Genre Ranking
Get the APP HOT
Home > Literature > Andersens Sproken en vertellingen / Morgenrood
Andersens Sproken en vertellingen / Morgenrood

Andersens Sproken en vertellingen / Morgenrood

Author: : H. C. Andersen
Genre: Literature
Andersens Sproken en vertellingen / Morgenrood by H. C. Andersen

Chapter 1 No.1

De kleine Rudy.

Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.

Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.

Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap-Rudy heette hij-keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.

Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.

?Kom maar eens met mij op het dak!? had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!

?Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!? was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. ?Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!?

En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.

?Hooger op!? zeiden boom en struik. ?Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!?

Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.-Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank.

De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: ?Wij en gij! Gij en wij!? Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.

Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. ?Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,? had zijn moeder geschreven; ?van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.? Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.

De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rh?nedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.-Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,-zooals de Zwitsersche boer gelooft.

Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.

?Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!? spreekt zij. ?Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!?

Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.

?Ja, dien grijpen!? zei de duizeligheid. ?Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!?

?Wij zullen het wel gedaan krijgen,? zei de ijsjonkvrouw. ?Gij of ik! Ik, ik!?

?Neen, neen,? klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,-het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat ?Alpengloed.? Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.

?Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!? zeiden zij.

?Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!? zei de ijsjonkvrouw.

Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,-de wind nam het hulsel, maar den man niet; ?ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!?

Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.

Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.

Chapter 2 No.2

De reis naar de nieuwe woning.

Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen in het Rh?nedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn grootvader goed en deze liet hem vertrekken.

Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats Ajola, den ouden hond.

?Uw vader was postiljon en ik was posthond,? zei Ajola. ?Wij zijn ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet zooals het behoort;-maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, noch door huilen!?

Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, maar deze verzette zich hiertegen.

?Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, dan blijft ge wel hangen!?

Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.

De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.

?Rudy wil over de bergen trekken!? zei de eene kip.

?Hij heeft altijd zoo'n haast!? zei de andere, ?ik neem niet graag afscheid!? En nu trippelden zij beiden weg.

Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een ?Mê, mê!? hooren en wilden meegaan: dat was zeer treurig.

Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.

De zwaluwen vlogen een eind mee. ?Wij en gij! Gij en wij!? zongen zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.

Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's, die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier namen de ?Jungfrau,? de ?M?nch? en de ?Eiger,? aan ieder kind in die streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in het geheugen van Rudy.

Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de lucht naar de wonderbare, drijvende stad Veneti? overbracht, van den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.

Het was een ?f?hn,? die geweldige stormwind, die zich van de bergen af in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.

Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, viel hij als op kommando in slaap.

Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen in zijn nieuwe woonplaats?

Chapter 3 No.3

De oom.

In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.

De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar begroeiden hals.

Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden frissche Alpenrozen en een brandende lamp.

Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al spoedig wortelen in het huis en in het hart.

?Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,? zei de oom, ?en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het afgesletene vervalt!? zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, beklagenswaardige kroplijders; ?maar de Fransche soldaten kwamen hier, zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en de meisjes hebben er ook verstand van!? Daarbij knikte de oom zijn vrouw, die een geboren Fran?aise was, al lachend toe. ?De Franschen hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een kind van drie jaar kan zeggen: ?Ga eens naar Itali? toe! Houd den grooten weg maar!? En het kind zal goed en wel in Itali? aankomen, als het den grooten weg maar houdt!? Daarop zong zijn oom een Fransch lied en riep ?Hoera!? en ?Leve Napoleon Bonaparte!?

Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk en van Lyon, de groote stad aan de Rh?ne; daar was zijn oom geweest.

Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken en het schieten; hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, 's middags of 's avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.

Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.

Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.

?Houd je vast, Rudy!? zei de oom, ?houd je met alle macht vast!?

En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, de eerste huivering, die hem over de leden ging.

Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.

?Schrijf een brief voor mij!? zeide hij. ?Saperli kan niet schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!?

?Een brief van jou?? vroeg Rudy. ?En aan wien??

?Aan den Heer Christus.?

?Aan wien, zeg je??

En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen en zeide op een plechtigen en vromen toon:

?Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.?

Rudy drukte hem de hand en zei: ?De brief komt daar niet aan en geeft ons hem niet terug!?

Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te doen inzien.

?Nu ben je de steun des huizes!? zei zijn tante en pleegmoeder, en Rudy werd dit ook.

Download Book

COPYRIGHT(©) 2022