Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware herleefde, had in één opzicht althans zijne voordeelige zijde. Het scheen den prins van Oranje, het scheen de hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die als van zelve sprak, dat door die herleving ook het grondgebied der Vereenigde Nederlanden weder het eigendom werd van den opgestanen Staat. Niet alleen, dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór de inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had behoord.
Ook zoodra een gedeelte van het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied van de fransche overheersching was bevrijd geworden, werd dit bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde Nederlanden vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had bij dat tractaat de departementen van Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en het land van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze had het kwartier Breda ingedeeld bij het departement der Beide Nethen en van de overige landen de departementen der monden van de Schelde en der monden van den Rijn gemaakt. En hoewel nu de Franschen dit alles op verre na nog niet hadden verlaten-men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814 bevrijd-werden toch die landen reeds toen verklaard, ?evenals van ouds" uit te maken een deel van den Staat der Vereenigde Nederlanden en onder het bestuur daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid, dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige twijfel konde bestaan. En wanneer de prins vooreerst met stilzwijgen den toestand dier landen voorbijging, die reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk waren vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en hetgeen daarbij behoorde, wanneer hij daarover zweeg, zoo meen ik de oorzaak daarvan niet zoo zeer te moeten zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot de Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel daarin, dat zoowel het een als het ander nog geheel in de handen des vijands was.
Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen hij reeds den 28sten November 18134) aan Hendrik Fagel, den vertrouwde van den prins te Londen, en dus nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als zijne meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de dadelijke en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloni?n in de drie werelddeelen verwachtte, koloni?n, waarvan Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den Mei 1802 te Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was afgestaan, terwijl de overige koloni?n sedert door dat rijk veroverd waren in den oorlog tegen ons gevoerd. Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende, vond het blijkens zijn antwoord van 1 December 18135) wat voorbarig, toen reeds bij Engeland op de vervulling van dien wensch aan te dringen. Holland moest eerst geheel en al zelfstandig zijn, voordat men over die teruggaaf kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen, die koloni?n, in plaats van aan het bevriende en geallieerde Holland, aan het vijandige Frankrijk terug te geven. Wanneer dit gevaar echter voorbij was, dan, meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich tot wederzijdsche tevredenheid schikken.
Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent beschouwde als van zelf te spreken, ook door de geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd. Was het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der revolutie uit te wisschen, die hunne gedragslijn bepaalde? Ik zoude het niet durven beweren. Zij waren-evenals Napoleon-zeer afkeerig van zelfregeering en volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van 1789 vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon, weinig eerbied voor de zelfstandigheid der volken, en waren in zoover navolgers der revolutie en der Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in strijd zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd met Piemont vereenigd; aan Veneti? door Oostenrijk ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke en wereldlijke potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche omwenteling waren te niet gegaan en het feest der opstanding niet mede zouden vieren; aan Belgi?, dat tegen zijn zin zoude dienen ter vergrooting van Noord-Nederland. Maar men denke bovenal aan de verdeeling van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde mogendheden begonnen en in den revolutietijd voortgezet, tot eene zekere hoogte het voorbeeld en de verontschuldiging tevens van de uitspattingen van Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets komen. Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de geallieerden geene tegenspraak ondervond? Was het de verwantschap van het huis van Oranje met het pruisische koningshuis, die eenig gewicht in de schaal legde? Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die (het gold de wederinbezitneming van landen op den rechteroever der Maas) den terugkeer der Vereenigde Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als boven alle bedenking verheven beschouwde6). Was het de omstandigheid dat er nog vóór de komst der geallieerden in het hart des lands, aldaar eene poging tot zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten? Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van beschouwing der oppermachtige geallieerden. Maar bovenal was het Engeland, dat de herleving der Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der herleving der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en uitgebreid. Het zoude voor Engeland zijn eene brug naar het vasteland; het zoude beletten, dat de geheele kust van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam van eene der machtige continentale mogendheden. Het zoude een voormuur zijn tegen het altijd nog gevreesde Frankrijk. Dit waren de redenen waarom de geallieerden in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of Veneti? deed. Het was ook in de oogen van den engelschen minister van buitenlandsche zaken, lord Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had, iets wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot zijnen vroegeren toestand7). Deze wijze van beschouwing, van den aanvang gehuldigd, heeft dan ook gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814 over de teruggaaf der koloni?n met Engeland gesloten.
Wij keerden dus terug in het bezit van het grondgebied der Vereenigde Nederlanden. Wij zouden niet meer afhankelijk zijn van een buitenlandsche mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland zoude zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de vlag der Nederlanden weder op alle zee?n gezien worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan Melchior Kemper8). Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is het slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen den blik vestigt op de onafhankelijkheid, op de vernietiging der vreemde overheersching. Het land kan in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche volk nu een vrij volk zijn, met het oog op de binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude moeten worden beantwoord door hen, die geroepen werden het gebouw te stichten, waarin de nederlandsche maatschappij zoude wonen. Het antwoord op die vraag zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten gegeven worden.
* * *
Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland, ten opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het mogelijk, en wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan Tellegen in het bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen, bij acte gepasseerd tusschen den minister Lord Grenville en den voortvluchtigen Willem V, 2 Febr. 1795, de Nederlandsche koloni?n in bewaar te nemen: ?S. M. Britannique," luidt dit stuk9), ?ayant fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de donner aux commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux appartenans à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous la protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la République se trouve par l'occupation de la province de Hollande par une force ennemie, S. M. s'engage de la manière la plus formelle qu'Elle ne tiendra qu'en dép?t tout vaisseau, forteresse ou place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en conséquence du dit ordre, et qu'Elle le restituera à la République des Provinces-Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en paix avec le France, et que l'indépendance de la République et sa constitution légitime garantie par S. M. en 1788 seront assurées."
Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche gezaghebbers, gedagteekend Kew 7 Febr. 179510), voorzien, vertoonden zich de Engelschen in den loop van den oorlog die met den vrede van Amiens eindigde, voor de meeste Nederlandsche koloni?n en bezittingen, welke echter over het geheel zich niet onmiddellijk, ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming hebben gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op Suriname werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname gelukte11). In het geheel gingen over de Kaap, Ceilon, de nederzettingen op de kusten van Coromandel en Malabaar, in Bengalen, op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda, Berbice, Essequebo, Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Cura?ao (eerst in 1800). Behouden bleven dus alleen Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate, het kantoor op Desima en de Goudkust.
Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er twee die Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins mogelijk voor goed wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland door de veroveringen van Clive en Warren Hastings hoofdmacht in Voor-Indi? was geworden in plaats van Frankrijk, moest het ook het aanloopstation op den weg naar Indi? in zijn bezit wenschen, terwijl Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene bedreiging voor Engelands positie in Indi? worden kon. De oorlog van 1781 had bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de Kaap en Ceilon niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide Nederlandsche koloni?n gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken maritiemen aanval op Britsch-Indi? kunnen ondernemen.
Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland waren overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke schending van het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al werd het huis van Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond de verleiding het huis van Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in ruil voor die opoffering bereid bleek, de Kaap en Ceilon in handen van Engeland te laten.
Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der Franschen uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en Pruisen gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt hopelooze zaak, doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5 April 1795) en zelfs bij geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis van Oranje, in ruil voor den van dit huis te verkrijgen ?afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap", eene schadeloosstelling in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor zichzelve) besprak12), werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord Malmesbury de erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de door Engeland in bezit genomen koloni?n terugbekomen zou, met uitzondering van de Kaap en Ceilon; Oranje zou eene schadeloosstelling ontvangen op het vasteland13).
De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in 1798 zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie van het huis van Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op Pruisen niet te rekenen is, richt het zich tot Rusland, en het overleg omvat niet alleen het lot van Nederland maar ook dat van Belgi?, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks verlies Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene vergoeding had aangenomen (Veneti?). Oostenrijk wenschte Belgi?, dat het steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval terug; ook toen het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen Frankrijk voorbereidde, had het op bevestiging en uitbreiding van zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van Belgi?, het oog. Voor Belgi? moest dus eene andere oplossing gevonden worden. Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende mededeeling: ?As the Netherlands14) cannot probably under all the circumstances which have occurred be replaced under the dominion of Austria, it will be an object to be considered what plan will be most effectual to provide for the defence of this highly important barrier against the future encroachment of France. None has here occurred which is thought equally effectual and practicable as the uniting those provinces to the Dutch Republic under the administration of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted to the maintenance of their respective civil and religious constitutions"15).-In antwoord hierop liet Paul I mededeelen: ?Nous envisageons comme une acquisition grande et utile pour toutes les puissances bien-intentionnées, si les ci-devant Pays-Bas autrichiens puissent être arrachés à la France et joints à la Hollande"16).
Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van Belgi? werd toen ook buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd onmiddellijk vóór het optreden van Napoleon. De overtuiging was algemeen dat de Revolutie in Frankrijk op haar laatste beenen liep en dat het tijd werd zich te verstaan omtrent de nieuwe orde, na haar nederlaag aan de Europeesche statengemeenschap te geven. Fransche publicisten uit de liberale school, lieden van de kleur der meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land verdreven door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend orgaan, Le Spectateur du Nord, met voorslagen tot het Europeesch publiek die ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil voor stevige waarborgen tegen een nieuw militair overwicht van Frankrijk in Europa, de binnenlandsche zaken van dat land aan de liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig herstel van het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van Duitschland en van het geheele Noorden, en geven als middel tot verbetering de vereeniging der zeventien Nederlandsche gewesten onder het huis van Oranje aan de hand. In twee geschriften van een publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (L'Antidote au Congrès de Rastadt, 1798, en La Prusse et sa neutralité, 1799) is dit denkbeeld vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van het opperbestuur komt de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de monarchale kan zijn: ?Pour compléter l'union des deux pays," schrijft hij, ?pour leur donner toute la vigueur dont ils sont susceptibles, il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut mieux les réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on se garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de Brabant à Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir ainsi l'autorité en multipliant les titres. Il serait impossible de gouverner utilement et solidement les deux peuples, en le faisant à tant de titres et sous des dénominations diverses. Leur nouveau souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de ce mot"17).
Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van innigheid der vereeniging van Holland en Belgi? eene meening verkondigen waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden. Lord Grenville stelt zich in 1799 slechts ?some federal compact" tusschen beide landen voor18), en daar de militaire operati?n der Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot Noord-Nederland zullen beperken, houden de instructi?n, die hij 26 Sept. 1799 aan zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den herstelden Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema voor het redres der Noord-Nederlandsche zaken in;-een schema, nagenoeg geheel overgenomen uit een in Juli 1799 door den gewezen griffier der Staten-Generaal, Hendrik Fagel, aan de Engelsche regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime schaal, van bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag van vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene lasten), meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming; vervanging der admiraliteiten door één departement van marine; een Hooggerechtshof der Unie. Op een dergelijke constitutie is Engeland bereid zijn zegen te geven door teruggave, bij den algemeenen vrede, van de Koloni?n.... op de Kaap, Ceilon en Cochin na19).
Toen deze instructi?n gegeven werden was het de Engelsche regeering bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was opgegaan. De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en de minister van buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer gaarne van de Franschen zijn verlost geweest, mits men tegelijk de hoofdresultaten der revolutie bevestigd kon zien, die voor Nederland bestonden in de opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegi?n door ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als de Engelschen aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede neutraal zou mogen worden verklaard; en men heeft de poging gewaagd, voor dit denkbeeld den steun te verwerven van Pruisen. Als de afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk, in het kabinet van den minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle hoop ontnomen dat Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij zij berusten in het herstel van het huis van Oranje. ?Ik antwoordde dat hieraan niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde van zaken. Wat ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een gesprek van bijkans twee uren eindigde hij met te zeggen dat men tenminste aan den Erfprins moest....," en de Vos ontwerpt dan eene constitutie voor de Bataafsche Republiek met den Erfprins als hoofd van het uitvoerend bewind ?onder een anderen titel als dien van Stadhouder;" de politieke verklaringen als grondslag van het stemrecht zal men laten vervallen, en het recht om in de grondvergadering te verschijnen aan geldbezit binden; eene constitutie der beati possidentes dus, met een oranjewimpel in top20). De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was voorgekomen.
Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap aan den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in Noord-Holland stond: ?de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan, wanneer men de hoop konde hebben, dat niet zoozeer de oude constitutie wederom zoude worden ingevoerd, maar de principes bijbehouden van eenheid der Republiek en van eene behoorlijke representatie, met de uitvoerende magt in amplissima forma aan het huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde gelegd worden"21). Lord Grenville kende deze boodschap, toen hij zijne instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich niettemin tot de door Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met handhaving van den bondgenootschappelijken regeeringsvorm22). ?You will not fail to remark", voegt hij in een begeleidend schrijven aan zijn broeder toe, ?that in the communication made through M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the keeping up a representative body adapted to that state of things, are strongly insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline towards a different arrangement, and to think that a nearer adherence to the ancient form of government would be more conducive to the happiness of that country, are founded principally in an opinion that such is probably the wish of the best and soundest part of the United Provinces".
De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog. Het Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen te helpen. Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die versterking op versterking zonden en allen voortgang der gelande troepen weldra konden beletten en hen eindelijk naar hunne schepen terugdrijven; maar ook, omdat men van de overwinning der coalitie een staatkundigen teruggang vreesde, die in Nederland zeer weinig voorstanders had.
Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit hunne boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer blijkt het uit vele politieke stukken, in deze jaren door welmeenende plannenmakers uit de oude oranjepartij opgesteld. De grondtoon is, dat de zaak gevonden moet worden bij compromis met de gematigde patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een uitkomst voor, die minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van vóór 1795 afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij hebben zal, zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt opgedrongen, in plaats van door deze ingeroepen23).
Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt in Frankrijk de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle speculati?n op den naderenden ondergang der Revolutie een spoedig einde maakt. Europa richt zich op den nieuwen toestand in, waartoe de blijvende verwijdering van het huis van Oranje uit Nederland behoort. Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent Oostenrijk de Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802) Engeland, dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt, alleen Ceilon mag behouden.
Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar een tusschen de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling, welke 23 Mei 1802 tot stand kwam.24) Om zich de goede gunsten van Napoleon te verwerven van wien in dezen alles afhing, had de Erfprins niet geschroomd de reis naar Parijs te ondernemen. De oude Prins liet die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is geheel onjuist, zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald wordt, dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt eer hij in het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel degelijk onderteekend25); maar hij heeft geweigerd de regeering in de hem afgestane landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn zoon, die zich voortaan betitelt als vorst van Oranje-Fulda. Willem V bepaalde er zich toe, de regeering te voeren in zijn Dillenburgsche erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806, nog voor korte maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.
Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801–1804 in eene bijzonder scheeve positie. Het hing voor de territoriale schadeloosstelling af van de genade van den Eersten Consul; voor andere regelingen van Engeland en van de Bataafsche Republiek. De vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de Engelschen, maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de teruggave dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen. Zij werd door de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000. De Prins weigerde standvastig die som aan te nemen in de omschrijving waaronder zij hem werd aangeboden: als prijs van schepen die nimmer aan zijn persoon, maar aan den Staat hadden behoord. Engeland wilde er gaarne iets anders op vinden: het zocht een middel om het huis van Oranje als een en cas te behouden voor het mogelijk geval van hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade der continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer de eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn opgevolgd, gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men nu niet langer van de schepen die men zonder meer behield, maar stelde aan de Prinses van Oranje (die nog eenigen tijd in Engeland was gebleven na het vertrek van haar gemaal naar het vasteland) een som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de behoeften van het Oranjehuis, en kende aan dat huis, ?gedurende het believen van Zijne Majesteit", een jaargeld toe van £ 16.00026). De bewoordingen waren zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het jaargeld na den dood van zijn vader.
Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze had, bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk als veroverd goed beschouwde domeinen van het huis verkregen titulo oneroso, en was dus zeer weinig geneigd nogmaals de beurs te openen om ze aan Oranje te betalen. Toen nu art. 18 van den vrede van Amiens het huis eene schadevergoeding toezeide voor de verliezen geleden ?zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van de verandering van constitutie", verklaarde de Bataafsche gezant Schimmelpenninck zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek door Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel voortvloeiende; en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend op den dag der totstandkoming van het traktaat, gaf Frankrijk de verlangde toestemming. Aan het huis van Oranje werd dan nu beduid dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel van het verlies van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren te beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het huis van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze waren nimmer verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding der rente; zij konden dus niet onder de verliezen worden gerekend, waarvoor vergoeding uitgekeerd was krachtens art. 18 van het verdrag van Amiens. In het najaar van 1802 werd door den Prins getracht, eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op gang te brengen betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek echter was zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland feitelijk aan den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij nimmer hadden behoord; bovendien brak spoedig na den aanvang der onderhandeling de oorlog met Engeland weder uit, en was hunne kas weldra berooider dan ooit, terwijl Bonaparte meende dat zij hun geld liever aan de marine dan aan een afkomst met Oranje, thans pensioentrekker van Engeland, moesten besteden. Ondervindende dat de zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in het begin van 1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te verdeelen tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag, Sémonville, de belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het ultimatum van den Prins aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei 1802 af, en verrekening van alle andere wederzijdsche pretensi?n met een saldo van 5 millioen ten voordeele van het huis. Onder pressie van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het Staatsbewind nu eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den Keizer; toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het reeds gesloten tractaat27), en van de gansche afrekening is nooit iets gekomen. Het huis van Oranje behield zijn aanspraken, maar is niet meer in het geval gekomen ze te kunnen verzilveren.
Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de naburige Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te huldigen en hunne particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De vorsten van Oranje-Dillenburg en van Oranje-Fulda ontbraken op het appèl: bij de schamelheid hunner territoriale inkomsten en na de mislukking der Bataafsche onderhandeling was het Engelsche jaargeld het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel hunner inkomsten geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij deze gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus Nassau te Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een nieuwen voetval van den Erfprins in de Tuilerie?n verlangde, en toen deze uitbleef werd hij van de lijst der candidaten voor het Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats meer dan in de voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen maakte Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806) het jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814 genoten.
Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen, zag hij de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den vrede van Tilsit (9 Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis en hof, een werkzaam deelnemer aan allerlei anti-Napoleontische plannen. Koortsachtig bovenal is zijne werkzaamheid in het jaar 1809 geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen tot aansluiting aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging van een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een verandering van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen! Zoo weinig had men er aan gedacht, gebruik te maken van de betrekkingen, die hij in Nederland mocht hebben onderhouden.
Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van een Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen Antwerpen, van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou gebleken zijn hoe weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in Nederland had overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel na, had ieder zijn vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij kon. Oranje zelf had daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van Oranienstein (26 Dec. 1801) de oude Prins, op aandrang van Pruisen en den Erfprins, die daardoor de indemniteitsvooruitzichten van het huis hoopten te verbeteren, aan zijn aanhangers had doen weten dat hij het niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een ambt aannam onder de nieuwe staatsregeling van 1801. In de regeeringslichamen van dien tijd hadden dan ook tal van oranjelieden zitting genomen, en er zich leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral toen de dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in massa tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van Lodewijk Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen dan ook in Mei 1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van Dijk geheeten, naar Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn als Engeland zijn beloofde landing in Noordduitschland ondernam, kwam deze met een zeer karakteristiek rapport terug. Hij was geadresseerd geweest aan Bentinck van Buckhorst, op wiens landgoed bij Zwolle hij den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar Bentinck had hem aanstonds onderricht, ?dat aangezien de omstandigheden zoo volkomen veranderd waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke voorheen de wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk, zeer toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren aan niemand eenige directe ouvertures doen konde." Van Dijk werd dus door hem verwezen naar ?zijn (van Dijk's) eigen kennissen en vrienden", die hij dan ook persoonlijk opzocht te Amsterdam, Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij ?weldenkende en ijverige voorstanders der oude constitutie" aantrof, die ?niets hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen medewerken," maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, ?voor en aleer het gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam konden toonen. Dan daar de Engelsche expeditie ondernomen is geworden zonder dat men eigenlijk het ware oogmerk daarvan kende en voor zoover mij bewust is zonder voorkennis van Uwe Hoogheid, zoo heeft men aan niemand eenig teeken kunnen geven...."28)
Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om de relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had gezonden maar overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche regeering was gebleven-trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen Engeland en het vasteland, waar de Prins om de familiebetrekkingen zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was sedert de inlijving van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk hoogst bezwaarlijk geworden-de Prins begeeft zich in het voorjaar van 1813, op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van Rusland en van Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet verwachtte en met zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er het huis van Oranje natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was geenszins gereed, vaste bedingen omtrent de toekomst van dat huis aan te gaan.
