Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 6 No.6

Toen de oude heer den volgenden morgen eene wandeling naar Moldeho? voorstelde, beweerde Bertie wat moê te zijn en zich niet wel te voelen en vroeg vergunning thuis te blijven. De waarheid was, dat het weêr hem niet uitlokkend scheen; dat boven den bergenkrans, die het fjord afsloot, zwaar grauwe wolken dreven, als laag neêrhangende draperie?n van regen, die weldra dreigden geheel uit hunne donkere plooien te zullen vallen. Eve wilde zich echter niet laten afschrikken door die booze luchten; als men op reis was, moest men zich niet door een buitje van streek laten brengen.

Zij gingen dus met hun drie?n op weg, terwijl Bertie op zijne verlakte muiltjes in het salon van het Grand-H?tel bleef, met een boek en een borrel.

De weg was modderig, maar zij stapten dapper voort in hunne mackintoshes en hunne stevige laarzen. En de regen, die fronsend boven hunne hoofden bleef hangen, ontmoedigde hen niet, maar gaf integendeel een zweem van romantisch gevaar aan hun tocht, als dreigden zij te zullen vergaan in een naderenden zondvloed. Eenmaal van den grooten weg af en langzaam stijgende, verloren zij dikwijls het pad, dat in plassen moeras wegzonk, of onder, nog van regen druipende, varens en dwars door eene woekering van blauwe boschbessen schuil ging. De modder stapten zij op rotsblok na rotsblok over, de oude heer zonder hulp, maar Eve met hare hand in die van Frank, vreezende voor het uitglijden harer natte zolen op het gladde, geelgroene mos. Zij lachte helder, trippelend van steen op steen, steeds aan zijne hand, soms eensklaps uitglippend en tegen zijn schouder aanvallend, en daarna weêr moedig voortgaande, met zijn dikken stok de steenen verkennend. Het scheen haar toe, dat zij niet voorzichtig behoefde te zijn, nu hij haar steunde, dat hij haar zo? ophouden als ze viel, en ze praatte levendig door, overmoedig bijna springend van blok op blok.

-Wat is uw vriend toch voor een man, mr. Westhove? vroeg Eve plotseling. Frank schrikte een weinig; inlichtingen omtrent Bertie te geven was hem steeds eene zeer onaangename taak, minder om het verleden van zijn vriend dan wel om diens heden: zijn rustig klaploopen op hem, Frank, die, al was hij ook verslaafd aan zijn Bertie, toch wist, dat dit nu eenmaal in de oogen der wereld iets.... vreemds was.

-O, hij is iemand, die veel verdriet heeft gehad, sprak hij vaag en ontwijkend, en hij vervolgde:

-Heeft hij een aangenamen indruk op u gemaakt?

Eve lachte even omdat zij bijna voorover in een plas vette modder ware gevallen, zoo Frank zijn arm niet in eens stevig om haar middel had geslagen....

-Eve, Eve! riep Sir Archibald, hoofdschuddend. Wees toch wat voorzichtig!

Maar Eve herstelde zich reeds, met een licht blosje.

-Ja, wat zal ik u zeggen, ging ze door, hun gesprek vervolgend. Als ik u geheel en al de waarheid moest zeggen....

-Natuurlijk!

-Ja wel, maar dan zo? u misschien boos worden. Want ik zie wel, dat u dol is op uw vriend.

-Houdt u dan niet van hem?

-Wel, als u het dan weten wilt: den eersten dag, dat ik hem leerde kennen, vond ik hem onuitstaanbaar. Met u schoten we dadelijk aangenaam op, als met een prettigen reiskameraad, maar met hem.... hij heeft misschien niet veel gereisd?

-O, ja wel! sprak Frank, die moest glimlachen.

-Nu, misschien was hij dan verlegen of linksch. Maar later ben ik wel anders gaan denken en nu vind ik hem niet meer onuitstaanbaar....

Het was vreemd, maar Frank gevoelde weinig blijdschap over die verandering van gevoelens en hij bleef zwijgen.

-U zei, dat hij veel verdriet heeft gehad? Nu, dat kan men hem ook wel aanzien. En dan heeft hij zoo iets zachts, iets teeders zo? ik bijna zeggen, zulke zachte, zwarte oogen en zoo een lieve stem. Ziet u, dat alles vond ik eerst onuitstaanbaar, maar nu vind ik er zoo iets po?tisch in. Hij moet zeker dichter zijn en eene ongelukkige liefde gehad hebben; hij kàn geen banaal mensch zijn.

-Neen, dat is hij ook niet! sprak Frank vaag, in eene lichte malaise over Eve's extaze, en eene mengeling van jaloezie en treurigheid; iets als een afkeer van den schijn der wereld en een doffe ijverzucht op dit zacht-po?tische, dat Eve in zijn vriend vond, doorsidderde hem als eene huivering. Zijn blik zag even bijna week op naar het mooie jonge meisje, dat soms zoo verstandig, soms zoo na?ef was; geleerd, waar het hare lievelingsliteratuur, onwetend waar het het re?ele leven betrof; een dof medelijden kwam over hem en de grauwe regenwolken daarboven drukten eensklaps met een uitspansel van melancholie op zijn hoofd, als waren zij de bedreiging van een onafwendbaar noodlot, dat haar, Eve, zo? verpletteren. Onwillekeurig klemden zijne vingers zich vaster om haar hand.

-Hier is het pad weêr! riep de oude heer, een twintig passen voor hen uit.

-O ja, daar is weêr het pad! Dank u, mr. Westhove, sprak Eve, en zij sprong van het laatste steenblok af, doorwaadde de knakkende varens en bereikte den weg.

