Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > De Kerels van Vlaanderen
De Kerels van Vlaanderen

De Kerels van Vlaanderen

Author: : Hendrik Conscience
Genre: Literature
De Kerels van Vlaanderen by Hendrik Conscience

Chapter 1 No.1

Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.

Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de geloovigen tot een inniger gebed.

Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen en slingerden.

Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze baak konden herkennen....[1]

Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het kronkelend voetpad.

Hij naderde een steenen kruis,-godvruchtige gedachtenis aan eenen dierbaren doode,-leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.

Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen aangaande zijne inborst kon verwekken.

Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.

Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu traden er eenige lieden uit de kerk-en de glimlach verscheen weder op des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.

De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.

Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.

Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.

De lijfeigenen of dienstbare lieden,-die men nog met den akker, waarop zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,-waren gekleed in ongebleekt linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs gingen met armen en voeten naakt.

Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te verbergen.

Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om met haar over iets te spreken.

Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid elkeen met bewondering trof.

Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.

Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong. Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen mond en iets onbestemds in haren gang.

Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest wonen.

Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier onhoorbaar:

"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"

Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge, spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd blonk.

Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan, met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:

"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom! Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange afwezigheid!"[3]

"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf. "Nauwelijks eene maand."

"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.

"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende, "maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."

"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl zijne oogen van blijdschap glinsterden.

En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:

"Gij stemt toe, Dakerlia?"

* * *

Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen.

* * *

"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."

Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van Disdir de Maria-straat in.

Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest bekomen.

Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige ontsteltenis getuigde:

"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een verterend vuur aangegroeid...."

"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo niet tot mij."

"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf. Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"

"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.

"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia, het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u; niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan mijner ziele zaligheid...."

"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene godslastering!"

"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"

"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met ontevredenheid.

"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"

"Ik zou liegen, Disdir."

"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"

"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer kan ik u niet geven."

Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.

Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op zoeteren, doch niet min ontstelden toon:

"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij, maar laat mij hopen!"

"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef en ongeduldig.

"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder genegenheid willen dwingen?"

"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"

"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind durft voeren."

"Hij zelf schonk mij uwe hand."

"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."

Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:

"Dakerlia,-o, folterend vermoeden!-Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"

Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:

"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"

"Nu, durf spreken!"

"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.

"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden, omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens hem zult schitteren...."

"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!"

"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts van hoop!"

"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind blijven hoonen."

"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige gebaren terug in de straat.

De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring had getroffen.

Robrecht Snelhoge!-Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?

Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?

Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de Hoogstraat instapte.

Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.

Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.

Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.

Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel te bewonen.

Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste poortershuizen glinsterden.

Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.

Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge zuster Witta woonde.

Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven, schaamrood worden en den angst haars harten verraden?

Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!

Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar vervolgd als een onverjaagbare droom!

Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden, want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met fierheid op en murmelde in zich zelve:

"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben, mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel dat mij verschrikt...."

Zij wenkte de meid en zeide haar:

"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin Witta ben gaan bezoeken."

Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of jonkver Witta Sneloghe te huis was.

Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof. Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen van haar hart.

De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen leunstoel vooruit.

"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij verplicht waart eene korte wijle te wachten"

Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde tijden had geleefd.

Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze vriendschap was reeds het verleden geworden....

De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine, groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven. Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van rijkdom.

In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.

Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.

Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan de deur der kas aan en opende ze verder....

Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd, dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest bevatten.

Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend ten hemel.

Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand kon worden gehoord:

"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"

Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe, keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.

Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl zij uitriep:

"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve Dakerlia!"

"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch ben ik wel gelukkig u weder te zien!"

"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."

"Treurig? Waarom, vriendinne?"

"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid, niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"

"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche geschiedenis die ik u moet vertellen."

"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"

"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw van Brugge heb gedaan."

"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"

"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en met mij in den hof wandelde...."

"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.

"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te kennen...."

"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta verbaasd.

"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen behouden te Witzand aan."

"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien, Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"

"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."

"Zij zijn dus ook vrije mannen?"

"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7]. Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer weet ik u van hen niet te vertellen."

"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"

"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou varen, gaf mij moed."

"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"

"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."

