In de Behringstraat.
De Behringstraat, door welke de Behringzee verbonden wordt met de Noordelijke IJszee, is een zeearm van betrekkelijk geringe breedte. Zij ligt in dezelfde richting en op gelijke wijze als het Nauw van Calais gelegen is tusschen het Engelsche Kanaal en de Noordzee, maar is driemaal zoo breed. Van kaap Gris-Nez op de fransche kust tot aan Zuid-Voorland op de engelsche is een afstand van niet meer dan zes of zeven mijlen. Numana in Siberi? ligt ongeveer twintig mijlen van Port-Clarence in Alaska.
De Schoone Zwerfster, na hare laatste halte op de amerikaansche kust verlaten te hebben, zette thans koers naar Numana; het naastbijgelegene punt van het aziatische strand.
Zonder eenigen twijfel zou het voor Cascabel voordeeliger geweest zijn, indien hij de Behringzee in schuinsche richting had kunnen oversteken. Hij had zich dan niet op zulk eene hooge breedte behoeven te begeven en ware een heel eind beneden den poolcirkel gebleven. Zijn koers zou dan ten naasten bij zuidwest geweest zijn, met het eiland Sint Laurens tot eindpunt. Dit is een tamelijk groot eiland, bewoond door verschillende Eskimo-stammen, die even vreedzaam en vriendelijk zijn als de inboorlingen van Port-Clarence. Haren tocht vervolgens voortzettende, zou de karavaan de golf van Anadyr voorbij getrokken en aan kaap Navarino beland zijn, om van daar den rit door de uitgestrekte vlakten van zuidelijk Siberi? te ondernemen. Maar dit zou eene veel langere reis over zee, of om juister te spreken over het ijsveld geweest zijn en daaraan konden groote gevaren en moeilijkheden verbonden zijn. Het is dus duidelijk dat zij de voorkeur moesten geven aan de richting welke hen het spoedigst weder op het vasteland bracht. Daarom werd er geene verandering meer gebracht in hun oorspronkelijk reisplan, hetgeen hierin bestond dat zij rechtstreeks op Numana aanhielden, met het voornemen om op het eiland Diomedes eenigen tijd rust te nemen. Dit eilandje, of liever dit rotsblok, ligt midden in de Behringstraat en is als het ware daar neergelegd om als rustpunt te dienen.
Hadden zij een vaartuig tot hunne beschikking gehad waarop zij den reiswagen met toebehooren hadden kunnen zetten, dan zou Sergius hun wel eene andere richting aan de hand gedaan hebben. Uitgaande van Port-Clarence had hij den steven zuidwaarts gewend naar het Behring-eiland, eene geliefkoosde verblijfplaats voor robben en andere zeedieren. Van daar zou hij naar eene der havens op de kust van Kamschatka, misschien wel naar Petropavlovsk, de hoofdstad dier provincie, overgestoken zijn. Maar een vaartuig bezaten zij niet, en de kortste weg, die hen het spoedigst op den aziatischen wal zou doen aanlanden, was en bleef dus de beste.
De zee heeft in de Behringstraat geen groote diepte. Het is gebleken dat de bodem zich, sedert het ijs-tijdperk, langzaam maar voortdurend heeft opgeheven, zoodat het niet tot de onmogelijkheden behoort dat in eene verre toekomst Azi? en Amerika weder door eene strook land aaneengehecht zullen worden. Dat zou dan de brug wezen, die Cascabel wenschte dat er gemaakt zou worden, of liever een landtong, waarover men van het eene werelddeel naar het andere komen kon. Voor het reizigersverkeer zou dit wel nuttig wezen, maar de scheepvaart zou er slecht mede gediend zijn want de walvischvaarders zouden niet meer in de Noordelijke IJszee kunnen komen. Er zou dan weder een De Lesseps moeten komen om eenen doorgang in de landengte te graven. Maar dat zijn in elk geval dingen waar de achterkleinkinderen van onze verre achterneven zich eerst mede bezig zullen moeten houden.
De hydrographische opnemingen en loodingen in verschillende deelen der Straat hebben aan het licht gebracht dat het vaarwater aan de aziatische kust, langs het Tchouktchi-schiereiland, het diepste is. Daar heeft men den koudwaterstroom die uit het Noorden komt, terwijl daarentegen de warmwaterstroom de amerikaansche kust bespoelt, waar het vaarwater het minst diep is.
Dicht bij het Tchouktchi-schiereiland en het eiland Kolioutchine, in de golf van dien naam, is het schip van Nordenskj?ld, de Vega, twaalf jaren na de gebeurtenissen die wij verhalen, in het ijs vastgeraakt. Het was behouden door de noordoostelijke passage heengekomen en heeft gedurende negen maanden, van den 26sten September 1878 tot den 15den Juli 1879 op deze plek overwinterd.
De Cascabels waren dus op den 21sten October onder vrij gunstige omstandigheden vertrokken. Het was droog, koud weder. De sneeuwstorm had opgehouden, de wind was gaan liggen en een weinig naar het Noorden gedraaid. De hemel vertoonde een eentonig vlak van grauwe wolken. Ternauwernood konden zij vermoeden waar de zon achter dit wolkendak gezocht moest worden; hare in zeer schuinsche richting vallende stralen schenen er nergens doorheen. Op den middag, als de zon het hoogst stond, kwam zij niet meer dan enkele graden boven den gezichteinder.
Vóór dat zij van Port-Clarence vertrokken waren hadden zij eene zeer verstandige afspraak gemaakt, namelijk dat de tocht niet voortgezet zou worden zoodra het donker begon te worden. Het ijsveld was op vele plaatsen met scheuren doorsneden, welke zij niet konden vermijden wanneer zij ze niet zien konden, hetgeen licht aanleiding had kunnen geven tot een ernstig ongeval. Daarom hadden zij de bepaling gemaakt dat zoodra zij niet verder voor zich uit konden zien dan een honderdtal schreden, de rit gestaakt moest worden. Het was beter dat zij desnoods veertien dagen besteedden over de twintig mijlen die zij afteleggen hadden, dan dat zij op den tast verder gingen terwijl zij geen zicht meer hadden.
Het had vierentwintig uren aan één stuk gesneeuwd, zoodat het ijsveld bedekt lag met een dik sneeuwtapijt, dat door de vorst vast en effen gemaakt was. Dit maakte het rijden minder bezwaarlijk, maar het was wenschelijk dat het nu, terwijl zij onderweg waren, niet meer zou gaan sneeuwen. Alles zou dan als van zelf gaan. De eenige hinderpalen welke zij konden ontmoeten, waren ijsschotsen, die op de plaatsen waar de koude en de warme stroom zich kruisen, op elkander gekruid konden wezen. Waar dit het geval was zouden zij eenen omweg hebben te maken, want over zulk een hobbelig en glibberig terrein konden zij de Schoone Zwerfster niet heenkrijgen.
Zooals reeds gezegd is, waren Cornelia, Kayette en Napoleona binnen in den reiswagen gegaan. Teneinde den last zoo licht mogelijk te maken, zouden al de reizigers van het mannelijke geslacht te voet er bij loopen.
Het ijsveld was op vele plaatsen met scheuren doorsneden. (Zie bladz. 3.)
Zij hadden ook eene geregelde marsch-orde bepaald. Jan zou een eind vooruitloopen teneinde den weg te verkennen. Dit was hem goed toevertrouwd; hij had een kompas bij zich, en ofschoon er niet veel vaste punten waren waar hij zijne richting met zekerheid op bepalen kon, wist hij toch vrij nauwkeurig den koers naar het Westen te houden.
Kruidnagel leidde de twee paarden, Vermout en Gladiator, bij den teugel teneinde ze staande te houden als zij soms struikelden; maar zij waren met scherpe hoeven beslagen en stonden dus tamelijk vast op hunne beenen. Bovendien waren er op het vlakke ijs niet veel oneffenheden waar zij tegen op konden tornen.
Naast het rijtuig liepen Sergius en Cesar Cascabel, evenals de anderen in pelzen gewikkeld, met hunne sneeuwbrillen op. Zij kortten zich den weg met druk te praten.
Wat Sander aangaat, dien kwajongen hadden zij geene vaste plaats kunnen aanwijzen, want hij zou er zich toch niet aan gehouden hebben. Hij liep heen en weer, nu voor dan achter, evenals de twee honden; ook speelde hij nu en dan glijbaantje. Maar zijn vader had niet willen hebben dat hij zijne Eskimo-sneeuwschoenen aandeed, wat hem niet weinig verdroot.
-Met die schaatsen, zeide hij, zou ik in een uur of wat aan den overkant zijn.
-Wat zoudt gij daaraan hebben? vroeg Cascabel, onze paarden kunnen toch niet schaatsen rijden.
-Dat moet ik hen nog eens leeren, was het antwoord en de knaap duikelde, uit louter dartelheid, over zijn hoofd.