-En daarboven is de hut met den weêrhaan! vervolgde Sir Archibald. Ik geloof, dat we een omweg hebben gemaakt. Jullie kakelen ook maar in plaats van eens naar het pad te kijken. Je begrijpt, mijn oude oogen ...

-Maar de tocht over die steenen was heel jolig! lachte Eve.

In de verte, boven hen, zagen zij de hut en den langen stok van den weêrhaan en zij gingen nu gemakkelijker voort; hunne voeten verzonken in de bloeiende erica, druipend paars en roze, in de boschbessen, wazig blauw als heele kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte.

-O, wat zijn ze zoet! sprak ze met eene kinderlijke verrassing en ze snoepte er van, terwijl hare lippen en hare handen zich blauw vlakten met het sap des besjes. Proef eens, mr. Westhove.

Hij proefde ze uit hare kleine, zachte hand, nu bezoedeld als met een violet bloed. Het was waar, ze waren heerlijk zoet en zoo groot! En nu gingen zij voort, achter Sir Archibald, steeds bukkende, juichend als kinderen wanneer ze een heel veldje gevonden hadden, waarop de bessen onbezoedeld pronkten als wazige kraaltjes.

-Papa, papa! Proef toch eens! riep Eve opgetogen en verontwaardigd, dat papa maar doorliep, maar Sir Archibald was reeds ver uit het gezicht, zoodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve schaterend als een schelletje en het betreurend, dat ze er zooveel moesten laten staan, zulke heerlijke groote!

-Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank.

-Zo? u denken? riep Eve en helder op lachend:

-O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen!

De weg was breeder geworden, zij stegen dus gemakkelijker de hoogte op, dikwijls de kronkeling van het pad verlatend en de rotsen opklauterend om er gauwer te zijn. Eensklaps hoorden zij een luid geroep, en zij zagen naar boven en bespeurden Sir Archibald staande op de steenmassa, waarin de weêrhaan geplant was en wuivende met zijne reispet. Zij repten zich en weldra hadden ook zij de hut bereikt. Eve bonsde op de gesloten deur.

-De hut is gesloten! riep Sir Archibald.

-Hoe dwaas! sprak Eve. Waarom staat ze er dan, als ze gesloten is! En woont er niemand in?

-Wel neen, niemand! sprak Sir Archibald, alsof dit de natuurlijkste zaak ter wereld was.

Maar Frank hielp Eve de steenen rondom den weêrhaan beklimmen en zij zagen nu uit, naar het panorama beneden hen.

-Het is mooi, maar treurig! sprak Eve.

Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water, omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn, Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachelijke, bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met zijn stadje,-wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het vaalwitte chalet van het Grand-H?tel-het weende, roerloos onder de zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een zonsondergang....

Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak, scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een gaas.

-Kijk, daar is een beetje zon, over de zee ... Men smacht hier naar de zon ... O, ik wo?, dat de zon even doorbrak ... Het is hier zoo treurig, zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in "Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zo? hier bidden om wat zon en men krijgt niets dan dat glansje daar in de verte.... O, ik ril!

Zij huiverde werkelijk in de stijve, satijnige plooien gutta-percha van haar regenmantel; heur gelaat was lang en bleek en hare oogen groot en verlangend. En zij voelde zich eensklaps zoo verlaten in geheel hare ziel, dat zij instinctmatig den arm van haar vader greep, in eene behoefte om zich te dringen aan zijne borst.

-Ben je koud, kind? Willen we weggaan? vroeg Sir Archibald.

Zij knikte en zij hielpen beiden haar afstijgen van de steenen. Zij wist niet waarom, maar zij dacht eensklaps aan hare doode moeder en of die ook wel eens zich zoo verlaten gevoeld had als zij, trots de genegenheid van haar vader. Maar toen zij de hut weêr in het oog kreeg, sprak zij in eens, als met een inval:

-Papa, er zijn daar namen gesneden in die deur. Laten wij de onze er ook in snijden.

-Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek ...

-Ach neen, toe, laten we onze namen er in snijden. Ik wil het! pruilde zij dringend, als een bedorven kind.

-Wel neen, Eve, gekheid.

-Ach ik wil het! smeekte zij.

De oude heer gaf echter niet toe, mopperend, maar Frank haalde zijn zakmes te voorschijn.

-Mr. Westhove, snijd u dan mijn naam er ook in, alleen: Eve! Het zijn maar drie letters. Wilt u? vroeg zij zacht.

Frank had op de lippen te zeggen, dat hij haar naam zelfs zo? willen snijden, al ware die ook nog zoo lang, maar hij zweeg: het had als eene banaliteit geklonken, te midden van die treurende natuur.

En hij korf zijne letters in die deur, die was als een vreemdelingenboek. Eve stond stil te turen naar het westen, en ze zag, dat de drie lijntjes goud verbleekten en het roze wegsleet.

-De zon, de zon! murmelde zij onhoorbaar, rillend, met een bleek lachje om hare lippen en een vochten blik.

Er vielen zware droppels regen. Sir Archibald vroeg of zij kwamen en ging reeds vooruit.

Eve knikte hem droef glimlachend met hare wimpers toe en naderde Frank.

-Is u klaar, mr. Westhove?

-Ja, sprak Frank en korf nog haastig zijne laatste letters.

Zij zag toe en bespeurde, dat hij voor haar gesneden had: Eve Rhodes, met zeer nette, gelijke, glad uitgeschaafde karakters. Daaronder stond: Frank-grof en ruw gehouwen in de haast.

-Waarom heeft u Rhodes er bij gesneden? vroeg ze en hare stem klonk zeer gedempt, zeer van verre.

-Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022