December in Londen, een koude mist. Een wit waas om White-Rose, in de achterkamer een groot vuur. Maar Bertie was in geen stemming om van dat bien-être, waaraan hij reeds gewend was, te genieten; hij beschouwde het daarenboven als iets geheel en al natuurlijks, dat hem, van rechtswege, toekwam, omdat hij een fijn gestel had, klein en tenger was, en zich niet geboren voelde om ellende te lijden.
En toch had hij ellende gekend: de slavernij van dienstbare betrekkingen, waaronder hij met eene serviele en kruipende diplomatie had weten te buigen; toch wist hij van de nijping van honger, de goorheid van vunze armoede ... Wat scheen dat alles lang geleden, vaag als een droom, als de lijnen van dat Londensche tuingezicht daar buiten, afgestompt in de bleeke vaalte der nevels, o vaag als een onduidelijk vermoeden van een voorbestaan! Want hij had na zijne metamorfoze willen vergeten, hij had zich gedwongen te vergeten, geen seconde aan een verleden, ook niet aan eene toekomst te denken; hij haatte zijn verleden als eene onrechtvaardigheid, als eene schande, als eene onuitwischbare vlak op de uiterlijke onberispelijkheid van zijn heden: iets, dat steeds verborgen, begraven, brutaal ontkend moest worden, tot hijzelf gelooven zo?, dat het niet bestaan had. En hoe was hij voor zich geslaagd in deze vernietiging zijner Amerikaansche jaren, die uitgewischt schenen in de annalen zijner herinnering!
Waarom moesten die jaren dan nu, langzaam, als spoken, voor zijn geest oprijzen uit het graf hunner vergetelheid? Waarom kregen zij, eerst spoken! al meer en meer omtrek, tot zij, duidelijk van lijn, helder gekleurd dag aan dag, maand aan maand schakelend, opwarrelden in de vlam van het vuur, waarin hij moedeloos staarde, een doodendans van jaren gelijk, die hem aangrijnsden als met doodskoppen, met holle oogen en bleeke tronies, verwrongen door een sluw gemeenen grimlach; jaren, die hem toewuifden met vuile lompen en zijn reuk ontzenuwden met een goren stank? Hij zag die jaren, hij rook ze, hij rilde van hunne koude, daar in den gloed van dat vuur; hij voelde hun honger, trots het souper, dat hem wachtte.... Waarom? O, was het, omdat de toekomst, die hij eveneens ontkende, thans begon te dreigen als een onheil, dat iederen dag, ieder uur, nader en nader kwam, onafwijsbaar, onafwendbaar, en omdat die toekomst wellicht zo? zijn, als dat verleden?
Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst, làf, zonder geestkracht, zonder moed.... Er dreigde iets en hij voelde het naderen, hem overvallen, met hem strijden op leven en dood, in eene overspanning van wanhoop: hij voelde zich wankelen, nederzinken, hij voelde zich gerukt worden uit de fluweelen zachtheid van zijn leven, neergesmakt worden op straat, zonder dak, zonder iets ... Wat behoorde hem toe! Het linnen aan zijn lichaam, de schoenen aan zijne voeten, de ring aan zijn vinger, het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed boven, het was van Frank. Zoo was het geweest een vol jaar lang en als hij ooit weg zo? moeten gaan met alleen het zijne, dan zou hij moeten gaan ... naakt, in den winter. En hij kón niet meer zijn, als hij geweest was in Amerika, dienstbaar scharrelend van den eenen dag op den anderen. Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. Want het dreigde, gruwzaam, onbarmhartig: geen seconde was die bedreiging van hem af, en, in de lafheid zijner verweeking, wrong hij er zachtjes zijne witte handen om, en drupten er twee tranen langs zijn strak masker van wanhoop.
Te strijden voor zijn bestaan! Hij kon het niet meer; zijne energie was er te zwak voor: eene zwakte, die hij over zich had voelen komen als een wellust, na zijn getob met het leven, en die hem nu onmachtig maakte, zich tot een zweem van geestkracht in te spannen! En vóór zich zag hij de noodlottige keten der, soms oneindig-kleine, gebeurtenisjes zich opnieuw ontrollen, ieder gebeurtenisje een vreeslijke schakel, soms leidend tot catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als zijn vader, na het mislukken zijner indolente studies te Leiden, hem niet in een administratief betrekkinkje naar eene fabriek te Manchester verbannen had, dan had hij denkelijk nooit sommige jongelui leeren kennen, zijne medeklerken aldaar, fashionable boeven en gevaarlijke strijders voor het leven, nog halve knapen en reeds rot van eene verdorven jeugd ... Als hij ze niet gekend had-en hoe gemakkelijk hadden ze, zijne aangeboren neigingen slechts te gemoet komend, hem medegesleept!-dan had hij misschien toch niet zóó lichtschuwe geldknoeierijen bij zijne fabriek bedreven, dat zijn patroon, uit medelijden en vriendschap voor zijn vader, hem naar Amerika geholpen had ...