Intusschen waren Cornelia, Kayette en Napoleona in de keuken bezig. Uit de kachelpijp steeg een kleine rookkolom op, die aanduidde dat het eten al stond te koken. In de goed gesloten vertrekjes van den wagen hadden zij geen hinder van de koude, maar zij moesten voor de voetgangers zorgen. Daarom stond er altijd thee op het vuur en een paar koppen daarvan, met een scheut russischen vodka-brandewijn er in, werden nu en dan naar buiten gestoken.
Voor de paarden hadden zij het noodige voeder medegenomen, bestaande in gedroogd hooi dat zij van de Eskimo's te Port-Clarence gekocht hadden en waar de beesten gretig van aten. De honden, Wagram en Marengo, kregen elandenvleesch zooveel zij lustten.
Bovendien is er op het ijsveld niet zoo'n volslagen gebrek aan wild als men misschien denken zou. Duizenden ptarmigans en wilde eenden werden af en toe door de honden opgejaagd en deze vogels, zoo goed mogelijk klaargemaakt en van hun traanachtigen bijsmaak ontdaan, waren redelijk goed te eten. Maar de provisiekamer van Cornelia was ruimschoots van het noodige voorzien en het werd dus, om geen noodeloos oponthoud te hebben, beter gevonden dat Sergius en Jan gedurende den overtocht hunne geweren met rust lieten.
Duizenden vogels werden door de honden opgejaagd. (Zie bladz. 5.)
Andere dieren, zooals robben, die in deze streken in menigte worden aangetroffen, kwamen zij in de eerste uren volstrekt niet tegen.
Zij waren met goeden moed op weg gegaan, maar het duurde niet lang of de reizigers raakten onder den naargeestigen indruk dien deze onafzienbare vlakte, waar niets te zien was dan witte sneeuw en grauwe lucht, op ieder maken moest. Omstreeks elf uur waren de rotspunten van Port-Clarence en ook het hooge land van kaap Prins van Wales in het geheel niet meer te onderscheiden. Verder dan eene halve mijl afstands konden zij niet voor zich uitzien en er zou dus heel wat tijd verloopen vóór dat zij de Oostkaap en de bergachtige kust van het Tchouktchi-schiereiland in het oog konden krijgen. Dit was jammer genoeg, want als zij deze vaste punten tot richtsnoer hadden kunnen nemen, ware het volgen van de goede richting veel minder bezwaarlijk geweest.
Het eiland Diomedes, dat ongeveer halverwege in de straat gelegen is, bestaat uit eene vlakke rotsachtige massa en steekt in het geheel niet boven den waterspiegel uit. Het is bovendien met sneeuw bedekt en zij konden dus niet te weten komen of zij er op waren voor dat zij de wielen op den harden grond hoorden kraken. Jan had geen anderen gids dan zijn kompas, maar met behulp daarvan wist hij de Schoone Zwerfster, al ging het ook langzaam, toch vrij wel in de goede richting te houden.
Al voortstappende, hadden Sergius en Cesar Cascabel het voortdurend over de omstandigheden waarin zij verkeerden. Hun tocht over den toegevroren zeearm, die hun vrij gemakkelijk had toegeschenen vóór dat zij er aan begonnen en die ook weinig beteekenen zou als zij hem eenmaal achter den rug hadden, bleek nu zij er mede bezig waren alles behalve zonder gevaar.
-Het is toch geen kleinigheid wat wij ondernomen hebben, zeide Cascabel.
-Dat zal wel waar zijn, antwoordde Sergius. De Behringstraat overtetrekken met zoo'n zwaren reiswagen, is iets waar niet ieder aan zou durven denken.
-Wat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius? Als iemand eenmaal het denkbeeld in zijn hoofd gekregen heeft om naar zijn land terug te willen, dan is het een knap man die hem tegenhoudt! Ware het alleen maar te doen om een honderd of wat mijlen af te leggen door het verre Westen of door Siberi?, daar zou ik mijne hand niet voor omdraaien. Dan zou ik ten minste op vasten grond zijn en geen kans loopen om hier of daar in een gat of eene scheur weg te zinken. Maar twintig mijlen over een bevroren waterplas, met eenen wagen en alles wat er bij behoort, is heel wat anders. Ik zou drommels graag willen dat het al achter den rug was! Het bezwaarlijkste, of althans het gevaarlijkste gedeelte van onze reis waren wij dan voorbij.
-Met dat vooruitzicht moet gij u maar troosten, mijn waarde Cascabel. Maar vooral moet gij uw best doen om met de Schoone Zwerfster, zoodra zij aan den overkant is, zoo spoedig mogelijk in de zuidelijke streken van Siberi? te komen. Want de kust te volgen onder de felste winterkoude, zou uiterst gevaarlijk wezen. Te Numana moeten wij terstond in zuidwestelijke richting verder gaan en in het eene of andere bewoonde plaatsje trachten te overwinteren.
-Dat is ook mijn plan, mijnheer Sergius. Maar gij moet wel goed bekend wezen in dit land?
-Ik ken eigenlijk niets anders dan de streek tusschen Jakoutsk en Okhotsk, want die ben ik doorgetrokken nadat ik gevlucht was. Van het gedeelte tusschen de europeesche grens en Jakoutsk weet ik mij niets anders te herinneren dan de onbeschrijfelijke vermoeienissen waar de veroordeelde bannelingen op hunne reis dag en nacht mede te worstelen hebben. Dat is een lijden wat ik mijnen doodsvijand niet toe zou wenschen.
-Maar mijnheer Sergius, hebt gij in het geheel geen hoop meer om in uw land terug te komen, als vrij man wel te verstaan? Zou de regeering dat nimmer toestaan?
-Dat zou alleen dan gebeuren kunnen, was Sergius' antwoord, als de Czaar eene algemeene amnestie verleende, waarin zoowel graaf Narkine als al de andere politieke veroordeelden, die tegelijk met hem verbannen zijn, deelden. Of er omstandigheden zullen voorkomen waardoor dit waarschijnlijk gemaakt zal worden, kan niemand vooruit weten, mijn goede Cascabel.
-Het moet toch treurig zijn, in ballingschap te moeten leven. Het is alsof men uit zijn huis gejaagd is.
-Ja, en dan te moeten leven ver van alles wat men liefheeft; van mijn ouden vader dien ik zoo gaarne nog eens zou willen zien!
-Gij zult hem terugzien, mijnheer Sergius! Vertrouw maar op het woord van een ouden kermisklant, die meer dan eens de toekomst geraden heeft, terwijl hij niets anders deed dan de lieden hun fortuin zeggen. Ik ben overtuigd dat gij met ons te Perm komen zult. Gij zijt immers nu een lid van den troep van Cascabel? Ik moet u noodzakelijk een goocheltoer of wat leeren; dat kan bij gelegenheid te pas komen, zonder nog den goocheltoer te rekenen dien wij de russische politie zullen leveren als wij u onder haar neus in uw land terugbrengen.
Dit was een inval die Cesar deed schateren van lachen. Wat een idee! Graaf Narkine, een russische adellijke heer, zou net als hij met gewichten spelen, op flesschen balanceeren, aardigheden verkoopen tegen een clown en met het centenbakje rondgaan!
Tegen drie uur des namiddags kon de Schoone Zwerfster niet verder. Het was nog wel niet donker, maar het reeds zoo beperkte gezichtsveld werd door een dikken mist nog kleiner gemaakt. Jan keerde om, kwam bij de anderen terug en waarschuwde dat het beste was halt te houden dewijl het al te bezwaarlijk werd den tocht voort te zetten.
Bovendien waren zij op eene plek gekomen waar de stroom, die uit het oostelijke vaarwater komt, zich voelen laat en zooals Sergius voorzien had, was de ijsvlakte hier veel meer ongelijk en hobbelig, hetgeen ondanks de sneeuwlaag duidelijk te merken viel. Het rijden ging met hevige schokken gepaard, de paarden struikelden bijna bij iederen tred en ofschoon ze nog pas een halven dag geloopen hadden, waren zij reeds erg vermoeid.
De karavaan had op dit eerste gedeelte van haren tocht niet meer dan hoogstens twee mijlen afgelegd.
Zoodra de wagen stilstond kwamen Cornelia en Napoleona te voorschijn, zorgvuldig van het hoofd tot de voeten in bont gewikkeld, want het was een plotselinge overgang van tien graden boven het vriespunt binnen, tot tien graden daar beneden buiten den wagen. Kayette, die aan de gure winters in Alaska gewend was, deed echter niet veel moeite om zich tegen de koude te dekken.
-Gij moet u warmer aankleeden, Kayette, zeide Jan. Ge loopt anders gevaar ko? te vatten.
-Ik ben niet bang voor de koude, was haar antwoord. Bij ons, in de buurt van Youkon, worden wij daar wel tegen gehard.
-Het is toch niet voorzichtig, Kayette.
-Jan heeft gelijk, kwam nu Cascabel tusschenbeide. Gij moet iets warms om gaan doen, mijn kwakkeltje. Ik waarschuw je dat ik, als je verkouden wordt, zelf voor dokter spelen zal en dat zal je niet meevallen. Als het niet anders kan snijd ik je hoofd af om te maken dat je niet niezen kunt!
