. opvoerhoogte, bovendien ? daarvan voor reserve, opmaling tot A.P., nl. 40 cM. boven het normale peil van het overblijvend afgesloten meer, en 25 cM. neerslag (daling van het polderwater) bij de gemalen, dan zal volgens het plan het gezamenlijk vermogen der stoomwerktuigen tot drooghouding, en waarmee ook de droogmaking geschiedt, 16.930 P.K. bedragen. Bij een uitvoering zal dit nog wel iets grooter genomen worden, daar men voor bouwland in den laatsten tijd nog lager peilen verlangt dan 20 jaar geleden-liefst met droge slootbodems.
De polders worden gescheiden door kaden, waarin schutsluizen op de snijpunten met de kanalen die in de droogmakerijen worden aangelegd. Daardoor is het mogelijk om eerst de ondiepste af te malen en te verkavelen (met tochten, slooten en wegen doorsnijden), daarna de volgende, enz. Op die wijze blijven groote oppervlakten niet lang dras liggen, wat zeer schadelijk zou zijn voor de gezondheid, ook in de aangrenzende oude landen.
Na de droogmaking blijft binnen den afsluitdijk een waterplas over, groot 145.000 HA., die reeds in het ontwerp van de Zuiderzee-Vereeniging zeer juist met den naam van ?IJselmeer" werd aangeduid,-niet alleen omdat daarin de IJsel uitloopt, maar ook omdat daardoor de oplossing gevonden is van een afsluiting met binnendijking van den IJselmond.
Is dat meer nl. groot genoeg, dan zal het ook bij geheel beletten afvoer en buitengewonen aanvoer van water niet zoo hoog kunnen stijgen, dat daardoor gevaar voor de aangrenzende landen ontstaat.
Berekend is, dat zoo de uitwateringssluizen van dat meer gedurende 3 etmalen achtereen gesloten moesten blijven wegens hooge buitenwaterstanden en bij een buitengewonen toevoer van den IJsel bij uiterst hooge standen en doorbraken van Rijndijken op den rechteroever in Duitschland en van de kleinere rivieren en boezems afwaterend op het IJselmeer, samen 4800 M3 in de seconde, dit meer slechts ongeveer 1 M. zou kunnen stijgen, dus bij een samenloop van omstandigheden zooals zich zelden of nooit zal voordoen.
De plaats van de vier droogmakerijen en van het IJselmeer zijn zoo gekozen, dat de vruchtbare klei- en zavelgronden grootendeels binnen de eerste vallen, de zandgronden met de diepere geulen t. Z. van den afsluitdijk den bodem van het IJselmeer vormen, zooals op het Kaartje te zien is.
Voor de afwatering en de scheepvaart wordt een peil van –0,40 A.P. op het IJselmeer noodig en wenschelijk geacht. 's Zomers kan in gewone omstandigheden, vooral om de waterverversching uit het meer, dit peil zonder bezwaar tot –0,20 A.P. worden verhoogd.
Daarnaar is dan ook het vermogen der uitwateringssluizen berekend. Voorgesteld wordt een zeer wijd kanaal door de oostpunt van Wieringen te maken, breed 1000 M. bij de daarin te maken sluizen, 1200 M. aan de buitenzijde in de dieptelijn van 5 M. tusschen de koppen der dammen en aan de binnenzijde 1500 M. bij de aansluiting aan het IJselmeer. Daarin zullen worden gemaakt 30 uitwateringssluizen, elk 10 M. wijd en met de slagdrempels 4 M. beneden het IJselmeerpeil. Daarnaast komen een groote en een kleine schutsluis.
Het spreekt echter van zelf, dat genoemd peil van –0,40 A.P. niet altijd juist kan worden gehandhaafd, daar de standen afhankelijk zijn van den aanvoer op het meer, voornamelijk van den IJsel, en van de buitenwaterstanden bij Wieringen waarop geloosd moet worden. Nagegaan is dat in zeer ongunstige omstandigheden de stand slechts zelden en weinig boven A.P. zal kunnen stijgen. Maar door den wind kan het water naar een of andere zijde worden gejaagd, zoodat tijdelijk hoogere en lagere standen kunnen voorkomen. De op- en afwaaiingen zullen echter veel geringer zijn dan nu in de open Zuiderzee, ten eerste omdat het meer kleiner is, ten andere omdat het IJselmeer uit het diepste gedeelte van de afgesloten kom bestaat.
Door de hier geschetste werken van afsluiting en droogmaking zouden afwatering en scheepvaart worden belemmerd en hier en daar geheel belet. Daarom worden nog de volgende werken voorgesteld.
Voor de vaart op Harlingen zal binnen langs den zeedijk tusschen Piaam en Harlingen een kanaal worden gegraven, gedeeltelijk door verruiming van de bestaande dijkvaart, terwijl de uitkomende grond dienen kan voor de genoemde verhooging van den zeedijk. Bij Piaam zal een haven worden aangelegd en een schutsluis ter verbinding van het kanaal met het IJselmeer.
In de Zuiderzee t. O. van Schokland, waar de scheepvaart naar en van den mond van het Zwolsche Diep zeer druk is, is nu dikwijls te weinig diepte, vooral bij oostelijke winden. De schepen wachten dan op hoog water en nemen zoo noodig niet den gewonen weg t. Z. en t. O., maar t. W. en t. N. van Schokland om, die iets dieper is of, als ook het Zwolsche Diep door den lagen waterstand onbevaarbaar is, langs den IJsel over het Katerveer door de Willemsvaart naar Zwolle. Ten deele hangt de vaart hier dus niet van den L.W.- maar van den H.W.stand af, zoodat na de afsluiting de vaardiepte hier nu en dan onvoldoende zou zijn. Daarom wordt in het plan het Zwolsche Diep verlengd tusschen twee leidammen door tot de lijn van 2.5 M. diepte t. Z. van Schokland en wel in gebogen vorm, waardoor de vaarweg beter bezeilbaar wordt.