In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloni?n meester gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden waren gebleven, met de enkele uitzonderingen van het kantoor op Desima en van de nederzettingen op de Goudkust, op welke beide plaatsen, daar ook de Franschen er zich nimmer hebben vertoond, de Nederlandsche vlag geen oogenblik is neergehaald. De voorwaardelijke belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon thans door Oranje bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers zoowel Engeland als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de Bataafsche Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in 1795 op den voorgrond gestelde begrip der ?onwettigheid" van dat lichaam in de practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was door de teruggave der koloni?n aan de Bataafsche Republiek veranderd; op haar of het in hare rechten tredend Frankrijk waren zij sedert 1803 opnieuw veroverd als op een gewonen vijand, zonder dat ooit daarbij aan iemand de geringste toezegging van voorwaardelijke teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden voet, waren de koloni?n van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands handen gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te verkrijgen die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou blijkbaar moeten zijn de vrijwillige voorwaardelijke teruggave der veroverde koloni?n, op voorwaarden door Engeland te stellen, en voor zoover het behoud dier veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht voor de welvaart van Engeland zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799 zeer goed wist, zou Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland zich van eenige koloni?n ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen, wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om zich tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk binnen de grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de prijs voor een bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en Oostende te verrichten. Of het evenwel mogelijk zou zijn Belgi? in zijn geheel of ten deele aan Nederland te brengen, moest van het succes der coalitiewapenen afhangen, en zelfs niet alleen van het succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers of Oostenrijk ook thans van Belgi? af zou willen zien, zou er van afhangen welk land beschikbaar kwam in Itali?. Van de vraag of zij alleen voor Nederland zou behoeven te dienen dan ook voor Belgi?, hing in Engelands oogen weder eenigermate af welke vorm aan de nieuwe Nederlandsche regeering ware te geven. Nimmer zou Engeland zich van iets ontblooten eer op al deze vragen een beslist antwoord te geven was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen verscheen, nog in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh (wier gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der Staten-Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:
?Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point on croirait utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne constitution stadhoudérienne, ou bien d'y substituer un autre système de gouvernement qui conciliat le v?u de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation;
jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une extension de ses frontières (par une sorte de nouvelle Barrière plus efficace que l'ancienne), soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République, une consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à la tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation de territoire (si elle avait lieu) devrait influer sur la constitution à donner à ce nouvel Etat;
enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des colonies hollandaises dont elle a fait la conquête pendant la guerre."29)
* * *
Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.
Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt, geen voorkeur hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het koningschap aan den dag. Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl gedaan: daarin had in de plaats der boven cursief gedrukte woorden gestaan: ?ou bien d'y substituer un système de gouvernement plus analogue et pour le fond et pour la forme aux circonstances et aux besoins impérieux de l'époque présente, aux secousses que l'Europe entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui p?t concilier le v?u", enz. De Prins had deze woorden geschrapt en door de kleurloozer redactie vervangen. ?D'avoir l'air de solliciter la royauté", had zijn moeder hem nog vóór het vertrek op het hart gebonden, ?c'est ce que je ne conseillerais jamais";-maar aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: ?si par un mouvement spontané on vous appelle au tr?ne, je suppose que vous ne vous refuserez pas".30) De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging van naar de souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis van Oranje steeds met energie teruggewezen; dat het volk zelf de omstandigheden nu geheel veranderd achtte, mocht worden vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh eerst zien blijken.-?The omission proposed by the Prince", oordeelt na het lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het huis uit de dagen van 1787) ?is certainly a proper one as far as he is personally concerned, but the sentiment contained in it, highly important as to the general arrangement".31) Zoo heeft Fagel het in November begrepen en in dezen zin onmiddellijk aan Hogendorp geschreven32), met volle instemming, toen, van den zich in April op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.
Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken voorkeur van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden, maar naar de aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied, zooals spoedig zou blijken;-en uit de slotwoorden is voor den goeden verstaander te lezen dat voor zulk een vergrooten en met een militaire functie ten dienste van Europa belasten staat de monarchale regeeringsvorm aangewezen schijnt.
Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep op Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795, als thans niet langer toepasselijk.
* * *
Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins en Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten der Engelsche regeering open, dat wij het hier tekstueel mededeelen33):
?Lord Castlereagh commen?a par observer que la délivrance de la Hollande, son entière séparation d'avec la France, et le rétablissement de la maison d'Orange en Hollande, étaient des objets qui seraient toujours regardés par ce pays-ci comme étant pour lui d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue à opposer par ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était pendant si longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte d'habitude; que par conséquent on serait certainement très disposé ici à concourir à atteindre ce but pour autant que les moyens de ce pays pouvaient le permettre; mais que, pour le moment, on croyait consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en différant de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se f?t concerté avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh communiquerait sans délai à ceux-ci et nommément à l'Empereur de Russie34) les ouvertures faites par le Prince, et que dès qu'on aurait re?u la réponse, on aurait avec S. A. S. des communications ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à conna?tre aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait nécessaire que le Prince d'Orange attend?t ici35) cette réponse et la communication ministérielle qui pourrait en être la suite.
Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à quelques-uns des points touchés par le Prince dans son entretien du 27 avril, Lord Castlereagh remarqua que l'Angleterre (le moment opportun étant arrivé) serait certainement toujours disposée à concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui résister; que sous ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à donner à la Hollande une frontière plus forte et plus compacte, mais que l'accomplissement de cet object devait naturellement dépendre de circonstances qu'il n'était pas encore possible de prévoir, bien moins de diriger;
que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels à faire à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler les imperfections, et que tout ce qui pouvait tendre à donner à la Hollande et à son gouvernement plus de force, de solidité et de consistance que par le passé était a désirer, surtout si ce changement pouvait s'opérer de gré et conformément au v?u de la nation;36)
qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince avait mis en avant relativement aux colonies, et que quoique s?rement S. A. S. Elle-même ne s'attend?t pas que ce pays-ci put vouloir se dessaisir de toutes37) celles qui avaient autrefois appartenu à la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait naturellement (indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de moyens de résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer à celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se rapprocherait de l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer les anciennes relations avec elle"38).
* * *
Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden voegt eenige toelichting.
Nommément à l'Empereur de Russie. Overleg tusschen Engeland en Rusland omtrent het lot van Nederland en Belgi? was geene zaak van gisteren; zie hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het denkbeeld der vereeniging van die twee landen goedgekeurd, en had ook in 1805 toegestemd dat het in de groote Engelsch-Russische alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een bijzonder artikel van dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: ?Les hautes parties contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent concert de procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les circonstances, des arrondissemens convenables, tels que les ci-devant Pays-Bas autrichiens en tout ou en partie à la première, l'Etat de Genève ou la Savoie à la seconde"39). Austerlitz had de verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland verwijderde zich van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een vredesverdrag tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze gelegenheid was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming door Engeland eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij Amsterdamsche bankiers had aangegaan;-een eisch toen door Engeland afgewezen, maar waarop Rusland zich voornam te gelegener tijd terug te komen. Sedert 28 Febr. 1813 was ook Pruisen met Rusland verbonden, en 3 Maart 1813 sloot Engeland met Zweden een verdrag, waarbij Bernadotte zich verplichtte de operati?n der Russen in Duitschland te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch subsidie, van de verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken toebehoorende Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde eiland Guadeloupe.
Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April tusschen den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen verliep de oorlog in Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten niet zeer fortuinlijk; eerst toen Rusland en Pruisen zich bij verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche subsidi?n tot volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij dépêche aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan de onafhankelijkheid van Nederland40) deel uitmaakt, en, in zeer voorzichtige bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om tot verwezenlijking der programpunten door teruggave van koloni?n mede te werken41).
Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den afval van Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder de grondslagen van den Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan Metternich voorgesteld ?la séparation de la Hollande de la France", een punt vervolgens overgenomen in het door Oostenrijk aan Napoleon gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren de vier groote mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van het grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel open. Voor de beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk af, dat zich wel 12 Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen nog niet gereed was tot eene bespreking van het Belgische vraagstuk. Eerst toen de slag van Leipzig beslist had dat meer land beschikbaar zou komen dan men in het begin van 1813 had durven hopen, achtte Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen betreffende Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis gaf42). ?If things", heet het daarin, ?can be restored on the side of the Low Countries to a state, similar to that in which they stood at that period, when one of the great military Powers of Germany was interposed as a protection between France and Holland, the British Government will not feel it necessary to press for any departure from the ancient arrangement of limits; but if the course of events should be such as to render this highly desired object unattainable, and the frontier of France should still remain in contact with that of Holland, they feel it essential that Antwerp, with such other extension of territory as may be necessary to give to the United Provinces an adequate military frontier, should be assigned to Holland... The immediate object of this Memorandum is to point to the active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland. Whenever matters may be ripe for entering more fully upon its future settlement, the British Government will be prepared to recur to those principles laid down in a despatch to Lord Cathcart of July 5th43) with respect to the colonies conquered from Holland since 180344) with a sincere disposition on their part, liberally to strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe can be rendered secure by adequate arrangements against the Power of France."
Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en Belgi? door de Engelsche politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel in absoluten zin, maar alleen voor zoover de herplaatsing van een der beide groote militaire mogendheden van Duitschland in eerste linie tegen Frankrijk onbereikbaar mocht blijken. Aan Oostenrijk èn Belgi? èn Noord-Itali? te bezorgen was buiten kwestie, en als de keus tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Itali? kiezen. Omgekeerd zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van Belgi? aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland een ge?venredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen weder op moest komen, dat zich juist tot eene compacte macht in Midden-Duitschland hoopte te kunnen uitbreiden, en aan de verwerving van een land als Saksen boven het occupeeren van den gevaarlijken wachtpost in Belgi? ver de voorkeur gaf. Ook in 1798 waren het deze overwegingen alleen die Engeland het plan tot de vereeniging hadden doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van Oostenrijk's verwerving van Veneti? bij den vrede van Campo Formio45).