Dat was iets om niet meê te spotten, en de Indiaansche begreep dat er niets ander opzat dan zich ook in het bont te steken.
Het noodige werd gedaan om op deze plek den nacht door te brengen. (Zie bladz. 11.)
Het noodige werd vervolgens gedaan om op deze plek den nacht door te brengen, wat trouwens niet veel om het lijf had. Er was geen bosch in de buurt en dus geen hout te hakken, geen brandstof en dus geen vuur aanteleggen, geen gras en dus niets voor de paarden te snijden, alleen was er de Schoone Zwerfster met al hare geriefelijkheid, hare gezellige vertrekken, hare warme slaapplaatsen en hare tafel die reeds gedekt stond.
Evenwel moest er gezorgd worden dat Vermout en Gladiator het noodige voeder kregen uit den voorraad hooi dien zij uit Port-Clarence hadden medegenomen. Toen dat gedaan was werden de beide paarden geheel in warme dekens gewikkeld en konden zij tot den volgenden dag rust nemen. Ook werden de papegaai in zijne kooi en de aap in zijn hok niet vergeten, terwijl de twee honden zich te goed deden aan gedroogd elandenvleesch, dat hun best scheen te smaken.
Toen de dieren verzorgd waren, gebruikten de reizigers hun avondmaaltijd, of om juister te spreken, want het was nog vroeg op den dag, hun middagmaal waarbij het weder aan eetlust niet ontbrak.
-Ik houd het er voor, merkte Cascabel op, dat het wel voor het eerst zal wezen dat er door fransche reizigers zulk een goed maal midden in de Behringstraat gedaan wordt.
-Dat is wel waarschijnlijk, antwoordde Sergius, maar vóór dat wij een dag of drie, vier verder zijn, hoop ik dat wij weder met elkaar aan tafel zullen zitten, maar dan op den vasten grond.
-Te Numana? vroeg Cornelia.
-Neen op het eilandje Diomedes, waar wij een paar dagen rust zullen houden. Wij komen met den wagen zoo langzaam vooruit, dat het op zijn minst eene week zal duren voor dat wij het aziatische strand kunnen bereiken.
Toen de tafel afgenomen was, dacht niemand meer aan iets anders dan om naar bed te gaan, al was het ook nog pas vijf uur op den middag. Het was een aangenaam vooruitzicht na een vermoeienden marsch van eenige uren over een ijsveld, een langen nacht op een goed bed onder warme dekens te liggen. Cascabel vond het niet eens noodig eenige voorzorg te nemen voor de veiligheid gedurende den nacht, want er was in deze eenzaamheid geen gevaar voor kwaad volk. De honden waren waaksch genoeg om bij het minste teeken van onraad de slapers in de Schoone Zwerfster wakker te maken.
Intusschen stond Sergius toch nog een paar maal in den nacht op om zich te overtuigen dat er geen verandering in den toestand van het ijs kwam, hetgeen bij eene daling in de temperatuur licht het geval had kunnen zijn en waarover hij zich het meest ongerust maakte. Maar het weer bleef bestendig, de wind was noord-oost en niet bijzonder sterk.
Den volgenden ochtend werd de tocht onder dezelfde omstandigheden voortgezet. Er gebeurde niets bijzonders en zij hadden eigenlijk van niets hinder als van de vermoeienis. Zij legden drie mijlen af, maakten toen weder halt en brachten den tweeden nacht door even als den eersten.
Den daarop volgenden dag, dat was de 23ste October, konden zij niet vóór negenen op marsch gaan en toen was het nog maar nauwelijks licht genoeg.
Sergius merkte op dat het minder koud was geworden. In het noordoosten pakten eenige wolken zich aan den gezichteinder samen. De thermometer ging een weinig naar boven en ook de drukking van de lucht werd, blijkens den barometer, iets minder.
-Dat bevalt mij maar half Jan, zeide Sergius. Zoo lang wij op het ijsveld zijn, mogen wij niet klagen wanneer het kouder wordt, maar de wind begint te draaien en nu gaat ongelukkig de barometer ook naar beneden. Het ergste wat ons overkomen kan is dat het minder koud wordt. Let dus vooral goed op het ijs Jan, houd op alles het oog en denk er aan dat gij ons waarschuwen moet zoodra gij iets bespeurt dat niet in den haak is.
-Wees maar gerust, mijnheer Sergius.
Ware het eene maand later geweest, dan zou er vóór April weinig kans bestaan hebben op eene verandering als waar Sergius zich ongerust over maakte. De vorst zou dan voorgoed ingetreden zijn, maar dit jaar was het een late winter en zooals gewoonlijk bij de verandering der seizoenen, kon het gebeuren dat het nog eenigen tijd bij afwisseling ging dooien, waardoor op de eene of andere plaats het ijs weder los kon raken. Het ware veel beter geweest wanneer de thermometer, zoolang zij in de Straat waren, een vijf-en-twintig of dertig graden beneden het vriespunt gebleven was.
Toen zij eindelijk op marsch gingen was het nog maar weinig licht. De laag staande zon was niet in staat de dikke nevellaag te doorboren. Bovendien kwamen er aan den horizont een menigte lange, smalle wolken opzetten, die door den zuidelijken wind langzamerhand naar het Noorden gejaagd werden.
Jan liep vooruit, het oog onafgebroken gericht op de sneeuwlaag die sedert den vorigen dag een weinig weeker geworden was en waar hij met iederen stap een eindje in zakte. Zij kwamen dezen dag niet meer dan twee mijlen verder. De nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.
Den volgenden dag, den 24sten braken zij te tien uur op. Sergius begon zich nu werkelijk ongerust te maken, want hij had bevonden dat de temperatuur opnieuw hooger geworden was, hetgeen in dezen tijd van het jaar, op deze breedte, iets zeer ongewoons moest zijn.
Cornelia, Napoleona en Kayette wilden, nu het minder koud was, ook liever te voet den wagen volgen. Met hare eskimo-laarsjes aan de voeten, hielden zij de anderen zonder moeite bij. Zij hadden allen hunne sneeuwbrillen opgezet en raakten spoedig gewend om door de nauwe spleet, die in deze oogkleppen aangebracht is, heen te zien. Sander vond het wel zoo pleizierig dat zij nu met hun allen wandelden; hij sprong en buitelde als een jonge reebok en het was alsof hij van geen vermoeienis wist.
De wagen kwam echter niet dan uiterst langzaam vooruit. Diep zakten de wielen in de weeke sneeuw en het trekken werd hoe langer hoe bezwaarlijker. Telkens als de banden tegen de scherpe kanten der schotsen en tegen de bobbels op het ijs stootten, kwamen er hevige schokken die onmogelijk te vermijden waren. Ook werd de weg nu en dan versperd door hooge ijsblokken die op elkander gekruid waren. Om deze te ontwijken moesten zij dan telkens een grooten omweg maken. Dit maakte echter alleen den tocht wat langer en het was beter dan dat er kloven of hooge ijsruggen in den weg gekomen waren. De stevigheid van het ijsveld liet voor het oogenblik nog niets te wenschen over.
Maar de thermometer bleef naar boven gaan en met dezelfde regelmatigheid daalde de barometer. Sergius kon zijne vrees niet langer verbergen. Kort vóór den middag waren de vrouwen genoodzaakt weder in den wagen te gaan, want het was hard gaan sneeuwen, met lichte doorschijnende vlokken, die er uitzagen alsof zij op het punt van smelten waren. Het had er veel van alsof er hoog in de lucht eene vlucht vogels zweefde, die onophoudelijk hunne lichte vederen kwijt raakten.
Cesar vroeg aan Sergius of hij ook niet liever in de Schoone Zwerfster wilde gaan, maar deze verkoos dit niet. Hij wilde zich niet onttrekken aan de ongemakken die zijne reisgenooten te verduren hadden. De half gesmolten sneeuw die in zulk eene dichte massa nederviel, gaf hem nieuwe reden tot ongerustheid want deze natte laag moest het ijs hoe langer hoe weeker maken. Het was te wenschen dat zij zoo spoedig mogelijk op het eiland Diomedes kwamen.
Zij mochten echter niet dan met de uiterste behoedzaamheid voortrijden. Sergius besloot daarom zich bij Jan te voegen, die nog steeds een honderd passen vooruit liep, terwijl Cascabel en Kruidnagel samen de paarden bij den teugel leiden. Die dieren gleden onophoudelijk uit. Als er een ongeluk met den wagen gebeurde zouden zij dien op het ijsveld achter moeten laten, en wat er dan van hunzelven worden moest was niet te voorzien.
Naast Jan loopende deed Sergius zijn best om met zijnen kijker zoo ver mogelijk voor zich uit te zien naar het Westen, maar het gezichtsveld was onder de sneeuwbuien uiterst begrensd. Zij gingen bijna op den tast verder en zeker zou Sergius reeds lang halt geroepen hebben indien hij niet gevreesd had dat het ijs misschien niet sterk genoeg zou blijken om den wagen langen tijd op een en hetzelfde punt te dragen.