Om de Lemmer met zijn drukke scheepvaart, gelegen aan den grooten waterweg van Holland naar Friesland en Groningen, in gemeenschap met het IJselmeer te brengen, wordt in den meerdijk van de N.O. droogmakerij t. Z. van het punt van aansluiting aan de Friesche kust een schutsluis gebouwd; daarnaast komen ook een uitwaterings- en een inlaatsluis. Van hier naar de Lemmer wordt een dijk gelegd, die genoemde droogmakerij aan de N.-zijde begrensd en daarlangs een geul gebaggerd voor de scheepvaart tusschen de Lemmer en de genoemde sluizen, met een zijtak naar Takozijl, zoodat de uitwateringssluizen te Lemmer en Takozijl kunnen vervallen. T. N. van de droogmakerij blijft dan een waterplas in open gemeenschap met Frieslands boezem; de bodem daarvan is grootendeels zand en veen: hooge dijken langs genoemde geulen worden hierdoor uitgespaard. Van de Lemmer gaat door de droogmakerij een kanaal tot bij Slijkenburg in de Linde om ook hiervan het water in het IJselmeer te brengen. Ook wordt door de droogmakerij heen een kort kanaal gemaakt voor scheepvaart en afwatering van Blokzijl tot het IJselmeer.
Voorts wordt de rivier de Eem verlengd met een breed en diep kanaal, gaande om de hooge gronden van het Gooi heen en open uitkomend in het IJselmeer bij Muiderberg, terwijl van uit de Eem een kanaal wordt gemaakt langs de tegenwoordige kust tot in den IJsel (Ketelmond), van beide door schut- en uitwateringssluizen gescheiden.
Achter de Z.W. droogmakerij is een kanaal ontworpen, uit het Noord-Hollandsch Kanaal bij Ilpendam langs de Z.O. ringvaart van de Purmer om Edam heen tot voorbij Lutje-Schardam, dan door de droogmakerij heen naar Hoorn en van hier binnendijks tot Blokkershoek aan het IJselmeer. Een schutsluis bij Lutje-Schardam scheidt het kanaal in twee panden, waarvan het eene met Schermerboezem het andere met het IJselmeer zal gemeen liggen. Een schut- en keersluis te Blokkershoek kan het laatste afsluiten bij hooge standen op het IJselmeer. Om te voorzien in de afwatering, nu eenige sluizen aan de Zuiderzee door deze droogmakerij komen te vervallen, wordt een kort zijkanaal gemaakt naar het IJselmeer t. N. van Monnikendam met een stoomgemaal tot afmaling van Schermerboezem aldaar.
Door de N.W. droogmakerij zouden de afwatering en de scheepvaart langs het Kolhornerdiep worden belet. Daarom zijn ontworpen: een kanaal uit dit diep binnenlangs den tegenwoordigen zeedijk en uitkomend met een schut- en uitwateringssluis in de Binnenhaven te Medemblik; een kanaal van de uitwateringssluis van de Wieringerwaard door den Anna-Paulownapolder heen naar de Van Ewijksvaart; een kanaal, uit het Noord-Hollandsch Kanaal binnen langs den Balgdijk van den Anna-Paulownapolder en t. Z. langs en door Wieringen, uitkomend met een schut- en uitwateringssluis in het kanaal door Wieringen.
Voorts zullen in verband met het aangenomen peil van het IJselmeer en het vervallen van de vloeden binnen de afsluiting sommige havens aan het meer worden verdiept door baggering en verlenging der havendammen.
Duur van het werk en werkplan.
Wat den duur van het werk en het werkplan betreft, de Staatscommissie meent dat de afsluitdijk in 9 jaar zal kunnen worden voltooid; in het 5e–9e jaar zullen het Zwolsche Diep en de havens kunnen worden verbeterd en het kanaal Piaam–Harlingen worden gemaakt. Daarna volgen de aanleg van de meerdijken, het droogmaken, verkavelen en drooghouden der vier droogmakerijen en in verband daarmede de aanleg der ringvaarten, zoodat de N.W. droogmakerij in het 14e, de Z.O. droogmakerij in het 21e, de Z.W. droogmakerij in het 28e en de N.O. droogmakerij in het 33e jaar gereed komen. Met dien verstande, dat de drooggemaakte gronden nog 2 à 3 jaar zullen worden drooggehouden en voorloopig bebouwd en eerst in het 3e jaar na de verkaveling zullen worden uitgegeven.
Van belang is het echter op te merken dat in de Memorie van Toelichting van het nu aanhangige wetsontwerp (1916) een ?veel kortere tijd" voor de droogmaking der vier inpolderingen als waarschijnlijk wordt aangenomen, wat vooral met het oog op de rentebesparing van groot gewicht is. Voor de uitvoering van den afsluitdijk wordt ook 9 jaar noodig geacht, maar de in het 4e jaar te beginnen N.W. Droogmakerij zou in het 12e jaar, en de in het 6e jaar aan te vangen Z.W. Droogmakerij reeds in het 15e jaar gereed kunnen zijn.7)
7) Zie voorts bij Hoofdstuk VII.