Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > De Pleegzoon
De Pleegzoon

De Pleegzoon

Author: : J. van Lennep
Genre: Literature
De Pleegzoon by J. van Lennep

Chapter 1 No.1

't Was een plezier Van Lennep persoonlijk te ontmoeten.

Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen-hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel "Saffo" geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling in Sapho gewijzigd had, zoodat de acteurs: "O, Sap, ho, wees gegroet!" zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: "Ze spelen de Mophondjes," terwijl in werkelijkheid "Demophontes," het classiek treurspel van Metastasio, vertaald door Westerwijk, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woorden prop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.

Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóór Van Lennep's komst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.

In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon-als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij van Schwarze-de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.

Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum-hij was uit Zwitserland overgekomen-terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E. Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den "Max Havelaar" als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.

Van Lennep's persoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:

-"Wie is die grijze heer?"

-"Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?"

't Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.

Toen ik Van Lennep voor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van Joost van den Vondel zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondom Vondel's grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond Van Lennep vóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden over Vondel's graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van Royer en Cuypers zou worden onthuld.

Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal van Vondel's leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J. Heemskerk Az., Van Lennep met een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.

Zóó zag ik hem voor het laatst.

Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.

"Amice!

"Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den bekroonden Vondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....

"Het doet mij plezier, dat Gij die pret op 't slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;-doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen-2. Van die krizis gesproken, podagra heb ik deze reize niet gehad, maar dewijl 't een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht-3 als onschuldig middel om de attentie te trekken-....

"Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.

"Zijt gij 't, of is het een ander, die de Letterkundige Intermezzoos in Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit-en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van 't buffet zei: "He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!" riep een sjouwerman van 't goederenbureau verontwaardigd uit: "Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?" Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die 't gehoord had.

"Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote-die in dat geval een kale bluf zou schijnen-maar liever ongelezen.

"Vale, faveque

"Amst. 8 febr. 1868. T. T.

"J. v. Lennep."

Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.

De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij Hofdijk's komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.

Chapter 2 No.2

Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat Van Lennep als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd. Busken Huet in 18645 verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw al de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van Van Lennep had geleend en gelezen.

Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patrici?rs op de Keizers- en Heerengrachten, was Van Lennep steeds een welkome gast. Zijne "Idyllen" maakten hem populair bij de studenten, zijne "Legenden" wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene verovering Van Lennep tot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen "de Pleegzoon" verscheen, toen "Ferdinand Huyck," zijn beste roman, "de Roos van Dekama" opvolgde, toen de breed ontworpen "Voorouders" het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen "Lotgevallen van Klaasjen Zevenster" geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.

Van Lennep's romans blijven leven, zoo goed als die van Walter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. "De Pleegzoon" verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent "de(n) Pleegzoon" schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):

"Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn "Pestilentie te Katwijk" heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen...."

De eerste historische roman van Mr. Jacob van Lennep moest twee jaren wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!

Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van 't verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.

De drukken van Van Lennep's historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P. Meijer Warnars weinig oog had op letterkundige kunst. 't Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vier deelen, klein folio, door Nijhoff, Sijthoff en Thieme van 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.

De historische romans van Van Lennep hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, of Van Lennep chronologisch inderdaad onze eerste historische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door "De(n) Pleegzoon" in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsof Van Lennep's eerste roman, tevens de eerste historische roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in zekeren zin juist. Van Lennep schreef in 1827-hij zelf verzekerde het ons reeds-zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw Maria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals "De Pleegzoon,"[komma achter "?] maar eenigen tijd vóór "De(n) Pleegzoon", in 1829 het licht zag onder den titel: "De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal." (Staalgravure van D. Veelwaard). Te Amsterdam bij P. den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.

De poging van Mejuffrouw De Neufville is volkomen dezelfde als die van Mr. J. van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar "Voorberigt," als zij verklaart:

"Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. van Lennep, Over het belangrijke van Holland's grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30e Januarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam al aanstonds de lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de Heer Van Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had."

Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat "de Pleegzoon" en "de Schildknaap" bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraar D. J. van Lennep gaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan Mejuffrouw De Neufville, zooals zij in datzelfde "Voorberigt" vermeldt, als zij getuigt: "Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heer Van Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt."

Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige D. J. van Lennep in dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich "nog niemand" met dit kunstvak in Nederland had "beziggehouden". Tevens blijkt uit het "Voorberigt", dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat "Pleegzoon" en "Schildknaap" beiden uit de school van Sir Walter Scott stammen-Scott, die in 1814 met "Waverley" begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn "Count Robert of Paris" volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen-Maria Jacoba de Neufville en Jacob van Lennep. Scott had den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, Scott was de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.

Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar D. J. van Lennep in 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan "Schildknaap" en "Pleegzoon," maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door J. C. Appenzeller beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: "Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14e eeuw." Amsterdam, 1828. 8o.

Onze Nederlandsche historische roman begint-daar Adriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen-met Mejuffrouw De Neufville en Jacob van Lennep in 1829, om dan onder invloed van dezen laatste-en natuurlijk van diens meester Walter Scott-rijkelijk te bloeien. Van Limburg Brouwer gaf in 1831: "Charicles en Euphorion," in 1838: "Diofanes." Bakhuizen Van den Brink volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de "Muzen," het tijdschrift van Potgieter, Heije en Drost; deze laatste schreef in 1831 zijn "Hermingard van de Eikenterpen;" Oltmans volgde in 1834 met "Het slot Loevestein," in 1838 met "De(n) Schaapherder;" eindelijk verscheen Mejuffrouw A. L. G. Toussaint, met haar "Almagro" (1837), haar "Graaf van Devonshire" (1838) en haar "Lauernesse" (1840).

Stellen wij dus de te veel vergeten De Neufville naast onzen Van Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.

Chapter 3 No.3

De historische romans van Van Lennep hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit-zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling. Van Lennep heeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan Walter Scott, misschien ook aan den ouden Dumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost.

Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman-de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder-somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan "De(n) Pleegzoon," komt terug in de "Roos van Dekama," en is op breede schaal bewerkt in "Klaasjen Zevenster".

Eene zwakheid van Van Lennep's kunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman "Elisabeth Musch", als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw Bosboom-Toussaint boven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten. Van Lennep wil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.

Bij Mevrouw Bosboom-Toussaint ontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bij Van Lennep neemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw Bosboom-Toussaint heeft les défauts de ses qualités, Van Lennep les qualités de ses défauts.

Het best gelukt is zijn "Ferdinand Huyck," een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn "Klaasjen Zevenster" is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles wat Van Lennep zou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader David Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte. Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.

Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.

Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):

"Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen-en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was-was A. R. Falck!-en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in 't licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald-meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). 't Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.-maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet."

Zij, die Van Lennep gekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!

Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studi?n in verband stond. Zijne "Legenden," zijne "Roos van Dekama", zijne "Voorouders" verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester Walter Scott in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.

Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner "Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde," handelende over de middeleeuwen, aanbood:

"Ik las uw boek voor mij zelf met veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.

"Het is een mooie ontdekking.

"Maar ik lees liever Fransch.

"Indertijd, toen ik Curator van 't Gymnasium was, had Hofdijk ook zoo'n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandsche patois en ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studi?n van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde na?veteit er van-'t eenige wat dan nog 't gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.

"Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. 't Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de vorm, de dictie, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar po?tische gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphu?smen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. 't Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar "bloemen"-als Bredero zegt-is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan 't geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken: hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens "Egmond" zien vertoonen. "'t Moet mooi zijn," dacht ik, "omdat het van Goethe is; was 't van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit." Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden."

Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.

In 1867 sprak Van Lennep aldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van "Ferdinand Huyck" en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.

Hadde Van Lennep tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe Renaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat. Van Lennep, schrander en helder ziende in de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige verstandspo?zie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader David Jacobus zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren Shakespere vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleen Boileau en Horatius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voor Walter Scott en Byron bracht hem tot zijne "Legenden" en zijne historische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.

De "groote schrijvers" der eeuw van Louis XIV lagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden van Shakespere en Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over het Leerdicht te spreken.

"Ik zie niet in"-schreef hij mij-"waarom het Leerdicht een banvloek verdient, als gij er over uitspreekt. Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], de Georgica, de Ars poetica ('t zij van Horatius, 't zij van Boileau), de Ziekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:

"Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!"

"en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:

"Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux."

Vader Van Lennep maakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische po?zie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische po?zie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte-mij dunkt deze teekenen der tijden zouden Van Lennep niet al te zeer hebben mishaagd.

Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: "Verdiensten der achttiende eeuw." Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:

"Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. 't Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den Achilles, uit den Monzongo, uit het Beleg van Haarlem, uit den Agon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen po?ten-ten Kate uitgezonderd-om zulke vaerzen te schrijven. 't Is net hier als in Frankrijk, waar men zich-een Victor Hugo aan 't hoofd-volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, 't is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren...."

Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden Van Lennep een antwoord onwaardig keuren.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022