"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."

"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"

"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel haastig: gij gingt op het schip?"

"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten, gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en, ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel, nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen: arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."

"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het is niet schooner...."

"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan, uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon, ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen, had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."

"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"

"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen. Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."

"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw?"

"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar Lampernisse...."

Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.

"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"

"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ... en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."

"Hemel, wat toch?"

"Haar lijk, Witta!"

Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:

"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en wij zijn allen sterfelijk."

"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend; want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"

"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster, "Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."

"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden, sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"

"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."

"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.-Den avond voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten, vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel. Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te nemen aan deze plechtigheid, die men het doodenmaal noemde. Daarna schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk de doodenminne in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de doodenzoene, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen bestaan."

"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden deelgenomen, Dakerlia?"

"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."

Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.

"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd noch laakbaar vinden."

"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."

"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."

"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"

"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand. De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of acht rondom zich hadden."

"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"

"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk. Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen; zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen, telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene, welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel, beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."

"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.

"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade geesten geworden zijn.-Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo stil op de hofstede alsof er niets was geschied."

"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en woest moeten zijn."

"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."

De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij slechts aan haar wilde afgeven.

Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen. Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:

"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten. Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd hoe het met mijnen broeder gaat."

Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene onduidelijke verschooning.

"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u aan Robrecht te denken."

"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."

"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"

"Ik meen het zoo te hebben verstaan."

"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."

"Hij heeft verdriet? Waarom?"

"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar de reden zijner afgetrokkenheid vraag.-Wel poogt hij dan mij te doen gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden. Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket, de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met Placida Van Woumen te doen trouwen...."

"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonk ver Wulf, sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding op haar te verbergen.

"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."

"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"

"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der rijkste erfgenamen van Vlaanderen."

"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."

"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf verdedigd."

"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"

"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."

"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers vloeit in hare aderen."

Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's stemme, aanschouwde haar twijfelend.

"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."

Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om opwellende tranen te bedwingen.

Zij stond op en zeide:

"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten. Naar huis wil ik gaan."

Witta greep haar de hand en sprak lachende:

"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend nieuws u dermate ontstellen?"

"Robrecht zal ongelukkig zijn."

"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"

"Ja, zeer ongelukkig."

"Waarom?"

"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."

"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."

"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke ziel!"

En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart beklemde.

Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:

"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft niet veel lust om te trouwen."

"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in de oogen.

"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"

"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"

"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."

"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"

"Hij zal toch weigeren."

"Hoe weet gij dit?"

"Hij heeft het gezegd."

"U gezegd?"

"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"

Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep lachend uit:

"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u welkom te heeten."

Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe verscheen in de deur.

Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.

Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:

"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."

De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.

"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"

Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.

"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde voor mij!"

"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta. "Wie heeft het recht om u te dwingen?"

"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was, zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht op mij."

Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op diep ontroerden toon:

"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u, waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen schenken die zij verdient...."

In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op de maagd staren.

"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"

"Hoe kunt gij het weten?"

"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."

Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik, ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja, misschien misdadig voor God!

Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af te breken.

"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit huwelijk dwingt."

Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker deksel met gulden inlegwerk was versierd.

Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.

Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan op pijnlijken toon:

"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o, verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."

Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen rolden, sprak zij snikkend:

"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij ziek worden, verkwijnen, sterven!"

Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen zoen:

"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"

En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:

"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart? Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost, Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan afhangen van een enkel oogenblik."

Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.

Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon overvloediger nog te weenen.

Voetnoten:

[1]

De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare 745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.

LANSSENS aloude staat van Vl., bl. 235

[2]

Men noemde alsdan eene stad eene poort en de burgers poorters.

[3]

Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen sprekende, mher voor mijnheer, ver voor vrouw, jonkver voor jonkvrouw.

[4]

De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk woord gelijkstaat met het Fransch manoir, donjon, castel.

[5]

Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de vermaarde zeehaven Witsant, dus genoemd naar het witte zand der duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje Blankenberghe.

[6]

Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.

[7]

"In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive clavigeri, quos vulgo Colvekerlos nominatos audivimus, in terra Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti tenebantur."