-Het moge gaan zooals het wil, zeide hij, maar wij moeten zien dat wij van daag nog op Diomedes komen en daar des noods afwachten dat het weder gaat vriezen.
-Hoe ver rekent gij dat wij nog van het eiland af zijn? vroeg Jan.
-Ik denk ongeveer anderhalve mijl. Het blijft nog een paar uren licht, ten minste helder genoeg om te zien dat wij in de goede richting gaan. Wij moeten dus het uiterste wagen om er te komen vóór dat het geheel donker wordt.
-Zou het niet goed zijn, mijnheer Sergius, dat ik nog een eind verder vooruit liep om te zien of ik het eiland niet in het gezicht kan krijgen?
-Neen Jan, dat niet! Ge zoudt gevaar loopen in dit stormweer te verdwalen en dan waren wij nog veel verder van den weg. Wij moeten zien dat wij op het kompas afgaan, want wanneer wij het eiland Diomedes aan den eenen of aan den anderen kant voorbijliepen, weet ik waarlijk niet wat er van ons terecht moest komen.
-Hoort gij dat, mijnheer Sergius? riep Jan op eens, nadat hij eenige oogenblikken voorover gebukt had geloopen.
Sergius bukte zich ook en luisterde. Hij hoorde duidelijk dat het ijs in alle richtingen kraakte, met een geluid als van glas dat barst. Kon dit een teeken zijn dat het losraakte, of op enkele plaatsen scheurde? Intusschen was er op de oppervlakte, zoo ver zij zien konden, nog geen enkele barst te ontdekken.
Hun toestand werd nu hoogst bedenkelijk. Onder deze omstandigheden den nacht op het ijs doortebrengen, kon de ergste gevolgen hebben. Het eilandje Diomedes was hun eenige toevluchtsoord; daar hadden zij ten minste vasten grond onder hunne voeten; zij moesten er dus zien te komen al ging het met nog zooveel vermoeienis gepaard. Bitter berouwde het Sergius thans dat zij nog niet eenige dagen later van Port-Clarence waren opgebroken.
Hij keerde met Jan naar den wagen terug en bracht Cascabel op de hoogte van den stand van zaken. Zij vonden het echter beter er de vrouwen vooreerst nog niets van te laten merken, want die zouden zich ongerust maken zonder dat het iets baten kon. Zij lieten haar dus rustig in den wagen zitten en begonnen met hun allen aan de wielen te duwen, teneinde de paarden, die bijna niet verder konden en wien het zweet onder de snerpende windvlagen langs de zijden gudste, het werk lichter te maken.
Tegen twee uur werd de sneeuwjacht minder en vielen er nog maar losse vlokken die in den storm wild door elkaar dwarrelden. Het werd nu gemakkelijker de goede richting te houden en zoo hard zij konden duwden zij het rijtuig voort. Er was geen sprake meer van om halt te houden zoo lang de Schoone Zwerfster niet veilig op het eiland Diomedes stond.
Volgens hunne raming kon dit nu niet verder meer dan eene halve mijl wezen. Als zij hunne laatste krachten inspanden zouden zij er misschien over een uur kunnen komen.
Ongelukkig werd het reeds zoo flauwe daglicht hoe langer hoe zwakker, zoodat het nu niet veel meer was dan eene schemering. Of zij werkelijk in de goede richting waren en veilig aldus konden voortgaan, konden zij onmogelijk bepalen.
Op dit oogenblik begonnen de honden beide te gelijk hevig te blaffen. Bespeurden zij eenig onraad? zouden zij misschien de eene of andere bende Eskimo's of Tchouktchi's, op weg naar den overkant, tegenkomen? Mocht dit het geval zijn, dan wilde Sergius hunne hulp inroepen en in elk geval kon hij dan met zekerheid te weten komen waar het eiland lag.
Intusschen werd er een raampje van den wagen opengemaakt. Cornelia vroeg wat er aan de hand was, daar zij Wagram en Marengo zoo te keer hoorde gaan.
Het antwoord luidde dat niemand het wist, maar dat er geen reden was om zich ongerust te maken.
-Moeten wij uit den wagen komen? vroeg zij.
-Neen, Cornelia, zeide Cascabel. Gij en de meisjes moet blijven waar ge zijt. Ge hebt hier niets te maken.
-Maar kunnen de honden geen beesten geroken hebben, geen beer misschien?
-Welnu, als dat het geval mocht zijn dan zullen wij ze naar behooren ontvangen. Houd de geweren maar gereed. Maar vooral, blijf binnen!
-Doe het raampje dicht, juffrouw Cascabel, zeide Sergius. Wij hebben geen oogenblik te verliezen. Wij moeten maken dat wij voortkomen.
De wagen was stil blijven staan toen de honden waren begonnen te blaffen. De zware tocht werd voortgezet.
Gedurende een half uur kwam de Schoone Zwerfster een weinig gemakkelijker vooruit, want de oppervlakte van het ijs werd minder hobbelig. De paarden waren uitgeput, zij lieten hunne koppen hangen, hunne knie?n knikten bij elken stap, maar zij trokken nog wat zij konden. Het was duidelijk dat zij hunne laatste krachten inspanden, maar als het nog eenigen tijd zoo voort moest gaan zouden zij er bij neervallen.
Het was bijna duister geworden. Het weinige licht dat er nog was, scheen meer van de grauwe ijsvlakte beneden, dan van boven te komen.
Nog altijd bleven de honden blaffen, zij renden heen en weder, den neus in den wind, de staarten rechtstandig en onbewegelijk.
-Er moet iets bijzonders vóór ons uit zijn, zeide Cascabel.
-Het is het eiland Diomedes! riep Jan op eens.
Hij wees met de hand naar een verwarden hoop rotsen, die op een honderd of wat passen meer naar het westen zichtbaar begon te worden.
Het scheen dat Jan gelijk had, want op de vale, met sneeuw bedekte verhevenheid vertoonden zich enkele zwarte stippen, die scherp tegen den witten achtergrond afstaken.
-Dat moet werkelijk het eiland zijn, meende Sergius.
-Maar het is alsof ik die zwarte punten heen en weer zie gaan, riep Cascabel.
-Wat zegt gij daar?
-Wel zeker!
-Dat zijn misschien robben, die soms bij duizenden te gelijk op die eilanden te vinden zijn.
-Bij duizenden te gelijk? vroeg Cascabel.
-Wel patroon, riep Kruidnagel, dat zou een fortuintje zijn als wij er een stuk of wat machtig konden worden om die op de kermissen te laten kijken!
-Ja, en dan moesten wij ze "papa!" leeren zeggen, voegde Sander er bij.
De onbezorgde aard van dit kermisvolk verloochende zich toch geen oogenblik!
Tusschen twee stroomen.
Eindelijk stond de Schoone Zwerfster dus weder op vasten grond en was er geen gevaar meer dat het ijs onder haar weg zou zinken. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe blijde onze reizigers waren, dat zij zich ten minste in dit opzicht in veiligheid bevonden.
Het was nu geheel donker geworden, alles werd op dezelfde wijze ingericht als de vorige nachten en zij kozen hunne verblijfplaats op eenige honderd schreden van het strand. Eerst werden de beesten verzorgd en vervolgens de "denkende passagiers" zooals Cascabel gewoon was te zeggen.
De koude was naar omstandigheden niet erg. De thermometer stond een graad of vier boven het vriespunt, maar dit kwam er thans minder op aan, want zoo lang zij zich op het eiland bevonden kon eene verdere daling der temperatuur hen niet deren. Zij wilden wachten tot het weer zou gaan vriezen en het ijs zijne vroegere stevigheid terug zou krijgen; zeker kon het niet heel lang duren of de winter zou zich in zijne volle strengheid doen voelen.
Sergius besloot tot den volgenden dag te wachten om het eiland nauwkeuriger optenemen. Het kwam er voor het oogenblik het meest op aan dat de paarden goed bezorgd werden en stevig voêr kregen, want de dieren konden letterlijk geen stap meer doen. Toen daarin naar behooren voorzien was, werd de avondmaaltijd gebruikt en daarna kropen zij allen onder de dekens, wat hun na de geweldige vermoeienissen van dezen dag dubbel aangenaam was.
In de Schoone Zwerfster verkeerde alles dus spoedig in de diepste rust. Cornelia sliep als de anderen, zonder te droomen van scheuren in het ijs of van afgronden, waar hare rollende woning in weg kon zinken.
Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden, dat was dus op den 25sten October, gingen Cesar en zijne twee zonen met Sergius een onderzoekingstocht over het eiland maken.
Het eerste wat hunne aandacht trok, was de letterlijk ontelbare menigte robben, die op dit eiland verblijf schenen te houden. Dit waren allen zoogenaamde pelsdragende robben, die om het kostbare bont, waarmede zij bedekt zijn, groote waarde bezitten. In dit gedeelte van de Behringzee, en zuidelijker tot ongeveer den vijftigsten graad noorderbreedte, worden deze dieren het meest, gewoonlijk in talrijke kudden, aangetroffen.
