Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > De Wonderen van den Antichrist
De Wonderen van den Antichrist

De Wonderen van den Antichrist

Author: : Selma Lagerl?f
Genre: Literature
De Wonderen van den Antichrist by Selma Lagerl?f

Chapter 1 No.1

Het visioen van den keizer.

In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was.

't Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal.

Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar aangezicht afgewend.

En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe voeten geknarst.

Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.

Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.

In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.

En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al het andere droegen, dat voor het offeren noodig was.

Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons plaats greep.

Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn dan de oude sibylle.

Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar huis gevlucht zijn.

?Dat is zij," fluisterden ze, ?die zoo vele jaren telt als er zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den keizer en het rijk, zij, die haar profetie?n op de blaren der boomen schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert, die het noodig heeft?"

Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knie?n geworpen zouden hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling, en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren nacht tuurde.

Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien dat ergens ver weg geschiedde.

Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht!

Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich uitzien. En welk een stilte! welk een rust!

Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren.

Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren.

Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur hield den adem in om een nieuwen god te begroeten.

Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden, dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn genius te begroeten.

Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes waren.

Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen.

Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten, die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen?

En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden zich naast de menschen neder.

Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren.

Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif zich en verdween in de duisternis van den nacht.

Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte.

Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in den doodstillen nacht begon te trillen?

Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden.

Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende, heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht.

De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knie?n voor het leege altaar en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.

Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven.

Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis behoorden, om het wonder te verhalen.

Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop blonk als zilver in het licht der ster.

Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur.

Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende vleugels daarboven zweven.

Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels.

Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd, ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche, streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer.

Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knie?n. ?Ave Cesar," riepen zij. ?Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god, die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden."

En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet.

Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze naar het verre Oosten.

?Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind, dat op een stroobos op den grond lag.

En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind.

?Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. ?Daar is de god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden."

Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen:

?Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen."

Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen mannen, daalde langzaam van den berg en verdween.

Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem een tempel op het Kapitool op te richten.

In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli.

Chapter 2 No.2

Rome's heilig kind.

Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt en staart.

Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen.

Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou worden aangebeden.

En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist.

Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden.

Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten, en tuurden in de wereld.

Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden ze den Antichrist te ontdekken.

?Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen.

Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle heeft het gezegd. De Antichrist moet komen.

Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle.

Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van Gods woord.

Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken, werden de menschen krachteloozer en zwakker.

De monniken zeiden:

?Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus."

Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van geweld en kracht zou worden.

Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even ge?erd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver, vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde en nergens vrede te vinden was.

En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: ?De Antichrist, de Antichrist!"

En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum.

En ze zeiden: ?Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken."

Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen, en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten, waren ze mat als na een zware ziekte.

De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knie?n, zoo lang hij het beeld aanschouwde.

Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf:

?God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt aangebeden."

De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der vertroosting. ?Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. ?Wie kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knie?n. Gij zijt Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen zult op het Kapitool worden aangebeden."

Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden.

?Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. ?Uw rijk moet blijven bestaan."

En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen oogenblik rust gevonden hebben.

Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich zijn plaats in te nemen.

En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden.

Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als nooit te voren.

In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen.

Maar indien ze den ganschen moza?ekvloer in de groote basiliek met gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld, dat hun eenige troost was, niet willen afstaan.

Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden.

En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, besloot ze het beeld te stelen.

Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli.

't Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten snijden, dat volkomen daarop geleek.

't Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd.

Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk aan het heilige beeld werd.

Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen sterren-maar dat alles was van koper en glas-en zij kleedde het, zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden.

Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: ?Mijn rijk is slechts van deze wereld."

't Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen geruststellen. ?Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen vóór het Christusbeeld.

Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze bezwijmen zou.

De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om water te halen en zij bleef alleen in de kapel.

En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd.

Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en machtelooze daarvoor in de plaats gezet.

De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was.

In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk.

Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het kleine Christuskind.

Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was.

?Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, ?het is zoo gelijk aan het echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt."

Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak:

?Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij slechts kunnen!"

Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot het beeld:

?Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, en alle menschen zonken voor hem op de knie?n, en zongen en speelden voor hem.

?Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!"