Daar was hij het diepst gezonken, ondergegaan in het schuim van spartelende gelukzoekers ... O, ware hij niet in Amerika verongelukt, hij zo? niet, in de grootste ellende te Londen gestrand, Franks hulp hebben ingeroepen. En Frank ... Frank ware zonder zijn drijven niet naar Noorwegen gereisd, had zonder hem dus Eve niet ontmoet. O, die reis naar Noorwegen, hij vloekte ze nu, want zonder Noorwegen ware Frank misschien nooit verliefd geworden en had Frank wellicht nooit gedacht aan trouwen! En nu ... Frank was gisteren naar de woning van Sir Archibald gegaan, waar de jongelui na hunne Noorweegsche ontmoeting veel waren gekomen, en Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zo? trouwen en ... hij, Bertie? Waar zo? hij blijven, wat zo? er van hem worden?
Zwaar gevoelde hij de noodlottigheid van het leven, en de onrechtvaardigheid der levensaaneenschakelingen en hij zag in, dat hij zijn eigen ongeluk had opgeroepen door slechts een enkel woord ... Een enkel woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks aanstaand huwelijk, zijn eigen ondergang ... hoe hatelijk duidelijk zag hij die enkele schakelen zijner levensketen in elkaar geklonken! Eén woord, uit eene domme intu?tie geuit: Noorwegen: en hij bewerkte onherroepelijk het geluk van twee anderen, ten koste van zichzelven! Onrechtvaardigheid, onrechtvaardigheid!
En hij vloekte de intu?tie, die geheime domme kracht, waarvan een beetje is in ieder woord, dat wij uiten, en hij vloekte dit: dat ieder woord, iedere klank der menschelijke stem, niet overlegd kan zijn. Wat was het toch, intu?tie? Iets stom en goedigs, een soort zinneloos beter ik, zooals de menschen zeggen, dat, diep verborgen, in het geheim, maar voortholt als een dol veulen, dwars door de fijnste verwikkelingen der spinnende gedachte heen! O, had hij maar gezwegen van Noorwegen! Wat gaf hij om dat eene, noodlottige, land boven alle andere landen? Waarom niet Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamschatka, voor zijn part; waarom juist Noorwegen!! Domme intu?tie, die zijne vervloekte lippen verlokten te zeggen: Noorwegen, en onrechtvaardigheid van het lot, het leven, van alles!!
Energie? Wil? Was dáár tegen te willen en energiek te zijn? Woorden, niets dan woorden! Hurk fatalistisch neêr als een Arabier, en laat dag volgen op dag; denk niet na, want onder de gedachte loert ... de intu?tie! Vechten? Tegen het lot, dat zijne kettingen blind in elkaar voegt, schakel aan schakel?
Hij wierp zich woest achteruit in zijn stoel en steeds wrong hij zachtjes zijne handen, steeds drupten twee tranen van zijn oog. En hij zag zijne lafheid voor zich staan, hij staarde zijne lafheid in de bange oogen, zonder haar te veroordeelen. Want hij was zooals hij wàs, hij was laf en kon zich niet veranderen! De menschen noemden iemand, die was als hij: laf; dat was een woord! Waarom was laf: slecht; eerlijk en moedig: goed en mooi? Alles conventie, overeengekomen begrippen, zooals de geheele wereld éen conventie, éen hersenschim was. Er was niets, niets!
Maar er was toch iets: ellende, armoede! Hij had die gevoeld, met ze gevochten, lijf aan lijf, en hij was daar nu te zwak voor, te teêr, te fijn! Hij wilde niet!
Toen, achteruit geleund, het bleeke hoofd rustend op den fluweelen rug van den fauteuil, zijne diepe, zwarte oogen troebel van het gift der gedachten, voelde hij door zijne zwakte een zachten, gelijkmatigen, electrischen stroom gaan, een stroom van wil. Het noodlot had gewild, dat hij Eve en Frank samen zo? brengen; welnu, hij, armzalige speelbal van dat lot, hij zo? willen, dat ...
Ja, hij zo? willen, dat ze gescheiden wierden.
Het rees daar vast voor zijn blik, dat voornemen, ijzig en streng, een boos beeld van satanische slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het verpletterende gewicht er van in ... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!
Er was niets dan conventie en ... armoede. En dan-was er dat beeld, dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend, tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.