Wanneer men het oog slaat op de kaart, zal men terstond opmerken dat de tegenover elkander liggende kusten van Amerika en van Azi? in vele opzichten denzelfden vorm hebben. Aan weerskanten is het strand scherp geteekend en volgt het bijna dezelfde lijn: tegenover het Prins-van-Walesland ligt het Tchouktchi-schiereiland; tegenover de Norton-Sond bevindt zich de golf van Anadyr; de uiterste punt van Alaska beschrijft ongeveer dezelfde bocht als het schiereiland Kamschatka. Aan het einde dezer kustlijnen liggen de Aleoeten-eilanden in eene lange reeks uitgestrekt. Evenwel volgt daar volstrekt niet uit, zooals men misschien veronderstellen zou dat Amerika en Azi? in een vroeger tijdperk der geologische formatie aan elkander vastgezeten hebben en dat de Behringstraat ontstaan zou kunnen zijn door eene scheuring der beide werelddeelen. Immers de uitstekende punten van de eene kust komen niet overeen met de inspringende hoeken aan den overkant.
Eene menigte eilanden vertoont zich op de kaart. Vroeger hebben wij het eiland Sint Laurens reeds genoemd. Dan is er aan den kant van Amerika het eiland Nounivak en aan den kant van Azi? het eiland Karaghniskii. Vervolgens het Behring-eiland, waar het Koper-eilandje vlak bij ligt en eindelijk, niet ver van de kust van Alaska, de Pribyloff-eilanden. Evenals het strand aan weerszijden dus dezelfde gedaante heeft, liggen de eilandengroepen nagenoeg in gelijke verhouding verspreid.
De ontelbare menigte robben op het eiland. (Zie bladz. 18.)
Nu zijn het juist de Pribyloff-eilanden en het Behring-eiland waar de robben, die in deze zee?n rondzwemmen, het meest hare toevlucht zoeken. Niet bij duizenden, maar bij millioenen worden zij er aangetroffen. De jagers die deze dieren trachten te bemachtigen, vervolgen hen dan ook voornamelijk op en in de nabijheid van deze eilanden. Door de aanhoudende jacht die er op gemaakt wordt is onder anderen eene soort, welke in de vorige eeuw nog zeer talrijk was en onder den naam van zee-otters of bevers bekend stond, tegenwoordig zoo goed als geheel uitgestorven.
Onder de eigenlijke robben worden een aantal soorten verstaan, die aangeduid worden met de namen van verschillende dieren met welke zij in hun uiterlijk eenige overeenkomst vertoonen. Zoo zijn er zee-leeuwen, zee-koeien, zee-beren en anderen. In ontelbare koloni?n hoopen zij zich op de eilanden op en voorzoover men na kan gaan, bestaat er nog geene kans dat zij ooit uitgeroeid zullen worden. Maar de onverzadelijke gouddorst der menschen ontziet niets, en moeielijk is het te zeggen wat daar op den duur het gevolg van kan zijn.
Zoo lang de vorst het niet geheel onmogelijk maakt, worden zij meedoogenloos opgejaagd en afgemaakt tot in hunne meest afgelegen schuilhoeken. In groote hoopen zijn zij daar bijeen, zoodat er eene ontzettende slachting onder wordt aangericht, waarbij voornamelijk de volwassen dieren het moeten ontgelden. Alleen door dat deze dieren zich zoo verbazend snel voortplanten en zoo onbegrijpelijk vruchtbaar zijn is het te verklaren dat zij niet geheel uitgeroeid worden.
In het tijdsverloop tusschen de jaren 1867 en 1880 zijn er, alleen in hunne schuilhoeken nabij het Behring-eiland, driemaalhonderd achtentachtigduizend negenhonderd twee?nnegentig robben gevangen en gedood. In den tijd van eene eeuw rekent men dat de visschers van Alaska op de Pribyloff-eilanden meer dan drie en een half millioen robbenvellen meester zijn geworden. De jaarlijksche vangst wordt tegenwoordig op honderdduizend vellen geschat.
Hoevele er op de andere eilanden in de Behringzee te vinden zijn, konden Sergius en Cascabel eenigszins opmaken uit hetgeen zij op het eiland Diomedes te zien kregen. De geheele bodem was bedekt met robben, in hoopen bij elkaar en als eene verwarde menigte dooreen krieuwende, zoodat er van het sneeuwtapijt waar zij rustig verblijf op hielden, bijna niets meer te zien was.
Onze reizigers keken met nieuwsgierige blikken naar deze beesten, maar zij bleven zelven ook niet onopgemerkt. Het was vrij duidelijk merkbaar dat de robben het niet pleizierig vonden dat er vreemde bezoekers op hun toevluchtsoord waren aangeland. Zij gingen niet voor hen uit den weg en lieten telkens een langgerekt brullend geluid hooren, dat niet juist vriendschappelijk klonk. Dan richtten zij zich ook overeind en sloegen met eene soort van woede hunne pooten, of liever hunne waaiervormig uitgespreide zwemvliezen heen en weder.
Hoe jammer voor Sander dat geen van deze beesten praten kon! Wat een lawaai zou het geweest zijn als zij "papa" hadden kunnen zeggen en als zij allen tegelijk dat woord over hunne met stijve knevels bezette lippen hadden doen komen!
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Sergius noch Jan er over dacht om onder deze overweldigende menigte op de jacht te gaan. Het was wel waar, zooals Cesar Cascabel opmerkte, dat er hier een fortuin van "wandelend bont" op elkaar gestapeld was, maar ze op te jagen zou niet alleen nutteloos geweest zijn, want de jagers zouden hunnen buit toch niet mede hebben kunnen nemen, maar het zou ook hoogst gevaarlijk hebben kunnen worden. In zulk eene menigte bijeen, waren deze beesten alles behalve weerloos en zeker konden zij het verblijf van de Schoone Zwerfster onmogelijk maken. Sergius waarschuwde dan ook dat er niets gebeuren mocht waar de robben van hadden kunnen schrikken.
Intusschen was het de vraag of de aanwezigheid van zulk eene menigte zeebewoners op het eiland niet iets te beduiden had, waar onze reizigers rekening mede moesten houden. Wat kon de reden zijn dat deze dieren, op eene rots waar niets voor hen te halen viel, bij instinct eene toevlucht waren komen zoeken?
Sergius, Cesar Cascabel en zijn oudste zoon hielden hierover een ernstig onderhoud, waartoe zij midden op het eiland, op eenigen afstand van den wagen, bij elkander kwamen, terwijl de vrouwen in de huishouding bezig waren en Kruidnagel met Sander voor de dieren gingen zorgen.
Sergius leidde het gesprek in.
-Waarde vrienden, zeide hij, wij moeten er eens over praten of het beter is het eiland te verlaten zoodra de paarden genoeg zijn uitgerust, dan wel of wij hier nog eenigen tijd moeten blijven.
-Mijnheer Sergius, antwoordde Cesar Cascabel, het komt mij voor dat wij hier op deze rots niet de aardigheid moeten vertoonen om voor Robinsons te spelen. Ik wil niet ontkennen dat ik er hard naar verlang om den wal van Siberi? onder mijne zolen te hebben.
-Dat begrijp ik heel goed, vader, hernam Jan, maar het is toch ook raadzaam dat wij een weinig voorzichtiger te werk gaan dan wij gedaan hebben toen wij onzen tocht over het ijs hebben aangevangen. Ware dit eilandje er niet geweest, wat ware er dan van ons terecht gekomen? Wij zijn nog wel tien mijlen van Numana af.
-Welnu Jan, als wij ons best doen, kunnen wij misschien in twee of drie dagreizen dat eind achter den rug hebben.
-Dat zou moeielijk gaan, antwoordde Jan, zelfs al liet de toestand van het ijs niets te wenschen over.
-Het komt mij voor dat Jan gelijk heeft, merkte Sergius op. Het spreekt van zelf dat wij allen evenveel haast hebben om de Straat over te zijn, maar met zulk eene buitengewoon lage temperatuur ben ik huiverig om den vasten wal te verlaten. Het is nu duidelijk dat wij te vroeg van Port-Clarence vertrokken zijn, laat ons oppassen dat wij van het eiland Diomedes weggaande dezelfde fout niet maken. Het lijkt mij eene uitgemaakte zaak dat de Straat nog niet over haar geheele breedte eene vaste ijsmassa geworden is.
-Daar komt zeker dat kraken van daan dat wij gisteren nog in het ijs gehoord hebben, voegde Jan er bij. Daaruit kunnen wij opmaken, dat het nog niet geheel en al vastgevroren is.
-Dat is zeker een bewijs, hernam Sergius, maar het blijkt nog uit iets anders.
-Waaruit dan?,vroeg Jan.