LAMBERTI Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon, uitgegeven door le Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.

[8]

De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge, heette men het Swin.

[9]

Nu de haven van Nieuwpoort.

[10]

Nu Ardenburg.

[11]

In deser wijs so hadden die aren,

Valken en de sperwaren,

Blauwvoeten ende smerlen mede

Al vergadert daer ter stede.

Gedicht van der Vledermuus.

In het nabericht van den Reinaert de Vos, uitgegeven door J.F. WILLEMS, pag. 384.

Bij JOHANNES LEUNIS, Synopsis der drei Naturreiche, t. I, p. 81, wordt deze vogel dus opgegeven: Pandion Haliaetos. L. Flussadler. Fischaar, Entenstosser.... BLEINE BLAU.

[12]

Zie over deze lijkplechtigheden: Overblijfsels van den Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen, J. HUYTENS, Messager des sciences hist. de Gand, année 1860.

[13]

"De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen Kerlingaland noemden." VICTOR DE RODE, Annales du Comité flamand de France, t. VIII, pag. 51

[14]

Scharmasax, scarmsax.

[15]

Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze Drollen J. HUYTTENS, Messag. des sciences de gand, 1860.

J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van Reinaert de Vos, haalt de volgende verzen aan uit eene genouchelijke clute van nu noch:

Ic wil u belesen ende besweren

By cocketoysen, by neckers, by maren

Ende by den drollen....

* * *

Chapter 2 No.2

In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde ze den Burg.

Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.

Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich verhieven.

Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.

Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min p rachtig huis, dat men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.

Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat tot gevangenis diende.

De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas, welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.

Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog lang wederstand konden bieden.

Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.

De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.

Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid, opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de ridders van de hofho uding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.

Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij hunne grondbezittingen hadden.

Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich verhief.

Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.

De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust, waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.

Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.

Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen, dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden van den Staat te verheffen.

Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer machtige Brugsche Kerels aanzien.

Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.

Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche vaandel in Aquitani? te gaan strijden.

De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.

Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.

Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden. Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].

Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte, bemerkte men echter geene de minste pracht.

"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een geestelijken broeder.

"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van den proost?" vroeg de poorter.

"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."

"Wel, vraag gij het hem."

"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en de gramstorigste man der wereld."

"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou kunnen verpletten?"

"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die vervloekte bullekop!"

"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal minzaam mij antwoorden."

Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:

"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er toch gekomen?"

"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder scheen op te klimmen.

"Neen, heer."

"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"

Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de poort der proostdij.

Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten, bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men hier op twee voorname personen.

"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen korten groet had toegestuurd.

"De graaf is terug uit Aquitani?[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen uit Normandi?; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."

Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.

"Waar is de proost?" vroeg hij.

"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds komen."

"En de kastelein?"

"Die is met hem."

Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem kraakte, als ginge hij breken.

"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte Segher Wulf.

"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.

"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"

"De Isegrims komen met hem?"

"Natuurlijk."

"En zijn duivel Tancmar insgelijks."

"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken. Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard, hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"

"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig. "Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen. Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik, Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij nog durft betwisten!"

"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft geschonken", bemerkte Matfried Wegel.

"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten wegschenken?"

"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat die grond der kroon toebehoort."

"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.

"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen", zeide Gerwijn Eekel.

"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."

"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de valsche Isegrims, die hem omringen...."

"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren, die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan. Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent gij dat zij verzadigd zijn?"

"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"

"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.

"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf gepoogd; de oorlog alleen...."

"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar, met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel van eigen waarde.

Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen priester.

Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:

"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandi? verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."

"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste Isegrim...."

"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en blijdschap te verwelkomen."

De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen. Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was, daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den vorst van vijandschap tegen hem te betichten.

Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en alle vrijheid zijns volks.

Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.

"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.

"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitani? vergaan? Mher Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden? Wanneer komt ons leger terug?"

Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:

"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."

Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:

"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."

Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:

"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er bewijzen?"

"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit Aquitani? wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en in eeuwige slavernij zijn gedompeld."

"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze lankmoedigheid...."

"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"

"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: pas de terre sans seigneur, geen grond zonder heer".

