Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms in de verte het eentonig gebrom eener torenklok.
De diepste stilte heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond was.
Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft, maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch zijner borst.
O, ongelukkig,-duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds twintig jaar de hel in zijn hart droeg?
Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren liet,-dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.
En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel verried;-toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde; alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon vergaderde.
Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging, waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij biddend om troost en verlichting mocht smeeken.
Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol zielepijn, dáár tegen den populierboom rustte....
En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:
"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem."
Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang, en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte; want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.-Op eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:
"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,-ik moet drinken!"
Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:
"Ha! daar is niemand in,-ik zal kunnen drinken!"
De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op iets schenen acht te geven.
Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker nagezien.
De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd dieper en ontging dus haar onderzoek.
Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien, dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte, en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid had opgewekt.
De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot op de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling.
"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!"
De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde, geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap van burgeren dorst begeven.
De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de waardinne:
"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.-Gij zoudt ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!"
"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken mans huis komt?"
En zich tot Geeraart keerende:
"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij nog niet, beulenras?"
De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar met koelheid:
"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven. Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond behandelt!"
De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog. en den Stooter van den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende:
"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"
Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met afschrik op eene tafel.
"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"
Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd.
De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek. Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle leeuw tegen zijne vijanden uit:
"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt, dat ik een beulskind ben,-ja, zoo wilde het God!-doch gij zijt verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt, gelijk!"
Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne macht....
Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken; de waardin riep om hulp....
Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit.
* * *
Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand tot zwichten.
* * *
Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem uitermate,-omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als
een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste harer stadgenooten.
Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.-een goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder liefhad.
Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid slechts één licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank, waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid, wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd, doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet veel met het dagelijksch werk hunner handen.
Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde.
"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"
"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo boos op hem"
"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren verdronken?"
"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"
"Dit weet ik niet,-niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen zoovele onnoozele menschen ophangen."
"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom verdrinken ze dan liever den schout niet?"
"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord, dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt."
"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."
Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak:
"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"
Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen.
"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en dan is mijne kant afgewerkt."
"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."
"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit naaikussen afmaken voor de waardin uit het Paardeken; zij zal het morgen vroeg komen halen."
"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach, "gij zult gewis op Zondag meer in het Paardeken gedronken hebben, dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te betalen.-Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat."
Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het mompelen van een stil goeden nacht.
Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten.
Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste liefde.
"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God! er is bloed aan uwen hals...."
"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam mocht lijden."
Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen gevoelen.
Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel nederzinkende, hem toeriep:
"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw gezicht...."
De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk verscheurde.
Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen stoel voor haar nederzat, sprak hij:
"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem hoort gij voor de laatste maal."
Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij voort:
"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd, trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben, want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid uwer min.-De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed, dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen verpletterd werd,-maar de pijn,-de foltering zit dáár!"
Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus voortging:
"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid, door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,-zonder ooit, ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die pletterende overtuiging?"
"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..."
Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:
"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina, wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,-morgen, ja reeds morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven moet, koud als ijs.-Daar, voel!"
En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.
"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"
Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan, hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij:
"Welnu, wat eischt gij dan?"
"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"
"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel ook droog geworden zijn?"
"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van u vragen;-gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?-Gelooft gij mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet, dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"
Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde, te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:
"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe, morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,-hier of op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den balsem der genegenheid altijd doen vloeien."
"Nooit,-nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting trekken? O, neen."
"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest, dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen."
Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en riep:
"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij eenen uwer engelen geschonken."
Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der trotschheid zien blinken.
Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:
"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."
Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij:
"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."
"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar dan zal ik u bijstaan."
De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op nadrukvollen toon:
"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan wel!"
En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van haren minnaar in de straat galmen en vergaan.
* * *
Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.
Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter aanduidde.
Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:
"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"
"Ja, hij gaat daareven weg.-Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, dat hij u wacht."
Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke vader op een bed lag uitgestrekt.
De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn hoofd had teruggetrokken.
Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.
Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij met bevende en dorre stem:
"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn vonnis?-Zal ik beul zijn?"
"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats neme.-Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, mijn ongelukkige zoon."
De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:
"Het is dus morgen, morgen, vader,-dat de laatste hoop op geluk mij moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop..... Betaalde moordenaar! Moordenaar!"
"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden vergoedt."
Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:
"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers, bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."
"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch nooit heb ik ze begrepen."
"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge uitstorten-en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten; want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal mij zelven verachten.-En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."
"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, "neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op de openliggende bladzijde."
Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: "Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O, maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul; men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het slijk der schande begraven te worden?"
"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven vinden."
"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet. En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel terugvinden."
De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te begeven, zeide hij:
"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog éénen raad geven.-Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u verheffen;-en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het noodlottig werk te volbrengen.-Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over u."
Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:
"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"
In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien, bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.
Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal hadde verlustigd.
* * *
Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en aangetogen hadden.
De kinderen speelden huppelend in de straten, en eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken.
Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne verbeelding tot den woon van God op te klimmen.
Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk gewaad en met blinkende wapenen.-Dezen ook voorbij zijnde, kwam er eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te kennen:
De omgang!-Daar is de omgang!
En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen, zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun baarde.
Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen, de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip, en meer andere schoone zinnebeelden.
Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen, hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun aangezicht blonk.
Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde.
De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,-schrikkelijk teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs één uur meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte haren rezen te berge op zijn hoofd.
Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.
"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."
Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:
"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;-mijne handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,-eene vrouw, o, Lina, Lina!-indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet geweest!-Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te dooden-doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb geweend totdat het mes mij ontvallen is."
Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:
"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?"
"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.-Wat ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!
Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder eenen tranenvloed.
"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?
De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. Hij sprak:
"Vader, o, vergeef mij,-ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de verfoei?ng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."
Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.
In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.
* * *