-Uit iets dat mij haast nog meer afdoende lijkt, namelijk uit de duizenden robben, die ongetwijfeld door hun instinct gedreven hier op dit eilandje eene toevlucht zijn komen zoeken. Hoogstwaarschijnlijk zijn zij uit volle zee komende, op weg gegaan naar het Behring-eiland of de Aleoeten-eilanden, maar hebben zij onderweg eene verandering voelen aankomen waardoor het voor hen niet geraden werd op het ijsveld te blijven. Dreigt het ijs los te raken onder den invloed der lagere temperatuur, of is er misschien eene of andere onderzeesche storing der aardkorst op handen, waardoor de ijslaag in stukken gebroken zal worden? Daar weet ik niets van, maar dit is zeker, dat even als wij haast hebben om op de Siberische kust te komen, deze beesten verlangend moeten zijn naar hunne schuilplaatsen op het Behring-eiland of de Aleoeten-eilanden, en dat zij niet hier op Diomedes zullen blijven hangen wanneer zij daarvoor niet zeer dringende redenen hebben.
-Wat raadt gij ons dus aan, Mijnheer Sergius? vroeg Cesar Cascabel.
-Ik zou denken dat wij hier moeten blijven zoo lang de robben niet uit zichzelf het eiland verlaten en ons daardoor als het ware te verstaan geven dat het gevaar voorbij is.
-Drommels, dat is een tegenvaller!
-Het is toch zoo heel erg niet vader, antwoordde Jan. Ik mag lijden dat wij op onze reis geen grooter teleurstellingen te wachten hebben.
-Bovendien kan het niet lang meer duren, voegde Sergius er bij. Wel hebben wij dit jaar een bijzonder laten winter, maar het is nu toch al einde October en al staat de thermometer op het oogenblik nog pas op het vriespunt, hij kan in een enkelen dag een graad of twintig naar beneden gaan. Draait de wind naar het Noorden, dan wordt het ijs zoo stevig alsof wij op den vasten wal staan. Alles wel beschouwd houd ik het er dus stellig voor dat wij hier niet vandaan moeten gaan zoo lang er niets gebeurt waardoor het verblijf ons onmogelijk gemaakt wordt.
Dat was minst genomen het voorzichtigst. Er werd dus besloten dat de Schoone Zwerfster op het eiland Diomedes vertoeven zou, tot zoo lang de overtocht naar Siberi? door de ingevallen vorst veilig ondernomen kon worden.
In den loop van den dag namen Sergius en Jan den granietklomp, waarop zij eene toevlucht gevonden hadden, in bijzonderheden op. Het eiland is drie kilometer in omtrek. Ook des zomers is het niet mogelijk dat er iets hoegenaamd op groeit, want het is niets dan een opeengestapelde hoop rotsen. Het zou dus bij uitnemendheid geschikt zijn om den middenpijler van de brug te dragen, die moeder Cascabel zoo gaarne willen zou dat over de straat gelegd zou worden. Maar om daartoe te komen zouden de russische ingenieurs eerst op het denkbeeld moeten komen om de twee werelddeelen aan elkander vast te koppelen, hetgeen juist het tegenovergestelde is van het werk dat de heer De Lesseps het liefst verricht.
De wandelaars droegen de meest mogelijke zorg om de robben niet op te jagen of te doen schrikken, maar het was duidelijk genoeg dat alleen de aanwezigheid van menschen oorzaak was dat de beesten niet op hun gemak en in eenen staat van buitengewone opgewondenheid waren. De grootste mannetjes lieten aanhoudend een schor gebrul hooren en deden al hun best om hunne talrijke jongen bij elkaar te houden. Dit ging niet heel gemakkelijk, want ieder mannetje houdt er verscheidene wijfjes op na, zoodat een veertig of vijftig jongen dikwijls met hun allen maar één vader hebben.
De onvriendelijke houding der robben maakte Sergius eenigszins ongerust, vooral omdat hij meende optemerken dat zij in de nabijheid van den wagen in troepen bij elkaar begonnen te komen. Zoolang zij met niet meer dan een van die beesten te doen hadden, bestond er niet het minste gevaar, maar tegenover zulk eene menigte was dit het geval niet. Als de robben geen lust hadden om de vreemde gasten, die hun het rustige verblijf op het eiland kwamen betwisten, langer daarop te dulden, zouden zij dit zonder eenigen twijfel onmogelijk kunnen maken. Jan begon het ook in te zien en hij zoowel als Sergius vond daarin opnieuw eene reden om op hunne hoede te zijn.
Gedurende den dag gebeurde er echter niets bijzonders, alleen wakkerde de wind, die uit het Zuidoosten woei, hand over hand aan. Het werd duidelijk dat er een zware storm in aantocht was, misschien een dier orkanen die nu en dan de poolstreken teisteren en dikwijls verscheidene dagen aanhouden. De barometer stond buitengewoon laag en was tot ongeveer 720′ gedaald, hetgeen mede een geweldige storing in den dampkring scheen te voorspellen.
De nacht liet niets goeds verwachten. Daarbij kwam dat zij, nadat allen in de Schoone Zwerfster eene toevlucht gevonden hadden, daarbuiten een voortdurend gebrul hoorden dat zich met het gehuil van den storm vermengde en hen onheilspellend in de ooren klonk. De robben waren meer en meer in de nabijheid van den wagen gekomen en omsingelden dien bijna. De paarden hinnikten van angst, alsof zij bang waren dat zij aangevallen zouden worden, terwijl Wagram en Marengo voortdurend blaften zonder dat de robben zich daar iets hoegenaamd aan stoorden. De paarden moesten losgemaakt en dichter bij den wagen gebracht worden teneinde er gemakkelijker het oog op te houden. De geweren en revolvers werden geladen, maar Sergius waarschuwde om niet dan in den uitersten nood te schieten.
Het was een stikdonkere nacht, zij konden niets meer onderscheiden en staken dus de lantarens op, maar ook dit baatte weinig. Het weinige licht dat zij verspreidden maakte alleen dat de robben beter te zien waren, die nu bij duizenden in rijen rondom de Schoone Zwerfster geschaard lagen. Het was maar al te duidelijk dat de beesten zoodra het licht werd van zins waren eenen aanval op den wagen te doen.
-Als zij op ons afkomen, zeide Sergius, zijn wij ten eenenmale weerloos, wij hebben alle kans dat zij ons de baas zijn.
-En wat moeten wij dan beginnen? vroeg Jan.
-Wij moeten maken dat wij wegkomen.
-Wanneer? vroeg Cascabel.
-Zonder een oogenblik te verliezen!
Er viel niet aan te twijfelen of dit was het eenige dat hier tegenover dit onverwachte gevaar te doen stond. Zij moesten van het eiland af, er viel niet aan te veranderen. Naar alle waarschijnlijkheid hadden de robben geen andere bedoeling dan de indringers uit hunne schuilplaats weg te jagen. Eenmaal op het ijsveld, zouden zij geen gevaar loopen verder door de beesten vervolgd te worden. Zich met geweld te verzetten zou erger dan onvoorzichtig geweest zijn. Wat konden zij, met enkele geweren en revolvers, uitrichten tegen een leger van zooveel duizenden robben?
Als zij op ons afkomen, zijn wij ten eenenmale weerloos. (Zie bladz. 24.)
De paarden werden aangespannen, de vrouwelijke passagiers gingen weder naar binnen en de mannen, tot tegenweer gereed, vatten post aan weerszijden van den wagen die door de paarden in de richting van het Westen voortgetrokken werd.
Het was zoo donker dat de lantarens ternauwernood een pas of twintig voor hen uit een weinig licht verspreidden. De harde wind was in een hevigen storm veranderd. Er viel geen sneeuw, wel dwarrelden er eenige vlokken door de lucht, maar die werden door den wind van het ijsveld opgejaagd.
Dit alles zou nog zoo erg niet geweest zijn indien de ijsvlakte maar stevig geweest was, maar dit liet veel te wenschen over. Zij hoorden het ijs onophoudelijk kraken, het werd in groote brokken gescheurd, die ieder op zichzelf een klein ijsveld vormden, en overal kwamen barsten waar het zeewater met stralen doorheen spoot.
Een uur lang reed de karavaan zoo voort, terwijl zij ieder oogenblik vreesden dat de bodem onder hunne voeten weg zou zinken. Het was niet mogelijk eene bepaalde richting te volgen, ofschoon Jan zijn uiterste best deed om op het kompas eenigermate koers te houden. Intusschen kwam dit er nu zooveel niet meer op aan als toen zij het kleine Diomedes zochten, dat zij in het Noorden of in het Zuiden gemakkelijk voorbij hadden kunnen rijden zonder het te zien. Zoolang zij ongeveer in Westelijke richting voorwaarts gingen konden zij de Siberische kust niet missen, want deze strekte zich over eene lengte van meer dan tien mijlen over het grootste gedeelte van den horizont uit.
De vraag was alleen maar: zouden zij er ooit komen. Zou de Schoone Zwerfster niet, lang vóór dat zij het zoo ver gebracht had, in de diepe wateren van de Behringstraat verdwenen zijn!