"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard. "Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken? Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"

"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de scheede getogen voordat het te laat zij!"

"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!" voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen, tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."

"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard, zooals het een redelijk man betaamt."

Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op zijne spijt.

"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten hebben."

"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:

Wij willen de Kerels doen greinsen,

Al dravende over het velt;

Het 's al kwaad dat si peinsen,

Ic weetse wel bestelt,

Men sal se slepen en hangen,

Haar baart is al te lanc;

Sine connens niet ontgangen;

Sine dogen niet sonder bedwanc."

Een storm van verontwaardigingskreten borst los.

"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!" schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.

"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven en alles tot den opstand bereiden."

"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van Denemarken het land uitjagen!"

"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."

"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Willem Van Loo niet de kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen, terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij, mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."

"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."

"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons heeft."

"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe, "dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der Erembalds ben."

"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik, integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat, namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der meerderheid dezer vergadering?"

Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of antwoordden bevestigend.

"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet rijden...."

"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"

"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te blijven[22]."

"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"

"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend zwaarden."

"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."

"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen aanvaarden."

"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"

"Zeer tevreden."

"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"

"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard leengoederen?"

"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet maken tegen de kuiperijen der Isegrims."

"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."

"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."

"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen. Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom over deze zegepraal.

De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.

Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.

Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:

"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."

"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard, kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te zeggen dat men den voorschepen binnenlate."

De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.

Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.

Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:

"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt...."

"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.

"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"

"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de tijding."

"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.

"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."

"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer voorschepen."

"Inderdaad."

"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"

"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den s toet met alle mogelijke pracht te versieren."

"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u niets anders te zeggen of te raden had."

De voorschepen stond op.

"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.

"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet te gaan."

"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"

"Neen, in den vooravond."

Bertulf schudde het hoofd.

"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de voorschepen verwonderd.

"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims verwachten?"

"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost, dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen, onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af de vrijheid dezer poort geniet[23]."

"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"

"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."

"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer voorschepen?"

"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."

"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"

"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door overspanning brak."

Bertulf greep den voorschepen de hand.

"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van éénen stam."

"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.

"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden, wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"

"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel; en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."

Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.

Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naa r de tafel en mompelde in gedachten:

"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"

Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig gelaat te midden der zaal stond.

"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"

"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.

"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"

"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide Robrecht.

"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne spijt liet vervoeren.

Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.

"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders, dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer verbintenis!"

"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze vrijheid."

"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."

"Uwe ziel?"

"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."

"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij uwe belofte?"

"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"

"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"

"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."

"En rijk en edel geboren?"

"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en afkeer in."

"Waarom toch?"

Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:

"Omdat ik eene andere vrouw bemin."

"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.

"Dakerlia Wulf."

"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."

"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."

"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus bedrogen?"

"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."

"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"

"Dus geene genade voor mij?"

"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."

Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd verheffende:

"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb ge?erbiedigd en bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"

"Niet?"

"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."

"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk voor het Kerlingaland."

"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen wagen voor de vrijheid!"

"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn. Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te brengen, breken wij hunne macht.

Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"

Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen grijzen oom gevestigd.

"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort; "maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met lijken en puinen overdekt worden, en-wie kan het weten?-misschien zal in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn vaderland kon redden!"

Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden van zijnen oom.

Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.

"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen, maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de hand zijner dochter doet u afdalen."

Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.

Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.

"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem, "dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij geene Kerlinne?"

Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.

"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn overbodig."

"Hoe meent gij het?"

"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken, ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."

"Oprecht? Ernstig?"

"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt, oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."

"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!" juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef, haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."

Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:

"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even schuldig zoudt zijn?"

"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het einde te volbrengen."

"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."

"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht vervult, kan wonderen wrochten...."

"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."

Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida gaan.

Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.

Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen. Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid weder.

Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht. Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen en hare arme vriendin te troosten.

Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.

Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde hij treurig in zich zelven:

"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"

En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.

Voetnoten:

[16]

Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS, cronycke, enz., I, pag. 395.

[17]

"Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman, begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."

GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, Collection des Mém. rel. à l'hist. de Fr., tom. VIII, pag. 314.