Wat de koloni?n betreft wordt door de hier gebruikte formule al dadelijk van de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde maar bij den vrede van 1802 in Engelands handen verbleven Ceilon. Ziehier een eerste verduidelijking van het ?pas toutes" van Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813. Andere verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met Castlereagh te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de koloni?n eerst volgen zouden nadat en naarmate Nederland op het vasteland versterkt kon worden tegen Frankrijk, en dus was eerst die versterking aan de orde-tusschen Engeland en de bondgenooten. Wèl werd den Prins vergund zijn eigen denkbeelden omtrent die versterking aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed het onmiddellijk na het verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit dit niet door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij vraagt niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche Nederlanden met Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt tusschen Maas, Rijn en Moezel, en dit alles moet met de oude Republiek tot een ondeelbaren staat worden gevormd46). Lord Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een andere meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor het geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld boven dat van ineensmelting van Holland en Belgi? overwegen, ?I find", schrijft hij 30 Nov. aan zijn den Prins naar Holland vergezellenden gezant Lord Clancarty, ?I find Lord Malmesbury47) thinks an arrangement in extension of Holland preferable to giving the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold it. Turn your mind to the Barrier Question48). I consider Antwerp and all Holland held before 1792 indispensable. The frontier must then embrace at least Malines, Maestricht, Juliers and so to the Rhine at Cologne or Dusseldorf."49) En Repelaer, eenige dagen na het uitbreken van den opstand naar Engeland gekomen, kon eenige dagen te voren uit Castlereagh's mond het volgende opteekenen:
?Het lot van Belgi? kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den slag van Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met Napoleon, en heeft hem het behoud van Belgi? en van den linker Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij toestemt in het herstel van Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft in Itali? en over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel, dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen. Wat er nu met Belgi? gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan Oostenrijk terug moeten, of zal er een Duitsch huis in moeten worden geplaatst: dat van Beieren, Baden of een ander. Blijkt het voor ons niet noodig tot een dezer oplossingen mede te werken, dan zijn wij besloten tot de vereeniging van Belgi? met Nederland, hoewel wij vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen de Nederlandsche volksopinie."50)
Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel van Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is eigenaardig Lord Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek naar het vasteland nog zooveel twijfel te hooren aan den dag leggen aan de juistheid der oplossing die hij daar ten slotte heeft doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831 die gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.
* * *
Ici (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden waarom Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief, m.a.w. dat hij in Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat zijne verheffing en vergrooting zooveel mogelijk het werk van Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland, waar alles tot na den slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar verstrikt raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands belang zouden strooken.
Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in het onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het vasteland uit Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps te kunnen werven aan welks hoofd hij zich zou stellen ?comme le représentant de la nation hollandaise"; hij zou zich dan onder de bevelen van den kroonprins van Zweden in Noordduitschland willen voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook deze ?mesure" als ?trop décisive" verdaagd. Eerst eind September liet men hem toe op deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij stelde nu (volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving in Duitschland van een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen onder een door hem aan te wijzen officier voor, welk corps door Engeland zou worden betaald en zich aansluiten zou bij een eveneens door Engeland betaald Duitsch legioen onder Walmoden, dat onder de bevelen van Bernadotte stond.51) Zelf verlangde hij zich zoo spoedig mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging der Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October door Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van uitvoering gekregen. Doch de officier met de werving belast, de Constant-Rebecque, eind October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig dat reeds van links en rechts Duitschland was leeggehaald en er bijna geen beschikbare Hollandsche krijgsgevangenen of deserteurs meer over waren: zoo dienden er in het legioen onder Walmoden reeds 1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld. Evenmin waren de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of drie man per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde een 1000 man, en in het begin van 1814 eerst konden de bataillons naar Holland oprukken,52) waar zij toen een welkome aanwinst waren voor het in vorming zijnde Nederlandsche leger. Tot het uitlokken van den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den Prins dus hoegenaamd niets kunnen bijdragen.
Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er toe geleid, dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij een mogelijke restauratie van Oranje in Nederland van den zoon gebruik te maken, met voorbijgang van den vader.
Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot een vast besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest. In 1795, na dien winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog van York zich met schande overladen hadden, had de toenmalige Erfprins, opperbevelhebber van het geslagen Nederlandsche leger, zijn ergernis niet kunnen verkroppen. Over de acte van inbewaargeving der koloni?n en den brief van Kew had hij zijn vader menig hard woord gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen gezocht in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd buiten de gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen als toeschouwer in den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de zaak van zijn huis door de ongeschikte handen van den hertog van York opnieuw zag verbrodden. Met de geslagen Engelsche troepen naar Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan vertrouwden of die hij daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat Engelsch was uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering.53) De aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon te verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had, moeilijk openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch zeer. Daarna hadden de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem aan een zilveren band kon leggen; hartelijkheid van wederzijdsche gevoelens werd er eerder door tegengehouden dan bevorderd. Een uitstekenden indruk daarentegen had in Engeland gemaakt 's Prinsen niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de voltooiing zijner opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na Tilsit, toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog op iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn was hiervan zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht heeft zelf naar Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in het vergeetboek zou geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het gebeurde kwalijk worden ontvangen. ?Il ne reste plus que moi qui peut encore veiller à vos intérêts; convenons que sans l'Angleterre nous serions réduits à la besace"54). De Prins wilde daar niet van hooren maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet naar waren dat hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen uitrichten; van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De Prins-Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen waren in deze jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie over alle hoven van continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam geworden als een witte raaf. Ook deze omstandigheid vergat de Prins bij zijn besluit niet55). Nu èn Nederland èn Nassau èn Fulda verloren waren, wat beter toekomst kon de in 1792 geboren Willem wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?
Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig was. Hij trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn studietijd te Oxford om was en het vooruitzicht op het vasteland nog hoegenaamd niet ten voordeele van het huis veranderd, meende zijn vader niet beter te kunnen doen dan hem voor adjudant van Wellington bij het leger in Spanje aan te bieden56), een denkbeeld dat in Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins, die aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde, er ook genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich uitstekend gedroeg, zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met lof kon worden vermeld. Zoo was, in 1812 en begin 1813, ?Willem VII" zooals hij in de wandeling heette, eigenlijk veel meer een publiek persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten vader, die ook wel vrij dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809), maar altijd bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met Charlotte, een plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel ook eenige tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke familie waren niet van dien aard, dat haar leden het over eenig punt gemakkelijk eens werden, en vooral niet over zoo een.
Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men in Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der practische politiek kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van het Oranjehuis in Nederland behoorde. Niet dat men het mogelijk achtte daartoe aanstonds eene poging te doen, maar het behoorde tot de aangelegenheden waaromtrent men zijne gedachten had te bepalen om niet door de omstandigheden te worden verrast. Zou eene poging tot restauratie niet beter kansen opleveren indien men den jongen Willem VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar erfenis van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij niet geschikter zijn als nationaal vereenigingspunt te dienen dan zijn stroeve vader? De vraag is gesteld, door plannenmakers in Engeland57) en in Nederland58); ook door leden der Engelsche regeering. ?It may perhaps be desirable", schrijft de minister van oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, ?to have the young Prince of Orange in England, if the times should prove eventful".59) Den 20sten April 1813, een paar dagen vóór de aankomst van Willem VI in Engeland, schrijft hij: ?The Prince of Orange has left Berlin for Stockholm, probably with an intention of coming here. His son is much more popular in Holland; and if any stir should be made, he would be the best person to go there instead of his father".60) En nog 28 April: ?The Prince of Orange arrived here three days ago, not invited or expected by us ... I gave Fagel to understand that the son was the person to push forward, if anything was to be done."61) Ook Lord Malmesbury wordt door de komst van den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan tot de reis vernomen en het afgeraden; ?he had much better turn his whole thoughts to Austria and endeavour through the means of that court to recover his German territories."62) Stelt men zich dus Willem VI voor als in de toekomst te Dillenburg herplaatst, zijn zoon is de man ?to unite (as King William did) this throne and the Stadtholderate."63) De eenige reden dat men den jongen prins nog in Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar de zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op de regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer Alexander en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar oogmerk goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur te wijzen. Evenmin werd het wenschelijk geacht, hem als met eene volmacht der Engelsche regeering voorzien naar het vasteland terug te zenden. Men hield hem dus te Londen zoo te zeggen in reserve, maar het feit zelf van zijne aanwezigheid en gedurigen aandrang kon onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met het denkbeeld van zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er, bij 's Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon te Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast hebben Willem VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak, nu de jonge prins op uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus in Engeland verscheen op een oogenblik dat de volksbeweging, die in April in Holland gaande was geweest, lang in bloed was gesmoord, en er niet het geringste voornemen bij de Engelsche regeering meer bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der Franschen uit ons land te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan, in diens plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal; en welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast elkander zag bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van een wel aantrekkelijk maar uitermate zwak karakter; dat Wellington juist had gezien, toen hij op Bathurst's boven medegedeelde brieven had geantwoord: ?he is very young, and can have no experience in business, particularly in the business of revolutions; he is very shy and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage to him to place him in a situation in which he is to be at the head of great concerns of this description. Too much is not be expected from him."64) Na een verblijf van drie weken in Engeland verlangde de jonge man zelf naar Spanje terug, en men kon met goede houding niets tegen dit voornemen inbrengen. Sedert was Willem VI veilig voor de mededinging van zijn zoon (een mededinging, nimmer van het kind zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt Castlereagh geen zwarigheid meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van het weinige dat Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding der omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat werk den Prins zelven te gebruiken.
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman C. P. Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert Februari in Holland zichtbare voorteekenen der volksberoering die in April werkelijk heeft plaats gehad. Gevers verzocht een Engelsche landing met Willem VII aan boord;65) hij verkreeg echter niet anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam omtrent de militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen verlof zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te openbaren. Den 18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over Holland te Londen terug; ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en kort voor zijn vertrek door Castlereagh met den Prins in aanraking gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit Holland zond gingen direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis van de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat Gevers in geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en diens werk in de verte niet hetzij door Engeland hetzij door den Prins is uitgelokt. De geheele persoon van Gevers is overigens van geringe beteekenis en zijne berichten hebben zeer weinig om het lijf. Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot het laatste oogenblik onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte te voegen dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen opstand te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins den zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden langs den Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der verbondenen;-ook mag men er aan danken dat in October in Engeland 20.000 geweren werden ingescheept66) om die bij het uitbreken van een opstand onmiddellijk naar Holland te kunnen overbrengen; ook voor een eventueel troepentransport werden maatregelen genomen. Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats in Bosscha's Staatsomwenteling beluste Gevers in 1815 aan dien auteur verzekert: ?Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche macht ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand gebracht"67). Het Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den 22sten November, na de aankomst der gezanten van van Hogendorp en wegens hun bericht.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van toebereidselen van den Prins noch van maatregelen der Engelsche regeering, in hoeverre hebben de marschen der verbonden legers dien uitgelokt?
Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche memorandum ?the active and early efforts" der bondgenooten tot de bevrijding van Nederland verzocht.68) Voor eenig effect op het begin van den opstand is die aandrang veel te laat gekomen: toen zij ontvangen werd was de opstand reeds een feit. Doch in het hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook zonder Engelsche noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De historicus Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking had aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot Frederik Willem III het verzoek, met de leiding der bevrijding van Holland te worden belast; hij wenscht als staatkundig adviseur te worden toegevoegd aan een Pruisisch leger dat die bevrijding zal hebben te bewerken.69) Op dit verzoek is niet beschikt.-Van zijn kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan den Koning op de onmiddellijke ?verovering van Holland" aan. De hoofdrichting van dat leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht verlof deze te veranderen in eene op Keulen en daar den Rijn over te mogen gaan, tot ondersteuning van een inmiddels te ondernemen directen aanval op Holland door Bernadotte.70) Dit verlof is niet verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van haar vlucht, in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het Hollandsche bastion te laten springen om dan van het Noorden uit Frankrijk binnen te dringen. Ergo bleef voor een eventueele onderneming tegen Holland alleen het leger van Bernadotte beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen (Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig de bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische landen in Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak dicht aan de Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te overschrijden. Bernadotte zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van G?ttingen noordwaarts op, met het dubbel doel Davoust in Hamburg op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn eigenlijke belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn hoofdkwartier blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de afwijking naar het Noorden werd aan de Russische afdeeling van Winzingerode de richting op Bremen voorgeschreven; dit was het meest westelijk marcheerende korps. Het onderhoud van zoo groote legers als sedert een jaar Duitschland kaalvraten, maakt een reusachtig deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte ruiterij (Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht en kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men die vinden kon. Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen Kozakken over onze grenzen gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel of vast plan. Den 9den November het eerst, in gering getal, bij Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de vestingen Deventer en Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen worden door de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen bezet (15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov. overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen; Hogendorp's afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23 Nov. dezen troep bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam door te trekken waar hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden, zonder moeite komen kan, en den 24sten zijn de eerste Kozakken te Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der Hoeven te Zwolle den kommandant der gezamenlijke Kozakken die thans in het noordoosten des lands rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo ver als Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor hij infanterie en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste uitdrukkelijk bevel van Bernadotte aan Winzingerode om een gedeelte zijner geregelde troepen meer westelijk te dirigeeren: Benkendorff wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar nog zonder last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van Deventer is teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet bewegen den IJsel over te gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning aan Winzingerode, marcheert als hij die ontvangen heeft, en is 1 Dec. te Amsterdam.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinci?n bezet wat open lag, en zijn niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook dit open lag, en zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij versterkte plaatsen hebben aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve te Kampen, dat 20 Nov. aan hen overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch van Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland aan te vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte. Zijne orders van laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar Minden (1 Nov.), naar Munster (5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier te bezetten van Wezel tot het scheidingspunt van Rijn en IJsel (19 Nov.)71). Toen de laatste order ontvangen werd bereidde Bülow reeds iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne voorhoede onder Oppen reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken; den 23sten, nadat Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van Amsterdam, is die voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24 Nov.) Zutfen genomen; 25–27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf in beweging gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is voortgerukt naar Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor ontruimd was, en waar dus de tenzelven dage ingerukte Russen van Narischkin en de 29 Nov. aangekomen Hollanders, afgezonden door Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen op Nederlandsch grondgebied de aanleidende oorzaak van den opstand zijn geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov. in den Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te Amsterdam het vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek der Fransche ambtenaren. Beide waren uitgelokt door de begin November aangevangen algemeene vlucht der Franschen uit Noordwest-Duitschland, die ook de Franschen in Nederland demoraliseerde en hen de wijk deed nemen in de richting op Utrecht–Gorkum–Breda, de verzekerde verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk. Daarbuiten bleven alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden, Deventer, Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar daarom kan men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische, nimmer van Russische zijde gedaan is) van de ?verovering" van Holland. Toen de wapenfeiten voorvielen, die dan de ?verovering" zouden moeten uitmaken, bevond zich in het hart des lands sinds lang geen vijand meer, en was daar integendeel een bestuur gevestigd dat de ?veroveraars", soms met sterken aandrang, overtuigen moest dat zij veilig binnen konden rukken.72)
* * *
Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au v?u de la nation (hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan kon vóór het uitbreken van den opstand zelf niets zekers blijken. Gedachtenwisseling omtrent den regeeringsvorm heeft er na 18 Mei tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats gehad, maar dat Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou blijken de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen gezant Jacobi, aan wien hij te kennen gaf ?que les défauts et inconvéniens de l'ancienne constitution feraient désirer d'établir les changemens requis pour donner plus de force et d'énergie à la marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme devrait être plus monarchique" (1 Nov.)73). Er was geen gevaar dat de Engelsche regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door het volk in den weg zou leggen. ?If the Nation call the Prince of Orange to the Sovereignty," oordeelde ook Lord Malmesbury, ?it would be the height of folly to reject it"74).
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag gelegd heeft en die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal komen, verdient het vermelding dat aan de waarschijnlijkheid eener uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen in Engeland zeer sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich herinnerd zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige Engelsche regeering) in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen, toen hij in zijn opeisching aan Story den Prins van Oranje diens ?souverain légitime" genoemd had.75) Lord Grenville schreef waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij er in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten varen toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken volkswensch in Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat de Souvereine Vorst aan de notabelenvergadering een soort excuus zou maken voor zijn onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit,76) een denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd. Toen in de London Gazette van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty een credentiaal had ontvangen bij de regeering van den Souvereinen Vorst, werden er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt, waaruit echter meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de Engelsche regeering spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der Nederlandsche verhoudingen van 1813.77) Alle bona fide twijfel had opgehouden na de gebeurtenis van 2 December.
In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den Prins en van het Nederlandsche volk.78) Na het onbeantwoord blijven van zijn aanbod aan zijn koning om als staatkundig adviseur een Pruisisch leger naar Holland te vergezellen, trok hij zich op zijn studeerkamer terug en schreef daar eene constitutie voor het herboren Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is begonnen in de laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de auteur van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek, verheft daarbij den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem nergens boven dezen; te zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder sterk is het federalistisch karakter van Niebuhr's ontwerp: het recht, de waterstaat, de religie (!), de universiteiten zullen provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal. Terwijl Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft (doch corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat Niebuhr's zoon in 1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven is ?auf Veranlassung des hochseligen K?nigs Wilhelm I"; alleen had deze, op een hem door zijn moeder overgebrachte, vage dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in even vage termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield, maar niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken.79) Prinses Willemijn heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht, waar de Souvereine Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen invloed van Niebuhr's tekst op 's Vorsten eigen deelneming aan het constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en noch aan de commissie als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is die tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat naast de Nederlandsche werkelijkheid; daarentegen in Niebuhr's idee?nwereld, die op zichzelf belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de studie voor zijn R?mische Geschichte, waarvan de eerste deelen verschenen waren in 1811 en 1812, en waarin opmerkelijke voorliefde voor aristocratische instellingen is uitgedrukt en even groote afkeer van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp onthoudt Nederland wat het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der nationale eenheid langs den toen eenig mogelijken weg van sterke vorstenmacht. Zijn invoering zou niet de waarborg maar het graf der Nederlandsche vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte gewoonten.
* * *
4) Br. en Ged. IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
5) Br. en Ged. IV, 274.
6) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814 (Gedenkstukken VII, 176).
7) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan Lord Clancarty, 24 April 1814 (Gedenkstukken VII, 24 en 108).
8) Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van Hogendorp (Br. en Ged. IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's Staatkundige Geschriften III, 71).
9) Gedenkstukken II, 820.
10) Aldaar, 831.
11) Dit ter verbetering van de noot in Gedenkstukken II, 821.
12) Gedenkstukken II, 942; III, 684.
13) Gedenkstukken II, bll. CXII en 987.
14) Versta: de Zuidelijke Nederlanden.
15) Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (Gedenkstukken III, 890).
16) Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798 (Gedenkstukken III, 896).
17) Falck's Gedenkschriften, bl. 350.
18) Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799 (Gedenkstukken III, 973).
19) De instructie: Gedenkstukken III, 403 aangevuld door III, 1074; het advies van Fagel: Gedenkstukken III, 1006.
20) Gedenkstukken III, 552.
21) Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799, Gedenkstukken III, 547.
22) Art. 1 der instructie: ?That the form of federative government on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved" (behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte, wijzigingen).
23) Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie van 1814), Mei 1795, Gedenkstukken II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (Gedenkstukken II, 839) en voorjaar 1799 (Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (Ged. II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (Ged. II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar geleden had voorgestaan (zie Ged. III, 1037 en 1080, en Vreede's van de Spiegel IV, 456; en voor de kritiek: Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (Ged. III, 1100): ?Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...". Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander hoofdstuk wordt gegeven.
24) Zie hiervóór, bl. 4 noot.
25) Ged. IV, 708; vgl. Bosscha, Staatsomwenteling II, 273.
26) Gedenkstukken IV, 737.
27) Gedenkstukken IV, bl. XXIX.
28) Gedenkstukken V, 813.
29) ?Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813" (Ged. VI, 1876).
30) Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (Ged. VI, 1859).
31) Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (Ged. VI, 1880).
32) Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 265).
33) Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door den uitmuntenden redacteur Fagel. ?In Fagel deed mij eens een bevoegd regter-Lord St. Helens-de gave opmerken om al het verhandelde in eene conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne committenten mede te deelen" (Falck's Gedenkschriften, 150).-Lord St. Helens was de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.
34) Ik cursiveer.
35) Onderstreept in Fagel's handschrift.
36) Ik cursiveer.
37) Onderstreept in Fagel's handschrift.
38) Gedenkstukken VI, 1881.
39) Martens' Recueil II, 433.-Vgl. het artikel van Bussemaker, De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid, in Gedenkboek der Herstelling I, 43 vv.
40) ?The reestablishment of Holland as an independent Power" (Bussemaker in Gedenkboek I, 56).