Dit was een verschrikkelijk gevaar, maar het was nog niet het eenige. De wind kwam uit het zuidoosten recht tegen den wagen aangieren, zoodat er ieder oogenblik gevaar bestond dat het rijtuig onderste boven zou tuimelen. Reeds hadden zij Cornelia, Napoleona en Kayette naar buiten doen komen. Sergius met Cascabel, Jan, Sander en Kruidnagel klemden zich aan de wielen vast en spanden hunne uiterste krachten in om den wagen tegen den wind in overeind te houden. Natuurlijk kwamen de paarden bijna niet van hunne plaats, terwijl de grond als het ware van onder hunne voeten wegliep.
De harde wind was in een hevigen storm veranderd. (Zie bladz. 26.)
Omstreeks halfzes des morgens van den 26sten October, te midden eener ondoordringbare duisternis, waren zij eindelijk genoodzaakt midden op het ijs de Schoone Zwerfster te doen stilstaan. De paarden konden geen stap meer doen. Het ijsveld golfde onophoudelijk, in beweging gebracht door eene zware deining, die uit de Behringzee kwam en de Straat, ware zij niet met ijs bedekt geweest, in eene onstuimig door elkander woelende watervlakte veranderd zou hebben.
-Wat zullen wij beginnen? vroeg Jan.
-Wij moeten zien dat wij op het eiland terugkomen, riep Cornelia, die niet meer in staat was Napoleona tot bedaren te brengen.
-Dat kan nu niet meer, zeide Sergius.
-Waarom niet? vroeg Cascabel. Ik vecht nog liever tegen robben dan tegen dit stormweer.
-Ik herhaal dat het niet mogelijk is, verzekerde Sergius op nieuw. Wij kunnen niet tegen den wind in, de wagen zou daar stellig niet tegen bestand zijn. Hij zou òf in stukken gaan òf door den storm achteruit gejaagd worden.
-Als wij maar niet genoodzaakt worden de Schoone Zwerfster aan haar lot over te laten! zeide Jan.
-Wat, die hier op het ijs laten? hernam Cascabel. Wat moet er van ons worden als wij ons huis op wielen niet meer hebben?
-Wij zullen het uiterste doen om het zoo ver niet te laten komen, antwoordde Sergius. De wagen is ons eenige behoud en wij moeten hem tot elken prijs zien te redden.
-Er valt dus niet meer aan te denken om naar Diomedes terugtekeeren? vroeg Cascabel andermaal.
-Onmogelijk, herhaalde Sergius. Wij moeten vooruit zien te komen. Laat ons moed vatten en bedaard trachten te blijven, dan zullen wij Numana nog wel halen.
Deze woorden gaven allen weder eenige hoop. Het was maar al te duidelijk dat er geen sprake kon zijn van naar het eiland terug te keeren. De wind blies zoo fel uit het zuidoosten dat menschen noch paarden in staat waren daar tegen in te gaan. Evenmin kon de Schoone Zwerfster op dezelfde plaats blijven, want alle pogingen om den wagen overeind te houden tegenover zulk eenen wind, konden op den duur niet beletten dat hij om zou slaan.
Het was nu een uur of tien en dag geworden, als men ten minste eene grauwe nevelige schemering daglicht noemen mocht. Laaghangende wolken joegen in wilde vaart over de gure ijsvlakte. De wind deed niet alleen de losse sneeuw opstuiven, maar kleine stukjes ijs vlogen als scherpe hagelsteenen rond. In anderhalf uur tijds kwamen zij nauwelijks eene halve mijl vooruit; alles werkte tegen; ieder oogenblik stieten zij op waterplassen die zich te midden van het ijs gevormd hadden en op schotsen welke op elkander gekruid waren. De uit de open zee komende deining bracht het ijsveld aanhoudend in beweging, met harde schokken, zoodat het leek alsof zij zich op een slingerend schip in eene moeielijke zee bevonden.
Te kwart vóór eenen ongeveer kwam er een schok, harder dan een van de vorigen. Rondom den wagen barstte het ijs in alle richtingen, tot een heel eind van hen af. Vlak vóór de voeten van de paarden opende zich eene scheur van wel dertig voet breedte.
Sergius gaf een schreeuw. Eenige schreden van deze opening af bleven allen stilstaan.
-Pas op voor de paarden! riep Jan. Vader, wij moeten de paarden zien te redden!
Helaas, het was te laat! Het ijs brak af en de arme beesten verdwenen in de diepte. Gelukkig dat de trektouwen afbraken, anders ware de Schoone Zwerfster op hetzelfde oogenblik in de scheur gestort.
-Mijn arme paarden! riep Cascabel wanhopig uit.
De trouwe dieren, die hen zoovele jaren overal heen vergezeld hadden, die hen zooveel diensten bewezen en al hunne lotswisselingen gedeeld hadden, waren door de zee verzwolgen! Niemand van het gezin kon zijne tranen bedwingen bij dit rampzalig verlies.
-Achteruit, achteruit! riep Sergius.
Met inspanning van alle krachten slaagden zij er in den wagen van den rand der scheur, die hoe langer hoe wijder werd door het op en neer gaan van het ijs, terug te trekken. Een pas of twintig meer naar achteren kwamen zij weder op eenigszins vasteren bodem.
Daar waren zij voor het oogenblik betrekkelijk in veiligheid, maar wat nu te beginnen? De Schoone Zwerfster midden op het ijs laten staan, naar Numana den tocht voortzetten en van daar met een span rendieren den wagen terug zien te krijgen? Er scheen niets anders op te zitten, maar het was bijna niet te doen!
Op eens riep Jan verschrikt: Mijnheer Sergius, kijk toch eens! ....kijk eens, wij drijven af!
-Drijven wij af, zegt ge?
Het was maar al te waar!
Er viel niet meer aan te twijfelen. Het ijs was overal in de Straat losgeraakt en tusschen de beide kusten aan het drijven. Tengevolge van de harde windstooten was het ijsveld, dat door de lage temperatuur week was geworden en nergens meer stevig aan elkander hield, in alle richtingen gescheurd en in stukken gebroken. In het Noorden waren groote open vakken gekomen, daar dreven de schotsen heen en stapelden ze zich op de eene plaats opeen, terwijl ze op de andere onder het ijs schoten. Hierdoor kreeg het stuk, waar de Schoone Zwerfster op stond, ruimte en begon het, door den harden wind in beweging gebracht, te drijven. Aan eenige op eenen afstand staande ijsklompen, die nog niet in beweging waren, konden zij duidelijk zien dat zij van plaats veranderden.
De arme beesten verdwenen in de diepte. (Zie bladz. 29.)
Hun toestand die reeds zoo moeielijk was, werd nu nog veel gevaarlijker. Al lieten zij den wagen in den steek, dan konden zij nog bij geen mogelijkheid te Numana komen. Er waren nu geen scheuren meer die zij om konden trekken, maar groote wakken, waar zij onmogelijk over konden en die onophoudelijk, tengevolge der zware deining, van richting veranderden. De groote schots, waar zij op stonden, werd aan alle kanten door de zee gebeukt en nu her- dan derwaarts voortgeschoven. Hoe lang zou het nog duren, dat dit brok in kleinere stukken gescheurd werd?
Er scheen geen kans op redding meer. Zij konden niet vooruit, zoo min naar den kant van de Siberische kust als ergens anders heen. Het ijsveld zou blijven drijven zoo lang het nog heel was en misschien zou het pas tot staan komen wanneer het stuitte tegen de onverwrikbare ijsmassa, ver in het noorden, waar het poolijs nimmer loslaat of van plaats verandert.
De mist werd hoe langer hoe dikker, het werd steeds duisterder en tegen twee uur 's middags konden zij nog slechts enkele schreden voor zich uitzien. Zij stonden allen tegen den wagen en deden hun best om zich zoo goed mogelijk voor den wind te beschutten, terwijl zij, zonder een woord te spreken, angstig naar het noorden blikten. Niemand durfde raad te geven, want niemand zag een uitweg. Cornelia, Kayette en Napoleona stonden, in pelzen gewikkeld, dicht tegen elkander aan. Sander was meer verbaasd dan bang; onwillekeurig floot hij een deuntje. Kruidnagel was in den wagen bezig met de voorwerpen, die door den schok van hunne plaats geraakt waren, weder terecht te zetten. Sergius en Jan hadden hunne bedaardheid teruggekregen, maar met Cascabel was dit niet het geval. Bitter verweet hij zich thans dat hij allen die hem dierbaar waren, aan zulke gevaren blootgesteld bad.
Intusschen trachtten zij zich rekenschap te geven van hunnen toestand. Wij hebben reeds vroeger uiteengezet dat er twee stroomen in tegenovergestelde richting door de Behringstraat loopen, de een naar het Zuiden, de ander naar het Noorden. De eerste is naar het schiereiland Kamschatka, de tweede naar het Behring-eiland gericht. Kwam de schots, waarop zij ronddreven, in den zuidelijken stroom, dan kon het niet anders of zij moest dien kant op en bestond er kans dat zij op de kust van Siberi? terecht kwamen. Geraakten zij echter in den stroom naar het Noorden, dan dreven zij hoogstwaarschijnlijk de IJszee in, waar geen vasteland of eilandengroep hunne vaart kon stuiten.