[18]

Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in Aquitani? met den koning van Frankrijk, zie SUGER, Vie de Louis-le-Gros, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.

[19]

Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die zeer verbaasd of verbluft is: hij staat als van den hamer geslagen.

[20]

"De tol der dienstbaarheid, gezegd half have en Balfaert, ook geheeten beste hooft."

VICTOR DE RODE, Ann. du Comité Fl. de Fr., t. VIII, pag. 145.

[21]

Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen geslachtsboom in Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du Danois par un Bollandiste.

[22]

Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.

[23]

Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had gewoond."

P. BLOMMAERT, Aloude Gesch. der Belgen, pag. 175.

[24]

Die vorm Sher of Ser, alsdan gebruikt, is de genitivus van heer; het is alsof er stond: des heeren Rijkaards steen.

* * *

Chapter 3 No.3

Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen, de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.

Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag. Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.

De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend als op eenen lentedag.

Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel.

De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun raad, als ware zij hier de meesteresse.

Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.

Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog vochtig.

"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet bemoeien, zooals gij het soms doet."

"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher Robrecht Sneloghe roemde?"

"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij zijn lijfeigene lieden,-slaven."

"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.

"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid; gij moet het ootmoedig verdragen."

Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te kunnen worden. Fluisterend zeide zij:

"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen; want ziet gij niet...."

"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst. "Indien men u hoorde, ongelukkige!"

"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?"

"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen met hoegenaamd niets te denken."

"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van verontwaardiging in de oogen.

"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij gaf?"

"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."

"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."

"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta

"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.

"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"

"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou zulke mishandeling niet lang overleven."

"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den mond eener lijfeigene!"

"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."

"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"

"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te zijn."

"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen twijfellach op de lippen.

"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt", wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult begrijpen waarom er nog ee nige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man; als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en bracht met zijne schermzeis-dit is een zwaard-zijnen tegenstrever eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader gedood hebben, zooals het recht en de plicht der Veete het hun oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij, is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."

Er bleef eene wijl stilte.

"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.

"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene geworden."

"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid verloren hebben."

"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken. Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar gezellen, en zij gaan en komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook, moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden. Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen. Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf geen mensch was?"

"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.

"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht Tancmar zulks doen?"

"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."

"Wat dan, Martha?"

"Het bloed spreekt in u."

"Ik begrijp u niet."

"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht Sneloghe is een Kerel geweest."

"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid behoudt."

"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"

"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan het Gilde verbonden."

"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."

"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met blijdschap uit.

"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u gesproken, Brigitta."

"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze jonkvrouw met mher Robrecht...."

De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.

Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk zou dus binnen eenige weken worden gevierd!

Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen, haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.

Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.

Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote, Ver Aldegunda.

Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.

Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide gezellinnen den tuin.

De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan om elk bevel der meesters te ontvangen.

"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten, niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."

"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed, dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden, waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet vroolijk daarom, Placida?"

"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en omhelzen."

"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.

"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne, zoo verre van Brugge!"

Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken. Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen ridder met kommer.

Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:

"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"

Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida en zeide:

"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen, en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken, niet waar?"

"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."

"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."

Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed, dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.

Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde de knaap die tot dan bij de deur had gestaan.

* * *

...Robrecht hief het hoofd op.

* * *

"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij verlangt u te spreken."

"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na den middag te willen wederkeeren."

De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke boodschap moeilijk was.

"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.

"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.

Mher Rijkaard stond met verrassing op.

"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu, Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer zoo spoedig mogelijk tot u weder."

Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.

Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:

"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"

"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."

"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"

"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van Normandi?, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard, onzen graaf te gemoet te gaan?"

"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk terugkeert? Is de oorlog ten einde?"

"De vrede is gesloten."

"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"

"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het mij...."

Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover Tancmar hem ging onderhouden.

"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.

"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen uwe dochter en mher Sneloghe."

"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting. "Dit huwelijk is besloten."

"Besloten?" riep Tancmar.

"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal voltrokken worden."

"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."

"Waarom?"

"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan mishagen."

"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die hem daartoe zoudt aandrijven?"

"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer dochter en voor de eer van uwen naam."