41) ?As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same spirit" (Bussemaker t. a. p.).
42) Gedenkstukken VI, 1950.
43) In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.
44) Ik cursiveer.
45) Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.
46) Gedenkstukken VI, 1955.
47) Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd werd.
48) Ik cursiveer.
49) Gedenkstukken VII, 2.
50) Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te verstaan (zie Ontstaan I, bl. LIXV en 17).
51) Gedenkstukken VI, 1889.
52) Gedenkstukken VI, 1953.
53) Gedenkstukken III, 1103.
54) Gedenkstukken V, 778.
55) Gedenkstukken V, 784.
56) Gedenkstukken VI, 1808.
57) Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813, Gedenkstukken VI, 1854 en 1868.
58) Zie hiervoor talrijke bewijzen in Ged. VI, 240, 271, 336, 417, 423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschrift Ondergang en Herstel. De plannen gingen niet uit van Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (Br. en Ged. V, 11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband gestaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak: Ondergang en Herstel. Castlereagh hield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.
59) Gedenkstukken VI, 1850.
60) Gedenkstukken VI, 1872.
61) Gedenkstukken VI, 1878.
62) Gedenkstukken VI, 1860 (11 Maart 1813).
63) Gedenkstukken VI, 1879.
64) Gedenkstukken VI, 1883 (18 Mei 1813).
65) Zie Ged. VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (Ged. VI, 1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
66) Gedenkstukken VI, 1947.
67) Gedenkstukken VI, 1898.
68) Hiervóór, bl. 28–29.
69) Gedenkstukken VI, 1863.
70) Pertz, Gneisenau III, 508 vv.
71) Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
72) Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in Gedenkboek I 70 vv., benevens de inleiding op het 3de stuk van Gedenkstukken VI.
73) Gedenkstukken VI, 1949.
74) Ontstaan I, 22.
75) Gedenkstukken III, 393; vgl. Ontstaan I, bl. XXXVII en 20.
76) Ontstaan I, 65.
77) Ontstaan I, bl. LVII vv.
78) Ontstaan I, bl. XIX vv. (bespreking) en Ged. VI, 1902 vv. (tekst).
79) Gedenkstukken VI, 1881.
* * *
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden door van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp, in naam van den prins van Oranje.
30 ? ? Terugkomst van den prins.
1 Dec. ? Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en Fannius Scholten.
2 ? ? Aanneming der souvereiniteit.
6 ? ? Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardini?, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financi?n. Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal, noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan met de stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand-en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had80)? Door het oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen door de staten der provinci?n, toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide81), dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstelling van iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm82). En wat met het oog op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast, dat den prins de hooge overheid moest worden opgedragen, een ander woord voor souvereiniteit. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den 2den December 1813 de souvereiniteit aannam en den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de Prins absoluut vorst-niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan het blijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon83)? Dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat, wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn ?van het vrije Nederland," daar was de Prins in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst ?der Vereenigde Nederlanden."
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de grond van alles was.
* * *
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is het feit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.
* * *
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?
Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige staat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. The world's great patriot is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den ?Prins van Friesland", zooals men hem noemt, te zien.84) De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt de Prins, tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maar het is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde onherroepelijk tot het verleden. Het ?eiland" Holland85) was tot zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld worden bij co?ptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.86) Er is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt.87) Een woord dat toont hoe weinig hij verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek gesmeten voorbeeld.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op, waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegi?n door ministers;-alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook nimmermeer is afgeweken88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;-en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan89).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had: elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel. Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats van een oppermachtig ?volk", wenschte men, in het belang van de bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinci?n, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie zal zoo worden ?genationaliseerd", een woord dat in de staatkundige programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel van de provinci?n onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.90)
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek (generaliteit, provinci?n, Oost- en West-Indische Compagnie?n, admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen vorderde91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had geti?rceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen ti?rceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinci?n aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.
De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.
Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen ti?rceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde het: ?empêchez donc la peau de transpirer", roept Lodewijk in wanhoop uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De ti?rceering komt mee, en ook de conscriptie.
Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel, een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het gemoedelijk ?besogneeren" onder een pijp tabak had de collegi?n der Republiek overleefd; thans leerde men het ?dienstdoen" van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts ?het volk" moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een rempla?ant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als garde d'honneur.
Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloni?n die door de compagnie?n zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in 181093). De famili?n die een etablissement in de stad hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de ti?rceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinci?n werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd aangelegd in de landprovinci?n, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.
Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der nati?n als een land dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook eenige voortreffelijke traditi?n. En het was door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.
Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven: ?de oude tijden komen weerom", het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen bestuurd94).
* * *
Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat De Wedergeboorte van Nederland heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.
Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel95). Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had voorspeld ?de naderende volksregeering", die men niet moet willen ophouden, maar door hervormingen den weg banen. ?In de tegenwoordige tijden", schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, ?kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der ingezetenen", en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen rol overschiet dan die van ?citoyen utile"96). Anders dan zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel oogenblik, bij zijn Verklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is de innerlijke.
De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den ?homme de bien" verruild heeft voor den ?habile homme"; dat zij als regel volgt: ?ne parvenir au c?ur que par la voie de l'esprit"; ?fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison"97). Het gevolg? ?Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel".-?Quelle est la passion qui s'éveillera pour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celui du manque absolu de caractère est le plus fondé".98)
Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.
In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinning der geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latere Schets is onmiskenbaar.
Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,99) heeft de ondervinding doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot de provinci?n afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur: financi?n, landmacht, marine, koloni?n, buitenlandsche zaken. Ten opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinci?n afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden) ?het beleid" hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.
Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet minder aanhing.
Dit stuk van 1799–1801100) werd opgezet naar aanleiding van de leiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.101) Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van vertegenwoordiging der provinci?n naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constituti?n der provinci?n noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegi?n op. ?De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden".
Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de Verklaring aan het Staatsbewind,102) waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar, ?alle constituti?n afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden". Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen zijn ?van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk."
De Verklaring verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.
Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om financieele redenen op zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden, en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, de Discours sur l'histoire de la Patrie104), zijn onontbeerlijk voor de kennis van den gedachtengang die de Schets van 1812 beheerscht, en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in het monarchaal verleden105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een constitutioneele adel; steden met kiescollegi?n die er de regeering stellen; ?à tous les bourgeois aisés le droit de nommer au scrutin ces électeurs..."; ?une démocratie tempérée et très limitée à c?té de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait..."; ?le pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés..."; het is de Schets zelve van 1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatste Discours klinkt als een belofte: ?Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit de son propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe...."
Er is dus, sedert 1795 en 1799–1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812106) de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. ?De natie", schrijft hij in 1817 ter verklaring, ?was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt"107). De natie-niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.
Reeds de eerste redactie van de Schets (1812) heeft het woord ?Koning" en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd was108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud zou luiden: ?de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden"109).
Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Als in het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand vertoonen kan,110) gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: ?Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland zijn", en als het Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten gelijkelijk de kreet op: ?de Prins moet onze Koning zijn"111).
Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: ?de Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid." Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou schenken.
Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. ?Le Prince est Souverain", schrijft hij aan Fagel, ?on ne sait pas comment, mais tout le monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même"112).
Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, ?dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed; te meer daar hij dacht dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn"113). Repelaer antwoordt ?dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan het hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien". Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, ?scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen". In den Haag, den 30sten, bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins ?geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden"114), en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.
Is dit nu115) de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche van Lord Clancarty116) spreekt niet van een Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem, Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.
Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten mede onder zijn, Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest geschieden te Amsterdam.
Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekende Vertraute Briefe van Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden117) en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders en place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.
Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):
?Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zuf?llig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare Souver?nenmacherei mit anh?rten. Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem noch st?rkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur n?mlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gew?hnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine Proclamatio domestica".118)
Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, ?unter dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks".119)
En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.
De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.120) Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: ?Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet"121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, ?heeft het volk terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden uitgeroepen". Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma: ?nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam", voor zoover die uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.
Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp toestak122): de ?vergeten en vergeven"-proclamatie, het stuk à tout usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.
De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: ?den Haag" (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) ?zou uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan"123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.
Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplaren der door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven,124) op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht,125) of anders bericht omtrent zijne komst. ?Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne", schrijft hierop Canneman aan Falck, ?de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepen als Vorst. De plechtige proclamatie wordt met ongeduld verwagt." Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij ?uitroeping" (bij monde) van ?plechtige proclamatie" (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De ?uitroeping" daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.
De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener ?plechtige proclamatie" gebracht toen zij door van der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het van hen verwachtte. Het was avond;126) te laat voor het gewone Dagblad-nummer van 2 December.127) Kemper's uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.
Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;-en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden, met zoo uit aller naam te spreken.
* * *
Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit was aangeboden en aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;-neen, wanneer men de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.
Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.
* * *
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.
Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813 een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinci?n met een stadhouder evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.
Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. ?Absolute" vorsten plegen zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden opgehouden.
Het constitutioneele koningschap is in de beide proclamati?n geen bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om considerati?n maar berust: het is haar inhoud zelf, en het ?zoo diep kon men niet gedaald zijn" had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan ?binnen weinige weken".
Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde ?provincie" Utrecht om hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert 1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee128).
Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies even goed overeind als 15 November. Voor ?Keizer" las men eerst ?Algemeen Bestuur", vervolgens ?Souvereine Vorst", voor minister ?commissaris-generaal", voor prefect eveneens ?commissaris-generaal", voor onderprefect ?commissaris", voor maire ?president der provisioneele regeering"; voor Empire fran?ais ?Vereenigde Nederlanden".
De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot ?Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden", en zij hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December ?Nederland" schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term ?Nederlanden" sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term ?Staten-Generaal" in Hogendorp's Schets een congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795 had bestaan: ?de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk"129).
* * *
80) Br. en Ged. III, 87.
81) Gedenkstukken VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
82) Van der Palm, Gedenkschrift 81.
83) Besluit van 14 Jan. 1814 (Staatsblad, no. 9, art. 1 en 10).
84) Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap, XXXI, 111.
85) Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland van te maken: Maximen van Holland, 362.
86) Gedenkstukken, I, 23, 28.
87) Gedenkstukken, II, 949.
88) Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers (staatsregeling van 1801).
89) Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst (geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: ?L'on désire que le rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui préviennent une réaction politique" (Gedenkstukken III, 419).
90) Hiervóór, bl. 21.
91) Gedenkstukken IV, 473–'74.