De storm werd hoe langer hoe heviger en ongelukkig genoeg draaide hij meer en meer naar het Zuiden. De trechter, die door het land aan weerszijden gevormd wordt, trok de wind als het ware naar zich toe, zoodat het een ware orkaan werd die telkens van richting scheen te veranderen.
Sergius en Jan deden echter hun best om de windrichting te bepalen, maar voor zoover hun dit gelukte kwamen zij tot de slotsom dat er weinig kans voor hen overbleef om door den stroom naar Kamschatka gezet te worden. Het kompas deed duidelijk genoeg zien dat hunne schots naar het Noorden dreef. Misschien kon zij nog terechtkomen op Prins-van-Wales-land, dat is op de kust van Alaska, niet ver van Port-Clarence, maar op zulk een gelukkigen afloop mochten zij nauwelijks rekenen. Tusschen de Oostkaap en kaap Prins-van-Wales is de opening van de straat zóó wijd, dat het bijna niet denkbaar was dat zij tegen de Amerikaansche kust zouden blijven vastzitten.
Zij konden zich op hunne schots bijna niet meer staande houden; de wind blies zoo fel dat het een wonder was zoo er nog iets overeind bleef. Jan, die een weinig naar achteren gegaan was om te zien of het ijs onder het beuken der golven nog meer afbrokkelde, werd onderste boven geworpen en zou, als Sergius hem niet bijtijds gegrepen had, in zee gevallen zijn.
Het was een vreeselijke nacht dien de ongelukkige zwervers doorbrachten. Zij konden nu met recht schipbreukelingen genoemd worden. Ieder oogenblik was er een nieuwe schrik. Er kwamen drijvende ijsbergen in den weg, die tegen hunne schots aanbonsden met een donderend gekraak en eene dreuning alsof het stuk ijs in splinters zou vliegen. Stortzee?n kwamen er overheen en overstelpten het, als moest het voorgoed in de diepte verdwijnen. Het zeewater vloog, door den wind opgejaagd, als stof door de lucht en maakte hen doornat; de koude drong door tot op hun gebeente. In den wagen was het droog, maar de stormvlagen deden het rijtuig trillen en waggelen, zoodat Sergius noch Cascabel het raadzaam vonden de vrouwen naar binnen te laten gaan.
Langzaam kropen de uren voorbij. (Zie bladz. 32.)
Langzaam kropen de uren voorbij. De open vakken werden hoe langer hoe grooter en zij dreven nu met minder schokken voort. Het kon zijn dat hunne schots reeds in het wijdste gedeelte van de Straat gekomen was, dat eenige mijlen verder in de opene IJszee overgaat. Misschien bevonden zij zich reeds noordelijker dan de poolcirkel. De stroom, die uit de straat loopt, had hen dan voorgoed beet, en die welke hen naar Kamschatka voeren kon, lag reeds buiten hun bereik. Werden zij niet gestuit door de Amerikaansche kust, wat bijna niet te denken was, dan konden zij nergens anders meer terecht komen dan op het vaste ijsveld in het verre Noorden.
De dag scheen weinig goeds te kunnen brengen en toch verlangden zij allen naar het flauwe daglicht. Dan hoopten zij hunnen toestand een weinig duidelijker te kunnen overzien. De ongelukkige vrouwen stonden te bidden. Zij begrepen dat er geen andere hulp meer te wachten was dan van Gods goedheid.
Eindelijk brak de dag aan. Het was de 27ste October. Maar de storm werd er niet minder op. Zelfs scheen het alsof de wind, nu de zon boven den horizont stond, nog heviger werd.
Met het kompas in de hand keken Sergius en Jan naar alle richtingen uit, maar tevergeefs zagen zij naar het Oosten en naar het Westen, nergens was land te ontdekken.
Het was maar al te duidelijk. Door den stroom uit de Behringstraat gejaagd, dreef de ijsschots recht naar het Noorden.
Wij behoeven niet te zeggen dat de harde storm, welke in dezen tijd van het jaar iets ongewoons was, te Port-Clarence groote ongerustheid had doen ontstaan over het lot der reizigers. Maar de bewoners dezer plaats waren niet in staat hen te hulp te komen, want zij konden tengevolge van het losraken van het ijs hen niet genaken.
Te Numana was dit ook het geval. De beide russische politiebeambten, die twee dagen vroeger den overtocht gemaakt hadden, hadden daar verteld dat de Schoone Zwerfster in aantocht was. Deze twee maakten zich echter niet ongerust uit vriendschap voor onze zwervers. Zij stonden op den loer om zoodra graaf Narkine den voet op den Siberischen wal zette, hem gevangen te nemen. Zooals de zaken nu stonden, moesten zij het er echter voor houden dat hunne prooi hen ontsnapt en de balling tegelijk met de familie Cascabel omgekomen was.
Drie dagen later scheen dit vermoeden bevestigd te worden toen er in een kleinen inham van de kust twee doode paarden kwamen aanspoelen. Dat waren Vermout en Gladiator, het tweespan van het kunstenmakersrijtuig.
-Een geluk is het, zeide een van de politiemannen, dat wij een weinig vroeger dan onze man de Straat zijn overgestoken.
-Een geluk bij een ongeluk, antwoordde de ander. Want het blijft jammer dat hij ons ontgaan is.
Drijvende.
Men weet thans hoe op den ochtend van den 27ste October de toestand van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.
Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden, in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?
Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.
-Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevaren omringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken, en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.
-Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg Cascabel.
-Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder, wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.
-Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?
-Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.
-Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van ons en nu zijn ze door mijne schuld......
Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.
-Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan, nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel, Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar beginnen als wij de Schoone Zwerfster in den steek laten.....
-Wat zegt ge? In den steek laten?
-Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.
-Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.
-Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtte Sergius hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.
-Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.
Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.
Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden, hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was, besteedde hij met deze waarnemingen.
Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen, toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe zee?ngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.
Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had, waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.
Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen hoek teruggeloopen.
Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandigheden waarin zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.
-Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat een omweg!
De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren, was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in de Schoone Zwerfster die, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep van omver te slaan.
Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen gingen aan tafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders, toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen overgelaten.
Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels, petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels dragen, vlogen over hunne hoofden.
De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31ste October, kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur was geen daling of rijzing merkbaar.
Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten, hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog geen belangrijke schade aan toegebracht.
Met de uiterste inspanning was het hun gelukt de Schoone Zwerfster naar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer te vreezen was.
Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen, was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden die ijsmassa's plotseling onderste boven, als door de eene of andere onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.
Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij, maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen, niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven het hoofd. Telkens als er zoo'n groote ijsklomp in het zicht kwam zochten zij allen eene schuilplaats rondom de Schoone Zwerfster en klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon, was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene voeten dikker was.
Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen, glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van de Schoone Zwerfster afknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem, waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.
Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz. 39.)
Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewone weersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier, op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder, die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden, hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken, zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te San Diego, of op de Siberische kust, te Petropavlovsk of te Okhotsk aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen, niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke ijsrand in het verre Noorden zijn kon!
Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was, en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven, zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde vlakten van Siberi?, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst, vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf niet in de golven gevonden hadden.
Van den 2den tot den 6den November kwam er nog geene verandering, alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.
Eindelijk kregen zij den 7den een vast punt in het oog, waar zij ten naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.
Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevond zich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte niet iets te onderscheiden viel.
Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:
-Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan dat geen berg zijn?
-Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een ijsberg wezen.
Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche meisje heen wees.
-Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een oogenblik gekeken te hebben.
Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.
-Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette heeft scherper oogen dan wij.
Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.
-Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige uitgestrektheid hebben, meende Jan.
-Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan, en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.
-Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit den berg opstijgen.
-Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.
-Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.
Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.
Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was, zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting, die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op de sneeuw getrokken hadden.
-Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden, zeide Sergius.
Zij keerden met hun drie?n naar de Schoone Zwerfster terug, Jan haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen zij spoedig te weten wat zij zochten.
Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende, eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten, noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen, doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden, want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen het eiland en de Siberische kust doorloopt.
Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen, Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat, verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.
Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn, had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land van elkaar scheidt.
Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust, dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld, dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.
De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewone omstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn dan door de Schoone Zwerfster in den steek te laten, en het was bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht over het ijs afteleggen.
De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was, woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzee?n kwamen tot in de onmiddellijke nabijheid van de Schoone Zwerfster en dreigden den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.
Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin van November in groote massa's gevallen was, op te hoopen tot eene soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de stortzee?n af te weren.
Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel's rug nog al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij ongeluk op Sergius' hoed terechtkwam.
-Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.
-Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan over hare onhandigheid.
Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz. 44.)
-Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. Mijnheer Sergius, gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.
-Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.
Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.
Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen, maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat de Schoone Zwerfster omgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip, dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.
Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen, dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en het ijs in de poolzee begon te smelten, zou de Schoone Zwerfster dieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door de golven verzwolgen te worden!
Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat uit hunne schelmerij voortvloeide.
Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken, zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten en gedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het "kwakkeltje" zooals Cascabel haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.
-Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag, waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.
-Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft hem uit te voorschijn gehaald had.
De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.
Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht, dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.
Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven, altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azi? gelegen zijn.