"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."

"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."

"Welnu, wat geeft dit?"

"De Erembalds zijn Kerels."

"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.

"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.

"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren ridder."

"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is slechts eene zaak van tijd."

"Hoe meent gij het?"

"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Galli?, dat is uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in Duitschland, in Itali? en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"

"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze daardoor niet zijn verzwakt."

"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden gedwongen."

"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"

"Met list en geweld."

"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne vrijheid niet meer zou betwisten!"

"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen glimlach.

"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"

"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder mishaagt,-wij zullen er voor zorgen,-dan zal hij onmiddellijk doen wat de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."

"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk niet. Welk ijselijk bloedbad!"

"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend, is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."

"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"

"Ja, zeker."

"Maar onze heer graaf zou het beletten."

"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een min onplooibaar ras bevolken."

Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.

"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!" riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap zijn."

"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt. "Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de vervolving te doen begrijpen?"

"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."

"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."

"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."

"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden glimlach.

"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot aanvaarden."

"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te verbreken?" morde Van Woumen.

"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot den slavenstaat kan gedompeld worden?"

"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."

"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen; gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre op den namiddag."

"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."

Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.

Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden stem:

"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen, de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid; want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en verliet sher Rijkaards Steen.

Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene wijl denkend ten gronde en murmelde dan:

"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had bedrogen? Droeve onzekerheid!"

Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu, om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet ontworpen huwelijk te breken.

Tot Robrecht naderende, zeide hij:

"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt?"

"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt, deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen. Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."

Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide hij:

"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht mij een eind weegs wil vergezellen?"

De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.

Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als om toch iets te zeggen:

"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"

"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van onzen heer graaf."

"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"

En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.

"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd schuddende.

"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.

"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen, zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"

"Ja, mijn vriend."

"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van met treurnis en spijt."

"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der dienstbaarheid op te leggen?"

"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne bedreigde vrijheid te verdedigen."

"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"

"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de laatste onzer in dien strijd bezwijken."

Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld de hand en verwijderde zich.

De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn geest bezwaard door duistere gedachten.

Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.

In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de Spiegelrei bereikte.

Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.

Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.

Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze, welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen. Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het lot hem had gegeven.

Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.

Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.

Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.

Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en trad langzaam tot de steenen bank.

Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen zucht en zeide:

"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"

"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.

"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"

"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."

"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"

"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."

"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan ik niet leven."

Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.

"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."

"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"

"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft jonkver Dakerlia dit verklaard?"

"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"

"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."

Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.

"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het sedert lang. Het is eene andere vrees d ie mij als een venijnige worm aan het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij, integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten; maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"

Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.

Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of van smart in zijne oogen blikkerde.

"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden ontroerd.

"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.

"Ik heb haar inderdaad bemind ..."

"O, hemel! En nu?"

"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga trouwen-"

"Trouwen?"

"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk bereid."

"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een versmachtend gewicht."

"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan, zonder dat wij het zelven wisten ..."

"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van blijdschap.

"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte ons dit geheim."

"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"

"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten verraden."

"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"

"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet lijden. Daarom poog ik u te troosten."

"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."

"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."

"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"

"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het, niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden niet meer zien."

"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.

Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:

"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te komen?"

"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne beloftegift heeft ontvangen."

"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"

"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt. Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia willen getrouwd zien."

Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide hij nog met eene uiterste goedheid:

"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en blijf hopen."

Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna met een zuren lach op de lippen.

"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds. "En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den boezem verscheurt!"

Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in de oogen blonk.

Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.

Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.

"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"

"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"

"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.

"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed. Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer. Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"

Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit teeken zijner ontroering met geweld.

"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"

"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"

"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"

"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt, opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer; ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."

De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en verliet met haast de zaal.

Voetnoten:

[25]

Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke men het zoengeld noemde.

[26]

Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare bescherming te genieten.

[27]

Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde men eene were en den bezitter eenen weerman.

[28]

Morgengave was de gift welke de bruidegom zijne bruid moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke bruidschat.

[29]

Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche leger: SUGER, vie de Louis V, le gros, in de Coll. des mémoires rel. à l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.

* * *

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022