92) In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land, schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. ?Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président" (Gedenkstukken III, 183).
93) Falck's Gedenkschriften, bl. 336.
94) Ontstaan I, 57.
95) Verspr. Geschr. V, 239 vv.
96) Br. en Ged. III, 87.
97) Br. en Ged. III, 159–160.
98) Br. en Ged. III, 167 (ik cursiveer).
99) Br. en Ged. III, 87.
100) Br. en Ged. III, 171.-Over de dateering zie Ontstaan I bl. XXV.
101) Hiervóór, bl. 18 noot.
102) Br. en Ged. III, 196.
103) Zie de extracten uit het dagboek in Gids 1907, I, 305.
104) Br. en Ged. III, 317.
105) ?De Republiek is een groote nieuwigheid geweest" (Ontstaan I, 58).-De oude voet, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór 1572. (Ontstaan I, 80, 82).
106) Schets en Discours.
107) Br. en Ged. V, 85.
108) Br. en Ged. V, 83.
109) Ontstaan I, 32.
110) Ged. VI, 336, 506, 621.
111) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.
112) Ontstaan I, 17.
113) Ontstaan I, 19 (ik cursiveer).
114) Falck's Gedenkschriften, 115.
115) Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's Bijdragen, 2e reeks, X, 100 vv.).
116) Ontstaan I, 23.
117) Falck's Gedenkschriften, 131.
118) Vertraute Briefe I, 127.
119) Gedenkstukken VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.
120) Br. en Ged. V, 39.
121) Br. en Ged. IV, 372.
122) Br. en Ged. V, 39.
123) Ontstaan I, 28.
124) Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje was weggegleden (Ged. VI, 1779; vgl. Falck's Brieven, 2e druk, bl. 196).
125) Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: ?De Prins komt morgen zelf te Amsterdam" (Br. en Ged. IV, 372).
126) Ged. VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
127) Het Staatkundig Dagblad kwam uit in den namiddag vóór den dag welks datum het nummer aan het hoofd draagt.
128) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's Brieven, 201.
129) Ontstaan I, 5 (art. 21 der Schets).
* * *
21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 ? ? Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart ? Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 ? ? aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 ? ? Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 ? ? Samenkomst der notabelen.
29 ? ? Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 ? ? Be?ediging der grondwet door-en inhuldiging van den souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene grondwet regeeren. Hogendorps schets eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans ?loffelijken ijver en liberale denkwijze"130). Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne onderdanen met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens131), dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten medewerken132). Ook hij begreep, en met hem de souvereine vorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden gelegd.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld133). Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan134). Onder de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden, Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795 voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. R?ell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van het gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader135), door de revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst des keizers136). Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking137). Aan wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der oud-regenten138). Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld139). Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie voor het departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling om naast de overigen-allen leden der vroegere staatskerk-een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der grondwet140). Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter sprake was gekomen141). Hij maakte het echter nog beter dan het lid Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra142) wellicht laat verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar. Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon143).
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en R?ell, de formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.144) De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne considerati?n gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt145) ter tafel gebracht, om, nogmaals herzien en gewijzigd146), den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk, onder den titel: ?Algemeene gronden van de Constitutie", en daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: ?Aanmerkingen op het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden"147). De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot eene bestrijding door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en federatieve denkbeelden148). Een gevolg hiervan was, dat, toen men, overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat de deliberati?n over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook, dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie benoemd was, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde hoofdstuk der grondwet: over de justitie, aan den souvereinen vorst aan te bieden149), van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten150). De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene nieuwe regeling der justitie voor te bereiden, opdat er vooral bij dit onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben kunnen vervangen?
Ik stap hiermede af van de uitwendige geschiedenis der door de commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was immers de commissie belast met de voordracht der organieke reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie meende dan ook zoowel ten opzichte van de aanneming als van de invoering der grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een stuk151) overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende tijdsbepalingen, reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin zoowel de aanneming als de invoering der grondwet in 14 artikelen was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden (art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5). Na afloop der deliberati?n, na aanneming der grondwet en bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen, en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art. 7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der provinci?n zouden de eerste reis te zamen komen in de maand Maart, en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814 (art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen, doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachte concept-publicatie door den souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen te nemen besluit tot aanneming en invoering der grondwet152). Intusschen had de commissie bij een voorloopig rapport aan den souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814153), verslag gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het finaal rapport, vastgesteld den 1sten Maart154), waarbij tevens was gevoegd eene concept-proclamatie155), betrekkelijk de notabelen en hunne aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814 is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden de grondwet beoordeelen, had reeds art. 5 van het besluit van 21 December 1813 gezegd156). Maar door wie zouden ze worden gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de individu?ele leden der commissie157). Het getal was door de regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was. Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600, voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814 daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting niet gediend158) en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op aan negen heeren159). Hiermede was althans één punt geregeld: de wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? ?Welke qualificatie", vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814, ?zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij moeten het soliede maken voor geheel Europa." Hogendorp werd gemelijk: hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was, zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele natie in het werk doen deelen, bleef R?ell beweren. Maar wat dan? Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu door den souvereinen vorst wel niet-zooals de commissie eerst gewild had-verklaard als representeerende het geheele Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorst beschouwd. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef voor het overige lijdelijk160).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden opkomen, vooral niet nu men niet meer-zooals eerst was voorgesteld-de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het was minder het wezen dan de schijn, die men lief had. Ditzelfde openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberati?n. De leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het algemeen gevoelen uit met te zeggen: ?vele solemnia, weinig zaken"161). Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in noodzakelijk verband stond.
Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden worden benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den 8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal aan hem zoude worden opgedragen162). Hierover, evenmin als over de vervulling der andere collegi?n, bestond dan ook tusschen de leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomen ontwerp-besluit door de notabelen te nemen. En hoewel-zooals ik gezegd heb-dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij deze kwestie het best met den president van de groote vergadering kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide: ?Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze, waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde collegi?n voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen".
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en de be?ediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich niet verheven tegen de keus der 600 notabelen163). Deze kwamen echter niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814 was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst benoemde lid der commissie, van Lynden van Hoevelaken, namens den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen, vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren het vele solemnia en weinig zaken? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie, de kerk binnen. De souvereine vorst hield ?op eene zeer aandoenlijke en plechtige wijze eene aanspraak"164). Het lid der commissie voor de constitutie, van Maanen, hield daarop ?met de hem eigen welsprekendheid"165) eene redevoering over de beginselen en den geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen. Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had, konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering zoude die aan den souvereinen vorst overgeven166). Er werd dus gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfden dag door hem aan het volk worden verkondigd.
?Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid, waartoe"-zegt Metelerkamp167)-?de volgende dag bestemd was". De vergadering werd door den voorzitter geopend met ?eene eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst", door dezen ?op eene treffende en aandoenlijke wijze" beantwoord. Ook werd der vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, ?met eene duidelijke maar getroffen stem". De eed werd gevolgd door de inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de leden.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: ?Leve Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!"
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de kroon op dit alles.
Vele solemnia en weinig zaken.
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef. Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der collegi?n. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29 Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid, waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De souvereine vorst zeide: ?Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig en gebrekkig blijven zoude"168). Diensvolgens werd dan ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegi?n, door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt169). Men schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne bedenkelijke zijde had.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie, om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen. In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen170): ?de geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de voorwaarden der regeering". Ja, men had desnoods de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen, zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de vergadering van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen en patrici?rs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst. Het schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling, waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen vorst alleen gelegd was.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche maatschappij, wat van den regeeringsvorm?
* * *
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V, meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd: Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814.
* * *
Hogendorp's Schets (hiervóór, bl. 72).-Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim comité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.171) De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie aantreft,172) waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.
* * *
Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte (hiervóór, bl. 73).-Dit houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;-en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.
* * *
Wanneer, zooals waarschijnlijk is (hiervóór, bl. 74).-Hogendorp heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn kamer af,173) en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de gansche den Vorst in handen gegeven Schets nog geen woord van dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.174) Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief.175) Dat hij die noodig had, is mij niet gebleken.
De Vorst had de Schets ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (Bülow en Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten aard waren;-met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebied der Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputati?n en individu?n die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck, Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,176) die nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinci?n opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook de Schets in en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout.177)
Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.
Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon als garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming178); wederom na den 21sten: van Maanen is ?allervriendelijkst" maar heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven179), of zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor ?alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795"180). Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie kracht aan hunne wetten geven. ?Volgens mijne gewoonte", schrijft Hogendorp, ?liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te geven". Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hij la Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen181). Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functi?n, hoewel nog niet met den titel, van minister van justitie. Is hij ook over de Schets geraadpleegd, en door wien?
In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie der Schets kent, dan die in de commissie gediend heeft.182) Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die de Schets in het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die de Schets al, en die ze nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt.183)
In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte Schets aan hem en eenige anderen ?vroeger was rondgedeeld", doch veel vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens R?ell de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest ?dat de leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben"184). Zou van Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der Schets geen kennis gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van de Schets alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen sub rosa aan R?ell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daarom zeker in de commissie zal komen; tevens blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te doen bij R?ell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen185). Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der Schets van van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de Schets zoo was als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het lidmaatschap van R?ell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.
Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de Schets en de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij die gelegenheid uit of over de Schets vernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de Schets zooals zij in de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen ?eeniger staatsmannen"186). De veranderingen in de tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den Vorst187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.
Wat de opinie van van Maanen over de Schets betreft, deze blijkt duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten. ?Ik weet", schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, ?dat de Schets althans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna188) ook werd medegedeeld189) en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk".190) Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft: ?van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen".191) De raad van Fouché aan de Bourbons: ?se coucher dans le lit de Napoléon".
Als derde, die van de Schets in tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en wel ?op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,"192) nam er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf193) en een uitgebreidere voor van Hogendorp.194) Met deze laatste was Falck ?het bijna onvoorwaardelijk eens."195) De kern der opmerkingen van Elout is deze: ?Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, en nu is het bedenkelijk het nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt." De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: ?Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinci?n blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?"
Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling toegelicht,196) maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in de Schets hebben zij geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden uitgevochten.
Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie der Schets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte toe.197) Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden, en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht198). Alle voorgeslagen wijzigingen werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend zielen één199). De Vorst ?had geen zin in zoo groote heeren"200). Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk, waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinci?n. Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn ?adel der Vereenigde Nederlanden" en zijn hoogerhuis opofferde.
Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkte Schets aan de commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene ?algemeene groote Statenvergadering," om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der grondwet, en vervolgens ?na weinige dagen" heen te gaan, waarop de eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814201).
Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op de Schets toezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben gevraagd202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers203) zitting te verleenen204); hiervan is echter afgezien205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck206).
De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op de Monden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de Zuiderzee met drie207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te opvallend zijn208). Denkt men aan de oude provinci?n, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, R?ell), twee op Gelderland (van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar departementen, nòch eene naar oude provinci?n, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinci?n zonder een lid heeft willen laten209). Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien gewest210).
In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb. 1762).
Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een ?buitenlander" van aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige, orangistische reactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.
Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouw de Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.
Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell211). Een van de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt,212) is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken214) zal men de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te laten vallen.
Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in 1795 en 1799 is reeds gesproken215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over de Schets in het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.
Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naar Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met Belgi?. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol van beteekenis heeft gespeeld.
Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken. Hij was meer een karakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire van Wommels (1811).
Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St. Michel te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en Cambacérès trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men er beproeven zou ?une réunion des talens et des propriétés,"216) de reconstructie van 1801 met andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet218). In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware219). Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.
Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie van Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamili?n van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802 procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naar Bataafsch-Indi?, tot invoering der door de bekende staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen ?Conseil pour les affaires de Hollande;" van Maanen bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd221); hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp222), die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van R?ell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie is voornamelijk op hem neergekomen.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van den afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;223) als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór R?ell, waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het presideeren der assises te Groningen,224) zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
Mr. Willem Fredrik R?ell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg met den oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. ?De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen", zegt R?ell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,225) ?het uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functi?n geenszins deden beklagen". In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. R?ell was een gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met Elout.
Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767–1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financi?n in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals R?ell, was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man van den nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den ?conseil pour les affaires de Hollande" te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., ?op de administratie der justitie," kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van ?besogneeren" der oude costumiers scherp afstak.
Adam Fran?ois Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam (1771–1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was geheel grand seigneur, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch werk, De Toestand van Nederland (1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn Regeringsvorm der Vereenigde Nederlanden (1814) de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim227).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór eenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
* * *
Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in de commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.
* * *
Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den op bl. 95 hiervóór aangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de ?algemeene gronden"228) die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet229) en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht230), en zond deze drie stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat van Maanen door Hogendorp van de Schets kennis bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).
* * *
Voor het departement der Wester-Eems (hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).
* * *
In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van R?ell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud zelf, die alleen bij R?ell aangeteekend is.
* * *
Schimmelpenninck (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.
* * *
De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen (hiervóór, bl. 79). Zie, behalve Ontstaan I, 32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken Ontstaan I, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voorts Overzicht 142 vv. en Br. en Ged. V, 86–87.
* * *
Nogmaals herzien en gewijzigd (hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uit Ontstaan I, 446 vv., waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.
* * *
Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld (hiervóór, bl. 81).-Het reglement lag reeds 15 Jan. gereed (Ontstaan I, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van 19 Dec. (Ontstaan I, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen ?als een ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen"231).
* * *
Besluit tot invoering der grondwet (hiervóór, bl. 83).-Art. 1 verklaart: ?Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen". Dit hield niet in, dat de stemming enkel met ja of neen zou geschieden, hetgeen door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld232), waarop werd besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het eindrapport op te nemen.
* * *
Finaal rapport gesteld door Elout (hiervóór, bl. 83).-Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zie Ontstaan I, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
* * *
Lijsten (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst (Ontstaan I, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (Ontstaan I, 279): ? uit den adel, ? uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere standen. ?Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzonder talenten, deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of voormalige politique denkwijze".
* * *
Zoolang de registers niet toegankelijk zijn (hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
* * *
Bleven er 126 thuis (hiervóór, bl. 87).-Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de familie, enz.-Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk (Ontstaan I, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
* * *
Het schijnt toch (hiervóór, bl. 91).-Zie de Bosch Kemper Letterk. Aanteekeningen 471, en vgl. Ontstaan I, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
* * *
130) Besluit van 21 December 1813 (Ontstaan I, 37).
131) Aanmerkingen van Falck op van der Palms Gedenkschrift, in G. K. v. Hogendorp in 1813, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge van eene bedenking van Falck het woord wettiglijk, daar waar hij sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
132) G. K. van Hogendorp in 1813, blz. 100.
133) Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. R?ell (Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).
134) Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: ?Nous appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes appellent le même souverain." (Br. en Ged. IV, 263).
135) Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
136) Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij de tolk van de sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et d'amour, die de leden van het gerechtshof bezielden voor le père de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur (Aanspraak van van Maanen, geplaatst in den Courrier d'Amsterdam van 1811, no. 305).
137) Br. en Ged. V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van Hogendorp. ?Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand, onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den 2den."
138) De Bosch Kemper, Staatk. Geschiedenis tot 1830, blz. 405.
139) Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van Soeterwoude.
140) Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, 2e ed., blz. 201).
141) In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de Schets over de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
142) Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (G. K. v. Hogendorp in 1813, blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty: ?M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la constitution à une heure après midi" (Correspondence of Lord Castlereagh, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
143) Ontstaan I, 77.
144) Dit geschiedde 3 Febr. (Ontstaan I, 328).
145) Ontstaan I, 446.
146) Volgens de officieele notulen had de vaststelling der grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van van Maanen: 1 Maart ?De president heeft voorts den secretaris ge?nviteerd om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de nadere redactie de noodige veranderingen te maken." 2 Maart. ?De president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere veranderingen en emendati?n, welke in het ontwerp van constitutie achtereenvolgens de deliberati?n van gisteren en eergisteren nog moesten gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd."
147) Ontstaan I, 56 en 74.
148) Ontstaan I, 81.
149) Ontstaan I, 328.
150) Ontstaan I, 420.
151) Ontstaan I, 361.
152) Ontstaan I, 386.
153) Ontstaan I, 375.
154) Ontstaan I, 472.
155) Ontstaan I, 473.
156) Notabelen was een minder stuitend woord dan aanzienlijken. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie standen, somwijlen assemblées de notables bijeengeroepen, bestaande uit personen, die door den koning werden aangewezen.
157) In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen (Ontstaan I, 212–'13).
158) Ontstaan I, 415; vgl. aldaar, 400.
159) J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten, Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P. Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber (Metelerkamp, 61).
160) R?ell zei: ?de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de natie representeeren; liefst bekend maken of zoo iets-dat a parte principis eene meer lijdelijke houding te kennen geeft". (Ontstaan I, 416).
161) Ontstaan I, 384.
162) Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (Ged. VII, 26). Lord Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het hoofdkwartier der geallieerden.
163) Metelerkamp, blz. 94, spreekt van ?bijna algemeene goedkeuring." Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven, zoolang de registers niet toegankelijk zijn.
164) Metelerkamp, 101.
165) Aldaar, 195.
166) Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie R?ell geschreven, dat de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen (Archief R?ell).
167) Blz. 205.
168) Metelerkamp, 217.
169) Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.
170) De Bosch Kemper, Letterkundige Aanteekeningen, blz. 462.
171) Ontstaan I, 1; Br. en Ged. V, 83.
172) Overzicht van B. D. H. Tellegen Az., 5.
173) Br. en Ged. V, 43, 46.
174) Ontstaan I, 31.
175) Br. en Ged. VI, 29.
176) Falck's Gedenkschriften, 126.
177) Ontstaan I, 1.
178) Br. en Ged. V, 29.
179) Ged. VI, 1740.
180) Br. en Ged. IV, 247.
181) Falck's Gedenkschriften, 122.
182) Ontstaan I, 70.
183) Ontstaan I, 82.
184) Ontstaan I, 78.
185) Ontstaan I, 36.-R?ell, niet bijzonder meer op posten gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.
186) Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het 7de deel zijner Bijdragen, bl. 148 (vgl. Ontstaan I, 69).
187) Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (Ontstaan I, 32).
188) Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).
189) Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).-De wandeling, die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie (nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zie Ontstaan I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zie Ontstaan I, 32).
190) Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van Maanen.
191) Br. en Ged. V, 84.
192) Ontstaan I, 503.
193) Ontstaan I, 503.
194) Ontstaan I, 39.
195) Ontstaan I, 504.
196) Ontstaan I, 504.
197) Ontstaan I, 32.
198) Br. en Ged. V, 82.
199) En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.
200) Br. en Ged. V, 82.
201) Ontstaan I, 35–36.
202) Dit valt af te leiden uit Ontstaan I, 36. Van's Vorsten zijde zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen. Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck heeft daarna nog voorgeslagen R?ell en Heerkens.
203) Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financi?n), Bentinck van Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van der Hoop (marine).
204) Ontstaan I, 36.
205) Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck's Gedenkschriften, 120.-Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens ook geen man voor een dergelijke commissie.
206) Falck's Gedenkschriften, 125.
207) Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.
208) D'Alphonse's Aper?u geeft aan de Zuiderzee 500.656 inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.
209) Ontstaan I, 36 (?wij moeten een Groninger hebben").
210) Ontstaan I, 37.-Wat Falck daar schrijft dat de Groninger uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn beide commissarissen in de Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (Ged. VI, Inl. 3e stuk, CLXXXIII).
211) De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij voorkeur dubbel bezet.
212) Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van Maanen over de benoeming van R?ell en van Heerkens (Ontstaan I, 36–37).
213) Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur was bezet.
214) Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst overgegeven 20 Februari.
215) Hiervóór, bl. 17 noot.
216) Ged. I, 609; vgl. Ged. II, 819.
217) Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.
218) Falcks Gedenkschriften 77; Br. en Ged. IV, 250.
219) Br. en Ged. V, 24; Ged. VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.
220) Ged. VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.
221) Ged. VI, 1593.
222) Br. en Ged. V, 12.-Zij waren beiden vaders van gardes d'honneur.
223) Ontstaan I, 77.
224) Ontstaan I, 157.-Denkelijk zal de punctueele van Maanen wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.
225) Ged. V, 568.
226) Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige Souvenirs, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852) worden verwezen.
227) Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na, die Metelerkamp overnemen kon uit Staatscourant 5 April 1814 waarin zij was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het parlement (Ontstaan I, bl. IX).
228) Ontstaan I, 74.
229) Ontstaan I, 361.
230) Ontstaan I, 446.
231) Ontstaan I, 380.
232) Ontstaan I, 406.
* * *