En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld sprak:

?Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge aangeroepen wordt en niet kunt helpen."

Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de Antichrist gekomen was.

Maar toen men de poort opende-toen men de poort opende!

Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.

De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag hij, dat het tranen in de oogen had.

Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat had het niet moeten zien!

Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had moeten ondervinden!

De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen.

Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het beeld weer op zijn plaats te zetten.

Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar ontsnapt waren.

?Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, ?indien onze eenige troost van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?"

Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift droeg: ?Mijn rijk is slechts van deze wereld."

En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.

Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:

?Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen een groot feest vieren.

?Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken.

?God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden.

?Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.

?Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden.

?Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld van Gods Zoon behoefde te aanschouwen.

?Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade."

Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: ?Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't Kapitool naar beneden in de wereld.

Chapter 3 No.3

De Mongibello.

Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch ouders. Maar nu hadden de jezu?eten van Santa Maria in Gesu hem uit barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.

Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.

Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster wilde nemen.

Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!

Hij zou immers monnik worden.

Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het haar niets baatte hem dat te vragen?

Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar de ontvangkamer.

Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs alleroudste kaftan.

Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.

?God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem de hand.

Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!

Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet waar Diamante lag?

De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.

?Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?"

?Neen."

Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. ?De Monte Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?"

Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, nadat zij hen aan het lachen gebracht had.

?Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te zien?" vroeg ze vlug.

?Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op hun knie?n en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.

Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.

En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om het middel en dat hij tot over de knie?n in oranjebosschen trapte. En langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.

Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een echte Alagona.

En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden te rijden.

En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen beschutting kon vinden bij onweer.

Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, leemvulkanen en zwavelgroeven.-En 't zou jammer voor Gaetano zijn, indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.

Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien, als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht dat op Sicili? was tot recht te maken.

En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur nog niet uit zijn grot was gekomen.

Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.

De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.

Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.

Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, zoo te heeten.

Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.

Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog was hij niet in dat net gevangen.

Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.

En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.

Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa Agatha van Catania.

En indien de Catani?nsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.

Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het was een merkwaardige signora!

Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:

?Donna Elisa, ik wil monnik worden."-?Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts steenen, geen enkele grashalm!

Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!

Neen, nooit!

De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.

Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knie?n en op het hoofd en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.

Kon dat iets anders zijn dan de cactus?

Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?

Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft toovenaar.

De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.

Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.

De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal en moet ze!

O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.

Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.

Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.

En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.

Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets eens merken, als hij haar hand kuste?

Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het geheel niet.

Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.

En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!

Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, die juist bij de hand lag.

Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.

Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.

Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de bergen rondom geweest waren.

Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De gansche zee zag men daar.

Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar pater Jozef werd zeer ongeduldig.

?Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij heel vriendelijk.

Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.

Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.

Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen der Alagona's gebrand.

Dat zou hij toch zeker willen zien?

Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar zij zou er met hem heengaan.

Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?

O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles boven staan, zooals het stond.

Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn hoofd had gezet.

Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.

Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te vertellen, hoe zij het zelf had.

Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.

Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te snijden, want hij was artist, signor Antonelli.

En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen als hij bij haar wilde komen.

Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.

Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij het wagen haar te streelen?

Hij keek tersluiks naar pater Jozef.

Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij gewoonlijk deed.

Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.

Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, die Luca heette.

Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in den winkel kon laten helpen.

En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.

Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.

Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar gezegd:

?Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier hebben."

Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.

Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen te zijn.

En nu had zij haar verhaal ge?indigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, dat Gaetano zelf zou beslissen.

En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de laatste van zijn geslacht was.

Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot.

Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.

Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.

Pater Jozef kwam hem te hulp.

?Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano."

?De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij verklarend tot donna Elisa.

Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, maar ze had tranen in de oogen.

?Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij.

?Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en vele priesters en een groote menigte monniken.

?Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.

?Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou morgen terugkomen."

Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, maar hij kon niet.

Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.

En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar kon vertrekken!

Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.

?Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, ?niemand kan den Mongibello weerstaan."

Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.

?'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. ?De Mongibello is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem te lokken."

Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.

?'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. ?Hij zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen naar den hemel."

Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet.

?Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei pater Jozef. ?Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of gij hem behouden kunt."

Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022